rijk/amvb/besluit-genetisch-gemodificeerde-organismen-milieubeheer/BWBR0004703
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen BWBR0004703 AMvB geldend 1990-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0004703 Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen

Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. b. genetisch materiaal: desoxyribonucleïne-zuur (DNA) en ribonucleïnezuur (RNA); c. c. genetische modificatie: het veranderen van genetisch materiaal op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of recombinatie; d. d. micro-organismen: cellulaire en niet-cellulaire micro-biologische entiteiten met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot overbrenging van genetisch materiaal, daaronder mede begrepen virussen, viroïden, en dierlijke en plantencellen in cultuur; e. e. organismen: micro-organismen alsmede planten en dieren, daaronder mede begrepen ei- en zaadcellen van dieren en zaden en pollen van planten; f. f. genetisch gemodificeerde organismen: organismen waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of recombinatie en die het vermogen bezitten dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen; g. g. ingeperkt gebruik: genetische modificatie van organismen of vermeerderen, opslaan, aan een ander ter beschikking stellen, toepassen, voorhanden hebben, vervoeren, met uitzondering van vervoeren als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder c, zich ontdoen of vernietigen van genetisch gemodificeerde organismen in een afgesloten ruimte dan wel in een installatie of in apparatuur in een inrichting als bedoeld in categorie 21 van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, indien met betrekking tot die afgesloten ruimte, die installatie of die apparatuur fysische barrières of een combinatie van fysische met chemische of biologische barrières zijn of worden toegepast om het contact van die organismen met mens en milieu te beperken, overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels; h. h.

    richtlijn 98/81: richtlijn nr. 98/81/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 1998 tot wijziging van Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen;

i. i. zelfklonering: verwijdering van genetisch materiaal uit een organisme, gevolgd door het terugbrengen van dit genetisch materiaal of van een deel daarvan, al dan niet in vitro, enzymatisch, chemisch of mechanisch bewerkt, in cellen van hetzelfde organisme of van een nauw verwante soort die door natuurlijke fysiologische processen chromosomaal DNA kan uitwisselen met het eerstbedoelde organisme.

Artikel 1a

Vervallen

Artikel 1b

Vervallen

Artikel 1c

Vervallen

Artikel 1d

Vervallen

Artikel 1e

Vervallen

Artikel 1f

Vervallen

Artikel 1g

Vervallen

Artikel 1h

Vervallen

Artikel 1i

Vervallen

Artikel 1j

Vervallen

Artikel 1k

Vervallen

Artikel 1l

Vervallen

Artikel 1m

Vervallen

Artikel 1n

Vervallen

Artikel 1o

Vervallen

Artikel 1p

Vervallen

Artikel 1q

Vervallen

Artikel 1r

Vervallen

Artikel 1s

Vervallen

Artikel 1t

Vervallen

Artikel 1u

Vervallen

Paragraaf 2. Ingeperkt gebruik

Paragraaf 2.1. Werkingssfeer

Artikel 2

1.

Voor de toepassing van paragraaf 2 worden de genetisch gemodificeerde organismen onderscheiden in de volgende groepen:

a. a. groep I: genetisch gemodificeerde micro-organismen die voldoen aan de krachtens het tweede lid gestelde regels dan wel waarvan na toepassing van het vierde lid is vastgesteld dat zij eveneens voldoen aan de criteria voor indeling in groep I; b. b. groep II: overige genetisch gemodificeerde micro-organismen; c. c. groep III: overige genetisch gemodificeerde organismen, niet zijnde micro-organismen.

2. Onze Minister stelt regels voor de indeling van genetisch gemodificeerde organismen. Hij stelt daarbij onder meer vast welke door hem aangewezen organismen en vectoren geschikt zijn voor de vervaardiging van organismen die behoren tot groep I. Voorts kan hij daarbij vaststellen of een insertie geschikt is voor de vervaardiging van die organismen.

