40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit onderzoek in strafzaken naar een ernstige besmettelijke ziekte | BWBR0027394 | AMvB | geldend | 2020-04-24 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0027394 | Besluit onderzoek in strafzaken naar een ernstige besmettelijke ziekte |
Besluit onderzoek in strafzaken naar een ernstige besmettelijke ziekte
Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a.
*de wet:* het Wetboek van Strafvordering;
b. b.
*een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet:* een onderzoek dat tot doel heeft om met behulp van celmateriaal dat van de verdachte of een derde is afgenomen, vast te stellen of de verdachte of de derde drager is van een ziekte als bedoeld in artikel 2;
c. c.
*een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet:* een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, van de wet dat wegens zwaarwegende redenen wordt verricht met behulp van celmateriaal dat niet van de verdachte is afgenomen;
d. d.
*een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet:* een onderzoek dat tot doel heeft om met behulp van celmateriaal dat van de verdachte of een derde is afgenomen, vast te stellen of de verdachte of de derde degene is die de besmetting met een ziekte als bedoeld in artikel 2 heeft overgedragen op het slachtoffer van dat misdrijf;
e. e.
*een gemeentelijke gezondheidsdienst:* een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid;
Paragraaf 2. Aanwijzing ernstige besmettelijke ziekten
Artikel 2
Als ernstige besmettelijke ziekten in het kader waarvan een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, 151e, vijfde lid, artikel 151h, eerste lid, of artikel 151i, eerste lid, van de wet, kan worden verricht, worden aangewezen:
a. a. Aids, b. b. hepatitis B, c. c. hepatitis C, en d. d. COVID-19.
Paragraaf 3. Aanwijzing van het te onderzoeken celmateriaal
Artikel 3
Als celmateriaal waaraan een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, 151e, vijfde lid, artikel 151h, eerste lid, of artikel 151i, eerste lid, van de wet, kan worden verricht, wordt aangewezen:
a. a. bloed, indien het een onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte als bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met c, betreft, en b. b. neus- en keelslijmvlies en sputum, indien het een onderzoek naar een ernstige besmettelijke ziekte als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, betreft.
Paragraaf 4. Wijze van verkrijging van celmateriaal
Artikel 4
1. Degene die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie of de rechter-commissaris wijst hem op deze mogelijkheid.
2. In geval van artikel 3, onder a, worden twee buisjes die geen heparinebuisjes zijn, met 4 milliliter bloed afgenomen waarvan één buisje bloed is bestemd voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet en één buisje bloed voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet.
3. In geval van artikel 3, onder b, worden aan de binnenkant van de neus- of keelholte zoveel slijmvlies afgenomen als voor het uitvoeren een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet en voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet nodig is of wordt betrokkene gevraagd voldoende sputum op te hoesten.
4. Het celmateriaal wordt afgenomen door een arts of een verpleegkundige. Indien de arts of de verpleegkundige bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon daarin schriftelijk toestemt.
Artikel 5
1. Het afnemen van celmateriaal ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet bij degene aan wie een bevel als bedoeld in artikel 151e, tweede lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet is gegeven, geschiedt op de wijze als omschreven in artikel 4, tweede lid. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van het afnemen van celmateriaal ten behoeve van een tegenonderzoek.
Artikel 6
1.
Bij het afnemen van celmateriaal als bedoeld in artikel 4 of 5 is een opsporingsambtenaar aanwezig die:
a. a. daarvan proces-verbaal opmaakt dat of een verklaring die hij voorziet van een identiteitszegel en de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van degene van wie het celmateriaal is afgenomen, alsmede het parketnummer van de strafzaak waarin het celmateriaal is afgenomen, of, indien de identificerende persoonsgegevens van betrokkene onbekend zijn, het parketnummer van de strafzaak, b. b. de verpakking van het celmateriaal van een identiteitszegel en een sluitzegel voorziet dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld onder a, c. c. ervoor zorgt dat het celmateriaal zo spoedig mogelijk wordt bezorgd bij een gemeentelijke gezondheidsdienst.
