rijk/verdrag/verdrag-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-de-bondsrepubliek-duitsland-nop/BWBV0005042
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag) BWBV0005042 verdrag geldend 1963-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0005042 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag)

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens het verloop van de gemeenschappelijke landgrens, de grenswateren, het grondbezit in de nabijheid van de grens, het grensoverschrijdende verkeer over land en via de binnenwateren en andere met de grens verband houdende vraagstukken, met Bijlagen en Slotprotocol (Grensverdrag)

Hoofdstuk 1. Verloop van de grens

Artikel 1

Het verloop van de grens tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland wordt bepaald door de op 26 juni 1816 te Aken en op 7 oktober 1816 te Kleef ondertekende grensverdragen tussen het Koninkrijk Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden, het op 2 juli 1824 te Meppen ondertekende grensverdrag tussen het Koninkrijk Hannover en het Koninkrijk der Nederlanden en de tot uitvoering, wijziging en aanvulling van deze grensverdragen gesloten overeenkomsten, voorzover deze verdragen en overeenkomsten op 31 december 1937 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk van kracht waren, en door de hiervan afwijkende regelingen van Bijlage A bij dit Verdrag.

Artikel 2

Nadat de grensbeken

a) a) Anselderbeek - Bleyerheiderbeek b) b) Molenbeek (Jonge Worm) c) c) Roode Beek (bij Vlodrop) d) d) Rammelbeek

zullen zijn genormaliseerd overeenkomstig de bepalingen van de §§ 2 tot en met 5 van Bijlage B bij dit Verdrag, zal de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden verlopen, zoals in die bepalingen is vastgesteld. Elk van deze grenswijzigingen wordt van kracht op het tijdstip dat na de beëindiging der werkzaamheden wordt bepaald door een notawisseling tussen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen.

Artikel 3

1. Voor zover de in de artikelen 1 en 2 aangegeven grens afwijkt van de op 31 december 1937 bestaande Nederlands-Duitse grens, wordt haar nauwkeurig verloop ter plaatse vastgesteld door een Grenscommissie, die uit vertegenwoordigers van de Regeringen der Verdragsluitende Partijen bestaat. De kosten voor de afbakening worden door de Verdragsluitende Partijen elk voor de helft gedragen.

2. Aan de Grenscommissie kan bovendien worden opgedragen, de afbakening van de grens, voor zover deze overeenstemt met de op 31 december 1937 bestaande Nederlands-Duitse grens, te onderzoeken, en, waar nodig, te vernieuwen, alsmede de gehele grens opnieuw op te meten en in een kaartwerk vast te leggen. Voor zover zich tengevolge van het bestaande grens verloop ernstig ongerief voordoet, kan de Grenscommissie voorstellen doen tot grenscorrecties van ondergeschikt belang.

Hoofdstuk 2. Vraagstukken die verband houden met de overgang van grensgebieden

Artikel 4

Het Koninkrijk der Nederlanden doet afstand van de aan het Koninkrijk na de tweede wereldoorlog overgedragen rechten met betrekking tot de op 31 december 1937 tot het Duitse Rijk behorende gebieden waarin het Koninkrijk zulke rechten heeft doen gelden en die krachtens artikel 1 tot de Bondsrepubliek Duitsland behoren.

Artikel 5

Het Koninkrijk der Nederlanden doet afstand van zijn rechten met betrekking tot de gebieden die op 31 december 1937 tot het Koninkrijk der Nederlanden behoorden en die krachtens artikel 1 tot de Bondsrepubliek Duitsland behoren.

Artikel 6

De Bondsrepubliek Duitsland doet afstand van haar rechten met betrekking tot de gebieden die op 31 december 1937 tot het Duitse Rijk behoorden en die krachtens artikel 1 tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren.

Artikel 7

1. Het openbare vermogen met alle rechten, lasten en verplichtingen in de gebieden bedoeld in de artikelen 4 en 5 behoort toe aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de daarvoor in aanmerking komende publiekrechtelijke rechtspersonen in de Bondsrepubliek Duitsland.

2. Het openbare vermogen met alle rechten, lasten en verplichtingen in de gebieden bedoeld in artikel 6 behoort toe aan het Koninkrijk der Nederlanden of aan de daarvoor in aanmerking komende publiekrechtelijke rechtspersonen in het Koninkrijk.

Artikel 8

1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen regelen, voor zover mogelijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, in onderlinge overeenstemming de bestuursvraagstukken die verband houden met de overgang van de in de artikelen 4 tot en met 6 bedoelde gebieden, zoals de overdracht van akten, documenten en archieven.

2. Voor zover de overdracht van registers van de burgerlijke stand, hypotheekregisters, akten van het kadaster of daarbij behorende bescheiden niet mogelijk is, worden gewaarmerkte afschriften verstrekt.

Artikel 9

1. Aan Nederlanders die op 30 juni 1959 hun woonplaats of gewone verblijfplaats in de in artikel 4 bedoelde gebieden hadden, wordt kosteloos vergunning verleend voor een verblijf van onbepaalde duur in de Bondsrepubliek Duitsland.

2. Aan Duitsers die hun woonplaats of gewone verblijfplaats op 23 februari 1948 en op 23 april 1949 in de in artikel 4 bedoelde gebieden en op 30 juni 1959 in Nederland hadden, wordt kosteloos vergunning verleend voor een verblijf van onbepaalde duur in Nederland.

3. Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde Nederlanders of Duitsers binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag hun woonplaats naar Nederland, onderscheidenlijk naar de Bondsrepubliek Duitsland, verplaatsen, zijn zij gerechtigd hierbij hun roerende vermogensbestanddelen alsmede de opbrengst van vervreemde onroerende vermogensbestanddelen vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen en vrij van in- en uitvoerrechten en andere heffingen naar Nederland, onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland, over te brengen. Voor zover zij deze onroerende vermogensbestanddelen niet vervreemden, blijven zij gerechtigd de vruchten daarvan, zoals oogsten, pachtsommen en huurpenningen, vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen naar Nederland, onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland, over te brengen.

Artikel 10

1. Nederlanders die op 30 juni 1959 hun woonplaats of gewone verblijfplaats in de in artikel 4 bedoelde gebieden hadden en aldaar op dat tijdstip zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, zijn gerechtigd hun beroeps- of bedrijfsuitoefening in deze gebieden voort te zetten en ontvangen de hiervoor eventueel vereiste vergunningen. Deze beroeps- of bedrijfsuitoefening is onderworpen aan de in de Bondsrepubliek Duitsland geldende wettelijke voorschriften.

2. Duitsers die hun woonplaats of gewone verblijfplaats op 23 februari 1948 en op 23 april 1949 in de in artikel 4 bedoelde gebieden en op 30 juni 1959 in Nederland hadden en aldaar op dat tijdstip zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, zijn gerechtigd hun beroeps- of bedrijfsuitoefening in Nederland voort te zetten en ontvangen de hiervoor eventueel vereiste vergunningen. Deze beroeps- of bedrijfsuitoefening is onderworpen aan de in Nederland geldende wettelijke voorschriften.

3. Voor zover de in lid 1 bedoelde personen zelfstandig werkzaamheden uitoefenen, mogen zij gedurende tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag grondstoffen en halffabrikaten vrij van invoerverboden en -beperkingen en vrij van invoerrechten en andere heffingen over de Nederlands-Duitse grens invoeren, indien de daaruit vervaardigde produkten over de Nederlands-Duitse grens worden uitgevoerd. Deze faciliteit geldt voor grondstoffen en halffabrikaten van dezelfde soort als vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden betrokken, en voor een jaarlijkse hoeveelheid van ten hoogste 120% van het gemiddelde van de hoeveelheden die in de laatste drie jaren vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werden betrokken. Op de naleving van de voorwaarden voor de vrijstelling wordt door de douane toezicht uitgeoefend in overeenstemming met de Duitse douanevoorschriften met betrekking tot het veredelingsverkeer. De uitvoer van de produkten over de Nederlands-Duitse grens is gedurende tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag vrijgesteld van uitvoerrechten of andere heffingen. Bij de berekening van de vergoeding van omzetbelasting wegens uitvoer wordt rekening gehouden met het feit, dat de grondstoffen en halffabrikaten vrij van rechten en heffingen zijn ingevoerd. Het bovenstaande sluit niet de mogelijkheid uit, dat verdergaande vrijstellingen of vrijstellingen voor andere grondstoffen en halffabrikaten worden verleend, indien die vrijstellingen toelaatbaar zijn volgens de Duitse douanevoorschriften met betrekking tot het veredelingsverkeer.

4. De in de leden 1 tot en met 3 vervatte regeling vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van vennootschappen die op 30 juni 1959 hun zetel in de bedoelde gebieden hadden, alsmede voor aldaar gevestigde filialen en vaste inrichtingen. Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.