3. Het ontwerp van de regels, bedoeld in het tweede lid, wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden gedurende een bij die bekendmaking vast te stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.

4. Degene die wil overgaan tot handelingen met genetisch gemodificeerde micro-organismen die zijn vervaardigd met behulp van organismen en vectoren die niet zijn aangewezen overeenkomstig het tweede lid, tweede volzin, dan wel degene die een zodanig organisme wil vervaardigen, kan Onze Minister verzoeken vast te stellen dat de betrokken organismen of vectoren geschikt zijn voor de vervaardiging van organismen die behoren tot groep I. Onze Minister beslist op het verzoek binnen vier weken. Met betrekking tot het verzoek is artikel 13 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, de in de voorgaande volzin genoemde termijn wordt opgeschort.

Artikel 3

1.

Voor de toepassing van paragraaf 2 wordt ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen onderscheiden in de volgende categorieën:

a. a. categorie A: handelingen als bedoeld in categorie 21, onderdeel a, van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; b. b. categorie B: overige handelingen.

2. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de indeling van handelingen in de categorieën A en B. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a

Vervallen

Artikel 3b

Vervallen

Artikel 4

Paragraaf 2 is niet van toepassing op:

a. a. de opslag tijdens het vervoer van genetisch gemodificeerde organismen die zich bevinden in een vervoerseenheid die voldoet aan de eisen voor het vervoer, neergelegd in bijlage 2 behorende bij dit besluit; b. b. het vervaardigen, vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van typen van genetisch gemodificeerde micro-organismen die zijn opgesomd in bijlage II, deel C, bij richtlijn 98/81; c. c. het vervaardigen van organismen door, dan wel het vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van organismen die zijn vervaardigd door:

      1°.
      celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van eukaryotische soorten, met inbegrip van de productie van hybridoma's, uitgezonderd de fusie van plantencellen,
    
    
      2°.
      zelfklonering van niet-pathogene, van nature voorkomende micro-organismen die geen bijkomende agentia bezitten en aantoonbaar veilig zijn gebleken bij langdurig gebruik, dan wel ingebouwde biologische barrières bezitten die niet van invloed zijn op de optimale groei in kunstmatige media, maar beperkte overlevings- of vermenigvuldigingskansen bieden zonder schadelijke effecten voor mens en milieu, of
    
    
      3°.
      celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van prokaryotische soorten die genetisch materiaal uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen,
    
  
  tenzij bij de vervaardiging daarvan als recipiënt of ouderorganisme gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde organismen, die niet zijn verkregen op de onder 1°, 2° of 3° of de in bijlage 1, onderdeel 1, onder a of b, beschreven wijze en ten aanzien waarvan geen toepassing heeft plaatsgehad van artikel 23, tweede lid, onder d, dan wel van genetisch gemodificeerde organismen die niet vallen onder artikel 23, tweede lid, onder e.

1°. 1°. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van eukaryotische soorten, met inbegrip van de productie van hybridoma's, uitgezonderd de fusie van plantencellen, 2°. 2°. zelfklonering van niet-pathogene, van nature voorkomende micro-organismen die geen bijkomende agentia bezitten en aantoonbaar veilig zijn gebleken bij langdurig gebruik, dan wel ingebouwde biologische barrières bezitten die niet van invloed zijn op de optimale groei in kunstmatige media, maar beperkte overlevings- of vermenigvuldigingskansen bieden zonder schadelijke effecten voor mens en milieu, of 3°. 3°. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van prokaryotische soorten die genetisch materiaal uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen,

Paragraaf 2.2. Voorafgaande risico-analyse

Artikel 5

1. Degene die voornemens is over te gaan tot ingeperkt gebruik, maakt, voordat hij daarmee begint, een analyse van de risicos voor mens en milieu die aan dat gebruik kunnen zijn verbonden. Hij maakt daarvan een schriftelijke samenvatting, die hij ter beschikking houdt van Onze Minister en van het gezag dat in het kader van de Wet milieubeheer bevoegd is ten aanzien van de inrichting waar de betrokken handeling plaatsvindt.

