40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen | BWBR0041395 | ministeriele-regeling | geldend | 2018-10-07 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0041395 | Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen |
Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen
Deel I. Algemeen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01
In deze standaard gelden de volgende definities:
1.1 1.1
*‘vaartuig’:* een schip of een drijvend werktuig;
1.2 1.2
*‘schip’:* een binnenschip of een zeeschip;
1.3 1.3
*‘binnenschip’:* een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;
1.4 1.4
*‘zeeschip’:* een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;
1.5 1.5
*‘motorschip’:* een motortankschip of een motorvrachtschip;
1.6 1.6
*‘motortankschip’:* een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;
1.7 1.7
*‘motorvrachtschip’:* een schip, niet zijnde een motortankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;
1.8 1.8
* ‘kanaalspits’:* een binnenschip waarvan de lengte niet meer dan 38,50 m en de breedte niet meer dan 5,05 m bedraagt;
1.9 1.9
*‘sleepboot’:* een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
1.10 1.10
*‘duwboot’: * een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
1.11 1.11
*‘sleepschip’:* een sleeptankschip of een sleepvrachtschip;
1.12 1.12
*‘sleeptankschip’:* een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
1.13 1.13
*‘sleepvrachtschip’:* een schip, niet zijnde een sleeptankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
1.14 1.14
*‘duwbak’:* een tankduwbak, een vrachtduwbak of een zeeschipbak;
1.15 1.15
* ‘tankduwbak’:* een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
1.16 1.16
*‘vrachtduwbak’:* een schip, niet zijnde een tankduwbak, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
1.17 1.17
*‘zeeschipbak’:* een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;
1.18 1.18
*‘passagiersschip’: * een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
1.19 1.19
*‘zeilend passagiersschip’: * een passagiersschip dat is gebouwd en ingericht om ook door middel van zeilen te worden voortbewogen;
1.20 1.20
*‘schip voor dagtochten’: * een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
1.21 1.21
*‘hotelschip’:* een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
1.22 1.22
* ‘snel schip’:* een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;
1.23 1.23
*‘drijvend werktuig’:* een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
1.24 1.24
*‘schip bestemd voor bouwwerkzaamheden’:* een schip dat vanwege zijn bouwwijze en uitrusting geschikt en bestemd is om voor werkzaamheden op bouwlocaties te worden gebruikt, zoals spoelbakken, onderlossers, dekschuiten, pontons of steenstorters;
1.25 1.25
*‘pleziervaartuig’:* een schip, niet zijnde een passagiersschip, dat is bestemd voor sportieve en recreatieve doeleinden;
1.26 1.26
*‘bijboot’:* een boot om gebruikt te worden voor vervoer, redding, berging en werkzaamheden;
1.27 1.27
*‘drijvende inrichting’: * een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;
1.28 1.28
*‘drijvend voorwerp’:* een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;
1.29 1.29
*‘Traditioneel vaartuig’* een vaartuig, of de replica daarvan, dat op grond van zijn leeftijd, zijn technische of karakteristieke constructieve eigenschappen, zijn zeldzaamheid, zijn betekenis voor het behoud van traditionele principes van het zeemanschap of van binnenvaarttechnieken of zijn betekenis voor een tijdperk uit historisch oogpunt het waard is, te worden behouden, en dat in het bijzonder voor demonstratiedoeleinden wordt gebruikt;
1.30 1.30
*‘Replica van een traditioneel vaartuig’* een vaartuig dat voornamelijk uit oorspronkelijk materiaal in overeenkomstige bouwwijze volgens tekeningen of ontwerpen als traditioneel vaartuig werd nagebouwd;
2.1 2.1
*‘samenstel’:* een hecht samenstel of een sleep;
2.2 2.2
*‘formatie’:* vorm van de samenstelling van een samenstel;
2.3 2.3
*‘hecht samenstel’:* een duwstel of een gekoppeld samenstel;
2.4 2.4
*‘duwstel’:* een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
2.5 2.5
* ‘gekoppeld samenstel’:* een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
2.6 2.6
*‘sleep’:* een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
3.1 3.1
* ‘hoofdmachinekamer’:* de ruimte waarin de voortstuwingsmotoren zijn opgesteld;
3.2 3.2
*‘machinekamer’:* een ruimte waarin verbrandingsmotoren zijn opgesteld;
3.3 3.3
* ‘ketelruim’:* een ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld;
3.4 3.4
*‘elektrische bedrijfsruimte’:* een ruimte waarin zich onderdelen van een elektrische aandrijvingsinstallatie bevinden zoals schakelkasten of elektrische motoren en geen hoofdmachinekamer of machinekamer is;
3.5 3.5
*‘gesloten opbouw’:* een doorlopende vaste en waterdichte opbouw met vaste wanden die blijvend en waterdicht met het dek zijn verbonden;
3.6 3.6
*‘stuurhuis’:* de ruimte waarin de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedienings- en controleapparatuur is opgesteld;
3.7 3.7
*‘verblijf’:* de ruimte die bestemd is voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis;
3.8 3.8
*‘passagiersverblijf’:* voor passagiers aan boord aangewezen ruimten en afgesloten zones zoals salons, kantoren, verkoopruimten, kapsalons, droogruimten, wasserijen, sauna's, toiletten, wasgelegenheden, gangen, verbindingsgangen en open trappenhuizen;
3.9 3.9
*‘controlepost’:* een stuurhuis, een ruimte waarin een noodstroominstallatie dan wel onderdelen daarvan aanwezig zijn of een ruimte met een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette post, zoals voor brandmeldinstallaties, afstandsbedieningen van deuren of brandkleppen;
3.10 3.10
*‘trappenschacht’:* een schacht van een binnen het schip gelegen trap of van een lift;
3.11 3.11
*‘verblijfsruimte’:* een ruimte van een verblijf of een passagiersverblijf. Op passagiersschepen zijn keukens geen verblijfsruimten;
3.12 3.12
*‘keuken’:* een ruimte met een fornuis of een vergelijkbare kookgelegenheid;
3.13 3.13
*‘voorraadruimte’:* een ruimte voor de opslag van brandbare vloeistoffen of een ruimte met een vloeroppervlak van meer dan 4 m^2 voor de opslag van voorraden;
3.14 3.14
*‘laadruim’:* een naar voren en achteren door schotten begrensd, open of door luiken gesloten deel van het schip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen als stukgoed of in bulk, dan wel voor het onderbrengen van tanks die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
3.15 3.15
*‘vaste tank’:* een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
3.16 3.16
*‘werkplek’:* een gebied waar de bemanning zijn werk moet verrichten, met inbegrip van loopplank, slingergiek en bijboot;
3.17 3.17
* ‘verkeersweg’:* een gebied dat gewoonlijk dient voor het verplaatsen van personen en goederen;
3.18 3.18
*‘veilige zone’:* een gebied dat aan de buitenkant wordt begrensd door een loodrecht vlak, dat op een afstand van 1/5 *BWL* evenwijdig aan de scheepshuid in het vlak van de grootste inzinking loopt;
3.19 3.19
*‘verzamelruimten’:* ruimten op het schip die speciaal beschermd zijn en waar personen zich in geval van gevaar moeten ophouden;
3.20 3.20
*‘evacuatieruimten’:* deel van de verzamelruimten op het schip van waaruit een evacuatie van personen kan worden gerealiseerd;
3.21 3.21
*‘explosieve atmosfeer’:* een mengsel van lucht onder atmosferische condities met brandbare stoffen in de vorm van gas, damp, stof, vezels of pluizen, dat na ontsteking een zelfstandige uitbreiding van het vuur mogelijk maakt;
3.22 3.22
*‘explosiegevaarlijk gebied’:* een gebied waar een zodanige explosieve atmosfeer voorhanden is of zich kan voordoen dat voor de bouwwijze, de inrichting en het gebruik van apparatuur bijzondere beschermingsmaatregelen vereist zijn;
3.23 3.23
*‘zones’:* de indeling in explosiegevaarlijke gebieden in functie van de waarschijnlijkheid en de duur van het voorhanden zijn van een explosieve atmosfeer;‘zone 0’: een gebied waar een explosieve atmosfeer gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig is.‘zone 1’: een gebied waar een explosieve atmosfeer onder normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig kan zijn.‘zone 2’: een gebied waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en waar, wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is. Tot deze gebieden behoren ook zones die rechtstreeks aan zone 1 grenzen en niet gasdicht daarvan gescheiden zijn.