Artikel 11

1. Duitsers die hun woonplaats op 30 juni 1959 in de in artikel 6 bedoelde gebieden hadden en bij de inwerkingtreding van dit Verdrag daar nog hebben, kunnen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag op de voet van lid 2 opteren voor de Nederlandse nationaliteit, mits zij op het tijdstip van de optie tenminste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats in het Koninkrijk der Nederlanden hebben.

2.

De optie geschiedt door een verklaring ten overstaan van de bevoegde Nederlandse autoriteiten. Zij heeft verkrijging van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg op het tijdstip van het afleggen van de verklaring. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit strekt zich uit tot:

a) a) de echtgenote, indien zij daarmede instemt, b) b) de nog geen achttien jaar oude kinderen; een door een vrouw afgelegde optieverklaring heeft ten aanzien van haar kinderen slechts gevolg, indien de vader is overleden of wettelijk onbekend is.

3. Wie ingevolge lid 2 de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, is uit dien hoofde geen Duitser meer. Voor het wettige kind van een optant, dat naar Duits recht mede onder de ouderlijke macht van de moeder staat, geldt dit echter alleen, indien de moeder daartoe haar toestemming heeft gegeven. Indien de toestemming van de moeder ontbreekt, kan de Nederlandse Minister van Justitie aan de optieverklaring van de vader hetzij gevolg ten aanzien van de kinderen hetzij ieder gevolg ontzeggen.

4. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden deelt aan de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland de namen en de personalia mede van hen die tengevolge van optie de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.

5. Duitsers die hun woonplaats op 30 juni 1959 in de in artikel 6 bedoelde gebieden hadden en bij de inwerkingtreding van dit Verdrag daar nog hebben, genieten de in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, genoemde rechten. Wanneer zij, zonder de Nederlandse nationaliteit te hebben verkregen, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag hun woonplaats overbrengen naar de Bondsrepubliek Duitsland, worden de bepalingen van artikel 9, lid 3, overeenkomstig toegepast.

Artikel 12

1. Op Nederlanders die op 30 juni 1959 in de in artikel 4 bedoelde gebieden zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, doch die in Nederland gevestigd zijn, zullen de Duitse wettelijke en administratieve voorschriften met betrekking tot de grensoverschrijding, het vreemdelingentoezicht en de zelfstandige of onzelfstandige uitoefening van werkzaamheden zo worden toegepast, dat deze voorschriften hen niet belemmeren in de uitoefening van hun beroep of hun bedrijf, tenzij redenen van volksgezondheid of van openbare veiligheid, orde of zedelijkheid zich daartegen verzetten.

2. Op Duitsers die op 30 juni 1959 in Nederland zelfstandig of onzelfstandig werkzaamheden uitoefenden, welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog uitoefenen, doch die in de in artikel 4 bedoelde gebieden gevestigd zijn, zullen de Nederlandse wettelijke en administratieve voorschriften met betrekking tot de grensoverschrijding, het vreemdelingentoezicht en de zelfstandige of onzelfstandige uitoefening van werkzaamheden zo worden toegepast, dat deze voorschriften hen niet belemmeren in de uitoefening van hun beroep of hun bedrijf, tenzij redenen van volksgezondheid of van openbare veiligheid, orde of zedelijkheid zich daartegen verzetten.

Artikel 13

De rechten die Nederlanders en Nederlandse vennootschappen met woonplaats, gewone verblijfplaats of zetel in Nederland op 30 juni 1959 in de in artikel 4 bedoelde gebieden met betrekking tot het winnen van klei, zand of grint bezaten, worden niet aangetast. Gewonnen klei, zand en grint mag vrij van uit- en invoerverboden en -beperkingen en vrij van uit- en invoerrechten en andere heffingen naar Nederland worden uitgevoerd. De voor de winning benodigde werktuigen en de middelen van vervoer mogen vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen en vrij van in- en uitvoerrechten en andere heffingen uit Nederland naar de in artikel 4 bedoelde gebieden worden overgebracht en weer naar Nederland worden uitgevoerd. Voor deze uitvoer van klei, zand, grint, werktuigen en middelen van vervoer verleent de Bondsrepubliek Duitsland geen vergoeding van omzetbelasting wegens uitvoer.

Artikel 14

In Nederland gevestigde ondernemingen tot vervoer van personen, welke op 30 juni 1959 voor de in artikel 4 bedoelde gebieden vergunningen bezaten, ontvangen vergunningen naar Duits recht. Deze worden zo geformuleerd, dat de ondernemingen de op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Verdrag door hen verzorgde lijndiensten en andere vervoersdiensten in die omvang en tenminste voor die duur kunnen voortzetten, als was voorzien in hun vroegere Nederlandse vergunningen. Door Nederlandse autoriteiten aan Duitse ondernemingen opgelegde verboden tot het opnemen of afzetten van personen behoeven in de in artikel 4 bedoelde gebieden niet te worden gehandhaafd.

Artikel 15

1. In Nederland gevestigde verzekeringsondernemingen mogen de verzekeringswerkzaamheden welke zij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag uitoefenen in de in artikel 4 bedoelde gebieden met betrekking tot aldaar gevestigde personen en aldaar gelegen risico's, ook verder uitoefenen, met uitzondering van de aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen.

2. De tot dekking van de verplichtingen vereiste waarden moeten in de voorgeschreven omvang volgens de beginselen neergelegd in het Duitse verzekeringsrecht in de Bondsrepubliek Duitsland aanwezig zijn.

3. De verzekeringsondernemingen dienen een verantwoordelijke vertegenwoordiger te benoemen, die in de Bondsrepubliek Duitsland woonachtig is en die mede aansprakelijk is voor de nakoming van de uit lid 2 voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 16

Personen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag in de in artikel 4 bedoelde gebieden krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam zijn in dienst van de Nederlandse overheid of van de N.V. Nederlandsche Spoorwegen, zullen door de Duitse overheid in dienst worden genomen. Hetzelfde geldt voor ambtenaren die de Duitse nationaliteit bezitten.

Artikel 17

1. Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen die op 21 juni 1948 in de in artikel 4 bedoelde gebieden woonachtig of gevestigd waren, zijn met betrekking tot zich buiten de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevindende vermogensbestanddelen niet onderworpen aan de „Vermögensabgabe” (vermogensheffing), voorzien in het Duitse „Gesetz über den Lastenausgleich” (wet op de evenredige verdeling van lasten) van 14 augustus 1952. De vermogensbestanddelen van deze personen in de in artikel 4 bedoelde gebieden worden eveneens van de „Vermögensabgabe” vrijgesteld. Voorts zijn Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen die op 21 juni 1948 beperkt belastingplichtig waren voor genoemde vermogensheffing, met betrekking tot vermogensbestanddelen in de in artikel 4 bedoelde gebieden niet aan de „Vermögensabgabe” onderworpen.

2. De debiteurwinsten van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen met betrekking tot onroerende goederen en bedrijven die gelegen zijn in de in artikel 4 bedoelde gebieden, zijn niet onderworpen aan de „Hypothekengewinnabgabe” (heffing op hypotheekwinst) noch aan de „Kreditgewinnabgabe” (heffing op kredietwinst), voorzien in het Duitse „Gesetz über den Lastenausgleich” (wet op de evenredige verdeling van lasten) van 14 augustus 1952.

Artikel 18

1.

Bij de aanslagregeling en de inning van de belastingen, met inbegrip van opcenten, renten en kosten, en bij de invordering van door de belastingautoriteiten in verband met deze belastingen rechtsgeldig vastgestelde geldboeten, ook indien deze in de vorm van verhoging van belasting worden vastgesteld, verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar administratieve hulp en rechtsbijstand voor zover deze belastingen en geldboeten

a) a) verschuldigd zijn door natuurlijke en rechtspersonen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag woonachtig of gevestigd zijn in de in artikel 4 bedoelde gebieden, en b) b) betrekking hebben op een tijdvak omvattende het jaar waarin de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag valt, alsmede de twee volle kalenderjaren vóór en de twee volle kalenderjaren na dat jaar.

2. Invoerrechten en verbruiksbelastingen worden niet als belastingen in de zin van dit artikel aangemerkt, wel echter de Nederlandse omzetbelasting.

Artikel 19

1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verstrekken elkaar de voor de uitvoering van artikel 18 nodige inlichtingen, voor zover zij over de betreffende gegevens beschikken of deze op grond van hun wettelijke voorschriften kunnen verkrijgen. De inhoud van deze mededelingen dient geheim te worden gehouden en mag slechts aan die personen ter kennis worden gebracht, die ingevolge de wettelijke voorschriften met de aanslagregeling en de inning van de belastingen zijn belast.

2.