2. Onze Minister stelt regels omtrent de gegevens die de analyse bevat. Tevens kan hij daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de samenvatting. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.3. Veiligheidsvoorschriften

Artikel 6

1. Onze Minister kan regels stellen die voor de houders van een vergunning krachtens artikel 17 gelden naast of in plaats van de aan die vergunning verbonden voorschriften.

2. Voorts beziet degene die handelingen met genetisch gemodificeerde organismen verricht, dan wel zodanige organismen vervaardigt, bij ingeperkt gebruik jaarlijks of zoveel keren meer als de aard van de betrokken handelingen vereist, de getroffen maatregelen opnieuw, ten einde rekening te houden met nieuw verworven wetenschappelijke of technische kennis inzake risicobeheersing en behandeling en het beheer van afvalstoffen; zo nodig treft hij verdergaande maatregelen.

Paragraaf 2.4. Kennisgeving

Paragraaf 2.4.1. Algemene bepalingen

Artikel 7

1. Onze Minister kan regels stellen omtrent de verdere gegevens die bij de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, eerste lid, worden ingediend. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Ingeval organismen die behoren tot verschillende groepen in combinatie worden toegepast, kan worden volstaan met een gezamenlijke kennisgeving.

Paragraaf 2.4.2. Vervaardigen van en handelingen met genetisch gemodificeerde organismen

Artikel 8

1. Degene die handelingen van categorie A verricht met organismen die behoren tot groep I, dan wel zodanige organismen vervaardigt, doet daarvan, voordat hij daartoe voor de eerste keer overgaat, kennisgeving aan Onze Minister.

2. De kennisgeving bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in bijlage 4, onderdeel 1.

3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, maakt jaarlijks voor 1 juni een verslag over de in het eerste lid bedoelde handelingen in het voorafgaande kalenderjaar en houdt dit gedurende 5 jaar ter beschikking van Onze Minister. Artikel 7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

1. Degene die handelingen van categorie B verricht met organismen die behoren tot groep I, doet daarvan, voordat hij daartoe overgaat, kennisgeving aan Onze Minister.

2. De kennisgeving bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in bijlage 4, onderdeel 2, bij dit besluit.

3.

In afwijking van het eerste lid is geen kennisgeving vereist, indien Onze Minister op verzoek van degene die ingeperkt gebruik verricht, heeft vastgesteld dat er sprake is van een wijziging van geringe aard van een handeling als bedoeld in het eerste lid:

a. a. waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 17, eerste lid, dan wel b. b. waarop het derde lid van dat artikel van toepassing is.

4. Onze Minister beslist binnen vier weken na de datum van ontvangst van een verzoek als bedoeld in het derde lid. Met betrekking tot het verzoek is artikel 13 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, de in de eerste volzin genoemde termijn wordt opgeschort. Indien Onze Minister niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn een beslissing heeft genomen op het verzoek, heeft de vaststelling van rechtswege plaatsgehad.

5. Onze Minister kan regels stellen omtrent de beoordeling van een verzoek als bedoeld in het derde lid.

Artikel 10

1. Degene die handelingen van categorie A verricht met organismen die behoren tot groep II of handelingen met organismen die behoren tot groep III, dan wel zodanige organismen vervaardigt, doet daarvan, voordat hij daartoe overgaat, kennisgeving aan Onze Minister.

2. De kennisgeving bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in bijlage 4, onderdeel 3, bij dit besluit. Artikel 9, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

1. Degene die handelingen van categorie B verricht met organismen die behoren tot groep II, doet daarvan, voordat hij daartoe overgaat, kennisgeving aan Onze Minister.