3.24 3.24
*‘elektrische inrichting (erkend veilig)’:* een elektrische inrichting die door de bevoegde autoriteit ten aanzien van zijn bedrijfszekerheid in een explosieve atmosfeer beproefd en toegelaten is;
4.1 4.1
*‘vlak van de grootste inzinking’:* het vlak door de waterlijn, overeenkomende met de grootst mogelijke inzinking waarbij het vaartuig nog mag varen;
4.2 4.2
*‘veiligheidsafstand’:* de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;
4.3 4.3
*‘resterende veiligheidsafstand’:* de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde, waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;
4.4 4.4
*‘vrijboord’ of ‘F’:* de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord of, bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord;
4.5 4.5
*‘resterend vrijboord’: * de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en de bovenkant van het dek op het laagste punt van de ondergedompelde zijde of, indien er geen dek is, het laagste punt van het vaste boord;
4.6 4.6
*‘indompelingsgrenslijn’:* een denkbeeldige lijn op de boordwand, die ten minste 10 cm onder het schottendek en ten minste 10 cm onder het laagste niet waterdichte punt van de boordwand loopt. Bij ontbreken van een schottendek moet worden uitgegaan van een lijn, die ten minste 10 cm onder de laagste lijn loopt tot waar de buitenbeplating waterdicht is;
4.7 4.7
*‘waterverplaatsing’ of ‘∀’:* het ingedompelde volume van het schip in m^3;
4.8 4.8
*‘deplacement’ of ‘Δ’:* totaal gewicht van het schip met inbegrip van de lading in t;
4.9 4.9
*‘blokcoëfficiënt’ of ‘CB’:* de verhouding van de waterverplaatsing tot het product van lengte *LWL* x breedte *BWL* x diepgang *T*;
4.10 4.10
*‘lateraal oppervlak boven de waterlijn’of ‘AV’:* het zijvlak van het schip boven de waterlijn in m^2;
4.11 4.11
*‘schottendek’:* het dek tot waar de voorgeschreven waterdichte schotten zijn opgetrokken en vanwaar het vrijboord wordt gemeten;
4.12 4.12
* ‘schot’:* een over het algemeen verticale wand, dienend voor de indeling van het schip, en grenzend aan de scheepsbodem, boordwanden of andere schotten en die tot een zekere hoogte wordt opgetrokken;
4.13 4.13
*‘dwarsschot’:* een schot dat van boordwand tot boordwand reikt;
4.14 4.14
*‘wand’:* een over het algemeen verticaal scheidingsvlak;
4.15 4.15
*‘scheidingswand’:* een niet waterdichte wand;
4.16 4.16
*‘lengte’ of ‘L’:* de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
4.17 4.17
*‘lengte over alles’ of ‘LOA’:* de grootste lengte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals delen van roer- en voortstuwingsinstallaties, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke;
4.18 4.18
*‘lengte op de waterlijn’ of ‘LWL’:* de in het vlak van de grootste inzinking van het schip gemeten grootste lengte van de scheepsromp in m;
4.19 4.19
*‘breedte’ of ‘B’:* de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
4.20 4.20
*‘breedte over alles’ of ‘BOA’:* de grootste breedte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals schoepraderen, schuurlijsten, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke;
4.21 4.21
*‘breedte op de waterlijn’ of ‘BWL’:* de grootste breedte van de scheepsromp, gemeten in het vlak van de grootste inzinking van het schip, op de buitenkant van de huidbeplating in m;
4.22 4.22
*‘holte’ of ‘H’:* kleinste verticale afstand tussen de onderkant van de bodembeplating of van de kiel en het laagste punt van het dek aan de zijde van het schip in m;
4.23 4.23
*‘diepgang’ of ‘T’:* de verticale afstand in m tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip;
4.24 4.24
*‘grootste diepgang’ of ‘TOA’:* de verticale afstand in m tussen het laagste punt van de scheepsromp, met inbegrip van de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip;
4.25 4.25
*‘voorloodlijn’:* de loodrechte lijn door het snijpunt van de voorzijde van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking;
4.26 4.26
*‘vrije breedte van het gangboord’:* de afstand tussen de loodrechte lijn door het meest ver in het gangboord uitstekende deel van het luikhoofd en de loodrechte lijn door de binnenkant van de beveiliging tegen vallen (reling, voetlijst) aan de buitenkant van het gangboord;
5.1 5.1
*‘stuurinrichting’:* iedere voor het sturen van het schip benodigde inrichting die voor het bereiken van de manoeuvreereigenschappen als bedoeld in hoofdstuk 5 moet worden gebruikt;
5.2 5.2
*‘roer’:* het roerblad of de roerbladen met de roerkoning en met inbegrip van het kwadrant, de helmstok en de verbindingsdelen met de stuurmachine;
5.3 5.3
*‘stuurmachine’:* het deel van de stuurinrichting dat de beweging van het roer bewerkstelligt;
5.4 5.4
*‘stuurmachine-aandrijving’:* de aandrijving van de stuurmachine vanaf de energiebron tot de verbinding met de stuurmachine;
5.5 5.5
** (zonder inhoud);
5.6 5.6
*‘besturing’:* de elementen en stroomkringen voor het bedienen van een motorische stuurmachine-aandrijving;
5.7 5.7
*‘aandrijfinstallatie van de stuurmachine’:* de stuurmachine-aandrijving met inbegrip van de bijbehorende besturing en energiebron;
5.8 5.8
*‘handaandrijving’:* een aandrijving waarbij de beweging van het roer wordt bewerkstelligd door een handbewogen stuurwiel met mechanische of hydraulische overbrenging, zonder gebruik van een extra energiebron;
5.9 5.9
*‘handhydraulische aandrijving’:* een handaandrijving met hydraulische overbrenging;
5.10 5.10
*‘stuurautomaat’:* een inrichting die, afhankelijk van de ingestelde waarde, een bepaalde draaisnelheid van het schip automatisch bewerkstelligt en handhaaft;
5.11 5.11
*‘éénmansstuurstelling voor het varen op radar’:* een stuurstelling die zodanig is ingericht dat het schip gedurende het varen op radar door één persoon kan worden gevoerd;
6.1 6.1
*‘waterdicht’:* constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het binnendringen van water wordt verhinderd;
6.2 6.2
*‘spatwater- en regendicht’:* constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveelheid water doorlaten;
6.3 6.3
*‘gasdicht’:* constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het doordringen van gassen of dampen wordt verhinderd;
6.4 6.4
*‘onbrandbaar’:* een materiaal dat niet brandbaar is en geen ontvlambare gassen ontwikkelt in zodanige hoeveelheden dat deze bij verhitting tot ongeveer 750 °C tot zelfontbranding overgaan;
6.5 6.5
*‘moeilijk ontvlambaar’:* een materiaal dat zelf of waarbij ten minste de oppervlakken daarvan het uitbreiden van een brand volgens de testprocedure als bedoeld in artikel 19.11, eerste lid, onderdeel c, beperken;
6.6 6.6
*‘zelfdovend’:* de eigenschap van een brandbare stof om na verwijdering van de ontstekingsbron binnen korte tijd zelfstandig te doven, oftewel op te houden met branden;
6.7 6.7
*‘brandwerendheid’:* de eigenschap van constructiedelen of inrichtingen die is aangetoond met de testprocedure als bedoeld in artikel 19.11, eerste lid, onderdeel d;
6.8 6.8
*‘code voor brandtestprocedures’:* de bij de resolutie MSC.307(88)3MSC.307(88) aangenomen op 3 december 2010 – Internationale Code voor brandtestprocedures. van het maritieme veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) aangenomen Internationale code voor de toepassing van brandtestprocedures (FTP-code);
7.1 7.1
*‘navigatielichten’:* licht van navigatielantaarns voor het aanduiden van schepen;
7.2 7.2
*‘lichtseinen’:* flikkeringen ter versterking van optische of akoestische tekens;
7.3. 7.3.
*‘navigatieradarinstallatie’:* elektronisch hulpmiddel bij de navigatie voor de registratie en de weergave van de omgeving en het verkeer;
7.4 7.4
*‘Inland ECDIS’:* een systeem dat overeenkomstig de huidig geldende versie van de Inland ECDIS-standaard wordt gebruikt voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en de daarmee verbonden informatie, dat geselecteerde informatie uit een specifiek geproduceerde elektronische binnenvaartkaart en naar keuze informatie van andere navigatiesensoren weergeeft;
7.5 7.5
*‘Inland ECDIS-apparaat’:* apparaat voor de weergave van elektronische binnenvaartkaarten dat in twee verschillende modi gebruikt kan worden: de informatiemodus en de navigatiemodus;
7.6 7.6
*‘informatiemodus’:* gebruik van Inland ECDIS alleen voor informatiedoeleinden zonder geïntegreerd radarbeeld;
7.7 7.7
*‘navigatiemodus’:* gebruik van Inland ECDIS bij het sturen van het schip met geïntegreerd radarbeeld;
7.8 7.8
*‘Inland AIS-apparaat’:* een apparaat dat op een schip is ingebouwd en dat wordt gebruikt in de zin van de VTT-standaard;
7.9 7.9
*‘VTT-standaard’:* de Standaard voor Tracking en Tracing van schepen in de binnenvaart, editie 1.24Standaard voor Tracking en Tracing van schepen in de binnenvaart, editie 1.2; Besluit CCR 2013-I-23 van 29 mei 2013., van de CCR of de technische specificaties zoals vastgelegd in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/20125Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2012 van de Commissie van 27 juli 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 15/2007 van de Commissie inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB L 202, 28.7.2012).;
7.10 7.10
*‘Inland ECDIS-standaard’:* de Standaard Systeem voor elektronische weergave van binnenvaartkaarten en de daaraan verbonden informatie (Inland ECDIS), editie 2.36Standaard systeem voor elektronische weergave van binnenvaartkaarten en de daaraan verbonden informatie (Inland ECDIS), editie 2.3, Besluit CCR 2012-II-20 van 29.11.2012., van de CCR of de technische specificaties zoals vastgelegd in de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 909/20137Uitvoeringsverordening (EU) nr. 909/2013 van de Commissie van 10 september 2013 tot vaststelling van de technische specificaties voor het systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en -informatie (Inland ECDIS) als bedoeld in Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 258, 28.9.2013).;
7.11 7.11
*‘Inland AIS-teststandaard’:* de Teststandaard voor Inland AIS, Editie 2.0, van CESNI8Teststandaard voor Inland AIS, Editie 2.0; Besluit CESNI 2017-II-2 van 6 juli 2017.;
(zonder inhoud);
(zonder inhoud);
10.1 10.1
*‘erkend classificatiebureau’:* een classificatiebureau dat is erkend overeenkomstig de respectieve procedures van de CCR of van de EU;
10.2 10.2
*‘hoogste klasse’* een schip heeft de hoogste klasse, indien:
–
de scheepsromp met inbegrip van de roerinstallatie en het manoeuvreersysteem alsmede de uitrusting met ankers en kettingen beantwoordt aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en is gebouwd en getest onder toezicht daarvan;
–
de drijfinrichting alsmede de voor het gebruik aan boord noodzakelijke hulpmotoren en inrichtingen op het gebied van machinebouw en elektriciteit zijn aangelegd en getest volgens de voorschriften van dit classificatiebureau, de inbouw daarvan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de installatie als geheel na de inbouw door het bureau met succes is beproefd;
– – de scheepsromp met inbegrip van de roerinstallatie en het manoeuvreersysteem alsmede de uitrusting met ankers en kettingen beantwoordt aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en is gebouwd en getest onder toezicht daarvan; – – de drijfinrichting alsmede de voor het gebruik aan boord noodzakelijke hulpmotoren en inrichtingen op het gebied van machinebouw en elektriciteit zijn aangelegd en getest volgens de voorschriften van dit classificatiebureau, de inbouw daarvan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de installatie als geheel na de inbouw door het bureau met succes is beproefd; 10.3 10.3
*‘erkend deskundige’:* een persoon die door een bevoegde instantie of door een gemachtigde instantie is erkend, die bijzondere kennis heeft op het relevante gebied op grond van zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen vertrouwd is met de relevante voorschriften en algemeen erkende technische regels (bijv. EN-normen, relevante reglementen, technische regels) en die de betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en met kennis van zaken kan beoordelen;
10.4 10.4
*‘deskundige’:* een persoon die bijzondere kennis heeft op het relevante gebied op grond van zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen vertrouwd is met de relevante voorschriften en algemeen erkende technische regels (bijv. EN-normen, relevante reglementen, technische regels) en die de betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en met kennis van zaken kan beoordelen;
11.1 11.1
*‘energiebron’:* een energiedrager of een energieomzetter die wordt gebruikt voor de winning van nuttige energie. Bij stuurmachine-aandrijvingen de energieverzorging van de stuurmachine-aandrijving en van de besturing vanuit het boordnet, een batterij, een accumulator of een verbrandingsmotor;
11.2 11.2
*‘stroombron’:* de energiebron van waaruit elektrische stroom wordt geleverd;
11.3 11.3
*‘accumulator’:* een oplaadbare energiebron op elektrochemische basis voor elektrische energie;
11.4 11.4
*‘batterij’:* een niet oplaadbare energiebron op elektrochemische basis voor elektrische energie;
11.5 11.5
*‘vermogenselektronica’:* een installatie, een toestel, een bouwgroep of -element voor de omvorming van elektrische stroom met elektronische schakelelementen of een systeem daarvan;
12.1 12.1
*‘boordpersoneel’:* alle aan boord van een passagiersschip aangestelde personen die niet tot de bemanning behoren;
12.2 12.2
*‘personen met beperkte mobiliteit’:* personen die specifieke moeilijkheden hebben bij het gebruik van openbare vervoermiddelen, zoals oudere mensen, gehandicapten, personen met een handicap op het gebied van de zintuigen, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen en personen die kleine kinderen begeleiden;
12.3 12.3
*‘ADN’:* het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren vermelde Reglement (ADN) in de huidig geldende versie;
12.4 12.4
*‘binnenschipcertificaat’:* Uniecertificaat voor binnenschepen of certificaat van onderzoek voor Rijnschepen dat door de bevoegde instantie is afgegeven, ten bewijze dat het voldoet aan de technische voorschriften;
Artikel 1.02
De bijgevoegde instructies beogen een eenvoudige en uniforme toepassing van deze standaard.