In geen geval zal het eerste lid zo worden uitgelegd, dat aan een Verdragsluitende Partij de verplichting wordt opgelegd,

a) a) administratieve maatregelen te nemen, welke in strijd zijn met de voorschriften of het gebruik van een van beide Verdragsluitende Partijen; of b) b) bijzonderheden te verschaffen, welker verstrekking volgens de wettelijke voorschriften van een van beide Verdragsluitende Partijen niet kan worden gevorderd.

3. Inlichtingen die een bedrijfs- of beroepsgeheim zouden onthullen, mogen niet worden verstrekt.

4. Het verstrekken van inlichtingen kan om redenen van algemeen beleid worden geweigerd.

Artikel 20

1.

Het verzoek om invordering volgens artikel 18 dient vergezeld te gaan van:

a) a) de bescheiden welke volgens de wetten van de verzoekende Verdragsluitende Partij nodig zijn om aan te tonen dat de in te vorderen bedragen rechtsgeldig verschuldigd zijn; b) b) een verklaring van de bevoegde autoriteit waarin de onherroepelijkheid wordt bevestigd.

2. De betekeningen en invorderingsmaatregelen vinden in het gebied van de aangezochte Verdragsluitende Partij plaats volgens de wetten die gelden voor de betekening van stukken en voor de invordering van de eigen belastingen. De te innen vorderingen worden in het gebied van de aangezochte Verdragsluitende Partij niet als bevoorrecht beschouwd.

3. De aangezochte Verdragsluitende Partij is niet verplicht een middel van invordering toe te passen, waarin de wetgeving van de verzoekende Verdragsluitende Partij niet voorziet.

4. Indien het verzoek om invordering niet is opgesteld in de taal van de aangezochte Verdragsluitende Partij, wordt een vertaling bijgevoegd. Van dat deel van de titel dat de beslissing bevat en van de verklaring overeenkomstig lid 1 wordt altijd een vertaling bijgevoegd.

5. Tussen de Verdragsluitende Partijen vindt geen vergoeding plaats van kosten en uitschotten welke voortvloeien uit de afwikkeling van verzoeken om administratieve hulp en rechtsbijstand.

Artikel 21

1. Voor de overgang van het Nederlandse recht naar het Duitse recht in de in artikel 4 bedoelde gebieden gelden de bepalingen van de artikelen 22 tot en met 31.

2. De toepassing van Nederlands recht op Nederlanders in de gevallen waarin het Duitse internationaal privaatrecht naar de nationale wetgeving der betrokkenen verwijst, blijft onverlet.

Artikel 22

De overgang van het Nederlandse recht naar het Duitse recht in de in artikel 4 bedoelde gebieden heeft, voor zover in de artikelen 23 tot en met 29 niet anders is bepaald, in beginsel geen invloed op de vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag verkregen burgerlijke rechten.

Artikel 23

De geldigheid naar de vorm van een rechtshandeling die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag met inachtneming van de Nederlandse vormvoorschriften is verricht, wordt in de Bondsrepubliek Duitsland erkend.

Artikel 24

Op verbintenissen die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag volgens Nederlands recht zijn ontstaan, blijft de Nederlandse wetgeving van toepassing, echter onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen en afwijkingen:

a) a) Pachtovereenkomsten voor onbepaalde tijd zijn van de inwerkingtreding van dit Verdrag af aan het Duitse recht onderworpen. Op pachtovereenkomsten voor bepaalde tijd blijft het Nederlandse recht slechts tijdens de lopende pachtduur van toepassing. De bepalingen van de Nederlandse Pachtwet inzake de verlenging der overeenkomsten vinden geen toepassing. De bevoegdheden van de grondkamers en de pachtkamers krachtens de Nederlandse Pachtwet worden door de volgens Duits recht bevoegde gerechten uitgeoefend. b) b) Huurovereenkomsten betreffende woon- en bedrijfsruimten, huurovereenkomsten betreffende grond waarvoor de bepalingen onder a niet gelden, overeenkomsten tot huur van jachtgenot en arbeidsovereenkomsten zijn van de inwerkingtreding van dit Verdrag af aan het Duitse recht onderworpen. c) c) Op andere huurovereenkomsten en op overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten, op verbintenissen tot betaling van een rente en op andere duurzame verbintenissen dient de in de Bondsrepubliek Duitsland geldende wetgeving in zoverre te worden toegepast als uit de overeenkomstige toepassing van de desbetreffende overgangsbepalingen van het Duitse recht, met name die van het „Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuch”, volgt.

Artikel 25

Voorrechten die naar Duits recht bestaan terzake van belastingvorderingen worden slechts boven naar Nederlands recht gevestigde hypotheken gerangschikt, indien de vordering strekt tot betaling van grondbelasting.

Artikel 26

Indien door de Nederlandse rechter scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt de beslissing in de Bondsrepubliek Duitsland erkend.

Artikel 27

Huwelijkse voorwaarden die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag tot stand zijn gekomen en in de daartoe bestemde Nederlandse registers zijn ingeschreven, kunnen tot een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag overeenkomstig het Nederlandse recht tegen derden worden ingeroepen.

Artikel 28

De rechtsbetrekkingen tussen een wettig of onwettig kind en zijn ouders en de wettelijke onderhoudsverplichtingen worden van de inwerkingtreding van dit Verdrag af beoordeeld naar Duits recht.

Artikel 29

1. Op een naamloze vennootschap naar Nederlands recht, die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag haar zetel in de in artikel 4 bedoelde gebieden heeft, blijft het Nederlandse vennootschapsrecht na de inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing, totdat de vennootschap haar statuten aan het Duitse vennootschapsrecht heeft aangepast, haar kapitaal in Duitse marken heeft vastgesteld en de daarvoor noodzakelijke wijzigingen der statuten in het handelsregister heeft doen inschrijven. Indien zulk een inschrijving niet binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag is geschied, is de vennootschap bij de afloop van deze termijn van rechtswege ontbonden; zij wordt volgens Nederlands vennootschapsrecht vereffend.

2. Binnen de in lid 1, tweede zin, bepaalde termijn is de naamloze vennootschap naar Nederlands recht echter bevoegd haar zetel naar Nederland te verplaatsen, zonder dat dit haar ontbinding ten gevolge heeft.

3. Op een naamloze vennootschap die haar zetel ingevolge lid 2 naar Nederland verplaatst, is artikel 9, lid 3, van overeenkomstige toepassing.

4. De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op andere rechtspersonen.

Artikel 30

1. Beslissingen van Nederlandse gerechten in burgerlijke zaken, die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn gegeven en die voor of na dat tijdstip in kracht van gewijsde zijn gegaan, worden in de Bondsrepubliek Duitsland erkend en na afgifte van een verklaring van uitvoerbaarheid als binnenlandse titels tenuitvoergelegd, wanneer de schuldenaar op het ogenblik waarop het geding tegen hem aanhangig werd gemaakt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in de in artikel 4 bedoelde gebieden had. Hetzelfde geldt ten aanzien van beslissingen die eerst na de inwerkingtreding van dit Verdrag worden gegeven en in kracht van gewijsde gaan, indien het geding in eerste aanleg reeds vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag bij een Nederlands gerecht aanhangig was. Artikel 26 blijft onverlet.

2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op tenuitvoerlegging van authentieke akten betreffende burgerrechtelijke aanspraken die in Nederland vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn verleden.

3. De griffier van het „Amtsgericht” tot welks ressort het betreffende in artikel 4 bedoelde gebied behoort, geeft de verklaring van uitvoerbaarheid af, luidende: „Vorstehende Ausfertigung wird dem . . . . zum Zweck der Zwangsvollstreckung in der Bundesrepublik Deutschland erteilt” („Voorgaande grosse wordt aan . . . . afgegeven ter fine van gedwongen tenuitvoerlegging in de Bondsrepubliek Duitsland”). Voor de eis tot afgifte van de verklaring van uitvoerbaarheid en voor de beslissing over bezwaren welke de te executeren vordering zelf betreffen, is het Duitse gerecht bevoegd tot welks ressort de schuldenaar ingevolge de Duitse „Zivilprozessordnung” behoort, en anders het gerecht waarbij overeenkomstig § 23 van de Duitse „Zivilprozessordnung” een eis tegen hem kan worden ingesteld.

4. Indien burgerlijke zaken die voor een Nederlands gerecht aanhangig zijn gemaakt en waarin vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel is verkregen, binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij een Duits gerecht aanhangig worden gemaakt, worden verjaring en vervaltermijnen geacht te zijn geschorst met ingang van het ogenblik waarop de zaak bij het Nederlandse gerecht aanhangig was gemaakt.

Artikel 31

1. Het Duitse strafrecht wordt slechts dan op een strafbaar feit dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag in de in artikel 4 bedoelde gebieden is gepleegd, toegepast, indien op dat feit zowel door de Duitse als door de Nederlandse wet straf is gesteld. Het maximum van de straf waarmee het feit in de Nederlandse wet wordt bedreigd, mag door de Duitse gerechten niet worden overschreden.