2. De kennisgeving bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in bijlage 4, onderdeel 4, bij dit besluit.

Paragraaf 2.4.3. Ontvankelijkheid, mededeling en opmerkingen

Artikel 12

1. Onze Minister tekent de datum van ontvangst aan op een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, en zendt een bewijs van ontvangst waarop die datum is vermeld aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.

2. Indien Onze Minister van oordeel is dat bij de kennisgeving niet aan het bij of krachtens de artikelen 8, 9, 10 of 11, in samenhang met artikel 7, eerste lid, bepaalde is voldaan, stelt hij binnen vier weken na de datum van ontvangst degene die de kennisgeving heeft gedaan in de gelegenheid de kennisgeving binnen een door Onze Minister gestelde termijn aan te vullen. Indien degene die de kennisgeving heeft gedaan geen gebruik maakt van deze gelegenheid of indien Onze Minister na aanvulling van de kennisgeving van oordeel is dat nog niet is voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 8, 9, 10 of 11, in samenhang met artikel 7, eerste lid, bepaalde, laat Onze Minister de kennisgeving buiten behandeling.

Artikel 13

1. Onze Minister kan van degene die de kennisgeving heeft gedaan, nadere gegevens verlangen omtrent het ingeperkt gebruik waar de kennisgeving betrekking op heeft.

2. Ingeval het eerste lid toepassing vindt, worden de termijnen, bedoeld in de artikelen 14 en 17, opgeschort totdat Onze Minister de nadere gegevens heeft ontvangen.

Artikel 14

1. Onze Minister doet van een kennisgeving als bedoeld in artikel 11, zo spoedig mogelijk mededeling; hij doet dit in elk geval binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving, dan wel, indien een besluit om de kennisgeving buiten behandeling te laten. als bedoeld in artikel 12, tweede lid, in beroep is vernietigd, uiterlijk twee weken na de datum waarop het besluit, houdende de vernietiging, is genomen.

2. In ieder geval wordt van de kennisgeving gelijktijdig mededeling gedaan door middel van een vermelding in de Staatscourant en door terinzagelegging overeenkomstig het vierde lid.

3.

In de vermelding, bedoeld in het tweede lid, vermeldt Onze Minister ten minste:

a. a. de beschrijving van het genetisch gemodificeerde organisme of de genetische gemodificeerde organismen en van de voorgenomen handelingen; b. b. het tijdstip waarop een exemplaar van de kennisgeving ter inzage wordt gelegd, en de uren waarop en de plaats waar het ter inzage ligt; c. c. de mogelijkheid dat een ieder schriftelijk opmerkingen indient bij Onze Minister naar aanleiding van de kennisgeving, alsmede d. d. de termijn voor het indienen van de opmerkingen.

4.

Onze Minister legt met een exemplaar van de kennisgeving stukken ter inzage, die bevatten:

a. a. naam en adres van degene die de kennisgeving doet; b. b. de beschrijving van het genetisch gemodificeerde organisme of de genetisch gemodificeerde organismen en van de voorgenomen handelingen; c. c. de plaats en het doel van het ingeperkt gebruik; d. d. de volgende gegevens en bescheiden, indien deze niet gelijktijdig ter inzage liggen ten behoeve van de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor de inrichting waarin de betrokken handeling plaatsheeft:

        1°.
        gegevens over de installatie;
      
      
        2°.
        gegevens over het afvalstoffenbeheer;
      
      
        3°.
        gegevens over de veiligheidsmaatregelen, het toezicht op de veiligheid en de noodmaatregelen en
      
      
        4°.
        de analyse van de risicos voor mens en milieu, als bedoeld in artikel 5, eerste lid.

1°. 1°. gegevens over de installatie; 2°. 2°. gegevens over het afvalstoffenbeheer; 3°. 3°. gegevens over de veiligheidsmaatregelen, het toezicht op de veiligheid en de noodmaatregelen en 4°. 4°. de analyse van de risicos voor mens en milieu, als bedoeld in artikel 5, eerste lid.