Hoofdstuk 2. Procedures
Deel II. Bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting
Hoofdstuk 3. Scheepsbouwkundige eisen
Artikel 3.01
Schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd.
Artikel 3.02
-
-
De sterkte van de scheepsromp moet zodanig zijn dat zij in overeenstemming is met de belasting waaraan de romp onder normale omstandigheden is blootgesteld.
a) Bij nieuwbouw van een schip en bij verbouwingen waardoor de sterkte van het schip kan worden beïnvloed, dient door berekeningen te worden aangetoond dat de scheepsromp sterk genoeg is. Dit is niet nodig, indien een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd. b) Bij periodieke onderzoeken moeten bij schepen die van staal zijn gebouwd als minimale dikten van de bodem-, kim- en zijbeplating ten minste de grootste van de aan de hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen: 1. Voor schepen met een lengte *L* van meer dan 40 m: *tmin* = *f* • *b* • *c* (2,3 + 0,04 *L*)[*mm*]; voor schepen met een lengte *L* van 40 m of minder: *tmin* = *f* • *b* ∙ *c* (1,5 + 0,06 *L*)[*mm*] echter ten minste 3,0 mm. 2. *tmin* = 0,005 ∙ *a* √*T* [*mm*]. In deze formules betekent: *a* = spantafstand in [mm]; *f*= factor voor spantafstand: *f* = 1 voor *a* ≤ 500 *mm*, *f* = 1 + 0,0013 (*a* – 500) voor *a* > 500 *mm*; *b* = factor voor bodem- en zijbeplating of kimbeplating: *b* = 1,0 voor bodem- en zijbeplating, *b* = 1,25 voor kimbeplating. Bij de berekening van de minimumdikte van de kimbeplating kan voor de factor voor de spantafstand worden uitgegaan van *f* = 1. De minimumdikte van de kimbeplating mag echter in geen geval minder zijn dan die van de bodem- en zijbeplating. *c* = factor voor bouwwijze: *c* = 0,95 voor schepen met een dubbele bodem en zijtanks, waarvan het laadruimlangsschot in de zijde verticaal onder de dennenboom is geplaatst, *c* = 1,0 voor schepen met een andere bouwwijze. c) De minimale plaatdikte die met de onderdeel b vermelde formules is berekend mag bij schepen die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn voorzien, zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) van de scheepsromp rekenkundig is aangetoond. Vernieuwing van de beplating is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem-, kim- of zijbeplating minder is dan de aldus vastgestelde toelaatbare waarde. De volgens bovenstaande methode vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals spanten, bodemwrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op overbelasting van de romp in langsscheepse richting. Indien de werkelijke waarden lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10% van de minimumdikte.
-
a) a) Bij nieuwbouw van een schip en bij verbouwingen waardoor de sterkte van het schip kan worden beïnvloed, dient door berekeningen te worden aangetoond dat de scheepsromp sterk genoeg is. Dit is niet nodig, indien een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd. b) b) Bij periodieke onderzoeken moeten bij schepen die van staal zijn gebouwd als minimale dikten van de bodem-, kim- en zijbeplating ten minste de grootste van de aan de hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen:
1.
Voor schepen met een lengte *L* van meer dan 40 m: *tmin* = *f* • *b* • *c* (2,3 + 0,04 *L*)[*mm*];
voor schepen met een lengte *L* van 40 m of minder: *tmin* = *f* • *b* ∙ *c* (1,5 + 0,06 *L*)[*mm*] echter ten minste 3,0 mm.
2.
*tmin* = 0,005 ∙ *a* √*T* [*mm*].
In deze formules betekent:
*a* = spantafstand in [mm];
*f*= factor voor spantafstand:
*f* = 1 voor *a* ≤ 500 *mm*,
*f* = 1 + 0,0013 (*a* – 500) voor *a* > 500 *mm*;
*b* = factor voor bodem- en zijbeplating of kimbeplating:
*b* = 1,0 voor bodem- en zijbeplating,
*b* = 1,25 voor kimbeplating.
Bij de berekening van de minimumdikte van de kimbeplating kan voor de factor voor de spantafstand worden uitgegaan van *f* = 1. De minimumdikte van de kimbeplating mag echter in geen geval minder zijn dan die van de bodem- en zijbeplating.
*c* = factor voor bouwwijze:
*c* = 0,95 voor schepen met een dubbele bodem en zijtanks, waarvan het laadruimlangsschot in de zijde verticaal onder de dennenboom is geplaatst,
*c* = 1,0 voor schepen met een andere bouwwijze.
-
-
Voor schepen met een lengte *L* van meer dan 40 m: *tmin* = *f* • *b* • *c* (2,3 + 0,04 *L*)[*mm*]; voor schepen met een lengte *L* van 40 m of minder: *tmin* = *f* • *b* ∙ *c* (1,5 + 0,06 *L*)[*mm*] echter ten minste 3,0 mm.
-
-
*tmin* = 0,005 ∙ *a* √*T* [*mm*].
c) c) De minimale plaatdikte die met de onderdeel b vermelde formules is berekend mag bij schepen die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn voorzien, zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) van de scheepsromp rekenkundig is aangetoond. Vernieuwing van de beplating is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem-, kim- of zijbeplating minder is dan de aldus vastgestelde toelaatbare waarde. De volgens bovenstaande methode vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals spanten, bodemwrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op overbelasting van de romp in langsscheepse richting. Indien de werkelijke waarden lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10% van de minimumdikte. 2. 2. Indien voor de scheepsromp een ander materiaal dan staal wordt gebruikt, moet met een berekening worden aangetoond dat de sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) ten minste overeenkomt met die, welke bij het gebruik van staal met inachtneming van de minimale dikten als bedoeld in het eerste lid zou zijn geresulteerd. Indien een klassecertificaat dan wel een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd kan deze berekening achterwege blijven. 3. 3. De stabiliteit van de schepen moet in overeenstemming zijn met het doel waarvoor zij zijn bestemd.
Artikel 3.03
-
-
De volgende waterdichte schotten, die reiken tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van het scheepsboord, moeten ten minste zijn aangebracht:
a) een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven, zodanig dat bij vollopen van het vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte compartiment het drijfvermogen van het beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het aanvaringsschot op een afstand tussen 0,04 *L* en 0,04 *L* + 2 *m*, gemeten vanaf de voorloodlijn, is aangebracht. Indien deze afstand meer is dan 0,04 *L* + 2 *m*, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond. De afstand mag tot 0,03 *L* worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer het vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte compartiment alsmede de direct daaraan grenzende compartimenten samen zijn volgelopen. b) Een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven bij schepen met een lengte *L* van meer dan 25 m, zodanig dat bij vollopen van het achter het achterpiekschot gelegen waterdichte compartiment het drijfvermogen van het vol beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het achterpiekschot op een afstand tussen 1,4 m en 0,04 *L* + 2 *m*, gemeten vanaf het snijpunt van de achterzijde van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking, is aangebracht. Indien deze afstand meer is dan 0,04 *L* + 2 *m*, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond. De afstand mag tot 1 m worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer de achter het achterpiekschot gelegen waterdichte compartiment alsmede de direct daaraan grenzende compartimenten samen zijn volgelopen.
