40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Macedonië inzake sociale zekerheid | BWBV0001833 | verdrag | geldend | 2007-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBV0001833 | Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Macedonië inzake sociale zekerheid |
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Macedonië inzake sociale zekerheid
Deel I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1.
Voor de toepassing van dit Verdrag en tenzij uit de context anders blijkt, wordt onder de volgende termen verstaan:
(1) (1) „onderdaan’’: wat betreft Macedonië, een persoon met de Macedonische nationaliteit, wat betreft Nederland, een persoon met de Nederlandse nationaliteit; (2) (2) „werknemer’’, een persoon die legaal werkzaam is bij een werkgever alsmede iedere persoon die krachtens de toegepaste wetgeving wordt aangemerkt als werknemer; (3) (3) „zelfstandige’’, een persoon die zonder een arbeidsovereenkomst werkzaamheden verricht of een beroep uitoefent voor zijn of haar eigen rekening; (4) (4) „wetgeving’’: de wetten en andere voorschriften die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid; (5) (5) „bevoegde autoriteit’’, met betrekking tot Macedonië, het ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid en het ministerie van Volksgezondheid, en met betrekking tot Nederland, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover het verstrekkingen uit hoofde van de wetgeving inzake ziekteverzekering betreft, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; (6) (6) „bevoegd orgaan’’: het orgaan dat is belast met de uitvoering van de in artikel 2 omschreven wetgeving of een gedeelte daarvan; (7) (7) „bevoegde staat’’, de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd; (8) (8) „verzekeringstijdvak’’, een tijdvak van betaling van premie of bijdrage, een tijdvak van arbeid, een tijdvak van wonen of enig ander tijdvak dat als verzekeringstijdvak wordt omschreven, erkend of aangemerkt krachtens de wetgeving die op die persoon van toepassing is gedurende bedoeld tijdvak; (9) (9) „prestatie’’, „verstrekking’’, „pensioen’’ of „bijslag’’, een uitkering, verstrekking, pensioen of bijslag, waarin wordt voorzien door de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen met inbegrip van alle aanvullingen of verhogingen die op dergelijke uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen of bijslagen van toepassing zijn uit hoofde van de wetgeving bedoeld in artikel 2; (10) (10) „gezinslid’’, een persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze persoon woont; (11) (11) „woonplaats’’, de plaats waar een persoon gewoonlijk woont; (12) (12) „verblijfplaats’’, de plaats waar een persoon tijdelijk verblijft; (13) (13) „orgaan van de woonplaats’’, het orgaan dat ter plaatse waar de rechthebbende woont, krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen, of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan; (14) (14) „orgaan van de tijdelijke verblijfplaats’’: het orgaan dat ter plaatse waar de rechthebbende tijdelijk verblijft, krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die door dit orgaan wordt toegepast bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen, of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan.
2. Andere termen en uitdrukkingen die in dit Verdrag worden gebruikt hebben de betekenis die daaraan in de wetgeving die wordt toegepast, wordt toegekend.
Artikel 2
1.
Dit Verdrag is van toepassing
A. A. ten aanzien van Macedonië op de wetgeving inzake:
(1)
ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte, moederschap of letsel, met inbegrip van verzekeringen ten behoeve van arbeidsongevallen en beroepsziekten);
(2)
pensioenen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, met inbegrip van verzekeringen in geval van arbeidsongevallen en beroepsziekten);
(3)
werkloosheidsverzekering;
(4)
kinderbijslagen.
(1) (1) ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte, moederschap of letsel, met inbegrip van verzekeringen ten behoeve van arbeidsongevallen en beroepsziekten); (2) (2) pensioenen en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, met inbegrip van verzekeringen in geval van arbeidsongevallen en beroepsziekten); (3) (3) werkloosheidsverzekering; (4) (4) kinderbijslagen. B. B. Ten aanzien van Nederland, op de wetgeving inzake:
(1)
ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap);
(2)
invaliditeitsverzekering;
(3)
ouderdomsverzekering;
(4)
nabestaandenverzekering;
(5)
werkloosheidsverzekering;
(6)
kinderbijslagen.
(1) (1) ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap); (2) (2) invaliditeitsverzekering; (3) (3) ouderdomsverzekering; (4) (4) nabestaandenverzekering; (5) (5) werkloosheidsverzekering; (6) (6) kinderbijslagen.
2. Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde en het vierde lid van dit artikel is dit Verdrag ook van toepassing op alle wetgeving waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgeving wordt gecodificeerd, gewijzigd of aangevuld.
3. Dit Verdrag is niet van toepassing op wetgeving die de toepassing van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wetgeving uitbreidt tot nieuwe groepen rechthebbenden, indien de bevoegde autoriteit van die Verdragsluitende Partij de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij binnen drie maanden na de officiële publicatie van de nieuwe wetgeving ervan in kennis stelt dat een dergelijke uitbreiding van het Verdrag niet wordt beoogd.
4. Dit Verdrag is niet van toepassing op wetgeving waarbij een nieuwe tak van sociale zekerheid wordt ingevoerd, tenzij de Verdragsluitende Partijen daartoe een overeenkomst sluiten.
5. Dit Verdrag is niet van toepassing op socialebijstandsregelingen.
Artikel 3
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, is het van toepassing op:
(1) (1) personen op wie de wetgeving van een of beide Verdragsluitende Partijen van toepassing is of is geweest; (2) (2) personen die rechten ontlenen aan een in het eerste lid van dit artikel genoemde persoon.
