rijk/verdrag/verdrag-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-de-verenigde-mexicaanse-staten/BWBV0001371
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten inzake de bevordering, de aanmoediging en de wederzijdse bescherming van investeringen BWBV0001371 verdrag geldend 1999-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0001371 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten inzake de bevordering, de aanmoediging en de wederzijdse bescherming van investeringen

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Mexicaanse Staten inzake de bevordering, de aanmoediging en de wederzijdse bescherming van investeringen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

1.

Wordt onder de term „investeringen” verstaan alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

a. a. roerende en onroerende zaken die zijn verworven in het vooruitzicht van of worden aangewend met het oog op economische voordelen of zakelijke doeleinden, alsmede andere zakelijke rechten met betrekking tot die roerende en onroerende zaken; b. b. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en joint ventures; c. c. aanspraken op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft, met uitzondering van:

        i.
        aanspraken op geld die uitsluitend voortvloeien uit commerciële contracten voor de verkoop van goederen of diensten;
      
      
        ii.
        kredietverstrekking in verband met een commerciële transactie, zoals handelsfinanciering;
      
      
        iii.
        kredieten met een looptijd van minder dan drie jaar,
      
    
    van een onderdaan op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij op een onderdaan op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. De uitzondering betreffende kredieten met een looptijd van minder dan drie jaar is echter niet van toepassing op kredieten die zijn verstrekt door een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij aan een rechtspersoon van de andere Verdragsluitende Partij die eigendom is van of onder al dan niet rechtstreeks toezicht staat van genoemde onderdaan;

i. i. aanspraken op geld die uitsluitend voortvloeien uit commerciële contracten voor de verkoop van goederen of diensten; ii. ii. kredietverstrekking in verband met een commerciële transactie, zoals handelsfinanciering; iii. iii. kredieten met een looptijd van minder dan drie jaar, d. d. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, goodwill en knowhow; e. e. rechten ontleend aan een concessie;

2. Wordt een betalingsverplichting van of het verstrekken van een krediet aan een Verdragsluitende Partij of een staatsonderneming niet als investering beschouwd;

3.

Omvat de term „onderdanen” met betrekking tot elk van de Verdragsluitende Partijen:

a. a. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben; b. b. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij; c. c. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van de andere Verdragsluitende Partij, maar die onder al dan niet rechtstreeks toezicht staan van natuurlijke personen zoals omschreven onder a. of van rechtspersonen zoals omschreven onder b.;

4. Omvat de term „grondgebied” mede alle aan de territoriale zee grenzende gebieden die, krachtens het recht van de betrokken Staat en overeenkomstig het internationale recht, tot de exclusieve economische zone of het continentaal plat van de betrokken Staat behoren, en waarin deze rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent.

Artikel 2

Met het oog op een wezenlijke toename van bilaterale investeringsstromen,

1. Bevordert elke Verdragsluitende Partij, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij. Met inachtneming van het recht van elke Verdragsluitende Partij de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, staat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe;

2.

Kunnen de Verdragsluitende Partijen investeringsbevorderingsdocumenten opstellen en elkaar gedetailleerde informatie verstrekken over:

a. a. investeringsmogelijkheden; b. b. de wetten, voorschriften of bepalingen die direct of indirect van invloed zijn op buitenlandse investeringen, zoals onder andere wisselkoersstelsels en fiscale regimes; en c. c. statistieken van buitenlandse investeringen, op hun respectieve grondgebieden.

Artikel 3

1. Elke Verdragsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij en belemmert niet, door ongerechtvaardigde of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen. Elke Verdragsluitende Partij kent aan die investeringen volledige zekerheid en bescherming toe.

2. In het bijzonder kent elke Verdragsluitende Partij aan die investeringen een behandeling toe, die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke in relevante, soortgelijke omstandigheden wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

3.

Indien een Verdragsluitende Partij onderdanen van een derde Staat bijzondere voordelen heeft toegekend:

a. a. uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van vrijhandelszones, douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen; b. b. op grond van interimovereenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden; c. c. krachtens een verdrag ter vermijding van dubbele belasting; of, d. d. op basis van wederkerigheid met betrekking tot belastingheffing; is die Verdragsluitende Partij niet verplicht die voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

4. Elke Verdragsluitende Partij komt alle schriftelijk overeengekomen verplichtingen na die zij op zich heeft genomen met betrekking tot de behandeling van investeringen op haar grondgebied door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij. Geschillen die uit die verplichtingen voortvloeien worden beslecht overeenkomstig de voorwaarden van de contracten die aan deze verplichtingen ten grondslag liggen.

5. Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van één van beide Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4

1.

De Verdragsluitende Partijen waarborgen het recht dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

a. a. winsten, interesten, dividenden en andere lopende inkomsten; b. b. gelden nodig voor de werking of het uitbreiden van een investering; c. c. bijkomende gelden nodig voor de ontwikkeling van een investering; d. d. gelden voor de terugbetaling van leningen; e. e. royalty's of honoraria; f. f. inkomsten uit arbeid van natuurlijke personen; g. g. de opbrengst van de verkoop of liquidatie van de investering; h. h. betalingen uit hoofde van artikel 6.