-
a) a) een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven, zodanig dat bij vollopen van het vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte compartiment het drijfvermogen van het beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het aanvaringsschot op een afstand tussen 0,04 L en 0,04 L + 2 m, gemeten vanaf de voorloodlijn, is aangebracht. Indien deze afstand meer is dan 0,04 L + 2 m, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond. De afstand mag tot 0,03 L worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer het vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte compartiment alsmede de direct daaraan grenzende compartimenten samen zijn volgelopen. b) b) Een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven bij schepen met een lengte L van meer dan 25 m, zodanig dat bij vollopen van het achter het achterpiekschot gelegen waterdichte compartiment het drijfvermogen van het vol beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het achterpiekschot op een afstand tussen 1,4 m en 0,04 L + 2 m, gemeten vanaf het snijpunt van de achterzijde van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking, is aangebracht. Indien deze afstand meer is dan 0,04 L + 2 m, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond. De afstand mag tot 1 m worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer de achter het achterpiekschot gelegen waterdichte compartiment alsmede de direct daaraan grenzende compartimenten samen zijn volgelopen. 2. 2. Verblijven alsmede voor de veiligheid van het schip en van de bedrijfsvoering noodzakelijke inrichtingen mogen zich niet vóór het vlak van het aanvaringsschot of achter het achterpiekschot bevinden. Dit geldt niet voor ankerinrichtingen en stuurmachines. 3. 3. Verblijven, machinekamers en ketelruimen, alsmede de bijbehorende werkruimten, moeten van de laadruimen zijn gescheiden door middel van waterdichte schotten die reiken tot tegen het dek. 4. 4. Verblijven moeten van de machinekamers en ketel- en laadruimen gasdicht zijn gescheiden en rechtstreeks van het dek af toegankelijk zijn. Wanneer een dergelijke toegang niet aanwezig is, moet een extra nooduitgang rechtstreeks toegang geven tot het dek. 5. 5. In de bij het eerste en derde lid voorgeschreven schotten en de in het vierde lid bedoelde begrenzing van ruimten mogen zich geen openingen bevinden. Deuren in het achterpiekschot en openingen voor de doorvoering van assen, leidingen enz. zijn evenwel toegestaan, wanneer zij zodanig zijn uitgevoerd dat de doelmatigheid van deze schotten en van de begrenzing van ruimten onverlet blijft. Deuren in het achterpiekschot zijn alleen toegestaan, indien door middel van afstandsbewaking in het stuurhuis kan worden vastgesteld of zij gesloten dan wel geopend zijn en indien aan beide zijden goed leesbaar het volgende opschrift is aangebracht: ‘Deur steeds onmiddellijk na het openen weer sluiten’. 6. 6. Openingen waarlangs water wordt in- of uitgelaten, alsmede de aangesloten leidingen moeten zo geconstrueerd zijn dat onopzettelijk binnendringen van water in de scheepsromp niet mogelijk is. 7. 7. Een voorschip moet zodanig gebouwd zijn dat ankers noch geheel, noch gedeeltelijk buiten de scheepshuid uitsteken.
Artikel 3.04
-
- De ruimten waarin machine-installaties of ketels, alsmede hun toebehoren, zijn opgesteld, moeten zodanig uitgerust en ingericht zijn dat bediening, toezicht en onderhoud van de zich aldaar bevindende installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen geschieden.
-
- Bunkers voor vloeibare brandstof of smeerolie mogen met ruimten bestemd voor passagiersverblijven en met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.
-
- Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt. Isolaties in machinekamers moeten zijn beschermd tegen het binnendringen van olie en oliedampen. Alle openingen in wanden, dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van buitenaf kunnen worden gesloten. De afsluitinrichtingen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.
-
- Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunnen ontwikkelen, moeten voldoende kunnen worden geventileerd.
-
- De trappen en ladders die toegang geven tot machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten vast zijn aangebracht en zijn gemaakt van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal.
-
-
Machinekamers en ketelruimen moeten twee uitgangen hebben, waarvan er een als nooduitgang mag zijn uitgevoerd. Van een tweede uitgang kan worden afgezien, indien:
a) het grondvlak (gemiddelde lengte • gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m^2, b) de vluchtweg vanaf iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en c) bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en in afwijking van artikel 13.03, eerste lid onderdeel e, ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt.
-
a) a) het grondvlak (gemiddelde lengte • gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m^2, b) b) de vluchtweg vanaf iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en c) c) bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en in afwijking van artikel 13.03, eerste lid onderdeel e, ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt. 7. 7. Het toegestane niveau van de geluidsdruk in de machinekamers mag niet groter zijn dan 110 dB(A). De meetpunten moeten worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden tijdens het normale bedrijf van de installaties.
Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstand, vrijboord en diepgangsschalen
Artikel 4.01
-
- De veiligheidsafstand moet ten minste 300 mm bedragen.
-
- De veiligheidsafstand van schepen waarvan de openingen niet spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten en van schepen die met open laadruimen varen, moet zodanig worden verhoogd dat elk van deze openingen ten minste 500 mm van het vlak van de grootste inzinking is verwijderd.
Artikel 4.02
-
- Het vrijboord bedraagt voor schepen met een doorlopend dek zonder zeeg en zonder bovenbouw 150 mm.
-
-
Bij schepen met zeeg en bovenbouw wordt het vrijboord berekend volgens de formule:
In deze formule betekent: α de correctiecoëfficiënt, waarin met alle aanwezige bovenbouwen rekening wordt gehouden; βv de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de voorste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het voorste vierde deel van de scheepslengte L; βα de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de achterste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het achterste vierde deel van de scheepslengte L;
Sev de in rekening te brengen voorste zeeg in mm;
Sea de in rekening te brengen achterste zeeg in mm.
-
-
-
De coëfficiënt α wordt berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
lem de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m op de middelste helft van de scheepslengte L;
lev de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het voorste vierde deel van de scheepslengte L;
lea de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het achterste vierde deel van de scheepslengte L. De in rekening te brengen lengte van een bovenbouw wordt berekend volgens de volgende formules:
In deze formules betekent:
l de werkelijke lengte van de desbetreffende bovenbouw in m;
b de breedte van de desbetreffende bovenbouw in m;
B _1 de breedte van het schip in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating ter hoogte van het dek, gemeten op de halve lengte van de desbetreffende bovenbouw;
h de hoogte van de desbetreffende bovenbouw in m. Voor luikhoofden wordt h evenwel berekend door de hoogte van de luikhoofden met de halve veiligheidsafstand overeenkomstig artikel 4.01 te verminderen. Voor h wordt in geen geval een hogere waarde dan 0,36 m aangenomen. Indien
of
kleiner is dan 0,6, moet de in rekening te brengen effectieve lengte le van de bovenbouw gelijk aan nul worden gesteld.
-
-
- De coëfficiënten βv en βa worden volgens de volgende formules berekend:
-
-
De respectievelijk in rekening te brengen voorste en achterste zeeg Sev en Sea worden volgens de volgende formules berekend:
Sev = Sv ∙ p
Sea = Sa ∙ p In deze formules betekent:
Sev de werkelijke zeeg in het voorschip in mm; voor Sv mag echter geen grotere waarde dan 1.000 mm worden aangenomen;
Sea de werkelijke zeeg in het achterschip in mm; voor Sa mag echter geen grotere waarde dan 500 mm worden aangenomen;
p een coëfficiënt, die volgens de volgende formule wordt berekend:
Hierin is x de van het scheepseinde af gemeten abscis tot het punt waar de zeeg gelijk is aan 0,25 Sv of 0,25 Sa (zie onderstaande schets):
Voor de coëfficiënt p mag echter geen waarde groter dan 1 worden genomen.
-
-
- Wanneer de waarde van βa • Sea groter is dan die van β_v ∙ Sev wordt in plaats van de waarde van βa • Sea die van β_v • Sev genomen.
Artikel 4.03
Rekening houdende met de vermindering overeenkomstig artikel 4.02 mag het kleinste vrijboord niet minder dan 0 mm bedragen.
Artikel 4.04
-
- Voor de toepassing van artikel 4.04 en 4.05 is de zone R gelijkwaardig aan zone 3.
-
- Het vlak van de grootste inzinking moet zo worden vastgesteld dat gelijktijdig aan de voorschriften omtrent het kleinste vrijboord en aan die omtrent de kleinste veiligheidsafstand wordt voldaan. De Commissie van deskundigen kan echter uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord, dan wel een grotere veiligheidsafstand vaststellen. Het vlak van de grootste inzinking wordt ten minste vastgesteld voor zone 3.
-
- Het vlak van de grootste inzinking wordt door goed zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken aangegeven.
-
- De inzinkingsmerken voor zone 3 bestaan uit een rechthoek met horizontale zijden van 300 mm en verticale zijden van 40 mm, waarvan de basis samenvalt met het vlak van de toegelaten grootste inzinking. Andersoortige inzinkingsmerken dienen een dergelijke rechthoek te bevatten.
-
-
Schepen moeten ten minste drie paar inzinkingsmerken hebben, waarvan één paar ongeveer midscheeps en de twee andere op ongeveer 1/6 van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht. Evenwel kan:
a) bij schepen waarvan de lengte *L* minder dan 40 m bedraagt, met twee paar merken worden volstaan, die op 1/4 van de lengte *L* achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht; b) bij schepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan, dat ongeveer midscheeps moet zijn aangebracht
-
a) a) bij schepen waarvan de lengte L minder dan 40 m bedraagt, met twee paar merken worden volstaan, die op 1/4 van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht; b) b) bij schepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan, dat ongeveer midscheeps moet zijn aangebracht 6. 6. De ingevolge een nieuw onderzoek ongeldig geworden inzinkingsmerken of aanduidingen moeten onder toezicht van de Commissie van deskundigen worden verwijderd of als ongeldig worden gekenmerkt. Onduidelijk geworden inzinkingsmerken mogen alleen onder toezicht van een Commissie van deskundigen worden vervangen. 7. 7. Wanneer het schip overeenkomstig het Verdrag van 1966 betreffende de meting van binnenschepen is gemeten en de ijkmerken in hetzelfde vlak liggen als de in deze standaard voorgeschreven inzinkingsmerken, gelden deze ijkmerken ook als inzinkingsmerken; dit wordt aangetekend in het binnenschipcertificaat. 8. 8. Op schepen die op andere binnenwaterzones dan zone 3 varen (zones 1, 2 of 4), moet aan de in lid 4 voorgeschreven paren inzinkingsmerken aan voor- en achtersteven een verticale streep worden toegevoegd, van waaruit met een extra lijn, of voor meerdere zones meerdere extra lijnen, met een lengte van 150 mm naar de boeg van het schip toe het inzinkingsniveau ten opzichte van het inzinkingsmerk voor zone 3 wordt aangegeven. Deze verticale streep en de horizontale lijn hebben een dikte van 30 mm. Naast het inzinkingsmerk op de boeg van het schip moet het cijfer van de betreffende zone worden aangegeven. De afmetingen van dit cijfer zijn 60 x 40 mm (zie figuur 1).
*Figuur 1*
Artikel 4.05
Wanneer het vlak van de grootste inzinking voor zone 3 is vastgesteld onder de voorwaarde dat de laadruimen spatwater- en regendicht moeten kunnen worden gesloten en de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en de bovenrand van de dennenboom minder dan 500 mm bedraagt, moet de ten hoogste toegelaten inzinking voor de vaart met open laadruimen worden vastgesteld.