Artikel 4
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, hebben personen op wie dit Verdrag van toepassing is wanneer zij verblijven of wonen op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen, dezelfde rechten en verplichtingen als de onderdanen van die Verdragsluitende Partij wat betreft de toepassing van de wetgeving van die Verdragsluitende Partij.
Artikel 5
1. Tenzij anders bepaald in dit Verdrag, worden prestaties krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij niet verlaagd, gewijzigd, opgeschort of ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende woont of verblijft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, en deze prestaties worden betaald op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
2. Tenzij anders bepaald in dit Verdrag, worden prestaties die uit hoofde van dit Verdrag door een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn aan een persoon die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevindt betaald aan die persoon wanneer die persoon zich op het grondgebied van een derde staat bevindt onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate als aan onderdanen van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij die in die derde staat wonen of verblijven.
3. Het eerste lid laat onverlet Nederlandse wetgeving tot invoering van beperkingen ten aanzien van de betaling van kinderbijslagen met betrekking tot kinderen die wonen of verblijven buiten het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, of tot uitsluiting van betaling daarvan.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de Toeslagenwet van 6 november 1986 en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jong-gehandicapten van 24 april 1997.
Artikel 6
Bepalingen in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij inzake vermindering, schorsing of intrekking van prestaties uit een tak van sociale zekerheid waarbij sprake is van samenloop met prestaties uit een andere tak of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn ook van toepassing op de rechthebbende ten aanzien van prestaties verkregen krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of ten aanzien van inkomsten verworven of werkzaamheden verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Deel II. VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING
Artikel 7
1. Personen op wie de bepalingen van dit deel van het Verdrag van toepassing zijn, zijn onderworpen aan de wetgeving van slechts een Verdragsluitende Partij. Die wetgeving wordt vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 15.
2. Een persoon die in overeenstemming met de bepalingen van dit deel onderworpen is aan de wetgeving van een Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als wonend op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij.
Artikel 8
1. Een persoon die als werknemer werkt op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij is onderworpen aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij, zelfs indien hij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont of indien de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
2. Een persoon die als werknemer werkzaam is op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen, is onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont. Indien hij niet op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen woont, is hij onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de werkgever zijn voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening heeft.
3.
Ambulant personeel in dienst van een onderneming die tegen betaling of vergoeding of voor eigen rekening internationaal vervoer van personen of goederen verricht per spoor, over de weg of door de lucht is onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming haar hoofdzetel heeft, zelfs indien de betrokken werknemer op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont.
Indien een persoon evenwel als werknemer in dienst is van een filiaal of een vaste vertegenwoordiging van genoemde onderneming op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij of indien die persoon werkt en woont op het grondgebied van deze Verdragsluitende Partij, is hij onderworpen aan de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij.
Artikel 9
Een zelfstandige die zijn beroep uitoefent op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen, is onderworpen aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij, zelfs indien hij woont op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 10
Artikel 8, eerste lid, is van toepassing, met inachtneming van de volgende uitzonderingen en voorwaarden:
Indien een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij werkzaam is, door zijn werkgever waaraan hij normaal verbonden is gedetacheerd wordt op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij om aldaar voor die werkgever bepaalde werkzaamheden te verrichten, terwijl de betaalde dienstbetrekking met deze werkgever wordt gehandhaafd, blijft hij voor de duur van de werkzaamheden onderworpen aan de wetgeving van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij alsof hij nog op het grondgebied van deze Verdragsluitende Partij werkzaam was, mits de desbetreffende werkzaamheden niet meer belopen dan een periode van 24 maanden en de verklaring van detachering uiterlijk binnen de eerste drie maanden van deze periode is ingediend. Achtereenvolgende detacheringen van dezelfde werknemer door dezelfde werkgever gelden als één detachering, tenzij zij door perioden van ten minste twaalf maanden onderbroken zijn.
Artikel 11
Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op ambtenaren die van het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij worden gezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, echter zonder tijdslimiet.
Artikel 12
Een persoon die als werknemer werkzaam is aan boord van een schip en op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, is onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de werkgever zijn zetel of domicilie heeft.
Artikel 13
1. Onderdanen van een Verdragsluitende Partij die door de Regering van die Verdragsluitende Partij worden uitgezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, zijn onderworpen aan de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.
2. Personen die als werknemer werkzaam zijn bij een diplomatieke zending of consulaire post van een van de Verdragsluitende Partijen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, zijn onderworpen aan de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij.
3. Indien de diplomatieke zending of consulaire post van een van de Verdragsluitende Partijen personen in dienst heeft die overeenkomstig het tweede lid van dit artikel onderworpen zijn aan de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, neemt de zending of post de verplichtingen die de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij aan werkgevers oplegt in acht.
4. Het in het tweede en derde lid van dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toepassing op personen in persoonlijke dienst van de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen. In dat geval neemt de natuurlijke persoon die andere personen in dienst heeft de verplichtingen in acht die de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waar de dienstbetrekking wordt uitgeoefend aan werkgevers oplegt.
5. Het in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op honoraire leden van een consulaire post of op personen in persoonlijke dienst van dergelijke personen.
Artikel 14
Indien een persoon ingevolge de artikelen 10, 11 of 13 onderworpen blijft aan de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vanuit het grondgebied waarvan hij is gezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, zijn die artikelen van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van die persoon die hem vergezellen, tenzij zij zelf als werknemer of zelfstandige werkzaam zijn op het grondgebied van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij.