2. Het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid, is een zelfklevend zegel dat bedrukt is met een eenmalig te gebruiken combinatie van letters en cijfers. Deze combinatie is aangebracht in schrift en barcode.
3. Het sluitzegel, bedoeld in het eerste lid, is een zelfklevend, elastisch en fraudebestendig zegel met de opdruk «onderzoek justitie».
Artikel 7
1. In geval van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet voorziet de opsporingsambtenaar de verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs celmateriaal van de verdachte aanwezig is, dan wel van celmateriaal dat niet is afgenomen op de wijze als voorzien in artikel 4 of artikel 5, van een identiteitszegel zo spoedig mogelijk nadat het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen.
2. De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van de inbeslagneming van het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een identiteitszegel dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid. Hij vermeldt in het proces-verbaal de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de verdachte alsmede het parketnummer van de strafzaak waarin het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen, of, indien de identificerende persoonsgegevens van betrokkene onbekend zijn, het parketnummer van de strafzaak.
3. De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk nadat de officier van justitie of de rechter-commissaris opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet, in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels als bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt bezorgd bij een gemeentelijke gezondheidsdienst.
Paragraaf 5. Onderzoek naar besmetting met een ernstige besmettelijke ziekte
Artikel 8
1. Een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet wordt verricht in het laboratorium van de gemeentelijke gezondheidsdienst waarbij het celmateriaal, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, of het voorwerp, bedoeld in artikel 7, derde lid, is bezorgd, of het laboratorium van een ziekenhuis dat binnen het grondgebied van die gemeentelijke gezondheidsdienst valt.
2. Indien het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet wordt verricht in het laboratorium van een ziekenhuis, zorgt de gemeentelijke gezondheidsdienst dat het celmateriaal of het voorwerp, dat voor het verrichten van het onderzoek nodig is, zo spoedig mogelijk in de verpakking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, bij dat laboratorium wordt bezorgd.
Artikel 9
1. De deskundige die is verbonden aan het laboratorium van de gemeentelijke gezondheidsdienst of het ziekenhuis, bedoeld in artikel 8, en is aangewezen voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet, verricht het onderzoek binnen de termijn die de officier van justitie of de rechter-commissaris die de opdracht tot het verrichten van het onderzoek heeft gegeven, heeft gesteld. De termijn wordt na overleg met de deskundige die het onderzoek verricht, vastgesteld.
2. De deskundige verricht het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, volgens de daarvoor geldende methoden.
3. De deskundige stelt een verslag op van de resultaten van het onderzoek en ondertekent het verslag.
4.
Het verslag bevat in ieder geval:
a. a. de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de verdachte of de derde met behulp van wiens celmateriaal het onderzoek is uitgevoerd, of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, b. b. het nummer van het identiteitszegel dat op de verpakking was vermeld waarmee de deskundige het celmateriaal heeft ontvangen, c. c. de methode met behulp waarvan onderzoek is verricht, en d. d. de resultaten en de conclusies van het onderzoek.
5. De deskundige doet terstond na dagtekening van het verslag het verslag toekomen aan de officier van justitie of de rechter-commissaris.
6. De deskundige die een onderzoek als bedoeld in artikel 151h, eerste lid, van de wet verricht, is een andere deskundige dan de deskundige die een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, van de wet heeft verricht. De deskundige die een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet verricht, is verbonden aan een andere gemeentelijke gezondheidsdienst of een ander ziekenhuis dan de gemeentelijke gezondheidsdienst of het ziekenhuis die het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet heeft verricht.
Artikel 10
1. Indien de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet negatief is, vernietigt de gemeentelijke gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 8, het resterende celmateriaal waarmee dat onderzoek is verricht, en het celmateriaal, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, dat bestemd is voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet.
2. Indien de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet positief is, vernietigt de gemeentelijke gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 8, het resterende celmateriaal waarmee dat onderzoek is verricht, en zorgt ervoor dat het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk in de verpakking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam wordt bezorgd.