In het binnenschipcertificaat moet dan worden ingevuld:
‘Wanneer de luiken van de laadruimen geheel of gedeeltelijk zijn geopend, mag het schip ten hoogste tot … mm onder de inzinkingsmerken voor zone 3 / zone R zijn beladen.’
Artikel 4.06
-
- Elk schip waarvan de diepgang meer dan 1 m kan bereiken moet aan het achterschip aan iedere zijde van een diepgangsschaal zijn voorzien; aanvullende diepgangsschalen zijn toegestaan.
-
- Het nulpunt van iedere diepgangsschaal moet loodrecht daaronder liggen in een vlak evenwijdig aan het vlak van de grootste inzinking, dat door het laagste punt van de scheepsromp gaat of van de kiel, wanneer deze aanwezig is. De afstand loodrecht boven het nulpunt moet in decimeters zijn ingedeeld. Deze indeling moet vanaf het vlak voor de waterlijn bij ledig schip tot 100 mm boven het vlak van de grootste inzinking op iedere diepgangsschaal door ingehakte of ingeslagen merken zijn aangebracht. Deze indeling moet voorts in de vorm van goed zichtbare, afwisselend in twee verschillende kleuren geschilderde stroken zijn aangeduid. De indeling moet naast de schaal ten minste bij elke 5 decimeter, alsmede aan het boveneinde, door cijfers zijn aangegeven.
-
- De twee achterste ijkschalen, die met toepassing van het in artikel 4.04, lid 7, genoemde verdrag zijn aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienstdoen, mits zij overeenkomstig bovenstaande voorschriften zijn ingedeeld; in voorkomend geval moeten de cijfers voor de diepgang zijn toegevoegd.
Artikel 4.07
-
-
In afwijking van artikel 4.01, leden 1 en 2, wordt de veiligheidsafstand voor schepen die op de binnenwateren van zone 4 varen, voor deuren en ander openingen zoals de luiken van de vrachtruimen als volgt verminderd:
a) wanneer ze spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten tot 150 mm; b) wanneer ze niet spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten tot 200 mm.
-
a) a) wanneer ze spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten tot 150 mm; b) b) wanneer ze niet spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten tot 200 mm. 2. 2. In afwijking van artikel 4.02 bedraagt het kleinste vrijboord voor schepen die op de binnenwateren van zone 4 varen, 0 mm, wanneer de veiligheidsafstand van lid 1 wordt aangehouden.
Hoofdstuk 5. Manoeuvreereigenschappen
Artikel 5.01
-
- Schepen en samenstellen moeten over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken.
-
- Schepen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging die bestemd zijn om gesleept te worden, moeten voldoen aan de bijzondere eisen van de Commissie van deskundigen.
-
- Schepen met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10.
Artikel 5.02
-
- De vaar- en manoeuvreereigenschappen dienen door proefvaarten te worden aangetoond. Daarbij dient met name te worden vastgesteld of is voldaan aan de eisen van de artikelen 5.06 tot en met 5.10.
-
- De Commissie van deskundigen kan geheel of gedeeltelijk afzien van proefvaarten, wanneer op andere wijze wordt aangetoond dat aan de eisen wat betreft vaar- en manoeuvreereigenschappen wordt voldaan.
Artikel 5.03
-
- De in artikel 5.02 bedoelde proefvaarten dienen in de door de bevoegde instanties aangewezen vakken van binnenwateren te worden uitgevoerd.
-
- Deze proefvaarttrajecten moeten zich bevinden in zo recht mogelijke vakken met een lengte van ten minste 2 km en voldoende breedte in stromend of stil water en moeten zijn voorzien van duidelijk herkenbare markeringen om de positie van het schip vast te kunnen stellen.
-
- De hydrologische gegevens, zoals waterdiepte, vaarwaterbreedte en gemiddelde stroomsnelheid in het vaarwater bij verschillende waterstanden moeten door de Commissie van deskundigen kunnen worden vastgesteld.
Artikel 5.04
Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten voor de proefvaarten zo mogelijk gelijklastig en ten minste voor 70% zijn beladen. Wanneer de proefvaart met minder lading wordt uitgevoerd, moet de toelating voor wat betreft de afvaart tot deze belading worden beperkt.
Artikel 5.05
-
- Bij de proefvaarten mogen geen ankers worden gebruikt, maar wel alle in het binnenschipcertificaat onder nummers 34 en 52 ingevulde inrichtingen die vanuit de stuurstelling te bedienen zijn.
-
- Bij opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 mogen echter de boegankers worden gebruikt.
Artikel 5.06
-
- Schepen en samenstellen moeten een snelheid ten opzichte van het water van ten minste 13 km/u kunnen bereiken. Dit geldt niet voor duwboten indien zij alleen varen.
-
- Voor schepen en samenstellen die slechts op de reden en in de havens varen kan de Commissie van deskundigen afwijkingen toestaan.
-
- De Commissie van deskundigen gaat na of het vaartuig in onbeladen toestand een snelheid ten opzichte van het water van 40 km/u kan overschrijden. Is dit het geval, dan moet in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 worden vermeld: ‘Het vaartuig is in staat een snelheid van 40 km/u ten opzichte van het water te overschrijden.’
Artikel 5.07
-
- Schepen en samenstellen moeten tijdig kop vóór kunnen stilhouden en moeten tegelijkertijd voldoende bestuurbaar blijven.
-
- Bij schepen en samenstellen met een lengte L van 86 m of minder en een breedte B van 22,90 m of minder kunnen deze stopeigenschappen worden vervangen door de keereigenschappen.
-
- De stopeigenschappen dienen door stopmanoeuvres op een der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken en de keereigenschappen door opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 te worden aangetoond.
Artikel 5.08
Wanneer de in artikel 5.07 genoemde noodzakelijke stopmanoeuvre in stilstaand water wordt uitgevoerd, dient tevens een achteruitvaarproef te worden uitgevoerd.
Artikel 5.09
Schepen en samenstellen moeten tijdig kunnen uitwijken. De uitwijkeigenschappen dienen te worden aangetoond door uitwijkmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken.
Artikel 5.10
Schepen en samenstellen met een lengte L van 86 m of minder en een breedte B van 22,90 m of minder moeten tijdig kunnen keren.
Deze keereigenschappen kunnen door de in artikel 5.07 bedoelde stopeigenschappen worden vervangen.
De keereigenschappen dienen door opdraaimanoeuvres te worden aangetoond.
Hoofdstuk 6. Stuurinrichtingen
Artikel 6.01
-
- Schepen moeten zijn voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting waarmee ten minste de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen worden bereikt.
-
- Werktuiglijk aangedreven stuurinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het roer niet onvoorzien van stand kan veranderen.
-
- De gehele stuurinrichting moet voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en omgevingstemperaturen van – 20 °C tot + 50 °C geschikt zijn.
-
- De afzonderlijke onderdelen van de stuurinrichting moeten qua sterkte zodanig zijn geconstrueerd dat alle onder normale omstandigheden daarop inwerkende krachten goed kunnen worden opgenomen. De van buitenaf op het roer inwerkende krachten mogen het functioneren van de stuurmachine en zijn aandrijving niet beïnvloeden.
-
- Stuurinrichtingen moeten een mechanisch aangedreven stuurmachine hebben, wanneer de voor de bediening van het roer te leveren krachten dit vereisen.
-
- Stuurmachines met een mechanische aandrijving moeten een beveiliging tegen overbelasting hebben die het door de aandrijving uitgeoefende koppel begrenst.
-
- Asdoorvoeringen van roerkoningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.
Artikel 6.02
-
- Bij stuurmachines met mechanische aandrijving moet een tweede onafhankelijke aandrijving of handaandrijving beschikbaar zijn. In geval van uitval of storing van de aandrijving moet de tweede onafhankelijke aandrijving of handaandrijving binnen 5 seconden in werking kunnen worden gesteld.
-
- Wanneer het inschakelen van de tweede aandrijving of van de handaandrijving niet automatisch geschiedt, moet de roerganger deze met één enkele handeling onmiddellijk, snel en eenvoudig kunnen inschakelen.
-
- Ook wanneer de tweede aandrijving of de handaandrijving in werking is, moeten de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen kunnen worden gerealiseerd.
Artikel 6.03
-
- Op de hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten.
-
- De hydraulische tanks dienen te zijn uitgerust met een niveaualarmsysteem, dat het dalen van het olieniveau beneden de voor het veilig kunnen functioneren laagst toegestane stand controleert.
-
- De afmetingen, constructie en plaatsing van de pijpleidingen moeten beschadigingen door mechanische invloeden of vuur zoveel mogelijk uitsluiten.
-
-
Hydraulische slangen
a) zijn alleen toegelaten indien de trillingsabsorptie of de bewegingsvrijheid van onderdelen hun gebruik onvermijdelijk maken; b) moeten ontworpen zijn om ten minste de hoogst toegelaten werkdruk aan te kunnen, en c) moeten ten laatste na acht jaar worden vernieuwd.
-
a) a) zijn alleen toegelaten indien de trillingsabsorptie of de bewegingsvrijheid van onderdelen hun gebruik onvermijdelijk maken; b) b) moeten ontworpen zijn om ten minste de hoogst toegelaten werkdruk aan te kunnen, en c) c) moeten ten laatste na acht jaar worden vernieuwd. 5. 5. Hydraulische cilinders, hydraulische pompen en hydraulische en elektrische motoren moeten ten minste om de acht jaar door een gespecialiseerde firma worden onderzocht en indien nodig hersteld.
Artikel 6.04
-
- Stuurinrichtingen met twee mechanische aandrijvingen moeten beschikken over twee energiebronnen.
-
- Wanneer de tweede energiebron van een stuurmachine met mechanische aandrijving tijdens de vaart niet continu kan worden gebruikt, moet de voor het starten daarvan benodigde tijd door een buffersysteem van voldoende capaciteit worden overbrugd.
-
- Bij elektrische energiebronnen mogen uit de toevoer van de stuurinrichtingen geen andere verbruikers worden gevoed.
Artikel 6.05
-
- Het handstuurwiel mag niet meegedraaid kunnen worden door een mechanische aandrijving.
-
- Terugslag van het stuurwiel moet bij automatisch inschakelen van de handaandrijving bij iedere stand van het roer zijn verhinderd.
