rijk/amvb/besluit-bekwaamheid-en-betrouwbaarheid-opsporingsambtenaren-bijzondere-opsporing/BWBR0028308
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010 BWBR0028308 AMvB geldend 2012-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0028308 Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010

Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *examencommissie:* de examencommissie bijzondere opsporingsdiensten;

b. b.

    *Onze Minister:* Onze Minister van Justitie;

c. c.

    *de wet:* de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

Artikel 2

Onze betrokken Minister kan een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst opsporingsbevoegdheden toekennen voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3, van de wet voor zover en zolang Onze Minister heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegheden.

Hoofdstuk II. Bekwaamheid

Paragraaf 1. Blijk van bekwaamheid

Artikel 3

1.

Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden indien hij beschikt over de voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden benodigde

a. a. kennis van grondrechten; b. b. kennis van strafvorderlijke bevoegdheden; c. c. kennis van algemene strafrechtelijke begrippen; d. d. kennis van algemene staatsrechtelijke en privaatrechtelijke begrippen; e. e. kennis van de wettelijke eisen die worden gesteld aan een proces-verbaal; f. f. kennis van de taken en organisatie van de rechterlijke macht, de politie, de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten; en g. g. vaardigheden, waaronder in elk geval wordt begrepen het opmaken van een proces-verbaal en het afnemen van een verhoor.

2. De bekwaamheid blijkt uit het met goed gevolg afgelegd hebben van een door de examencommissie, bedoeld in artikel 4, samengesteld en door Onze Minister goedgekeurd examen.

Artikel 4

1. Er is een examencommissie bijzondere opsporingsdiensten. De examencommissie is verantwoordelijk voor het samenstellen, afnemen en vaststellen van de uitslag van het examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

2. De examencommissie kan deskundigen aanwijzen die haar terzijde staan bij het uitvoeren van de taak, bedoeld in het eerste lid.

3. De uitslag van het examen wordt uitgedrukt in het oordeel voldoende of onvoldoende. De examencommissie stelt Onze Minister van de uitslag van het examen in kennis.

Artikel 5

1. De examencommissie stelt een examenreglement vast. Het reglement voorziet in elk geval in de mogelijkheid van ten minste één herkansing voor een niet behaald examen of onderdeel daarvan en in de mogelijkheid om beklag te doen over de uitslag van het examen of onderdeel daarvan.

2. Het examenreglement, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister goedgekeurd.

Artikel 6

1. Onze Minister kan examens of onderdelen daarvan aanwijzen die worden gelijkgesteld met het examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, of onderdelen daarvan.

2. Van het examen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is vrijgesteld de persoon die tot zijn aanwijzing voor de uitvoering van de taak als bedoeld in artikel 3, onderdelen c en d, van de wet op grond van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering met de opsporing van strafbare feiten is belast.

Paragraaf 2. Permanente her- en bijscholing

Artikel 7

Onze Minister stelt uiterlijk binnen vijf jaar na de aanwijzing in de functie van opsporingsambtenaar bij een bijzondere opsporingsdienst, en daarna uiterlijk binnen elke vijf jaar, diens bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden opnieuw vast.

Artikel 8

1. Een opsporingsambtenaar is bekwaam voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden in de zin van artikel 7 indien hij beschikt over de voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden benodigde kennis en vaardigheden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, blijkend uit het met goed gevolg doorlopen hebben van een door Onze Minister goedgekeurd programma voor permanente her- en bijscholing.

2. De examencommissie is verantwoordelijk voor het instandhouden van een programma voor permanente her- en bijscholing.

3. De artikelen 4, tweede en derde lid, en 5 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het examen een programma voor permanente her- en bijscholing moet worden gelezen.

4. Indien een opsporingsambtenaar, om redenen die verband houden met het belang van de bijzondere opsporingsdienst, niet uiterlijk binnen de in artikel 7 bedoelde termijn een volledige programma voor permanente her- en bijscholing heeft doorlopen, stelt Onze Minister op aanvraag van het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst de bekwaamheid van de opsporingsambtenaar uiterlijk binnen zes maanden na ommekomst van die termijn vast. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. Samenstelling, benoeming en werkwijze examencommissie

Artikel 9

1. De examencommissie bestaat uit vijf leden, inclusief de voorzitter. De voorzitter van de examencommissie is werkzaam bij het functioneel parket. De overige leden zijn werkzaam bij elk van de bijzondere opsporingsdiensten. De leden worden door het hoofd van het functioneel parket respectievelijk de hoofden van de bijzondere opsporingsdiensten voor benoeming voorgedragen.

2. Indien het nodig is bij wijze van stemming te beslissen, wordt de beslissing bij meerderheid van stemmen opgemaakt. De examencommissie beslist niet bij stemming dan in aanwezigheid van ten minste drie leden. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

Artikel 10

1. Onze Minister benoemt de voorzitter en de overige leden van de examencommissie voor een periode van vier jaren.

2. Een lid kan voor een periode van ten hoogste vier jaren worden herbenoemd.

3. Onze Minister kan een lid op diens schriftelijk verzoek tussentijds ontslag verlenen.

4. Onze Minister kan een lid ontslag verlenen bij ziekte dan wel wegens zwaarwichtige redenen zoals ongeschiktheid voor de functie, of onverenigbaarheid van functies en belangen.

5. Van besluiten tot benoeming, herbenoeming of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 11

De leden van de examencommissie ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten in het binnenland overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

Artikel 12

De examencommissie beschikt over een secretariaat.

Hoofdstuk III. Betrouwbaarheid

Artikel 13

De betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden blijkt uit een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 14

1. Onze Minister stelt uiterlijk binnen vijf jaar na de aanwijzing in de functie van opsporingsambtenaar bij een bijzondere opsporingsdienst, en daarna uiterlijk binnen elke vijf jaar, diens betrouwbaarheid opnieuw vast.

2. Het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst kan, indien hij kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat sprake is van bezwaren in de zin van artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Onze Minister verzoeken de betrouwbaarheid van de opsporingsambtenaar bij een bijzondere opsporingsdienst tussentijds opnieuw vast te stellen.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen

Artikel 15

Het Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten wordt ingetrokken.

Artikel 16

1. De ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst aan wie op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit opsporingsbevoegdheden zijn toegekend voor de uitvoering van de taak als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt geacht bekwaam en betrouwbaar te zijn in de zin van de artikelen 3 en 13.

2. De termijnen, bedoeld in artikel 7 en artikel 14, derde lid, lopen in het in het eerste lid bedoelde geval vanaf het moment dat de opsporingsambtenaar laatstelijk voor de inwerkingtreding van dit besluit bekwaam en betrouwbaar is bevonden. In dat geval kan eenmalig worden voorzien in een aangepast programma voor permanente her- en bijscholing. Het aangepaste programma kan mede bestaan uit onderdelen die voor inwerkingtreding van dit besluit zijn doorlopen.

Artikel 17

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 18

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekwaamheid en betrouwbaarheid opsporingsambtenaren bijzondere opsporingsdiensten 2010.