2.

Strafvervolgingen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag terzake van een in lid 1 bedoeld strafbaar feit door de Nederlandse autoriteiten zijn aangevangen, doch nog niet voltooid, kunnen door de Nederlandse autoriteiten slechts worden voortgezet indien de verdachte:

a) a) bij de inwerkingtreding van dit Verdrag in het Koninkrijk der Nederlanden gedetineerd is, b) b) aldaar zijn gewone verblijfplaats heeft, c) c) Nederlander is, d) d) een misdrijf tegen de veiligheid van de Nederlandse staat of tegen de Koninklijke waardigheid heeft gepleegd, of e) e) een feit heeft gepleegd dat naar Nederlands recht strafbaar is, doch naar Duits recht niet.

3. Indien in een strafproces dat terzake van een vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gepleegd feit aanhangig is gemaakt, de dader is vrijgesproken of van rechtsvervolging is ontslagen en de desbetreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, kan hij terzake van dit feit niet meer strafrechtelijk worden vervolgd door de Duitse autoriteiten. Hetzelfde geldt indien een veroordelende uitspraak van de Nederlandse rechter uitvoerbaar is geworden en de opgelegde straf is of wordt ten uitvoer gelegd of indien de tenuitvoerlegging daarvan is beëindigd. In geval van voorwaardelijke beëindiging kan vervolging door de Duitse autoriteiten plaatsvinden, indien de Nederlandse autoriteiten de beëindiging herroepen. Overigens is de vervolging door de Duitse autoriteiten van een feit dat door de Nederlandse rechter is berecht slechts toelaatbaar, indien een aanzienlijk openbaar belang bij de strafvervolging betrokken is.

4. Bij de tenuitvoerlegging van een straf terzake van een feit, dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag is gepleegd, wordt een straf die terzake van dat feit door de autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij is voltrokken, in aftrek gebracht.

Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen voor bepaalde grensgebieden

Artikel 32

Bijzondere bepalingen voor bepaalde grensgebieden zijn vervat in de artikelen 33 tot en met 53 (doorgaand verkeer op de weg Schinveld-Koningsbosch en door Elten, rondweg Herzogenrath), 54 (hoogspannings-, gas-, water- en telefoonleidingen), 55 (mijnbouw) en, voor zover zij rechtstreeks verband houden met de vaststelling van het verloop van bepaalde delen van de grens, in de Bijlagen A en B.

Artikel 33

De Bondsrepubliek Duitsland staat op de voet van de artikelen 34 tot en met 49 het verkeer toe van personen en goederen met of zonder middelen van vervoer van Nederland naar Nederland over de wegen

a) a) Schinveld—Koningsbosch b) b) Lobith-Elten—Beek c) c) Lobith-Elten—Babberich d) d) Lobith—Elten—Nederland via autoweg E 36 e) e) Spijk (grenssteen 660)—Elten—Beek f) f) Spijk (grenssteen 660)—Elten—Babberich g) g) Spijk (grenssteen 660)—Elten—Nederland via autoweg E 36,

voor zover deze wegen over het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland lopen (doorgaand verkeer).

Artikel 34

Het doorgaand verkeer wordt toegestaan ongeacht de nationaliteit van de personen en de plaats van herkomst of bestemming van de goederen en de middelen van vervoer.

Artikel 35

Het is niet geoorloofd tijdens de doortocht af te wijken van de voor het doorgaand verkeer bestemde weggedeelten, stil te staan, personen op te nemen of af te zetten, of goederen te laden, te lossen of over te laden.

Artikel 36

1. De bepalingen van het Duitse wegen verkeersrecht betreffende het zondagsrijverbod gelden niet voor het doorgaand verkeer.

2. Voertuigen en aan voertuigen verbonden aanhangwagens moeten in het doorgaand verkeer voldoen aan de Duitse of aan de Nederlandse voorschriften inzake constructie en toelating.

3. Voor bestuurders van in het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten motorrijtuigen alsmede van rijwielen met hulpmotor zijn rijbewijzen slechts in zoverre vereist als is voorgeschreven in het Koninkrijk.

Artikel 37

1. Op de in artikel 33 genoemde wegen gelden de Duitse voorschriften inzake de aansprakelijkheidsverzekering voor buitenlandse motorrijtuigen, rijwielen met hulpmotor en aan motorrijtuigen verbonden aanhangwagens niet voor het doorgaand verkeer.

2. Het Koninkrijk der Nederlanden staat er voor in, dat vorderingen die naar Duits recht zijn ontstaan tengevolge van in het doorgaand verkeer of bij ongeoorloofde afwijking van de voor het doorgaand verkeer bestemde wegen toegebrachte schade, worden voldaan tot de in de Bondsrepubliek Duitsland voor de verzekering voorgeschreven minimumbedragen. Betalingen dienen te geschieden in de valuta van de Bondsrepubliek Duitsland, indien de schuldeiser aldaar deviezeningezetene is.

3. Lid 2 is slechts van toepassing, indien de schuldeiser zijn woonplaats, zetel of gewone verblijfplaats niet in het Koninkrijk der Nederlanden heeft en indien de bevoegde Nederlandse autoriteit zo tijdig van het schadegeval op de hoogte wordt gesteld dat zij de mogelijkheid heeft tot voeging of tussenkomst in het geding.

4. Het Koninkrijk der Nederlanden erkent in kracht van gewijsde gegane beslissingen van Duitse gerechten, die betrekking hebben op schadegevallen waarvoor het Koninkrijk ingevolge lid 2 dient in te staan. Hetzelfde geldt voor in of buiten rechte tot stand gekomen schikkingen, voor zover het Koninkrijk der Nederlanden daarin heeft toegestemd of toestemt.

5. Voor zover het Koninkrijk der Nederlanden op grond van lid 2 een vordering voldoet, wordt het Koninkrijk van rechtswege gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegen de aansprakelijke personen.

6. Indien bij het schadegeval een voertuig van de Staat der Nederlanden is betrokken, onderwerpt het Koninkrijk zich terzake van de uit dit schadegeval voortvloeiende vorderingen aan de rechtsmacht der Duitse gerechten.

Artikel 38

Nederlandse ambtenaren belast met het politietoezicht, de grensbewaking en het douanetoezicht mogen in de uitoefening van hun functie gebruik maken van de weg Schinveld—Koningsbosch. Zij hebben het recht daarbij hun dienstkleding of een officieel kenteken zichtbaar te dragen en hun dienstwapens, voertuigen, dienstuitrusting en diensthonden mee te nemen. Zij mogen echter geen ambtshandelingen verrichten.

Artikel 39

1. Als grensoverschrijdingsdocument voor het doorgaand verkeer wordt ook een geldige Nederlandse verblijfsvergunning voor vreemdelingen in combinatie met een foto erkend. De houders van deze vergunningen zijn vrijgesteld van de Duitse visumplicht.

2. Op de in artikel 33 onder b tot en met g genoemde wegen kan aan bestuurders van vrachtauto's en hun bijrijders doortocht worden verleend zonder erkend grensoverschrijdingsdocument, indien zij zich legitimeren met behulp van een officieel document met foto.

Artikel 40

1. Om redenen van openbare veiligheid kunnen bepaalde personen van het doorgaand verkeer worden uitgesloten.

2. Gedetineerden mogen slechts met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten in het doorgaand verkeer worden vervoerd.

Artikel 41

Het Koninkrijk der Nederlanden neemt alle personen die bij het doorgaand verkeer de Bondsrepubliek Duitsland zijn binnengekomen, binnen een jaar nadat deze personen de grens hebben overschreden zonder formaliteiten over, tenzij hun een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur is verstrekt. Indien uit een vervolgens door de Nederlandse autoriteiten ingesteld onderzoek blijkt dat overgenomen personen niet bij het doorgaand verkeer de Bondsrepubliek Duitsland zijn binnengekomen of dat hun een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur is verstrekt, worden zij door de Bondsrepubliek Duitsland zonder formaliteiten teruggenomen.

Artikel 42

1. De Bondsrepubliek Duitsland ziet ten aanzien van het doorgaand verkeer af van de inning van in- en uitvoerrechten en andere heffingen terzake van de in- en uitvoer alsmede van de eis tot het stellen van zekerheid, indien de voorgeschreven procedure in acht wordt genomen. Indien deze procedure niet in acht wordt genomen, moeten de verschuldigde rechten en heffingen worden voldaan, indien niet wordt aangetoond dat de goederen of de middelen van vervoer onveranderd naar Nederland zijn teruggebracht.