Artikel 6.06
-
- Indien bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties de afstandsbediening voor de verandering van de richting van de stuwkracht elektrisch, hydraulisch of pneumatisch is, dan moeten vanaf de stuurstelling tot de propeller- of straalinstallatie twee van elkaar onafhankelijke besturingssystemen aanwezig zijn die, mutatis mutandis, voldoen aan de in de artikelen 6.01 tot en met 6.05 genoemde eisen. Dit is niet van toepassing indien het gebruik van dergelijke installaties niet noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de manoeuvreereigenschappen bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel uitsluitend voor de stopproef.
-
- Indien twee of meer van elkaar onafhankelijke roerpropeller-, waterstraal- of cycloïdaalschroefinstallaties aanwezig zijn, is het tweede besturingssysteem niet vereist indien het schip bij het uitvallen van één van deze installaties manoeuvreerbaar blijft overeenkomstig hoofdstuk 5.
Artikel 6.07
-
- De stand van het roer moet bij de stuurstelling duidelijk zichtbaar zijn. Elektrische roerstandaanwijzers moeten een eigen voeding hebben.
-
-
De stuurstelling moet voorzien zijn van een optisch en akoestisch alarm om de volgende zaken te signaleren:
a) daling van het oliepeil van de hydraulische tanks onder het in artikel 6.03, lid 2, bepaalde laagste peil en daling van de werkdruk van het hydraulische systeem; b) het uitvallen van de voeding van de elektrische besturingsenergie; c) het uitvallen van de voeding van de elektrische energie ten behoeve van de aandrijving; d) het uitvallen van de stuurautomaat; e) het uitvallen van de voorgeschreven buffersystemen.
-
a) a) daling van het oliepeil van de hydraulische tanks onder het in artikel 6.03, lid 2, bepaalde laagste peil en daling van de werkdruk van het hydraulische systeem; b) b) het uitvallen van de voeding van de elektrische besturingsenergie; c) c) het uitvallen van de voeding van de elektrische energie ten behoeve van de aandrijving; d) d) het uitvallen van de stuurautomaat; e) e) het uitvallen van de voorgeschreven buffersystemen.
Artikel 6.08
-
- Stuurautomaten en de onderdelen daarvan moeten voldoen aan artikel 10.20.
-
- Een groen lampje in de stuurstelling moet aangeven dat de stuurautomaat voor gebruik gereed is. Uitval, ontoelaatbare afwijkingen van de voedingsspanning en ontoelaatbare daling van de rotatiefrequentie van de gyroscoop moeten worden gecontroleerd.
-
- Wanneer er naast de stuurautomaat nog andere besturingssystemen aanwezig zijn, moet bij de stuurstelling duidelijk te zien zijn welk systeem is ingeschakeld. De omschakeling van het ene systeem naar het andere moet onmiddellijk kunnen geschieden. Storingen van stuurautomaten mogen het betrouwbaar functioneren van de stuurinrichting niet kunnen beïnvloeden.
-
- De voeding van de elektrische energie van de stuurautomaat moet onafhankelijk zijn van andere verbruikers.
-
- De in stuurautomaten gebruikte gyroscopen, sensoren of bochtaanwijzers moeten aan de eisen van bijlage 5, onderdeel II, voldoen.
Artikel 6.09
-
-
De correcte installatie van de stuurinrichting dient door een Commissie van deskundigen te worden gekeurd. Daartoe kan de Commissie van deskundigen om de volgende documenten vragen:
a) beschrijving van de stuurinrichting; b) tekeningen en gegevens over de aandrijvingen van de stuurmachine en de besturing; c) gegevens over de stuurmachine; d) schakelschema voor de elektrische installatie; e) beschrijving van de stuurautomaat; f) aanwijzingen voor gebruik en onderhoud van de installatie.
-
a) a) beschrijving van de stuurinrichting; b) b) tekeningen en gegevens over de aandrijvingen van de stuurmachine en de besturing; c) c) gegevens over de stuurmachine; d) d) schakelschema voor de elektrische installatie; e) e) beschrijving van de stuurautomaat; f) f) aanwijzingen voor gebruik en onderhoud van de installatie. 2. 2. Bij een proefvaart dient de werking van de stuurinrichting als geheel te worden gekeurd. Bij stuurautomaten dient te worden getest of op veilige wijze een rechte koers wordt gehouden en of op veilige wijze in bochten wordt gevaren. 3. 3. Stuurmachines met mechanische aandrijving moeten door een deskundige worden gekeurd:
a)
vóór ingebruikstelling;
b)
na een defect;
c)
na verandering of reparatie;
d)
met regelmaat ten minste elke drie jaar.
a) a) vóór ingebruikstelling; b) b) na een defect; c) c) na verandering of reparatie; d) d) met regelmaat ten minste elke drie jaar. 4. 4. De keuring omvat ten minste:
a)
een controle van de overeenstemming met de goedgekeurde tekeningen en bij periodieke keuringen, controle of de stuurinrichting wijzigingen heeft ondergaan;
b)
een functionele test van de stuurinrichting voor alle operationele functies;
c)
visuele controle en dichtheidscontrole van de hydraulische componenten, in het bijzonder kleppen, pijpleidingen, hydraulische leidingen, hydraulische cilinders, hydraulische pompen en hydraulische filters;
d)
visuele controle van de elektrische onderdelen, in het bijzonder relais, elektrische motoren en veiligheidsapparaten;
e)
controle van de optische en akoestische controleapparaten.
a) a) een controle van de overeenstemming met de goedgekeurde tekeningen en bij periodieke keuringen, controle of de stuurinrichting wijzigingen heeft ondergaan; b) b) een functionele test van de stuurinrichting voor alle operationele functies; c) c) visuele controle en dichtheidscontrole van de hydraulische componenten, in het bijzonder kleppen, pijpleidingen, hydraulische leidingen, hydraulische cilinders, hydraulische pompen en hydraulische filters; d) d) visuele controle van de elektrische onderdelen, in het bijzonder relais, elektrische motoren en veiligheidsapparaten; e) e) controle van de optische en akoestische controleapparaten. 5. 5. Inzake de keuring moet een door de deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
Hoofdstuk 7. Stuurhuis
Artikel 7.01
-
- Stuurhuizen moeten zodanig zijn ingericht dat de roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart te allen tijde kan verrichten.
-
- Tijdens het normale bedrijf van het schip mag het niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip bij de stuurstelling ter hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70 dB(A).
-
- Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de roerganger zijn werkzaamheden zittend kunnen verrichten en moeten alle voor het voeren van het schip noodzakelijke signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur zodanig zijn gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld uit het oog te verliezen.
Artikel 7.02
-
- Het uitzicht vanaf de stuurstelling moet naar alle zijden voldoende vrij zijn.
-
- De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger niet meer dan 250 m zijn. Om de dode hoek nog verder te verkleinen mogen alleen geschikte hulpmiddelen worden gebruikt. Bij het onderzoek mogen deze hulpmiddelen niet in aanmerking worden genomen.
-
- Het vrije gezichtsveld vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt moet ten minste 240° van de horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de voorste halve cirkel liggen. In de normale zichtas van de roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden. Indien, ook in het geval van een vrij gezichtsveld van 240° of meer, geen voldoende vrij uitzicht naar achteren gewaarborgd is, kan de Commissie van deskundigen andere maatregelen eisen, zoals de inbouw van geschikte hulpmiddelen. De hoogte van de onderrand van de zijvensters moet zo laag mogelijk en de hoogte van de bovenrand van de zij- en achtervensters moet zo hoog mogelijk worden gehouden. Bij de vaststelling of aan de bepalingen van dit artikel inzake het gezichtsveld vanuit het stuurhuis is voldaan, wordt ervan uitgegaan dat de ooghoogte van de roerganger zich op 1,65 m boven de vloer van het stuurhuis bevindt.
-
- De bovenrand van het boegvenster van het stuurhuis moet voldoende hoog zijn om de roerganger een vrij zichtveld naar voren te bieden. Aan dit voorschrift wordt in elk geval voldaan indien een persoon op de stuurstelling met een ooghoogte van 1,80 m een vrij gezichtsveld heeft tot op ten minste 10° boven het horizontale vlak op ooghoogte.
-
- Door adequate middelen moet zijn gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de voorruiten helder zicht mogelijk is.
-
- In stuurhuizen gebruikte ruiten moeten vervaardigd zijn van veiligheidsglas en een minimale lichtdoorlatendheid van 75% hebben. Om lichtweerkaatsing te voorkomen zijn de voorruiten van het stuurhuis ontspiegeld of zijn ze zo geplaatst dat weerkaatsingen effectief uitgesloten zijn. Aan het voorschrift van de tweede volzin wordt in elk geval voldaan indien de ruiten schuin ingezet zijn en zij naar voren toe met de bovenkant van het venster een hoek van minimaal 10° en maximaal 25° met de loodlijn maken.
Artikel 7.03
-
- De voor het voeren van een schip noodzakelijke bedieningsapparatuur moet gemakkelijk kunnen worden bediend. De stand waarin zij zijn gebracht, moet duidelijk herkenbaar zijn.
-
- Controle-instrumenten moeten gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de controle-instrumenten hinderen.
-
- Er moet een inrichting voor het controleren van de signaallampjes aanwezig zijn.
-
- Of een inrichting in werking is, moet duidelijk zichtbaar zijn. Wanneer dit door een signaallampje wordt aangegeven, moet dit groen zijn.
-
- Storingen of het uitvallen van inrichtingen waarvan controle verplicht is, dienen door rode signaallampjes te worden aangegeven.
-
- Wanneer één van de rode signaallampjes gaat branden, moet een akoestisch signaal klinken. Voor de verschillende lampjes kan hetzelfde akoestische alarmsignaal worden gegeven. Het geluidsniveau van dit signaal moet ten minste 3 dB(A) meer bedragen dan het maximaal heersende geluidsniveau ter plaatse van de stuurstelling.
-
- Het akoestische signaal moet kunnen worden uitgezet na het constateren van het uitvallen of van de storing. Dit mag geen nadelige invloed hebben op het functioneren van het signaal voor andere storingen. De rode signaallampjes mogen echter pas na het verhelpen van de storing uitgaan.
-
- De signalerings- en controle-instrumenten moeten bij het uitvallen van de voeding automatisch op een andere energiebron worden geschakeld.
