rijk/wet/wet-op-de-nederlandse-organisatie-voor-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0004191
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek BWBR0004191 wet geldend 2003-04-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0004191 Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek

Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. b. organisatie: de organisatie, genoemd in artikel 2, eerste lid; c. c. instellingsplan: instellingsplan, bedoeld in artikel 18.

Artikel 2

1. Er is een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

2. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid; zij is gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel 2a

Op de organisatie is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van artikel 15 van die wet.

Artikel 3

1. De organisatie heeft tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek.

2. De organisatie voert haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen.

3. De organisatie bevordert de overdracht van kennis van de resultaten van door haar geïnitieerd en gestimuleerd onderzoek ten behoeve van de maatschappij.

4. De organisatie richt zich bij het uitvoeren van haar taak in hoofdzaak op het universitaire onderzoek. Daarbij let zij op het aspect van coördinatie en bevordert deze waar nodig.

Artikel 3a

Onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk en die geen betrekking hebben op de bestuursvoering van de organisatie kunnen beschikbaar worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

Hoofdstuk II. Het bestuur en de inrichting van de organisatie

Artikel 4

De organisatie heeft een raad van bestuur, een raad van toezicht en vier domeinbesturen.

Artikel 5

1. De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vijf overige leden, waarvan één van die leden de portefeuille bedrijfsvoering en financiën heeft.

2. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. Een lid van het personeel kan niet tevens worden benoemd tot lid van de raad van bestuur.

3. De voorzitters van de vier domeinbesturen zijn lid van de raad van bestuur. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter van de raad van bestuur en het overige lid met de portefeuille bedrijfsvoering en financiën.

4. Benoeming van de voorzitter en het lid met de portefeuille bedrijfsvoering en financiën geschiedt op voordracht van de raad van toezicht en geschiedt voor ten hoogste vijf jaar. De leden kunnen ten hoogste eenmaal opnieuw benoemd worden.

5. Onze Minister stelt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de universiteiten, genoemd in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gezamenlijk, in de gelegenheid van hun gevoelens te doen blijken over een voornemen tot benoeming van de voorzitter.

Artikel 6

1. De raad van bestuur is belast met het besturen van de organisatie.

2. Alle bevoegdheden welke niet bij of krachtens de wet aan een ander orgaan van de organisatie zijn opgedragen, komen toe aan de raad van bestuur.

3. De raad van bestuur is, met inachtneming van het instellingsplan en de door Onze Minister goedgekeurde begroting, belast met het verstrekken van middelen ten behoeve van onderzoeksprojecten en onderzoeksprogrammas.

4. De raad van bestuur kan voor de verstrekking van middelen regels stellen, waaronder de vaststelling van subsidieplafonds.

Artikel 7

1. De voorzitter van de raad van bestuur vertegenwoordigt de organisatie in en buiten rechte.

2. De raad van bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.

Artikel 8

1. Onverminderd artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stelt de raad van bestuur een bestuursreglement voor de organisatie vast.

2. Het bestuursreglement regelt nader het bestuur en de inrichting van de organisatie.

Artikel 9

1. De raad van bestuur voert het personeelsbeleid en personeelsbeheer, daaronder begrepen het aangaan en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het personeel.

2. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald, is op het personeel van de organisatie het bij of krachtens artikel 4.5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

1. De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vijf overige leden.

2. Het lidmaatschap van de raad van toezicht is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van bestuur. Een lid van het personeel kan niet tevens worden benoemd tot lid van de raad van toezicht.

3. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht.

4. Een van de overige leden wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Economische Zaken.

5. Voor een van de andere overige leden kan de ondernemingsraad van de organisatie personen aanbevelen.

6. Benoeming geschiedt voor ten hoogste vijf jaar en leden kunnen ten hoogste eenmaal opnieuw worden benoemd.

Artikel 11

1. De raad van toezicht staat de raad van bestuur met raad ter zijde en geeft desgevraagd of uit eigen beweging advies over het beleid van de raad van bestuur. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad zich naar het belang van de organisatie en neemt daarbij de doelstelling van de organisatie, bedoeld in artikel 3, als uitgangspunt.

2.

De raad van toezicht stelt een reglement vast betreffende zijn werkwijze waarin in ieder geval in het bijzonder aandacht is voor:

a. a. goed bestuur van de organisatie; b. b. de voordrachten voor de leden van de raad van bestuur; c. c. de wijze waarop hij zijn advies geeft over de begroting, de jaarrekening, het jaarverslag en het instellingsplan.

Artikel 12

1. De organisatie kent vier onderzoeksdomeinen.

2. De raad van bestuur bepaalt het wetenschappelijk werkterrein van elk van de onderzoeksdomeinen.

3. Een onderzoeksdomein wordt geleid door een domeinbestuur.

Artikel 13

1. Een domeinbestuur bestaat uit een voorzitter en ten hoogste acht leden, waarvan ten minste één niet afkomstig is uit een wetenschappelijke dienstbetrekking.

2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter van een domeinbestuur. Benoeming geschiedt op voordracht van de raad van toezicht.

3. De raad van bestuur benoemt, schorst en ontslaat de overige leden van een domeinbestuur. Benoeming geschiedt op voordracht van het desbetreffende domeinbestuur.

4. De benoeming van de voorzitter en de overige leden geschiedt voor ten hoogste drie jaar. De leden kunnen ten hoogste eenmaal opnieuw worden benoemd.