5. Gedurende vier weken vanaf de dag waarop de kennisgeving ter inzage is gelegd, kan een ieder de ter inzage liggende stukken kosteloos inzien. Onze Minister verstrekt een ieder desgevraagd, tegen betaling der kosten, een exemplaar van de ter inzage liggende stukken.

6. Gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode kan een ieder schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van de kennisgeving bij Onze Minister indienen.

Artikel 15

Degene die een kennisgeving heeft gedaan, als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, stelt Onze Minister onverwijld op de hoogte van nieuwe gegevens waarover hij de beschikking krijgt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, indien die gegevens belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risicos die aan het ingeperkt gebruik zijn verbonden. Hij dient een gewijzigde kennisgeving in, waarbij hij aangeeft welke maatregelen in verband met deze nieuwe gegevens zijn getroffen.

Paragraaf 2.5. Vergunning voor ingeperkt gebruik

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

1. Het is verboden over te gaan tot ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen, als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, zonder vergunning die door Onze Minister is verleend naar aanleiding van een kennisgeving als bedoeld in het betrokken artikel. Het verbod in de eerste volzin geldt niet voor zover toepassing is gegeven aan artikel 9, derde lid, of aan artikel 10, tweede lid, j° artikel 9, derde lid.

2. Op een kennisgeving als bedoeld in artikel 11 beslist Onze Minister binnen 73 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving.

3. Op een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 8, 9 en 10 beslist Onze Minister binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving.

4. De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 en 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van toepassing met betrekking tot de totstandkoming, onderscheidenlijk een wijziging of intrekking van een vergunning die door Onze Minister wordt verleend naar aanleiding van een kennisgeving als bedoeld in artikel 8, 9 of 10.

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Bij de beoordeling van een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, houdt Onze Minister rekening met alle hem ter beschikking staande gegevens die verband houden met de risicos voor mens en milieu die aan de betrokken handelingen zijn verbonden. Daartoe behoren onder meer de gevolgen voor het afvalbeheer, de veiligheid en de bestrijding van rampen en zware ongevallen.

Artikel 20

Onze Minister kan een vergunning verlenen voor een bepaalde termijn.

Artikel 21

Indien Onze Minister, nadat hij vergunning heeft verleend naar aanleiding van een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 8, 9, 10 of 11, kennis neemt van nieuwe gegevens die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risicos die aan het ingeperkt gebruik zijn verbonden, kan hij:

a. a. degene aan wie de vergunning is verleend, opdragen de betrokken handelingen tijdelijk of definitief te staken of b. b. de voorschriften wijzigen, die zijn verbonden aan de vergunning.

Artikel 22

Voorts kan Onze Minister op een daartoe strekkende, schriftelijk bij hem ingediende aanvraag van de vergunninghouder of van andere belanghebbenden de voorschriften, verbonden aan een vergunning, wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden, dan wel de vergunning intrekken. Indien de beschikking daartoe niet op aanvraag van de vergunninghouder wordt gegeven, gaat Onze Minister daartoe slechts over indien het belang van de bescherming van mens of milieu zich daartegen niet verzet.