Artikel 7.04
-
- De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn. Voortstuwingsmotoren die zijn voorzien van een vanaf de stuurstelling bedienbare koppeling, of die een vanaf de stuurstelling bedienbare verstelbare schroef aandrijven, hoeven slechts in de machinekamer aan- en uitgezet te kunnen worden.
-
- De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengteas van het schip kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijden van de nulstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de nulstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.
-
- De richting van de door de aandrijving op het schip werkende stuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of stuwingsmotoren moet worden aangegeven.
-
- De in de artikelen 6.07, tweede lid, 8.03, tweede lid, en 8.05, dertiende lid, voorgeschreven signalerings- en controle-instrumenten moeten in de stuurstelling zijn aangebracht.
-
- Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de besturing van het schip plaats vinden door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden. De hoek van de hefboom moet overeenkomen met de stand van de roerbladen ten opzichte van de lengteas van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De nulstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.
-
- Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (bijv. voor achteruitvaren), moeten deze bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar kunnen worden bediend door speciale hefbomen die, mutatis mutandis, aan de in het vijfde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen. Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinstallaties van andere vaartuigen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte vaartuig worden gebruikt.
-
- Bij het gebruik van stuurautomaten moet het bedieningsorgaan voor het instellen van de draaisnelheid in elke willekeurige positie kunnen worden losgelaten zonder dat daardoor de ingestelde draaisnelheid verandert. Het bedieningsorgaan moet een zodanige zwenkhoek hebben dat voldoende nauwkeurigheid van de instelling is gewaarborgd. De nulstand moet voelbaar van andere standen zijn te onderscheiden. De schaalverdeling moet traploos regelbaar kunnen worden verlicht.
-
- Inrichtingen voor afstandsbediening van de gehele stuurinrichting moeten vast ingebouwd zijn en zodanig zijn geïnstalleerd dat de gekozen vaarrichting duidelijk zichtbaar is. Wanneer zij uitgeschakeld kunnen worden, moeten zij voorzien zijn van een aanwijzer die aangeeft of de inrichting ‘aan’ of ‘uit’ is. De opstelling en bediening van de verschillende onderdelen van deze inrichtingen moeten overeenkomen met de functie daarvan. Voor aanvullende installaties van de stuurinrichting, zoals boegschroefinstallaties, zijn niet vast ingebouwde afstandsbedieningen toegestaan wanneer door een prioriteitsschakeling in het stuurhuis de bediening van de aanvullende installatie te allen tijde kan worden overgenomen.
-
- Bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties zijn gelijkwaardige bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten toegestaan. Voor deze installaties zijn het eerste tot en met achtste lid met inachtneming van de bijzondere kenmerken en de gekozen opstelling van de genoemde actieve stuurinrichtingen en de voortstuwingsinrichtingen van overeenkomstige toepassing. Naar analogie van lid 2 moet elke inrichting worden bediend door één enkele hefboom die beweegt volgens een cirkelboog in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengteas van de inrichting. Uit de positie van de hefboom moet duidelijk de richting van de aandrijving van het schip blijken. Voor zover roerpropeller- of cycloïdaalschroefinstallaties niet door middel van hefbomen worden bediend, kan de Commissie van deskundigen afwijkingen op de voorschriften van het tweede lid toestaan. Deze afwijkingen moeten worden vermeld onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat.
Artikel 7.05
-
- Navigatielantaarns, evenals hun behuizing en toebehoren, dragen het keurmerk dat is bepaald in de gewijzigde Richtlijn 2014/90/EU9Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG (OJ L 257 28.8.2014)..
-
- Voor zover de controle van de navigatielantaarns niet rechtstreeks vanuit het stuurhuis mogelijk is, moeten ter controle van deze lichten in het stuurhuis stroomaanwijslampen of gelijkwaardige inrichtingen, zoals controlelampjes, zijn aangebracht.
-
- Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moeten ter controle van de navigatielantaarns en de lichtseinen controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars van de navigatielantaarns moeten in of vlakbij de daarbij behorende controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren. De groepering en de kleur van de controlelampen van de navigatielantaarns en de lichtseinen moeten overeenkomen met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielantaarns en de lichtseinen. Het niet-functioneren van een navigatielantaarn of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige controlelamp tot gevolg hebben dan wel op andere wijze door de betreffende controlelamp worden aangegeven.
-
- Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar dient de bediening van de geluidsseinen met de voet te kunnen geschieden. Dit geldt niet voor het ‘blijf weg-sein’ overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten.
Artikel 7.06
-
- Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voldoen aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften Een bevoegde instantie stelt vast of aan deze eisen is voldaan en geeft vervolgens een typegoedkeuring af.
-
- Inland ECDIS-apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als een navigatieradarinstallatie. Zij moeten voldoen aan de eisen van Inland ECDIS-standaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
-
- De Inland AIS-apparatuur moet voldoen aan de eisen van de Inland AIS-teststandaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
-
- De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.
-
-
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar:
a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen; b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn; c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
-
a) a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen; b) b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn; c) c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
Artikel 7.07
-
- Op schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet voor het schip-schipverkeer en de nautische informatie het ontvangen door een luidspreker en het zenden door een vast opgestelde microfoon geschieden. Het overschakelen van ‘ontvangen’ naar ‘zenden’ moet door middel van drukknoppen geschieden. In geen geval mag de microfoon van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden gebruikt.
-
- Wanneer een schip met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar is uitgerust met een marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn.
Artikel 7.08
Aan boord van schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.
Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:
a) a) met het voorschip van het schip of het voorste gedeelte van het samenstel; b) b) met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is; c) c) met het verblijf of de verblijven van de bemanning; d) d) met de hut van de schipper.
Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.
Artikel 7.09
-
- Er moet een onafhankelijke alarminstallatie aanwezig zijn, waarmee de verblijven, de machinekamers en eventueel aparte pompkamers kunnen worden bereikt.
-
- De roerganger moet een schakelaar ‘AAN/UIT’ voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand ‘UIT’ kan terugspringen.
-
- Het geluidsniveau van het alarmsignaal moet in de verblijven ten minste 75 dB(A) bedragen. In de machine- en pompkamers moet een overal goed waarneembaar, rondom zichtbaar knipperlicht als alarmsignaal aanwezig zijn.
Artikel 7.10
Stuurhuizen moeten zijn voorzien van een doeltreffende en regelbare verwarming en ventilatie.
Artikel 7.11
Op schepen en samenstellen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar waarvan de lengte L meer dan 86 m of de breedte B meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.
Artikel 7.12
-
- Mechanisch aangedreven in hoogte verstelbare stuurhuizen en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen dat de veiligheid van personen aan boord niet in gevaar wordt gebracht.
-
- Een in hoogte verstelbaar stuurhuis mag de stabiliteit van het schip niet in gevaar brengen.
-
- Bij het heffen en zakken mogen de vanuit het stuurhuis uitgevoerde handelingen niet worden gehinderd. In alle hoogtestanden moet de toegang tot en het verlaten van het stuurhuis mogelijk zijn.
-
-
Het hefmechanisme moet vanuit het stuurhuis bediend kunnen worden. Bij de stuurstelling moeten de volgende indicaties zijn aangebracht:
a) spanning aanwezig, b) stuurhuis in laagste stand, c) stuurhuis in hoogste stand, d) stuurhuis vergrendeld in vaste stand (indien van toepassing).
-
a) a) spanning aanwezig, b) b) stuurhuis in laagste stand, c) c) stuurhuis in hoogste stand, d) d) stuurhuis vergrendeld in vaste stand (indien van toepassing). 5. 5. Het hefmechanisme moet het stuurhuis in elke stand kunnen stoppen. Ingeval het stuurhuis in een bepaalde stand vergrendeld kan worden, moet het hefmechanisme zich bij een vergrendeling automatisch uitschakelen. Een vergrendeling moet onder alle bedrijfsomstandigheden gedeblokkeerd kunnen worden. 6. 6. Het hefmechanisme moet zodanig zijn uitgevoerd dat een overschrijding van de uiterste standen onmogelijk is. 7. 7. Ter voorkoming van ongecontroleerd neerlaten moeten bouwkundige maatregelen zijn voorzien. Ter voorkoming van het gevaar van persoonlijk letsel ten gevolge van het neerlaten van het stuurhuis moeten adequate beschermende voorzieningen aanwezig zijn. Telkens wanneer het stuurhuis in een lagere stand wordt gezet, moet automatisch een optisch en akoestisch waarschuwingssignaal duidelijk waarneembaar zijn. 8. 8. In hoogte verstelbare stuurhuizen moeten zijn voorzien van een neerlaatsysteem voor noodgevallen, dat onafhankelijk is van het normale hefmechanisme en dat zelfs bij een uitval van de energievoorziening gebruikt kan worden. Dit noodsysteem moet vanuit het stuurhuis bediend kunnen worden. Bij het gebruik van dit noodsysteem moet het stuurhuis net zo snel neergelaten kunnen worden als onder normale omstandigheden. 9. 9. (zonder inhoud) 10. 10. Hydraulische slangen:
a)
zijn slechts toegestaan wanneer het gebruik daarvan in verband met het verminderen van trillingen of de bewegingsvrijheid van de componenten absoluut noodzakelijk is;
b)
moeten ten minste zijn berekend op de ten hoogste toegelaten werkdruk;
c)
moeten uiterlijk om de acht jaar worden vernieuwd.
a) a) zijn slechts toegestaan wanneer het gebruik daarvan in verband met het verminderen van trillingen of de bewegingsvrijheid van de componenten absoluut noodzakelijk is; b) b) moeten ten minste zijn berekend op de ten hoogste toegelaten werkdruk; c) c) moeten uiterlijk om de acht jaar worden vernieuwd. 11. 11. In hoogte verstelbare stuurhuizen dienen regelmatig, echter ten minste eens in de twaalf maanden door een deskundige te worden onderzocht. Hierbij dient door visuele controle en controle van het functioneren te worden vastgesteld of de installatie veilig is. 12. 12. In hoogte verstelbare stuurhuizen en toebehoren moeten door een erkend deskundige worden gekeurd:
a)
vóór de eerste ingebruikstelling,
b)
vóór de hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en
c)
met een regelmaat van ten minste elke vijf jaar.
Ter gelegenheid van deze keuringen moet de voldoende sterkte en stabiliteit rekenkundig worden aangetoond.
Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
a) a) vóór de eerste ingebruikstelling, b) b) vóór de hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en c) c) met een regelmaat van ten minste elke vijf jaar.