Artikel 15
De bevoegde autoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen of de door deze autoriteiten aangewezen lichamen kunnen ten behoeve van bepaalde categorieën personen of bepaalde personen uitzonderingen op de bepalingen van de artikelen 8 tot en met 14 overeenkomen en daarbij een verplichte verzekering krachtens de desbetreffende wetgeving invoeren.
Deel III. BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Artikel 16
1. Indien een persoon verzekeringstijdvakken heeft vervuld krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen, worden deze tijdvakken bij elkaar opgeteld met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op een prestatie, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.
2. Indien de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij toelating tot de verplichte verzekering afhankelijk stelt van de vervulling van verzekeringstijdvakken, wordt, met het oog op het bij elkaar optellen van tijdvakken, daartoe voor zover nodig rekening gehouden met dergelijke tijdvakken die krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof deze verzekeringstijdvakken krachtens de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij waren vervuld.
Artikel 17
1.
Personen die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat wonen en aan de in de wetgeving van de laatstgenoemde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoen, ontvangen, eventueel met inachtneming van artikel 16, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij wonen:
(1) (1) verstrekkingen die ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend overeenkomstig de bepalingen van de door laatstgenoemd orgaan toegepaste wetgeving, alsof deze personen bij dit orgaan waren aangesloten; (2) (2) uitkeringen die door het bevoegde orgaan worden betaald overeenkomstig de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof deze personen op het grondgebied van de bevoegde staat woonden.
2. Het in het voorgaande lid bepaalde is, wat het recht op verstrekkingen betreft, van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat wonen, voor zover zij krachtens de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht hebben op zulke verstrekkingen vanwege betaalde werkzaamheden of omdat zij een socialezekerheidsuitkering ontvangen van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.
Artikel 18
Indien een persoon die verzekerd is krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, maar niet voldoet aan de voorwaarden voor recht op prestaties krachtens de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij, en indien die persoon krachtens de wetgeving van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij nog steeds recht zou hebben op die prestaties indien hij op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij zou wonen, zal hij dit recht toch behouden. In dat geval is artikel 20, eerste, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19
1. Personen of de leden van hun gezin bedoeld in artikel 17, die verblijven op of hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de bevoegde staat, ontvangen in overeenstemming met het bepaalde in de wetgeving van die staat, verstrekkingen op het grondgebied van de bevoegde staat ook wanneer zij voorafgaand aan hun tijdelijk verblijf of de overbrenging van hun woonplaats reeds verstrekkingen hebben ontvangen voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap. Indien de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving voorziet in een maximumtermijn voor het verlenen van verstrekkingen, wordt het tijdvak waarin deze verstrekkingen zijn verleend dat onmiddellijk voorafging aan hun tijdelijke verblijf of de overbrenging van hun woonplaats in aanmerking genomen.
2. Indien het orgaan van de woonplaats van de personen of de gezinsleden bedoeld in het vorig lid van het bevoegde orgaan een vast bedrag ontvangt voor het verlenen van verstrekkingen uit hoofde van artikel 17, worden de kosten van de uit hoofde van het vorige lid de door het bevoegde orgaan verleende verstrekkingen in geval van tijdelijk verblijf gedragen door het orgaan van de woonplaats. De periode gedurende welke verstrekkingen worden verleend is die welke is vastgelegd krachtens de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wetgeving. Artikel 20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
1. Een persoon die voldoet aan de voorwaarden voor recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen heeft recht op die verstrekkingen gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wanneer zijn toestand onmiddellijke medische verzorging noodzakelijk maakt.
2. Een persoon die recht heeft op verstrekkingen ten laste van een orgaan van een van de Verdragsluitende Partijen en die woont op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij, behoudt dat recht wanneer hij zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Voor de overbrenging dient de betrokkene echter toestemming van het bevoegde orgaan te verkrijgen. Die toestemming mag alleen worden geweigerd indien is vastgesteld dat verplaatsing van de betrokkene zijn gezondheidstoestand of het ondergaan van medische behandeling zou schaden.
3. Wanneer een persoon recht heeft op verstrekkingen overeenkomstig het in de voorgaande leden bepaalde, worden de verstrekkingen verleend ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats of de woonplaats overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast, alsof de betrokkene daar verzekerd was. De periode gedurende welke verstrekkingen worden verleend is echter die welke is vastgelegd krachtens de wetgeving van de bevoegde staat.
4. In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen is de verstrekking van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang of andere belangrijke verstrekkingen, behalve in gevallen van absolute noodsituatie, onderworpen aan de voorwaarde dat het bevoegde orgaan toestemming verleent.
5. In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden uitkeringen door het bevoegde orgaan verstrekt overeenkomstig de bepalingen van de wetgeving die dit orgaan toepast.
6. Het in dit artikel bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de betrokkene.
7. Het in het eerste en zesde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op personen die naar het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat gaan met het oogmerk om medische verzorging te ondergaan.
Artikel 21
1. Wanneer een persoon die pensioenen ontvangt krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, worden aan hem en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en ten laste van dit orgaan verstrekkingen verleend, alsof hij uitsluitend krachtens de wetgeving van laatstbedoelde Verdragsluitende Partij gepensioneerde was.