2. De Bondsrepubliek Duitsland ziet ten aanzien van het doorgaand verkeer af van de inning van de motorrijtuigenbelasting en de „Beförderungssteuer” (vervoersbelasting) alsmede van toekomstige soortgelijke belastingen.

Artikel 43

1. In het doorgaand verkeer geschiedt de douanebehandeling van goederen en middelen van vervoer met behulp van een doorlaatbewijs, dat door de douaneautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen gezamenlijk wordt gebruikt.

2. Het model van het doorlaatbewijs, de wijze van douanebehandeling bij het doorgaand verkeer en de voor de doortocht toegestane tijd worden door de douaneadministraties van de Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming vastgesteld. De douanebehandeling van goederen en middelen van vervoer wordt van Duitse zijde afhankelijk gesteld van de gebruikelijke beveiligingsmaatregelen. De beide douaneadministraties zullen ernaar streven, in het belang van een zo vlot mogelijk doorgaand verkeer de wijze van douanebehandeling en de beveiligingsmaatregelen zoveel mogelijk te vereenvoudigen.

3. Bij het onderzoek naar de verblijfplaats van goederen en middelen van vervoer in het doorgaand verkeer, alsmede bij het constateren van overtredingen van artikel 35, zullen de douane- en politieautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen elkaar wederkerig bijstand verlenen.

Artikel 44

Een doorlaatbewijs is niet vereist voor goederen die niet onderworpen zijn aan in- en uitvoerrechten en andere heffingen terzake van de in- en uitvoer, met uitzondering van dieren, delen van dieren en dierlijke produkten, voor gebruikte rijwielen en voor voertuigen die zonder douanepapieren over de grens mogen worden gebracht.

Artikel 45

De doortocht kan door de bevoegde douaneautoriteiten worden geweigerd, indien er gegronde verdenking van misbruik bestaat.

Artikel 46

1. In het doorgaand verkeer mag geen vervoer plaatsvinden van dieren die aan besmettelijke ziekten lijden of waarvan het vermoeden bestaat dat zij aan zulke ziekten lijden, noch van delen en produkten die van zulke dieren afkomstig zijn, noch van voorwerpen van enigerlei soort, waarvan blijkens de omstandigheden moet worden aangenomen dat zij met smetstoffen zijn besmet.

2. In het doorgaand verkeer zijn voor planten en plantendelen geen gezondheidscertificaten vereist. Plantenziektenkundige controle aan de grens vindt slechts plaats, indien bijzondere gevaren daartoe aanleiding geven. De bevoegde instanties van de beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar wederkerig op de hoogte van het bestaan van zulke gevaren.

Artikel 47

Ontplofbare stoffen, oorlogswapens en munitie mogen in het doorgaand verkeer slechts met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten worden vervoerd.

Artikel 48

Vervallen

Artikel 49

1. De bevoegde Duitse autoriteiten zullen alleen in overeenstemming met de Nederlandse Rijkswaterstaat verkeersbeperkingen gelasten op de weg Schinveld-Koningsbosch.

2. Ten behoeve van de uitoefening van het verkeerstoezicht alsmede het politietoezicht en de grensbewaking en het douanetoezicht op deze weg mogen de bevoegde Duitse politie- en douanebeambten zich over Nederlands grondgebied begeven. De tweede en derde volzin van artikel 38 zijn van overeenkomstige toepassing. Dit laat onverlet de artikelen 20 en 21 van de Overeenkomst van 18 december 1997 opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nummer C 24/2 van 23 januari 1998) en de artikelen 40 en 41 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 19 juni 1990.

Artikel 50

De in artikel 33, letters a tot en met g, genoemde wegen worden, voorzover zij gelegen zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland door de naar Duits recht bevoegde dienst belast met de aanleg, het beheer en het onderhoud van wegen behoorlijk onderhouden en vernieuwd in overeenstemming met de verkeersbehoeften. Op verkeersrechtelijke bijzonderheden op de weg SchinveldKoningsbosch voor transitverkeer wordt gewezen met behulp van verkeersborden per rijrichting van de verkeersdeelnemers op het Duitse en Nederlandse grondgebied.

Artikel 51

1.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft het recht binnen tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag de ten westen van Herzogenrath geprojecteerde rondweg aan te leggen op dat deel van het Nederlandse gebied, dat begrensd wordt door

a) a) de Nederlands-Duitse grens langs de Kloosterlindenweg, b) b) de Nederlands-Duitse grens langs de weg Herzogenrath—Eijgelshoven tot het noordelijke knikpunt van deze grens, c) c) het ongeveer 270 meter in zuidwestelijke richting verlengde deel van de grens ten noordwesten van de noordelijke slikvijver van de „Vereinigte Glaswerke Herzogenrath”, d) d) de verbindingslijn tussen het eindpunt van de onder c genoemde verlenging en het grenspunt bij grenssteen 235.

2. Het Koninkrijk der Nederlanden zal ervoor zorg dragen, dat binnen deze periode op het in lid 1 aangegeven terrein en op een 20 meter brede strook ten westen van de in lid 1 onder c en d aangegeven begrenzingslijnen geen bouwwerken en inrichtingen van enigerlei soort worden gebouwd of aangelegd, die de aanleg van deze weg zouden hinderen. Dit geldt niet voor een 250 meter lange en 40 meter brede strook ten noorden van grenssteen 236; de breedte van 40 meter wordt gemeten van de rooilijn van de westzijde van de weg Herzogenrath—Eijgelshoven af.

3. Bij de aanleg van de rondweg zullen viaducten worden gebouwd over de weg tussen de grensstenen 235 en 236 alsmede over de weg die van grenssteen 236 af naar het noorden loopt.

4. De plannen voor de aanleg van de rondweg en de viaducten worden opgesteld in overeenstemming met de Nederlandse Rijkswaterstaat. De bevoegde Nederlandse autoriteiten zullen de bevoegde Duitse autoriteiten op hun verzoek bijstand verlenen bij het verwerven van grond en bij de aanleg. De kosten van de aanleg komen ten laste van de Bondsrepubliek Duitsland.

Artikel 52

Voor het doorgaand verkeer op de in artikel 51 bedoelde rondweg, voor zover deze over het gebied van het Koninkrijk der Nederlanden voert, geldt mutatis mutandis de regeling die is voorzien voor het doorgaand verkeer op de weg Schinveld—Koningsbosch na aanleg van de in artikel 49, lid 1, bedoelde kunstwerken.

Artikel 53

Bij de uitvoering van dit Verdrag kunnen de Regeringen van de Verdragsluitende Partijen zo nodig overeenkomsten treffen die afwijken van de bepalingen van artikel 49, lid 1, en van artikel 51, leden 2 en 3, voor zover zulks niet in strijd is met de zin en het doel van deze bepalingen.

Artikel 54

1. De Bondsrepubliek Duitsland zal de aanleg en de exploitatie toestaan van een hoogspannings-, een gas-, een water- en een telefoonleiding, die Zuid-Limburg met Midden-Limburg zullen verbinden over het in aanmerking komende in artikel 4 bedoelde gebied. De desbetreffende Duitse wettelijke voorschriften dienen in acht te worden genomen.

2. Het tracé wordt in overeenstemming met de bevoegde Duitse autoriteiten vastgesteld. De telefoonleiding en, voor zover dat technisch mogelijk is, de leidingen voor gas en water zullen worden gelegd in de berm van de weg Schinveld—Koningsbosch.

3. De Nederlandse eigenaren mogen de leidingen onderhouden en vernieuwen. Na de beëindiging der werkzaamheden dient het terrein waar deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden in zijn oorspronkelijke toestand te worden hersteld. Indien in de weg Schinveld—Koningsbosch of in één van de die weg kruisende wegen of waterlopen veranderingen worden aangebracht, komen de kosten van een hierdoor noodzakelijke verplaatsing der leidingen ten laste van de Nederlandse eigenaren.

4. De leidingen mogen zonder toestemming van de autoriteiten die naar Duits recht met het toezicht daarop zijn belast, slechts worden gebruikt ten behoeve van doorleiding, doch niet voor leveringen of diensten binnen de Bondsrepubliek Duitsland.

5. De Nederlandse autoriteiten en ondernemingen zijn gerechtigd, de werktuigen en materialen welke voor de aanleg alsmede voor het onderhoud en de vernieuwing van de in lid 1 genoemde leidingen nodig zijn, vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen en vrij van in- en uitvoerrechten en andere heffingen in de Bondsrepubliek Duitsland in te voeren en eventueel weer naar Nederland uit te voeren. De doorleiding van elektriciteit, gas en water door deze leidingen is niet onderworpen aan de omzetbelasting en de „Beförderungssteuer” (vervoersbelasting) of toekomstige soortgelijke belastingen.