3. Indien het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, is verricht in het laboratorium van een ziekenhuis, bedoeld in artikel 8, vernietigt het ziekenhuis het resterende celmateriaal waarmee dat onderzoek is verricht, en verstrekt het de gemeentelijke gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 8, de informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid.
4. De gemeentelijke gezondheidsdienst of het ziekenhuis in wiens laboratorium het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, is verricht, vernietigt na een half jaar het verslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 9, derde lid, en de bij dat verslag behorende identificerende persoonsgegevens.
Paragraaf 6. Fylogenetisch onderzoek
Artikel 11
1.
Een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151i, tweede lid, van de wet wordt verricht in
a. a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd, deskundig is op het terrein van de ernstige besmettelijke ziekten, die in artikel 2 zijn aangewezen, en het onderzoek, bedoeld in de aanhef, en beschikt over voldoende forensische kennis om dat onderzoek te kunnen verrichten, dan wel b. b. een laboratorium dat gevestigd is in het buitenland, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd, deskundig is op het terrein van de ernstige besmettelijke ziekten, die in artikel 2 zijn aangewezen, en het onderzoek, bedoeld in de aanhef, en beschikt over voldoende forensische kennis om dat onderzoek te kunnen verrichten.
2. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
3. Indien de accreditatie van een laboratorium als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, is geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dit laboratorium niet langer onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet worden verricht.
Artikel 12
1. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de deskundige die is verbonden aan een laboratorium als bedoeld in artikel 11 en is aangewezen voor het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151i, tweede lid, van de wet.
2. Indien het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, in een ander laboratorium dan het betrokken laboratorium van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam wordt verricht, zorgt dit laboratorium ervoor dat het celmateriaal, bedoeld in artikel 10, tweede lid, zo spoedig mogelijk in de verpakking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, bij dat andere laboratorium wordt bezorgd, en informeert het Academisch Medisch Centrum het openbaar ministerie daarover.
Artikel 13
1. Het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam of een ander laboratorium dan het betrokken laboratorium van het Academisch Medisch Centrum, indien het onderzoek, bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet, of het tegenonderzoek, bedoeld in artikel 151i, tweede lid, van de wet, wordt verricht in dat andere laboratorium, vernietigt het celmateriaal, bedoeld in artikel 10, tweede lid, het verslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 9, derde lid, en de bij dat verslag behorende identificerende persoonsgegevens, nadat een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd of een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van de wet onherroepelijk is geworden in verband met het misdrijf in het kader waarvan het celmateriaal is verkregen.
2. Het openbaar ministerie verstrekt de informatie, die nodig is om te kunnen voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, aan het Academisch Medisch Centrum of, indien het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, is verricht in een ander laboratorium dan het betrokken laboratorium van het Academisch Medisch Centrum aan dat laboratorium.
Paragraaf 7. Kosten van tegenonderzoek
Artikel 14
1. Het aan de verdachte in rekening te brengen deel van de kosten, bedoeld in de artikelen 151f, vierde lid, en 151h, derde lid, van de wet, voor het verrichten van een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet bedraagt € 50.
2. Het aan de verdachte in rekening te brengen deel van de kosten, bedoeld in artikel 151i, tweede lid, van de wet, voor het verrichten van een tegenonderzoek als bedoeld in dat artikellid bedraagt eenderde deel van de kosten die aan het onderzoek zijn verbonden.
3. Een tegenonderzoek wordt niet verricht dan nadat de verdachte het bedrag, bedoeld in het eerste of tweede lid, aan de gemeentelijke gezondsheidsdienst of het laboratorium, bedoeld in artikel 10, die het onderzoek verricht, heeft betaald.
Paragraaf 8. Wijziging van andere regelingen
Artikel 15
Wijzigt het Tijdelijk besluit Lex silencio positivo Dienstenrichtlijn.
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 12 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit (verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken) (Stb. 2009, 475) in werking treedt.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit onderzoek in strafzaken naar een ernstige besmettelijke ziekte.