2. Indien een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij of pensioenen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen, geen recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, verleent het orgaan van zijn woonplaats conform de wetgeving die het uitvoert en ten laste van het bevoegde orgaan, deze persoon en zijn gezinsleden de verstrekkingen waarop de persoon recht heeft krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of waarop hij recht zou hebben indien hij op het grondgebied daarvan zou wonen.
3. Wanneer de gezinsleden van een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij of pensioenen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen dan de gepensioneerde, ontvangen zij verstrekkingen alsof de gepensioneerde op hetzelfde grondgebied als zij woonde, voor zover hij krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij recht op verstrekkingen heeft. De verstrekkingen worden ten laste van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden verleend, overeenkomstig de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof zij krachtens deze wetgeving recht op die verstrekkingen hadden. Indien het orgaan van de woonplaats van de gepensioneerde evenwel een vast bedrag ontvangt van het bevoegde orgaan op basis van de gemiddelde kosten per gezin, worden de kosten van de verstrekkingen verleend aan gezinsleden die wonen in de bevoegde staat, gedragen door het orgaan van de woonplaats van de gepensioneerde.
4. Indien de in het vorige lid bedoelde gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de gepensioneerde woont, hebben zij recht op verstrekkingen in overeenstemming met de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij, zelfs indien zij vóór de overbrenging van hun woonplaats reeds uitkeringen of verstrekkingen hebben ontvangen voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap.
5. Een persoon die een pensioen ontvangt krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij of pensioenen krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen en recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van een van beide Verdragsluitende Partijen, heeft, evenals zijn gezinsleden, recht op die verstrekkingen gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat die verstrekkingen onmiddellijk worden verleend.
6. In het in het vorige lid bedoelde geval worden de verstrekkingen verleend ten laste van het orgaan van de woonplaats van de gepensioneerde of de gezinsleden, door het orgaan van de tijdelijke verblijfplaats, overeenkomstig de wetgeving daarvan, alsof de betrokkene krachtens deze wetgeving recht op die verstrekkingen had. De periode gedurende welke verstrekkingen worden verleend is echter die welke is vastgelegd krachtens de wetgeving van de woonstaat. Het bepaalde in artikel 20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. Wanneer de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat premies of bijdragen moeten worden afgetrokken van het te betalen pensioen in verband met het recht op verstrekkingen, is het orgaan van de Verdragsluitende Partij dat het pensioen betaalt, gemachtigd deze bedragen in te houden, indien krachtens dit artikel de kosten van verstrekkingen worden gedragen door een orgaan van die Verdragsluitende Partij.
8. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op gepensioneerden die vanwege betaalde werkzaamheden recht hebben op verstrekkingen.
9. Voor de toepassing van dit artikel worden personen die vanwege betaalde werkzaamheden recht hebben op verstrekkingen of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen krachtens de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen, niet aangemerkt als gezinsleden van een gepensioneerde.
10. Het in het vijfde lid van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op personen die naar het grondgebied gaan van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij wonen voor het ondergaan van een medische behandeling.
Artikel 22
1. De verstrekkingen die overeenkomstig dit hoofdstuk worden verleend, worden door het bevoegde orgaan of door het orgaan van de woonplaats vergoed aan het orgaan dat deze verstrekkingen heeft verleend.
2. De vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in het Administratief Akkoord bedoeld in artikel 42, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.
Hoofdstuk 2. Arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Artikel 23
Indien de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen het verkrijgen, behoud of herstel van het recht op een prestatie wegens arbeidsongeschiktheid of een ouderdoms- of nabestaandenpensioen afhankelijk stelt van het vervullen van verzekeringstijdvakken of tijdvakken van wonen, neemt het bevoegde orgaan van die Verdragsluitende Partij waar nodig de verzekeringstijdvakken of tijdvakken van wonen vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij in aanmerking, als waren zij vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij.
Paragraaf . Bepalingen voor de uitvoering van de wetgeving van Macedonië
Artikel 24
1. Indien een persoon volgens de wetgeving van Macedonië uitsluitend op grond van de verzekeringstijdvakken of andere tijdvakken vervuld volgens de wetgeving van Macedonië niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen, behoud of herstel van het recht op een prestatie teneinde dat recht te kunnen uitoefenen, neemt het bevoegde orgaan de volgens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking als waren zij vervuld volgens de wetgeving van Macedonië.
2. Indien een persoon niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een prestatie volgens het eerste lid van dit artikel, neemt het bevoegde orgaan van Macedonië de verzekeringstijdvakken vervuld in een derde staat waarmee beide Verdragsluitende Partijen afzonderlijke bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid hebben gesloten in aanmerking, indien is bepaald dat verzekeringstijdvakken in aanmerking dienen te worden genomen. Indien alleen Macedonië een dergelijk bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten met een derde land, neemt het bevoegde orgaan van Macedonië de verzekeringstijdvakken in aanmerking die onderdanen van Macedonië hebben vervuld in de derde staat, tenzij anderszins is bepaald in het verdrag met de derde staat.
3. Het eerste en tweede lid van dit artikel wordt alleen toegepast indien het totale verzekeringstijdvak vervuld krachtens de wetgeving van Macedonië ten minste 12 maanden bedraagt, tenzij het minimaal te vervullen verzekeringstijdvak minder dan 12 maanden bedraagt.
Artikel 25
Indien de persoon voldoet aan de voorwaarden voor het verwerven van het recht op een prestatie zonder samentelling van de in artikel 24 vermelde verzekeringstijdvakken, stelt het bevoegde orgaan van Macedonië het bedrag van de prestatie vast, dat uitsluitend wordt berekend op basis van de volgens de wetgeving van Macedonië vervulde verzekeringstijdvakken.