Artikel 55

1. De rechten die op grond van tot nu toe verleende mijnbouwconcessies in de in de artikelen 4 tot en met 6 bedoelde gebieden bestaan, blijven onaangetast. De Verdragsluitende Partijen zijn bereid, zo nodig bijzondere regelingen te treffen krachtens welke de in aanmerking komende velden van de Bondsrepubliek Duitsland of van het Koninkrijk der Nederlanden uit kunnen worden ontgonnen.

2. De Bondsrepubliek Duitsland verklaart zich bereid, zodra een Nederlandse mijnonderneming het exploitatierecht van de steenkolenvelden Hillensberg I, II, III en Wehr I, II, III zal hebben verworven, een bijzondere regeling te treffen, krachtens welke deze steenkolenvelden van het Koninkrijk der Nederlanden uit mogen worden ontgonnen, overeenkomstig de regelingen die in vroegere overeenkomsten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland met betrekking tot de in het grensgebied gelegen kolenvelden zijn getroffen.

Hoofdstuk 4. Grenswateren

Artikel 56

1. Grenswateren in de zin van dit hoofdstuk zijn oppervlaktewateren, met inbegrip van de oevers, die de Nederlands-Duitse grens overschrijden of ten dele deze vormen.

2. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de Rijn, de Eems en de Dollard.

3. Openbare lichamen in de zin van dit hoofdstuk zijn de op het gebied van elk der Verdragsluitende Partijen voor de grenswateren plaatselijk bevoegde provinciën, gemeenten en publiekrechtelijke lichamen.

Artikel 57

De Verdragsluitende Partijen zullen regelmatig over alle waterstaatkundige vraagstukken die voor de grenswateren in de nabuurstaat van belang zijn overleg plegen, teneinde deze op een voor beide Partijen bevredigende wijze op te lossen. Dit overleg zal in de in artikel 64 bedoelde Permanente Grenswaterencommissie en haar subcommissies plaatsvinden.

Artikel 58

1. De Verdragsluitende Partijen nemen op zich bij de uitoefening van hun waterstaatkundige taak naar behoren rekening te houden met de belangen welke de nabuurstaat bij de grenswateren heeft. Zij zullen derhalve alle maatregelen nemen of bevorderen, die nodig zijn om een met de belangen van beide Partijen overeenkomende geordende toestand van de binnen hun grondgebied gelegen gedeelten der grenswateren tot stand te brengen en te handhaven en geen maatregelen nemen of toelaten, die de nabuurstaat wezenlijk nadeel berokkenen.

2.

De Verdragsluitende Partijen zullen ter uitvoering van de in lid 1 aangegane verplichtingen binnen een redelijke termijn in het bijzonder alle maatregelen nemen en bevorderen voor:

a) a) het tot stand brengen en handhaven van een behoorlijke waterafvoer der grenswateren, voor zover het belang van de nabuurstaat dit eist, b) b) het voorkomen van overstromingen en andere waterschade tengevolge van een ondoelmatige bediening van sluizen en stuwen, c) c) het verhinderen van wateronttrekking die de andere nabuurstaat wezenlijk kan benadelen, d) d) het verhinderen van een overmatige afvoer van zand en andere vaste stoffen, waardoor de nabuurstaat wezenlijk kan worden benadeeld, e) e) het voorkomen van een overmatige verontreiniging van de grenswateren, waardoor de nabuurstaat bij het normale gebruik van het water wezenlijk kan worden benadeeld.

3. Bovendien zullen de Verdragsluitende Partijen, in het kader van hun financiële mogelijkheden, ernaar streven de waterstaatkundige toestand der grenswateren op hun grondgebied in overeenstemming met de wederzijdse belangen te verbeteren en eventueel, indien zulks billijk is, bij te dragen in de kosten van maatregelen met betrekking tot de grenswateren op het grondgebied van de nabuurstaat.

Artikel 59

1. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk zullen de Verdragsluitende Partijen, voor afzonderlijke grenswateren naar behoefte bijzondere overeenkomsten sluiten. Zodanige overeenkomsten kunnen eveneens tussen het Koninkrijk der Nederlanden enerzijds en de „Länder” Nedersaksen en Noordrijnland-Westfalen met toestemming van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland anderzijds worden gesloten.

2. Overeenkomsten als bedoeld in lid 1 kunnen ook, met goedkeuring van de Regeringen der Verdragsluitende Partijen, door openbare lichamen worden gesloten.

3. Bestaande overeenkomsten worden, ook indien zij van de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken, voor zover zij betrekking hebben op grenswateren, verder toegepast tot zij worden gewijzigd of aangevuld.

Artikel 60

1. Indien wordt beoogd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij nieuwe maatregelen welke de waterstaatkundige toestand op het grondgebied van de andere Partij wezenlijk kunnen beïnvloeden, uit te voeren of de uitvoering hiervan toe te laten, dient de Permanente Grenswaterencommissie hiervan zo spoedig mogelijk in kennis te worden gesteld.

2. Iedere Verdragsluitende Partij deelt de andere Partij mede welke autoriteiten of openbare lichamen harerzijds bevoegd zijn de in lid 1 bedoelde mededelingen te doen.

Artikel 61

Iedere Verdragsluitende Partij kan tegen door de andere Partij voorgenomen of aangevangen maatregelen of tegen het achterwege laten daarvan, waardoor wezenlijke schade dreigt te worden veroorzaakt of reeds veroorzaakt is, binnen een redelijke termijn bij de Permanente Grenswaterencommissie bezwaren indienen, welke moeten worden gemotiveerd met een te verwachten of reeds ontstane schending van aangegane verplichtingen.

Artikel 62

1. Iedere Verdragsluitende Partij is verplicht, de uitvoering van de beoogde maatregelen waartegen de andere Partij bezwaar heeft gemaakt, tot aan de beëindiging der beraadslagingen in de Permanente Grenswaterencommissie, of eventueel tussen de Regeringen, op te schorten, tenzij de andere Verdragsluitende Partij instemt met een andere regeling.

2. Lid 1 is niet van toepassing indien een Verdragsluitende Partij de uitvoering van de gewraakte maatregelen niet kan uitstellen zonder haar eigen belangen ernstig in gevaar te brengen. De rechten van de andere Verdragsluitende Partij blijven evenwel onverlet.

Artikel 63

1. Indien een Verdragsluitende Partij, ondanks overeenkomstig artikel 61 ingediende bezwaren van de andere Partij, haar verplichtingen krachtens dit hoofdstuk of krachtens de overeenkomstig artikel 59 te sluiten bijzondere overeenkomsten schendt en daardoor op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij schade veroorzaakt, is zij verplicht deze schade te vergoeden.

2. De verplichting tot schadevergoeding bestaat alleen ten aanzien van de schade die na de indiening der bezwaren is ontstaan.

Artikel 64

Ter bevordering van een samenwerking in goede nabuurschap met betrekking tot de grenswateren, stellen de Verdragsluitende Partijen een Permanente Nederlands-Duitse Grenswaterencommissie in.

Artikel 65

1. ledere Regering benoemt drie deskundige leden van de Commissie, onder wie een voorzitter, en hun plaatsvervangers. De eerste benoeming vindt binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit Verdrag plaats.

2. De Commissie vergadert tenminste eenmaal per jaar, en voorts wanneer zij dit zelf nodig oordeelt of op verzoek van een van de beide voorzitters. De vergaderingen hebben beurtelings in een der beide staten plaats. Andere deskundigen kunnen tot de zittingen van de Commissie worden uitgenodigd.

3. De voorzitters kunnen terzake van vraagstukken de grenswateren betreffende rechtstreeks met elkaar in verbinding treden.

4. Ter regeling van haar werkzaamheden kan de Commissie een reglement van orde vaststellen.

Artikel 66

1. De Commissie heeft tot taak door gemeenschappelijke beraadslagingen over alle zich bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk voordoende vraagstukken, door het wederzijds verstrekken van inlichtingen alsmede door uitwisseling van ervaringen, de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk te bevorderen.

2. Zij neemt de mededelingen overeenkomstig artikel 60, lid 1, in ontvangst.

3. Zij behandelt voorstellen, klachten en overeenkomstig artikel 61 ingediende bezwaren. Zij streeft ernaar de belanghebbenden tot een minnelijke regeling van de tussen hen bestaande geschilpunten te doen komen.

4. Zij gaat onmiddellijk na in hoeverre bestaande op de onderhavige materie betrekking hebbende overeenkomsten dienen te worden gewijzigd of aangevuld en doet aanbevelingen voor de herziening van de bestaande en het sluiten van nieuwe overeenkomsten.

5. Zij behandelt de vraag van de deelname door een Verdragsluitende Partij in de kosten van maatregelen van de andere Partij.

6. Zij heeft het recht de grenswateren te inspecteren. Zij ontvangt van de autoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen door bemiddeling van de voorzitters alle inlichtingen die voor de uitoefening van haar bevoegdheden en voor de vervulling van haar taak nodig zijn.