2.

Niettegenstaande het eerste lid kan een Verdragsluitende Partij een overmaking uitstellen of voorkomen door het billijk, op non-discriminatoire wijze en te goeder trouw toepassen van maatregelen:

a. a. om de rechten van crediteuren te beschermen, b. b. die verband houden met of de nakoming waarborgen van wetten en voorschriften:

        i.
        inzake de uitgifte van en de handel in effecten, termijncontracten en afgeleide producten,
      
      
        ii.
        inzake rapporten of verslagen van overmakingen, of

i. i. inzake de uitgifte van en de handel in effecten, termijncontracten en afgeleide producten, ii. ii. inzake rapporten of verslagen van overmakingen, of c. c. in verband met misdrijven en rechterlijke bevelen of uitspraken in administratieve en scheidsrechterlijke procedures.

Dergelijke maatregelen en de toepassing daarvan mogen echter niet worden aangewend als een middel om zich te onttrekken aan de verbintenissen of verplichtingen van de Verdragsluitende Partij uit hoofde van het Verdrag.

Artikel 5

1.

Geen der Verdragsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij:

a. a. de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang, b. b. de maatregelen niet discriminatoir zijn, en c. c. een schadeloosstelling wordt betaald conform het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel.

2. De schadeloosstelling dient gelijk te zijn aan de redelijke marktwaarde of, indien er geen redelijke marktwaarde is, aan de werkelijke waarde van de onteigende investering onmiddellijk voordat de onteigening plaatsvond. In deze schadeloosstelling mag een wijziging in de waarde vanwege het feit dat de voorgenomen onteigening voordien bekend is geworden, niet zijn verdisconteerd. De criteria voor de waardering zijn onder andere de waarde van de onderneming als geheel, de waarde van de activa inclusief de aangegeven fiscale waarde van lichamelijke zaken, en andere criteria, indien opportuun, om de redelijke marktwaarde te bepalen.

3. De schadeloosstelling dient onverwijld te worden betaald en volledig realiseerbaar te zijn.

4. Het op de datum van betaling betaalde bedrag dient niet lager te zijn dan wanneer het bedrag van de verschuldigde schadeloosstelling op de datum van de onteigening zou zijn geconverteerd in een converteerbare valuta op de internationale financiële markt, en deze valuta tegen de op de dag van de waardering geldende marktwisselkoers zou zijn geconverteerd, vermeerderd met de rente die tegen een gewone commerciële rentevoet voor die valuta zou zijn gekweekt vanaf de datum van onteigening tot de datum van betaling.

Artikel 6

Aan onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wegens overmacht, oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt de laatstbedoelde Verdragsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Verdragsluitende Partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 7

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij door een verzekeringsmaatschappij, geheel in particulier eigendom of onder particulier toezicht, (hierna te noemen „verzekeringsmaatschappij”) verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's of anderszins aanleiding geven tot de betaling van schadevergoeding ter zake van die investeringen krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeringsmaatschappij in de rechten van de bedoelde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere gegeven schadeloosstelling, door de andere Verdragsluitende Partij erkend. Alleen de onderdaan of de verzekeringsmaatschappij is gerechtigd deze rechten uit te oefenen en partij te zijn bij een geschil met betrekking tot deze rechten.

Artikel 8

Wat de beslechting van geschillen tussen een Verdragsluitende Partij en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij betreft, zijn de bepalingen van de Bijlage, die een integrerend deel van dit Verdrag uitmaakt, van toepassing.

Artikel 9

De bepalingen van dit Verdrag zijn, vanaf de datum waarop dit in werking treedt, ook van toepassing op investeringen die vóór die datum zijn gedaan.

Artikel 10

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag. De andere Verdragsluitende Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor een dergelijk overleg.

Artikel 11

1. Enig geschil tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Verdragsluitende Partijen anders zijn overeengekomen, op verzoek van één van beide Verdragsluitende Partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Verdragsluitende Partij benoemt één scheidsman en de twee aldus benoemde scheidslieden benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen is, tot hun voorzitter.

2. Indien één van beide Verdragsluitende Partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Verdragsluitende Partij tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de president van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3. Indien de beide scheidslieden niet binnen twee maanden na hun benoeming overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk der Verdragsluitende Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4. Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat de hoogste anciënniteit heeft, beschikbaar is en geen onderdaan is van één der Verdragsluitende Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5. Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Verdragsluitende Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan regeling van het geschil ex aequo et bono, indien de Verdragsluitende Partijen dit overeenkomen.

6. Tenzij de Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 12

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij anders is bepaald in de in artikel 13, eerste lid, bedoelde mededeling.

Artikel 13

1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan hun grondwettelijk vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht gedurende een tijdvak van tien jaar.

2. Tenzij ten minste zes maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide Verdragsluitende Partijen mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke Verdragsluitende Partij zich het recht voorbehoudt het Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twaalf maanden vóór het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

3. Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

4. Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.