Artikel 26
Indien het recht op een prestatie volgens de wetgeving van Macedonië afhankelijk is van de samentelling van verzekeringstijdvakken volgens artikel 24, stelt het bevoegde orgaan van Macedonië het bedrag van de prestatie als volgt vast:
(1) (1) Eerst bepaalt het het theoretische bedrag van de prestatie dat betaald zou worden wanneer alle samengetelde verzekeringstijdvakken vervuld zouden zijn volgens de wetgeving van Macedonië. (2) (2) Vervolgens stelt het, het werkelijke bedrag vast dat uitbetaald wordt, op basis van het theoretische bedrag als bedoeld in het eerste lid, naar verhouding van de duur van de verzekeringsperioden die vervuld zijn krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving tot de totale verzekeringsduur als bedoeld in artikel 24. (3) (3) De bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel worden niet toegepast wanneer de berekening van de prestatie uitsluitend volgens de Macedonische wetgeving gunstiger is voor de betrokkene. (4) (4) Indien de totale duur van het verzekeringstijdvak, samengeteld overeenkomstig artikel 24, de langste verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de door Macedonië toegepaste wetgeving voor het berekenen van het hoogste bedrag aan prestaties niet overschrijdt, neemt het bevoegde orgaan voor de berekening van de prestatie overeenkomstig het eerste en tweede lid het langste tijdvak in aanmerking in plaats van de samengetelde verzekeringstijdvakken.
Artikel 27
Voor de berekening van de prestatie neemt het bevoegde orgaan van Macedonië alleen het volgens de wetgeving van Macedonië ontvangen loon in aanmerking.
Artikel 28
In geval van later verkregen rechten op een prestatie volgens de Nederlandse wetgeving wordt de prestatie op basis van de artikelen 24 tot en met 27 niet opnieuw berekend.
Paragraaf . Bepalingen voor de uitvoering van de wetgeving van Nederland
Artikel 29
Wanneer een persoon op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan, onderworpen was aan de wetgeving van Macedonië inzake pensioenen en recht had op een Macedonische invaliditeitsuitkering, en hij voordien in totaal een verzekeringstijdvak had vervuld van ten minste twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering, heeft hij recht op een uitkering krachtens laatstgenoemde wetgeving, berekend volgens de regels van artikel 30.
Artikel 30
1. Het bedrag van de in artikel 29 bedoelde prestatie wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de door de betrokkene na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken tot het tijdvak gelegen tussen de datum waarop hij de leeftijd van 15 jaar bereikte en de datum waarop zijn arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan.
2. Indien de betrokkene, op het tijdstip dat de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan, werknemer was of met een werknemer was gelijkgesteld, wordt de verschuldigde prestatie vastgesteld overeenkomstig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 18 februari 1966. Indien dit niet het geval is, wordt de verschuldigde uitkering vastgesteld overeenkomstig de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ).
3.
Als verzekeringstijdvakken, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving worden aangemerkt:
(1) (1) verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 18 februari 1966; (2) (2) verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidsverzekeringswet van 11 december 1975 (AAW), voor zover deze niet samenvallen met verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de voornoemde Wet van 18 februari 1966 (WAO); (3) (3) verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van 24 april 1997 (WAZ), voor zover deze niet samenvallen met verzekeringstijdvakken vervuld krachtens de voornoemde Wet op de arbeidsongeschiktheid van 18 februari 1966 (WAO); (4) (4) tijdvakken van arbeid en daarmee gelijkgestelde tijdvakken die vóór 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld.
Artikel 31
1. In geval van ouderdom stelt het Nederlandse bevoegde orgaan het pensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW) vervulde verzekeringstijdvakken.
2.
De in artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bedoelde korting wordt niet toegepast op kalenderjaren of delen daarvan vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke een gehuwde persoon of een persoon die gehuwd is geweest tussen zijn vijftiende en vijfenzestigste levensjaar, en tijdens het huwelijk in Macedonië woonde, niet verzekerd was krachtens bovengenoemde wet, voor zover de kalenderjaren of delen daarvan samenvallen met door haar echtgenoot of zijn echtgenote krachtens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.
In afwijking van artikel 7 van de AOW, wordt een dergelijke persoon beschouwd als rechthebbende op een pensioen.
3. De in artikel 13, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bedoelde korting wordt niet toegepast op kalenderjaren of delen daarvan vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke de echtgenoot of echtgenote van de gepensioneerde tussen het vijftiende en vijfenzestigste levensjaar tijdens het huwelijk in Macedonië woonde, niet verzekerd was krachtens bovengenoemde wet, voor zover de kalenderjaren of delen daarvan samenvallen met door haar echtgenoot of zijn echtgenote krachtens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.
4. De bepalingen bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel worden uitsluitend toegepast indien de betrokkene gedurende zes jaar op het grondgebied van Macedonië of Nederland heeft gewoond na het bereiken van de leeftijd van 59 jaar en voor de duur dat die persoon op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen woont.
5.
In afwijking van het bepaalde in artikel 35 is de echtgenoot/echtgenote van een persoon die valt onder de AOW, wonende op het grondgebied van Macedonië, gerechtigd krachtens die wetgeving een vrijwillige verzekering af te sluiten, maar slechts voor de tijdvakken na de inwerkingtreding van dit Verdrag gedurende welke deze persoon verplicht verzekerd is of was krachtens bovengenoemde wetgeving. Dit recht vervalt op de datum van beëindiging van de verplichte verzekering van deze persoon.