Paragraaf 3. Introductie in het milieu

Artikel 23

1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister genetisch gemodificeerde organismen te vervaardigen, te vervoeren, toe te passen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of zich ervan te ontdoen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. a. ingeperkt gebruik; b. b. handelingen die zijn beschreven in bijlage 1 bij dit besluit indien die handelingen worden uitgevoerd onder de voorwaarden die in die bijlage zijn vermeld, voor zover die voorwaarden blijkens die bijlage van toepassing zijn; c. c. het vervoeren van genetisch gemodificeerde organismen indien dat vervoeren geschiedt onder de voorwaarden die zijn gesteld in bijlage 2 bij dit besluit; d. d. het vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van genetisch gemodificeerde organismen waarvan Onze Minister, blijkens een mededeling in de Staatscourant, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor zover het die aspecten van de bescherming van het milieu betreft waarvoor deze verantwoordelijk is, op grond van een risico-analyse als bedoeld in artikel 24, tweede lid, heeft vastgesteld dat deze geen ongewenste effecten kunnen hebben voor mens of milieu; e. e. handelingen, uitgezonderd genetische modificatie, met genetisch gemodificeerde organismen die binnen een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte op de markt zijn gebracht na een specifieke risicobeoordeling als voorgeschreven overeenkomstig deel C van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (90/220/EEG, PbEG L 117/15), of met produkten die moeten worden onderworpen aan een specifieke risicobeoordeling krachtens communautaire wetgeving als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van die richtlijn.

3. Het ontwerp van een vaststelling als bedoeld in het tweede lid, onder d, wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekendgemaakt, waarbij tevens wordt bekendgemaakt waar en gedurende welke periode de in dat onderdeel bedoelde risico-analyse ter inzage ligt en waar en gedurende welke periode tegen dat ontwerp bezwaren kunnen worden ingebracht.

4. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de communautaire wetgeving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e.

Artikel 24

1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 23 wordt schriftelijk in tweevoud bij Onze Minister ingediend.

2. Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 23 wordt een risico-analyse met betrekking tot de voorgenomen handelingen overgelegd, in ieder geval inhoudende de gegevens, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit.

3. Onze Minister kan, indien zulks naar zijn oordeel voor het inzicht in de gevaren die voor mens en milieu kunnen ontstaan noodzakelijk is, aan degene die een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan, opdragen nadere door hem aangeduide gegevens over te leggen met betrekking tot de handeling waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.

4. Onze Minister neemt het besluit op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 23 uiterlijk zeventien weken na ontvangst van de aanvraag.

5. Uit eigen beweging of op een daartoe strekkend, schriftelijk bij hem ingediend verzoek van de vergunninghouder of andere belanghebbenden kan Onze Minister de beperkingen en voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de vergunning verbinden, dan wel de vergunning intrekken. Indien de beschikking daartoe niet op verzoek van de vergunninghouder wordt gegeven, gaat Onze Minister daartoe slechts over in het belang van de bescherming van mens en milieu.

6. Onze Minister beslist niet op de aanvraag om een vergunning of tot het wijzigen of het intrekken van een vergunning dan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor zover het betreft die aspecten van de bescherming van het milieu waarvoor deze verantwoordelijk is, en voorts niet dan na overleg met Onze overige Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 24a

1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 23 geldt tevens voor een wijziging van de locatie, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 2, onder a, bij dit besluit, die niet leidt tot andere of grotere risico's voor mens of milieu dan die het gevolg kunnen zijn van de vergunde handeling, indien:

  • de voorgenomen wijziging van de locatie er uitsluitend toe leidt dat de vergunde handeling op een andere locatie wordt verricht;
  • de voorgenomen wijziging van de locatie voldoet aan de in de vergunningvoorschriften neergelegde criteria voor locatiekeuze;
  • de voorgenomen locatie waar de handeling wordt uitgevoerd ligt binnen de in de vergunning vermelde gemeente;
  • is voldaan aan het vergunningvoorschrift dat, indien gebruik is gemaakt van de vergunning, een verslag van verrichte werkzaamheden voor het eind van het kalenderjaar waarin die werkzaamheden hebben plaatsgevonden, aan Onze Minister is verstrekt;
  • het voornemen tot wijziging van de locatie waar de handeling wordt uitgevoerd door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig het tweede lid aan Onze Minister is gemeld, en
  • Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen wijziging van de locatie waar de handeling wordt uitgevoerd, voldoet aan de voorwaarden in dit artikellid en de wijziging van de locatie naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 24, vijfde lid.

2.

Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, onder e, vermeldt de vergunninghouder:

  • zijn naam en adres;
  • de vergunning waarop de voorgenomen wijziging van de locatie betrekking heeft;
  • de wijziging van de locatie, bedoeld in bijlage 3, onderdeel 2, onder a, bij dit besluit, en
  • gegevens waaruit blijkt dat de voorgenomen wijziging van de locatie voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.

Artikel 24b

1. Een besluit als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder f, wordt uiterlijk drie weken na ontvangst van de melding bekendgemaakt.

2.

Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt het besluit ter inzage gelegd. Met het besluit worden ter inzage gelegd:

  • een exemplaar van de melding, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder e, met de daarbij behorende stukken;
  • de vergunning waarop de wijziging van de locatie betrekking heeft, en
  • andere stukken die betrekking hebben op het besluit, voorzover deze redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit.

3. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft Onze Minister in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen of op andere geschikte wijze kennis van het besluit. De kennisgeving wordt in ieder geval in de Staatscourant geplaatst.

4.

In de kennisgeving wordt vermeld:

  • wat de zakelijke inhoud van het besluit is;
  • waar en wanneer de stukken ter inzage liggen;
  • wie in de gelegenheid worden gesteld om bezwaar te maken tegen het besluit, en
  • op welke wijze dit kan geschieden.

5. Onze Minister deelt de in de kennisgeving vermelde gegevens tevens mee aan degene die de melding, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder e, heeft gedaan.

6. De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage.

7. Indien bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, als gevolg van een besluit van Onze Minister tot geheimhouding daarvan op grond van artikel 56 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, wordt daarvan mededeling gedaan.

8. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.

Artikel 25

Indien de aanvrager of houder van een vergunning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, dan wel degene die om toepassing heeft gevraagd van artikel 23, tweede lid, onder d, kennis neemt van nieuwe gegevens ten aanzien van risicos die de betrokken genetisch gemodificeerde organismen of de handelingen daarmee kunnen opleveren voor mens of milieu, dient hij daarvan terstond mededeling te doen aan Onze Minister. Hij treft tevens terstond de maatregelen die in verband met die risicos nodig zijn ter bescherming van mens en milieu.

Artikel 26

De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 23 eerste lid, die genetisch gemodificeerde organismen toepast, doet na voltooiing van die toepassing mededeling aan Onze Minister van de mogelijke risicos daarvan voor mens of milieu. Indien hij ten aanzien van de produkten waar die toepassing betrekking op heeft, voornemens is toepassing van artikel 23 tweede lid, onderdeel d, te vragen, gaat hij bij die mededeling in op de risicos die die produkten kunnen opleveren.

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Artikel 36

1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum waarop het in het Staatsblad is bekendgemaakt.

2. Het besluit kan worden aangehaald als het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen.

Bijlage 1. behorende bij

Van het verbod van artikel 23, eerste lid, zijn vrijgesteld:

het vervaardigen, vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van organismen die zijn vervaardigd door:

tenzij bij de vervaardiging daarvan als recipiënt of ouderorganisme gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde organismen, die niet zijn verkregen op de onder a of b beschreven wijze en ten aanzien waarvan geen toepassing heeft plaatsgehad van artikel 23, tweede lid, onder d, dan wel van genetisch gemodificeerde organismen die niet vallen onder artikel 23, tweede lid, onder e.

Bijlage 2. behorende bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen

Voorwaarden als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder c, waaronder het vervoer van genetisch gemodificeerde organismen dient te geschieden.

De vervoerseenheid moet zodanig zijn dat genetisch gemodificeerde organismen of delen van die organismen tijdens het vervoer niet buiten de vervoerseenheid kunnen geraken anders dan door ingrijpen van de mens of door een calamiteit.

Bijlage 3. behorende bij het

Een risico-analyse als bedoeld in artikel 24 houdt in ieder geval de volgende gegevens in voor zover deze van toepassing zijn:

Bijlage 4. behorende bij de

Gegevens voor kennisgevingen