7. Zij kan binnen het kader van haar taak aan de Regeringen en openbare lichamen aanbevelingen doen.

8. Zij dient er in het bijzonder naar te streven een aanbeveling te doen indien een Verdragsluitende Partij een bezwaar overeenkomstig artikel 61 heeft ingediend.

Artikel 67

1. Indien in de Commissie in het geval bedoeld in lid 8 van artikel 66 geen overeenstemming wordt bereikt over een aanbeveling, zullen de beide Regeringen er naar streven, overeenstemming te bereiken.

2. Indien dit niet gelukt of indien de Regeringen, ondanks een aanbeveling van de Commissie, geen overeenstemming kunnen bereiken, kan iedere Regering een beroep doen op het Scheidsgerecht.

Artikel 68

1. De Commissie besluit, naar behoefte, voor afzonderlijke grenswateren tot het instellen van subcommissies waarvan de leden op basis van pariteit worden benoemd.

2. De plaatselijke autoriteiten en openbare lichamen zijn in de subcommissies vertegenwoordigd.

3. De subcommissies hebben in hun gebied dezelfde taak als de Commissie en brengen aan deze over hun werkzaamheden verslag uit. Tot het in ontvangstnemen en behandelen van bezwaren en tot het doen van aanbevelingen is slechts de Commissie bevoegd.

Artikel 69

Voor het beslissen van alle geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk en de overeenkomstig artikel 59 te sluiten bijzondere overeenkomsten, wordt, met uitsluiting van andere verdragsregelingen inzake de beslechting van geschillen, een Scheidsgerecht ingesteld.

Artikel 70

1. Het Scheidsgerecht bestaat uit een permanente voorzitter en uit twee assessoren die voor elk afzonderlijk geschil zullen worden benoemd. Bij overlijden, aftreden of verhindering van de voorzitter wordt zijn functie door een plaatsvervanger waargenomen.

2. De voorzitter en zijn plaatsvervanger mogen niet de nationaliteit bezitten van een van beide Verdragsluitende Partijen. Zij mogen noch hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van beide Verdragsluitende Partijen hebben noch in hun dienst staan.

3. Als voorzitter en als diens plaatsvervanger benoemen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming personen die in hun eigen land voldoen aan de voorwaarden vereist om rechterlijke ambten te bekleden of op andere wijze door bijzondere kennis van het recht voor dergelijke taken geschikt zijn.

4. De ambtstermijnen van de voorzitter en diens plaatsvervanger bedragen vijf jaar, met uitzondering van de ambtstermijn van de eerste plaatsvervanger die na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt benoemd, welke termijn zes jaar bedraagt. De ambtstermijnen worden daarna telkens met vijf jaar verlengd, tenzij de Regering van een der Verdragsluitende Partijen aan de Regering van de andere Partij vóór het verstrijken van de ambtstermijn de wens te kennen geeft dat een andere voorzitter of plaatsvervanger wordt benoemd.

5. Indien de Regeringen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de voorzitter of diens plaatsvervanger, kan de President van het Internationale Gerechtshof te 's-Gravenhage, hetzij door beide Regeringen gezamenlijk, hetzij door een van hen, worden verzocht, de voorzitter of diens plaatsvervanger aan te wijzen. Indien de President verhinderd is zijn ambt uit te oefenen of indien hij de nationaliteit bezit van een van beide Verdragsluitende Partijen, geschiedt de aanwijzing door de Vice-President of, indien ook deze verhinderd is of de nationaliteit bezit van een van beide Verdragsluitende Partijen, door het oudstbenoemde lid van het Internationale Gerechtshof dat niet de nationaliteit bezit van een van beide Verdragsluitende Partijen. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing, indien de Regeringen na het verstrijken van de ambtstermijn geen overeenstemming kunnen bereiken over een nieuwe voorzitter of plaatsvervanger.

6. Indien de voorzitter of diens plaatsvervanger niet meer voldoet aan een der in lid 2 genoemde vereisten of indien de voorzitter of diens plaatsvervanger om andere redenen voortijdig: aftreedt, wordt voor de resterende ambtstermijn een opvolger benoemd, die voldoet aan de voorwaarden van lid 2 en lid 3. Op de procedure bij de benoeming is lid 5 van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van de verlenging van de ambtstermijn van de opvolger geldt het bepaalde in de tweede zin van lid 4.

7. Zodra de voorzitter aan de Regeringen de in lid 3 van artikel 71 bedoelde mededeling doet, benoemt iedere Regering een assessor. Indien een Regering de door haar te benoemen assessor niet binnen een maand na de in lid 3 van artikel 71 bedoelde mededeling heeft benoemd, kan de andere Regering de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de ontbrekende assessor te benoemen. De tweede zin van lid 5 is van overeenkomstige toepassing.

8. Indien een assessor overlijdt of aftreedt dient de vrijkomende plaats met overeenkomstige toepassing van lid 7 weer te worden bezet.

9. Het Scheidsgerecht bepaalt zelf de plaats waar het zijn zittingen houdt. Aan het Scheidsgerecht worden twee secretarissen toegevoegd, van wie iedere Regering er een benoemt.

Artikel 71

1. Indien de Regering van een der Verdragsluitende Partijen een geschil ter beslissing wenst voor te leggen aan het Scheidsgerecht, dient zij bij de voorzitter een conclusie van eis in en doet tegelijkertijd de Regering van de andere Verdragsluitende Partij een duplicaat van deze conclusie van eis toekomen.

2. Indien de Regeringen van beide Verdragsluitende Partijen een geschil in de zin van artikel 69 in onderlinge overeenstemming ter beslissing wensen voor te leggen aan het Scheidsgerecht, dienen zij bij de voorzitter een compromis in, waarin zij het onderwerp van het geschil hebben vastgelegd.

3. De voorzitter bespreekt daarna eerst het geschil met beide Regeringen teneinde overeenstemming tot stand te brengen. Indien hij zijn bemoeiingen als mislukt beschouwt, deelt hij dit aan beide Regeringen mede.

Artikel 72

1. Het Scheidsgerecht beslist op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk, de overeenkomstig artikel 59 te sluiten bijzondere overeenkomsten, alsmede de algemene regels van het volkenrecht.

2. Ten aanzien van de procedure voor het Scheidsgerecht zijn de bepalingen van de artikelen 63 tot en met 82 van het op 18 oktober 1907 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van overeenkomstige toepassing.

3. Op verzoek van een van beide Regeringen kan de voorzitter in dringende gevallen reeds vóór de benoeming der assessoren voorlopige maatregelen nemen. Op verzoek van een der Regeringen beslist het Scheidsgerecht ten aanzien van de vraag of de door de voorzitter genomen voorlopige maatregel dient te worden opgeheven. Het Scheidsgerecht is bevoegd, de partijen gehoord, voorlopige maatregelen te nemen.

Artikel 73

De kosten voor de voorzitter van het Scheidsgerecht en voor diens plaatsvervanger worden door de Verdragsluitende Partijen ieder voor de helft gedragen. Iedere Verdragsluitende Partij draagt de kosten voor de door haar benoemde assessor, voor de door haar benoemde secretaris, alsmede voor haar vertegenwoordiging bij de procedure voor het Scheidsgerecht. De overige kosten van het Scheidsgerecht worden door de Verdragsluitende Partijen ieder voor de helft gedragen.

Hoofdstuk 5. Grondbezit in de nabijheid van de grens

Artikel 74

In het belang van de vriendschappelijke betrekkingen in het gebied van de Nederlands-Duitse grens wordt de hiernavolgende regeling getroffen.

Artikel 75

Het Koninkrijk der Nederlanden verplicht zich, onder de in de artikelen 76 tot en met 79 aangegeven voorwaarden, de eigendom van de percelen waarvan de bijzonderheden betreffende ligging, grootte en prijs zijn vastgelegd met een totale oppervlakte van 960,26.03 ha met alle daaraan verbonden rechten en lasten over te dragen aan de overeenkomstig artikel 77 door de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” te Düsseldorf aan te wijzen personen.

Artikel 76

De „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” zal het Koninkrijk der Nederlanden voor de overeenkomstig artikel 75 over te dragen percelen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag een koopprijs van 2.578.355,96 gulden betalen.

Artikel 77

1. De „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” zal binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag aan het Nederlandse Beheersinstituut, onderscheidenlijk het Staatsbosbeheer, de namen en adressen mededelen van de personen aan wie de percelen moeten worden overgedragen.

2. In de gevallen waarin de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” de vroegere Duitse eigenaars of hun erfgenamen niet aanwijst, dient de pachter die uit hoofde van artikel 9a van de Nederlandse wet op de vervreemding van landbouwgronden recht van voorkeur heeft, op zijn verlangen te worden aangewezen.