Bovengenoemd recht vervalt echter niet wanneer de verplichte verzekering van een persoon wordt beëindigd als gevolg van zijn overlijden en wanneer zijn echtgenote of haar echtgenoot uitsluitend een pensioen krachtens de ANW ontvangt.
Het recht inzake vrijwillige verzekering vervalt in elk geval op de datum waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De premie die dient te worden betaald voor bovengenoemde vrijwillige verzekering wordt voor de echtgenoot/echtgenote van een persoon die verplicht verzekerd was krachtens de AOW vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de vaststelling van de premie voor de verplichte verzekering, met dien verstande dat hij/zij wordt geacht zijn/haar inkomsten in Nederland te hebben genoten.
Voor de echtgenoot/echtgenote van een persoon die op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de eerste maal verplicht verzekerd wordt, wordt de premie vastgesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de vaststelling van de premie voor vrijwillige verzekering krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de algemene ouderdomsverzekering en de algemene nabestaandenverzekering.
6. Het in het vijfde lid van dit artikel bedoelde recht wordt alleen toegekend indien de echtgenoot/echtgenote van een persoon de Sociale verzekeringsbank uiterlijk een jaar na aanvang van het tijdvak van de verplichte verzekering van die persoon in kennis heeft gesteld van het voornemen een vrijwillige verzekering af te sluiten.
Voor de echtgenoot/echtgenote van een persoon die onmiddellijk voorafgaand aan of op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag verplicht verzekerd was, vangt de periode van een jaar aan op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
7. De in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing op tijdvakken die samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van pensioenrechten krachtens de wetgeving die van toepassing is op ouderdomspensioenen in een andere staat dan Nederland, of voor tijdvakken gedurende welke de betrokkene een ouderdomspensioen ontving krachtens die wetgeving.
8. Voor zover het de echtgenoot of echtgenote van een op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag onder de verplichte verzekering vallende persoon betreft, wordt het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel alleen toegepast op de echtgenoot of echtgenote die in overeenstemming met het vijfde lid van dit artikel een vrijwillige verzekering heeft afgesloten krachtens de Nederlandse wetgeving.
Artikel 32
Wanneer een persoon op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip van zijn of haar overlijden onderworpen was aan de Macedonische wetgeving inzake pensioenen en voordien in totaal een verzekeringstijdvak had vervuld van ten minste twaalf maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake nabestaandenverzekering, hebben zijn weduwe of haar weduwnaar of wezen recht op uitkeringen krachtens deze wetgeving, berekend in overeenstemming met de regels van artikel 33.
Artikel 33
Het bedrag van de prestatie bedoeld in artikel 32 wordt berekend naar rato van de totale duur van de door de overledene vervulde verzekeringstijdvakken krachtens de Nederlandse wetgeving tussen de datum waarop hij of zij de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt en de datum waarop hij of zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tot het tijdvak tussen de datum waarop hij of zij de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt en de datum van overlijden, maar uiterlijk de datum waarop hij of zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Artikel 34
Een persoon die woont op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen heeft ten aanzien van zijn of haar kinderen die wonen of verblijven op het grondgebied van Macedonië recht op het Nederlandse wezenpensioen als zouden deze kinderen wonen op het grondgebied van Nederland.
Hoofdstuk 3. Werkloosheid
Artikel 35
Indien de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen op een persoon van toepassing is geweest, worden de tijdvakken van verzekering of arbeid die overeenkomstig de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen in aanmerking moeten worden genomen, bij elkaar opgeteld voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op werkloosheidsuitkeringen, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.
Artikel 36
Een werknemer wonende op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die zijn woonplaats overbrengt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij en laatstelijk onderworpen was aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij heeft gedurende zijn verblijf op het grondgebied daarvan recht op een werkloosheidsuitkering krachtens de wetgeving van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij, indien:
a. a. hij voldoet aan de voorwaarden van de wetgeving van die Partij, rekening houdend met de samentelling van de in artikel 35 bedoelde verzekeringstijdvakken; en b. b. hij gedurende de laatste twaalf maanden voor indiening van de aanvraag in totaal ten minste vier weken op het grondgebied van die Partij als werknemer heeft gewerkt.
Artikel 37
Het bepaalde in artikel 5 van dit Verdrag met betrekking tot de betaling van prestaties in het buitenland is niet van toepassing op prestaties ter zake van werkloosheid.
Hoofdstuk 4. Kinderbijslagen
Artikel 38
Een persoon op wie de wetgeving inzake kinderbijslagen van de ene Verdragsluitende Partij van toepassing is, heeft recht op kinderbijslagen krachtens die wetgeving zelfs indien het kind op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont.
Artikel 39
Indien aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslagen is voldaan krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen, wordt het recht op kinderbijslagen alleen toegekend krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind woont.
Deel IV. HANDHAVING
Artikel 40
1. Voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraken of beslissingen van een bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij inzake het verhaal van prestaties waarop de betrokkene geen recht had en krachtens de van toepassing zijnde wetgeving opgelegde administratieve boeten worden erkend door de andere Verdragsluitende Partij.
2. Erkenning kan alleen worden geweigerd indien deze onverenigbaar is met de openbare orde van de Verdragsluitende Partij waar de uitspraak of beslissing ten uitvoer moet worden gelegd.
3. Voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraken of beslissingen die zijn erkend in overeenstemming met het eerste lid worden ten uitvoer gelegd door de andere Verdragsluitende Partij. Op de tenuitvoerlegging van uitspraken of beslissingen is de wetgeving inzake de tenuitvoerlegging van soortgelijke uitspraken of beslissingen van toepassing van de Verdragsluitende Partij waar deze ten uitvoer dienen te worden gelegd. De uitvoerbaarverklaring dient te worden vermeld op het gewaarmerkte afschrift van die uitspraak of beslissing.
4. Indien een bevoegd orgaan een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing heeft genomen in de zin van het eerste lid en de betrokkene een prestatie ontvangt van een bevoegd orgaan van de andere Verdragsluitende Partij, kan het eerstbedoelde orgaan verzoeken dat de desbetreffende betaling of de administratieve boete wordt verrekend met in die Verdragsluitende Partij achterstallige bedragen of bedragen die nog verschuldigd zijn aan de betrokkene. Het laatstgenoemde bevoegde orgaan brengt het bedrag in mindering binnen de grenzen van de door dat bevoegde orgaan toegepaste wet inzake de tenuitvoerlegging van soortgelijke beslissingen en maakt het bedrag over aan het eerstgenoemde bevoegde orgaan dat recht heeft op teruggave.
Artikel 41
1. Voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraken of beslissingen van een bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij betreffende de inning van socialeverzekeringspremies en administratieve boetes uit hoofde van de wetgeving worden erkend door de andere Verdragsluitende Partij.
2. Erkenning kan alleen worden geweigerd indien deze onverenigbaar is met de openbare orde van de Verdragsluitende Partij waar de uitspraak of beslissing ten uitvoer moet worden gelegd.
3. Voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraken of beslissingen die zijn erkend in overeenstemming met het eerste lid worden ten uitvoer gelegd door de andere Verdragsluitende Partij. Op de tenuitvoerlegging is de wetgeving inzake de tenuitvoerlegging van soortgelijke uitspraken of beslissingen van toepassing van de Verdragsluitende Partij waar deze ten uitvoer dienen te worden gelegd. De uitvoerbaarverklaring dient te worden vermeld op het gewaarmerkte afschrift van die uitspraak of beslissing.
Deel V. DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 42
De bevoegde autoriteiten komen bepalingen voor de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van de kosten van geneeskundig onderzoek, overeen door middel van een administratief akkoord. Voorts wijzen zij verbindingsorganen op hun onderscheiden grondgebieden aan om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.
Artikel 43
1. De bevoegde autoriteiten doen elkaar mededeling van alle wijzigingen in hun wetgeving die van wezenlijk belang zijn voor de toepassing van dit Verdrag.
2. Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. Deze wederzijdse administratieve bijstand wordt kosteloos verleend.
3. Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen zich rechtstreeks met elkaar en met de betrokkenen of hun vertegenwoordigers in verbinding stellen.
4. De autoriteiten, bevoegde organen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten die hun worden toegezonden niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een vreemde taal zijn gesteld, mits deze de officiële taal van de andere Verdragsluitende Partij of de Engelse of Franse taal is.
Artikel 44
De bevoegde autoriteiten, verbindingsorganen en bevoegde organen van de Verdragsluitende Partijen corresponderen met elkaar in de Engelse of de Franse taal.
Artikel 45
Iedere vrijstelling van zegelrecht, notariële kosten of registratiekosten die op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen is verleend met betrekking tot verklaringen en documenten die bij autoriteiten of bevoegde organen op dat grondgebied moeten worden ingediend, geldt ook voor verklaringen en documenten die voor de toepassing van dit Verdrag moeten worden ingediend bij autoriteiten en bevoegde organen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. Documenten en verklaringen die voor de uitvoering van dit Verdrag moeten worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisering door diplomatieke of consulaire autoriteiten.
Artikel 46
1. Aanvragen, beroepschriften en andere documenten die overeenkomstig de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit of bevoegd orgaan zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn worden ingediend bij een overeenkomstige autoriteit of overeenkomstig bevoegd orgaan van de andere Verdragsluitende Partij. De autoriteit of het bevoegd orgaan van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij doet deze onverwijld toekomen aan de autoriteit of het bevoegd orgaan van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij. De datum waarop deze documenten zijn ingediend bij de autoriteit of het bevoegd orgaan van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als datum van indiening bij de autoriteit of het bevoegd orgaan van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.
2. Een aanvraag om een prestatie die is ingediend in overeenstemming met de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij wordt beschouwd als een aanvraag om de overeenkomstige prestatie krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij. Ten aanzien van ouderdomspensioenen geldt dit evenwel niet indien de aanvrager stelt of indien volkomen duidelijk is dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op een pensioen krachtens de wetgeving van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.
Artikel 47
1. Wanneer een bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag uitkeringen verschuldigd is aan een rechthebbende die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevindt, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.
2. Wanneer een bevoegd orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag betalingen verschuldigd is aan een bevoegd orgaan van de andere Verdragsluitende Partij, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van laatstgenoemde Verdragsluitende Partij. Eerstgenoemd bevoegd orgaan voldoet het verschuldigde rechtens in die munteenheid, tenzij tussen de desbetreffende organen anderszins is overeengekomen.
3. De uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaking van gelden geschiedt in overeenstemming met de overeenkomsten die op de datum van overmaking ter zake tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.
