40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen HTM 2006 | BWBR0020003 | ministeriele-regeling | geldend | 2006-07-05 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0020003 | Besluit toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen HTM 2006 |
Besluit toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen HTM 2006
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a. HTM: HTM Personenvervoer NV; b. b. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienstbetrekking werkzaam bij de HTM; c. c. FOT: het Flexibel Ondersteuningsteam van de HTM;
Artikel 2
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 1, onder b, is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005 genoemde strafbare feiten, gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. Maximaal 25 buitengewoon opsporingsambtenaren, te werk gesteld bij het FOT zijn bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2002 genoemde strafbare feiten, gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich daarbij overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 3
1.
De buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij het FOT kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar uitgerust zijn met:
a. a. handboeien van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie goedgekeurd merk en type; b. b. een korte wapenstok van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar wordt eerst uitgerust met handboeien en de wapenstok nadat de direct toezichthouder heeft vastgesteld dat betrokkene beschikt over de vereiste bekwaamheid ten aanzien van het gebruik van en het omgaan met handboeien en de wapenstok.
Artikel 4
De directeur van de HTM stelt in overleg met de toezichthouder en de direct toezichthouder op:
a. a. Een instructie, gebaseerd op artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin zo concreet mogelijk beschreven wordt bij welke feiten en omstandigheden het aanleggen van handboeien en het gebruik van de wapenstok is toegestaan. De instructie dient aan iedere buitengewoon opsporingsambtenaar, die is uitgerust met handboeien en de wapenstok ter hand te worden gesteld. b. b. Een procedure, gebaseerd op de artikelen 17 en 23 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, voor de melding van het gebruik van handboeien en de wapenstok. Over iedere melding dienen de toezichthouder en de direct toezichthouder zo spoedig mogelijk te worden geïnformeerd.
Artikel 5
De directeur van de HTM verstrekt de toezichthouder en de direct toezichthouder overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar alle door hen gewenste informatie en voert zo nodig en desgevraagd periodiek overleg met hen met betrekking tot het gebruik van de geweldsmiddelen.
Artikel 6
De directeur van de HTM gaat in het, op basis van artikel 7 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005, jaarlijks, vóór 1 april over het jaar daaraan voorafgaand, met betrekking tot de buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam bij dit bedrijf aan de Minister van Justitie uit te brengen verslag tevens in op de doeltreffendheid en de effecten van het gebruik van geweld, de veiligheidsfouillering, het gebruik van de handboeien en het gebruik van de wapenstok.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2010.
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen HTM 2006.