3. Voor zover de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag geen personen aanwijst overeenkomstig lid 1 en lid 2, worden de betreffende percelen aan de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” overgedragen.

Artikel 78

Na betaling van de in artikel 76 genoemde koopprijs en na ontvangst van de in artikel 77 bedoelde mededelingen, zullen de in lid 1 van artikel 77 genoemde Nederlandse instanties de akten van overdracht voor de afzonderlijke percelen zo snel mogelijk doen opmaken en in het kadaster doen inschrijven.

Artikel 79

De bijzonderheden worden rechtstreeks tussen de in lid 1 van artikel 77 genoemde Nederlandse instanties en de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” geregeld, met name indien tengevolge van de feitelijke toestand of een rechterlijke beslissing een herziening van de aan de verkoop ten grondslag liggende documenten en, als gevolg daarvan, een herziening van de in artikel 76 genoemde koopprijs nodig wordt, voor zover die feitelijke toestand of die rechterlijke beslissing bij de opstelling van de aan de verkoop ten grondslag liggende documenten niet in aanmerking is genomen. De in artikel 76 genoemde betalingstermijn blijft onverlet.

Artikel 80

1.

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden stemt ermee in

a) a) dat de provincie Groningen met de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” een overeenkomstige regeling treft inzake een aantal der aan genoemde provincie toebehorende percelen die in het gebied van de Nederlands-Duitse grens zijn gelegen, met een totale oppervlakte van 200,00.00 ha, en b) b) dat de gemeente Bergen met de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” een overeenkomstige regeling treft inzake een aantal der aan genoemde gemeente toebehorende percelen die in het gebied van de Nederlands-Duitse grens zijn gelegen, met een totale oppervlakte van 111,50.00 ha.

2. De bepalingen van artikel 79 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 81

1. De overdracht van percelen overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 80 is niet onderworpen aan de in lid 1 van artikel 3 van de wet op de vervreemding van landbouwgronden voorgeschreven goedkeuring van de grondkamer.

2. De overdracht van percelen overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 79 is niet onderworpen aan de Koninklijke goedkeuring ingevolge lid 2 van artikel 1 van de Nederlandse wet van 24 januari 1952 houdende enige bepalingen omtrent de domeinen.

3. De in artikel 78 genoemde inschrijvingen in het kadaster zijn niet onderworpen aan de in lid 1 van artikel 20 van de wet op de vervreemding van landbouwgronden voorgeschreven verklaring van de grondkamer.

4. De overdracht van percelen overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 79 is vrij van registratierechten.

5. Voor het overige worden de met de overdracht van percelen overeenkomstig de artikelen 75 tot en met 80 verband houdende kosten door de „Deutsche Bauernsiedlung GmbH” gedragen.

Artikel 82

1. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden heeft kennis genomen van de wens van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland dat voor zover mogelijk ook verkopen uit particulier bezit plaatsvinden van in het gebied van de Nederlands-Duitse grens gelegen percelen die voor de oorlog Duits eigendom waren.

2. De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland heeft kennis genomen van de wens van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden dat ook de verkoop uit particulier bezit plaatsvindt van een in het gebied van de Nederlands-Duitse grens gelegen perceel dat voor de oorlog Nederlands eigendom was.

3. De Regeringen der Verdragsluitende Partijen laten het aan de vrije beslissing van de Nederlandse en Duitse belanghebbenden over, ten aanzien van de vorenbedoelde verkopen overeenstemming te bereiken.

4. De Regeringen der Verdragsluitende Partijen stemmen met zodanige verkopen in en zullen aan de bevoegde autoriteiten aanbevelen eventuele aanvragen tot goedkeuring van dergelijke verkopen van percelen in welwillende overweging te nemen voor zover deze verkopen in overeenstemming zijn met het nationale recht, met name met de ten aanzien van de overdracht van onroerende goederen geldende bepalingen.

Hoofdstuk 6. Grensoverschrijdend verkeer over land en via de binnenwateren

Artikel 83

De Verdragsluitende Partijen zullen door middel van een nauwe samenwerking tussen de in beide staten bevoegde autoriteiten en instanties zorg dragen voor een verbetering van alle grensoverschrijdende verkeersverbindingen over land en via de binnenwateren, die van wederzijds belang zijn voor het verkeer tussen hun gebieden.

Artikel 84

1. De nog niet opgeloste vraagstukken betreffende het grensoverschrijdende spoorwegverkeer over de Nederlands-Duitse grens dienen zo spoedig mogelijk door de bevoegde Duitse en Nederlandse instanties te worden geregeld. Dit geldt in het bijzonder voor de aanpassing van de vroegere Nederlands-Duitse overeenkomsten en afspraken betreffende de grensoverschrijdende baanvakken aan de huidige omstandigheden.

2. In dit verband leggen de Verdragsluitende Partijen de nadruk op de bijzondere betekenis van de beide grensoverschrijdende baanvakken Venlo—Kaldenkirchen en Emmerik—Zevenaar. De vraagstukken betreffende deze baanvakken dienen met voorrang te worden geregeld.

3. Het baanvak Emmerik—Zevenaar wordt met ingang van de nieuwe dienstregeling in 1960 weer opengesteld voor het goederenverkeer per spoor. De nadere uitwerking hiervan zal door de bevoegde Duitse en Nederlandse instanties gezamenlijk worden overeengekomen.

Artikel 85

1.

De aanleg van de autoweg Arnhem—Oberhausen (E 36) geschiedt door de Verdragsluitende Partijen op de volgende wijze:

a) a) De Bondsrepubliek Duitsland zal uiterlijk eind 1961 de verbinding van de „Bundesstrasse 8” met de aansluiting Emmerik en van daar af de autoweg tot aan de Nederlands-Duitse grens tussen de grensstenen 702 en 703 tot stand brengen. b) b) Het Koninkrijk der Nederlanden zal uiterlijk tegen hetzelfde tijdstip de autoweg van Arnhem tot aan de grens van het in artikel 4 van dit Verdrag aangegeven gebied bij Veldhuizen, zoals deze grens is aangegeven in § 27 van Bijlage A van dit Verdrag, tot stand brengen en daar het Nederlandse gedeelte van het ontworpen gemeenschappelijke douane-emplacement aanleggen. c) c) De werkzaamheden aan de autoweg tussen de grens van het in artikel 4 aangegeven gebied bij Veldhuizen en de Nederlands-Duitse grens tussen de grensstenen 702 en 703, alsmede aan het in dat gebied gelegen gedeelte van het gemeenschappelijke douane-emplacement, die tot de inwerkingtreding van dit Verdrag door het Koninkrijk der Nederlanden worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de bevoegde Duitse autoriteiten met gebruikmaking van de Duitse voorbereidende werkzaamheden en niet inachtneming van de Duitse technische voorschriften en de Duitse wensen, zullen na de inwerkingtreding van dit Verdrag door de Bondsrepubliek Duitsland worden voortgezet. Zij zullen voor eind 1961 worden voltooid, zodat uiterlijk van dat tijdstip af de autoweg tussen de aansluiting Emmerik en Arnhem kan worden gebruikt. d) d) De Bondsrepubliek Duitsland zal het weggedeelte Oberhausen—Wezel uiterlijk voor eind 1961 voltooien. e) e) De Bondsrepubliek Duitsland zal in het begrotingsjaar 1962 een aanvang maken met de aanleg van het weggedeelte tussen Wezel en de aansluiting Emmerik, de werkzaamheden aan de weg met voortvarendheid uitvoeren en de weg, onvoorziene technische moeilijkheden voorbehouden, uiterlijk 30 juni 1965 voltooien.

2.

De kosten die het Koninkrijk der Nederlanden na 30 juni 1959 gemaakt heeft of maakt voor de aanleg van het in lid 1 onder c genoemde gedeelte van de autoweg E 36 met inbegrip van de bijkomende werken, worden door de Bondsrepubliek Duitsland vergoed. Deze kosten omvatten:

a) a) de kosten voor de ingebruikneming, koop of onteigening van de terreinen die nodig zijn voor de autoweg met bijkomende werken, voor het douane-emplacement en voor de uitvoering der werkzaamheden; b) b) de kosten van uitvoering van de werkzaamheden; c) c) een toeslag van 8% op de onder a en b genoemde kosten voor de voorbereiding en de leiding van, en het toezicht bij, de uitvoering.

3. De Bondsrepubliek Duitsland neemt de geldelijke verplichtingen over, welke voor het Koninkrijk der Nederlanden op de dag van inwerkingtreding van dit Verdrag nog bestaan uit hoofde van aanspraken van derden terzake van het onder a en b van lid 2 genoemde, alsmede de verplichtingen welke eventueel later voor het Koninkrijk der Nederlanden voortvloeien uit aanspraken van derden terzake van de aanleg van de autoweg.