4. Ingeval door een van de Verdragsluitende Partijen valutabeperkingen worden toegepast, komen beide Verdragsluitende Partijen onmiddellijk de nodige maatregelen overeen om de overmaking tussen de grondgebieden van beide Verdragsluitende Partijen van bedragen die ingevolge dit Verdrag betaalbaar zijn, te waarborgen.
5. Ingeval de munteenheden van de Verdragsluitende Partijen onderling niet convertibel zijn, worden de betalingen tussen organen voor de toepassing van artikel 22 van dit Verdrag berekend op basis van de indicatieve wisselkoers die op de datum waarop de betaling kan worden verricht geldt, als geadviseerd door de nationale bank van de bevoegde staat, tenzij de betrokken organen anderszins zijn overeengekomen.
6. Ingeval de munteenheden van de Verdragsluitende Partijen onderling niet convertibel zijn, worden de onverschuldigde betalingen of de premies of bijdragen voor de toepassing van de artikelen 40 en 41 berekend op basis van de indicatieve wisselkoers als geadviseerd door de nationale bank van de bevoegde staat op de datum waarop de beslissingen ten aanzien van het verhaal van onverschuldigde betalingen en ten aanzien van de inning van premies of bijdragen worden genomen.
Artikel 48
1. Geschillen die met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag ontstaan, dienen te worden opgelost door middel van onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten.
2.
Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden volgend op het eerste verzoek de in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, wordt het voorgelegd aan een scheidsgerecht dat op de volgende wijze wordt samengesteld:
(1) (1) Binnen een maand na de datum waarop een van de Verdragsluitende Partijen een schriftelijke kennisgeving ontvangen waarin om arbitrage wordt verzocht, benoemt elke Verdragsluitende Partij een scheidsman. Beide scheidsmannen wijzen, binnen nog eens twee maanden na de datum waarop de Verdragsluitende Partij die als laatste haar scheidsman heeft benoemd de andere Verdragsluitende Partij van haar benoeming in kennis stelt, een derde scheidsman aan. (2) (2) Indien een van de Verdragsluitende Partijen nalaat een scheidsman te benoemen binnen de genoemde periode, kan de andere Verdragsluitende Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Ditzelfde wordt gedaan op verzoek van beide Verdragsluitende Partijen, indien beide scheidslieden geen overeenstemming bereiken over de benoeming van de derde scheidsman. (3) (3) Wanneer de President van het Internationale Gerechtshof onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, worden de in dit artikel bedoelde functies overgedragen aan de Vice-President van het Hof of aan het lid van dit Hof met de hoogste anciënniteit dat geen onderdaan van een van beide Verdragsluitende Partijen is.
3. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Deze beslissing is bindend voor beide Verdragsluitende Partijen. Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van de door haar benoemde scheidsman. De overige kosten worden door de Verdragsluitende Partijen in gelijke delen gedragen. Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.
Deel VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 49
1. Met inachtneming van het derde lid van dit artikel geldt dit Verdrag eveneens ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding ervan. Krachtens dit Verdrag worden echter geen prestaties verleend over enig tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, hoewel tijdvakken van verzekering of van wonen die vóór bedoelde inwerkingtreding zijn vervuld voor de vaststelling van de prestaties in aanmerking worden genomen.
2. Bepalingen in de wetten van de Verdragsluitende Partijen betreffende de verjaring en de beëindiging van het recht op uitkering gelden niet ten aanzien van aan het eerste lid van dit artikel te ontlenen rechten, mits de rechthebbende zijn aanvraag om een uitkering binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indient.
3. Uitkeringen die zijn toegekend voor de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië van 11 mei 1977, worden gehandhaafd op basis van laatstgenoemd Verdrag, tenzij de rechthebbende verzoekt om een herberekening in overeenstemming met dit Verdrag. Indien de methode voor het vaststellen van prestaties of de regels voor het berekenen ervan dienen te worden gewijzigd, dient een herberekening plaats te vinden in overeenstemming met dit Verdrag.
Artikel 50
Het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, ondertekend te Belgrado op 11 mei 1977, wordt met betrekking tot de Verdragsluitende Partijen vervangen door dit Verdrag en houdt op van kracht te zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
Artikel 51
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag alleen van toepassing op het grondgebied in Europa.
Artikel 52
1. Dit Verdrag kan worden opgezegd door elk van beide Verdragsluitende Partijen. Van de opzegging wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van het lopende kalenderjaar schriftelijk en langs diplomatieke weg kennis gegeven, waarna het Verdrag ophoudt van kracht te zijn bij het verstrijken van het kalenderjaar waarin het is opgezegd.
2. Indien het Verdrag wordt opgezegd, blijven zijn bepalingen van toepassing ten aanzien van reeds verkregen rechten op prestaties ongeacht enige bepaling welke in de wetgeving van de beide Verdragsluitende Partijen mocht zijn opgenomen aangaande beperkingen van het recht op prestaties in verband met het wonen in of het onderdaan zijn van een ander land. Aanspraken op toekomstige prestaties die op grond van het Verdrag kunnen zijn verkregen, worden geregeld bij bijzondere overeenkomst.
Artikel 53
Het aan dit Verdrag gehechte Slotprotocol maakt een integrerend deel uit van dit Verdrag.
Artikel 54
Beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar schriftelijk en langs diplomatieke weg in kennis van de voltooiing van hun onderscheiden procedures ter zake krachtens hun nationale wetgeving vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na de datum van de laatste kennisgeving.