Artikel 14

1. Een domeinbestuur heeft tot taak de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren op het gebied van diens wetenschappelijk werkterrein.

2. De raad van bestuur kan aan een domeinbestuur mandaat verlenen om, met inachtneming van door de raad van bestuur te geven richtlijnen, het instellingsplan en de door Onze Minister goedgekeurde begroting, middelen te verstrekken ten behoeve van onderzoeksprojecten en onderzoeksprogrammas.

3. De raad van bestuur kan in het bestuursreglement de taak van een domeinbestuur en de inrichting van een onderzoeksdomein nader bepalen.

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Hoofdstuk III. Planning, financiële bepalingen, verslag en rekening

Paragraaf 1. Wetenschapsbudget

Artikel 16a

1. Onze Minister stelt het wetenschapsbudget vast. Het wetenschapsbudget heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.

2. Onze Minister agendeert, in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers, in het wetenschapsbudget beleidsonderwerpen op het terrein van het fundamenteel en toegepast onderzoek.

Artikel 17

1. Het wetenschapsbudget wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige wetenschapsbudget. Na overleg met de beide Kamers der Staten-Generaal kan het wetenschapsbudget uiterlijk zes maanden na het tijdstip, bedoeld in de eerste volzin, worden vastgesteld.

2. Onze Minister biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop het wetenschapsbudget moet zijn vastgesteld, een ontwerp daarvan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.

3. Onze Minister maakt het vastgestelde wetenschapsbudget bekend in de Staatscourant.

Paragraaf 2. Planning

Artikel 18

1. De raad van bestuur stelt een instellingsplan op uiterlijk vier jaar na het tijdstip van het vaststellen van het vorige plan.

2. De raad van bestuur hoort de raad van toezicht over het instellingsplan en stelt het instellingsplan vervolgens vast. Na vaststelling zendt de raad van bestuur het plan onverwijld aan Onze Minister.

3. De raad van bestuur vraagt de domeinbesturen om voorstellen. Daarnaast houdt hij bij het opstellen van het instellingsplan rekening met het wetenschapsbudget, de instellingsplannen van universiteiten en verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen, een en ander voor zover die naar het oordeel van de raad van bestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de organisatie.

4.

Het instellingsplan omvat in elk geval:

a. a. doelstellingen van de organisatie op middellange termijn; b. b. hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten; c. c. financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.

5. Onze Minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van de raad van bestuur. Onze Minister zendt een afschrift van zijn standpunt en van het plan aan beide Kamers van de Staten-Generaal.

Paragraaf 3. Financiële bepalingen

Artikel 19

1.

De inkomsten van de organisatie bestaan uit:

a. a. de bijdrage uit s Rijks kas; b. b. inkomsten, die samenhangen met voorzieningen waarvoor de rijksbijdrage is verleend; c. c. andere inkomsten.

2. De rijksbijdrage wordt vastgesteld of nader vastgesteld door de vaststelling of nadere vaststelling bij wet van het hoofdstuk van de rijksbegroting waarop zij is voorgesteld. De rijksbijdrage wordt betaald in zodanige termijnen en tot zodanige bedragen als voor het doen van de betalingen door de organisatie nodig is.

3. Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop een voorschot betaald overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen.

4. Bij vaststelling van de rijksbijdrage blijven inkomsten als bedoeld in het eerste lid onder c, buiten beschouwing.

Artikel 20

De raad van bestuur is belast met het doelmatig beheer van de financiën en de vermogensbestanddelen van de organisatie.

Artikel 21

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks een begroting op voor het daaropvolgende kalenderjaar. Nadat de raad van toezicht over de begroting is gehoord, stelt de raad van bestuur de begroting vast.

2. Onverminderd de artikelen 26 tot en met 30 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, is in de begroting een allocatie van middelen opgenomen die in overeenstemming is met het instellingsplan.

3. De raad van bestuur zendt de begroting voor 1 november ter goedkeuring aan Onze Minister.

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

1. Onverminderd artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen geeft het bestuursverslag aan in hoeverre de doelstellingen uit het instellingsplan zijn verwezenlijkt.

2. De raad van bestuur stelt het jaarverslag vast, gehoord de raad van toezicht. Na vaststelling draagt de raad van bestuur zorg voor de verzending, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Artikel 25

1. De goedkeuring, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, kan tevens worden onthouden op de grond dat de jaarrekening naar het oordeel van Onze Minister niet of niet voldoende in overeenstemming is met het instellingsplan. Artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

2. De raad van bestuur stelt de jaarrekening op. Nadat de raad van toezicht over de jaarrekening is gehoord, stelt de raad van bestuur de jaarrekening vast.

3. De raad van bestuur zendt de jaarrekening ter goedkeuring aan Onze Minister.

Artikel 26

Onverminderd artikel 35 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan Onze Minister, indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Hij maakt dit binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening bekend aan het algemeen bestuur.

Paragraaf 4. Voorschriften inrichting begroting en jaarrekening

Artikel 27

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van de begroting, het bestuursverslag en de jaarrekening.

Hoofdstuk IV. Schorsing en vernietiging van besluiten; taakverwaarlozingsregeling

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk V. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

In afwijking van artikel 5, vierde lid, en artikel 13, tweede lid, vindt de benoeming van de eerste leden van de raad van bestuur en de voorzitters van de domeinbesturen plaats op basis van openbaar gemaakte functieprofielen en laat Onze Minister zich adviseren door een benoemingsadviescommissie.

Artikel 46

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 februari 1988.

Artikel 47

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.