Artikel 7.13
Wanneer een schip voldoet aan de in de artikelen 7.01, derde lid, 7.04, vijfe en zesde lid, 7.05, derde en vierde lid, 7.06, tweede lid, 7.07, 7.08 en 7.11 bedoelde voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, moet in het binnenschipcertificaat worden aangetekend:
‘Goedgekeurd voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon’.
Hoofdstuk 8. Werktuigbouwkundige eisen
Artikel 8.01
-
- Werktuigen alsmede de bijbehorende installaties moeten volgens de regels van de techniek zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd.
-
-
Drukvaten voor de bedrijfsvoering van het schip moeten door een erkend deskundige op de bedrijfszekerheid worden gekeurd:
a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een verandering of reparatie, en c) regelmatig, ten minste om de vijf jaar.De keuring bestaat uit een interne en externe controle. Voor persluchthouders die intern niet goed kunnen worden gecontroleerd of waarvan de staat bij de interne controle niet afdoend kan worden vastgesteld, moet bijkomend een niet-destructief onderzoek of een waterdrukcontrole worden uitgevoerd. Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. Andere installaties die regelmatige controle vereisen zoals stoomketels, andere drukvaten, alsmede hun toebehoren en liften moeten voldoen aan de voorschriften van één van de lidstaten. a) a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een verandering of reparatie, en c) c) regelmatig, ten minste om de vijf jaar.
-
-
- Er mogen alleen verbrandingsmotoren worden geïnstalleerd die brandstoffen gebruiken met een vlampunt boven 55 °C.
Artikel 8.02
-
- Machineinstallaties moeten zo zijn ingericht en opgesteld, dat zij voor bediening en onderhoud voldoende toegankelijk zijn en personen, die ze moeten bedienen of onderhouden, niet in gevaar kunnen worden gebracht. Zij moeten kunnen worden beveiligd tegen onopzettelijke inbedrijfstelling.
-
- Aan de hoofd- en hulpmotoren alsmede de stoomketels en drukvaten moeten beschermende inrichtingen zijn aangebracht; hetzelfde geldt voor hun toebehoren.
-
- Aandrijvingen voor de pers- en zuigventilatoren moeten in geval van nood ook buiten de ruimte waar zij zich bevinden en buiten de machinekamer uitgeschakeld kunnen worden.
-
- Waar het noodzakelijk is moeten verbindingen van leidingen voor brandstof, smeerolie en oliën, die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen worden gebruikt, afgeschermd of op andere geschikte wijze zijn beschermd, om te vermijden dat deze vloeibare stoffen op hete vlakken, in de aanzuigkanalen van de machines of andere ontstekingsbronnen sproeien of uitlopen. Het aantal verbindingen in deze pijpleidingensystemen moet tot een minimum worden beperkt.
-
- Niet ingebouwde hogedrukbrandstofleidingen van dieselmotoren tussen de hogedrukbrandstofpompen en de inspuitsystemen moeten door een mantelbuissysteem worden beschermd, dat in geval van een lek in de hogedrukleiding, de uitlopende brandstof opvangt. In het mantelbuissysteem moet een lekbak zijn voorzien alsook inrichtingen die een alarmsignaal geven in geval van lekkage aan een brandstofleiding; voor machines met slechts twee cilinders is dit alarmsysteem echter niet vereist. Bij machines voor ankerlieren en spillen op open dek zijn geen mantelbuissystemen vereist.
-
- Isolaties van machineonderdelen moeten in overeenstemming zijn met artikel 3.04, derde lid, tweede volzin.
Artikel 8.03
-
- De aandrijving van een schip moet op betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit of andersom gezet kunnen worden.
-
-
De volgende peilen moeten worden gecontroleerd door daartoe geschikte inrichtingen die bij het bereiken van een kritische waarde een alarmsignaal in werking stellen:
a) de temperatuur van het koelwater van de voortstuwingsmotoren; b) de druk van de smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie; c) de olie- en luchtdruk van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de schroeven.
-
a) a) de temperatuur van het koelwater van de voortstuwingsmotoren; b) b) de druk van de smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie; c) c) de olie- en luchtdruk van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de schroeven. 3. 3. Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag, behalve in geval van overtoeren, de motor niet automatisch worden stopgezet. 4. 4. Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag deze slechts zijn uitgerust met een inrichting voor automatische reductie van het toerental indien een automatische reductie van het toerental in het stuurhuis optisch en akoestisch wordt aangegeven en de inrichting voor reductie van het toerental vanaf de stuurstelling kan worden uitgeschakeld. 5. 5. Doorvoeringen van assen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.
Artikel 8.04
-
- Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord worden afgevoerd.
-
- Het binnendringen van uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het schip moet door doelmatige maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassenleidingen die door verblijven of het stuurhuis gaan, moeten in die ruimten zijn voorzien van een gasdichte mantel. De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de mantel moet in verbinding staan met de open lucht.
-
- Uitlaatgassenleidingen moeten zodanig zijn aangelegd en beschermd dat zij geen brand kunnen veroorzaken.
-
- In de machinekamer moeten uitlaatgassenleidingen voldoende geïsoleerd of gekoeld zijn. Buiten de machinekamer kan een beveiliging tegen aanraken voldoende zijn.
Artikel 8.05
-
- Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks van hulpaggregaten met een inhoud van maximaal 12 liter, die van fabriekswege hecht met deze zijn verbonden. Brandstoftanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.
-
- Deze tanks, alsmede brandstofleidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen brandstof of brandstofdampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden. Afsluitinrichtingen op brandstoftanks, die dienen voor het ontnemen van brandstof of voor de afwatering, moeten zelfsluitend zijn.
-
- Voor het aanvaringsschot en achter het achterpiekschot mag zich geen brandstoftank bevinden.
-
- Brandstoftanks en hun appendages mogen niet boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn geplaatst.
-
- De vulopeningen van brandstoftanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.
-
- De vulleidingen van brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de Europese norm EN 12827 : 1999. Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de open lucht uitmondt en zo zijn ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding. Indien tanks voor brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
-
- De uitgaande leidingen voor vloeibare brandstoffen moeten onmiddellijk bij de tanks zijn voorzien van een snelsluitklep, die van het dek af kan worden bediend, ook wanneer de betrokken ruimten zijn gesloten. Wanneer de bedieningsinrichting door de wijze van opstelling aan het gezicht is onttrokken, mag de bedekking of de afscherming niet afsluitbaar zijn De bedieningsinrichting moet met een rode kleur zijn gemarkeerd. Wanneer de inrichting door de wijze van opstelling aan het gezicht is onttrokken, moet deze worden gemarkeerd met een symbool voor de ‘snelsluitklep van de tank’ overeenkomstig schets 9 van bijlage 4, met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm. De eerste zin geldt niet voor brandstoftanks die rechtstreeks aan de motor zijn aangebouwd.
-
- Brandstofleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden
-
- Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een geschikte peilinrichting. De peilinrichting moet tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van automatisch sluitende inrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. De peilkokers moeten niet in verblijven eindigen. Peilkokers die in een machinekamer of ketelruim eindigen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen.
-
a)
Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren.
b)
Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift, bedoeld in onderdeel a en in het elfde lid, niet van toepassing.
a) a) Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren. b) b) Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift, bedoeld in onderdeel a en in het elfde lid, niet van toepassing. 11. 11. Indien brandstoftanks zijn uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen bij een tankvulstand van 97% het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen moeten voldoen aan de maatstaf ‘failsafe’. Indien het meetelement een elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair signaal de van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de internationale norm IEC 60309-1 : 2012 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur. 12. 12. Tanks voor brandstoffen moeten zijn voorzien van lekdichte afsluitbare openingen voor reiniging en keuring. 13. 13. Brandstoftanks die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.
Artikel 8.06
-
- Smeerolie moet zijn ondergebracht in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit is niet van toepassing voor tanks met een inhoud van minder dan 25 liter. Smeerolietanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.
-
- Smeerolietanks, alsmede de daartoe behorende leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen smeerolie of smeeroliedampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kan verspreiden.
-
- Voor het aanvaringsschot mogen zich geen smeerolietanks bevinden.
-
- Smeerolietanks en hun appendages mogen niet direct boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn geplaatst.
-
- De vulopeningen van smeerolietanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.
-
- Smeerolieleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.
-
- Smeerolietanks moeten zijn voorzien van een geschikte peilinrichting. De peilinrichting moet tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van automatisch sluitende inrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. De peilkokers moeten niet in verblijven eindigen. Peilkokers die in een machinekamer of ketelruim eindigen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen.
Artikel 8.07
-
- Olie die in krachtoverbrengingsystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssytemen wordt gebruikt moet zijn ondergebracht in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks met een inhoud van maximaal 25 liter. Tanks als bedoeld in de eerste volzin mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.
-
- De in het eerste lid bedoelde tanks evenals hun leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich noch bovengenoemde olie noch oliedampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kan verspreiden.
-
- Voor het aanvaringsschot mogen zich geen in het eerste lid bedoelde tanks bevinden.
-
- De in het eerste lid bedoelde tanks en hun appendages mogen niet zijn geplaatst boven motoren of uitlaatgassenleidingen.
-
- De vulopeningen van de in het eerste lid bedoelde tanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.
-
- De leidingen voor olie als bedoeld in het eerste lid, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.
-
- De in het eerste lid bedoelde tanks moeten zijn voorzien van een geschikte peilinrichting. De peilinrichting moet tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van automatisch sluitende inrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. De peilkokers moeten niet in verblijven eindigen. Peilkokers die in een machinekamer of ketelruim eindigen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen.
Artikel 8.08
-
- Ieder waterdicht compartiment moet afzonderlijk kunnen worden gelensd. Dit geldt niet voor waterdichte compartimenten die tijdens de vaart gewoonlijk luchtdicht zijn afgesloten.
-
- Op schepen waarvoor een bemanning is voorgeschreven, moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende lenspompen aanwezig zijn, die niet in dezelfde ruimte mogen staan, en waarvan er ten minste één door een motor wordt aangedreven. Indien deze schepen echter een motorvermogen hebben van minder dan 225 kW of een laadvermogen van minder dan 350 t, dan wel, in geval van schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, een waterverplaatsing van minder dan 250 m^3, is een hand- of motorlenspomp voldoende. Elk der voorgeschreven pompen moet voor elk waterdicht compartiment te gebruiken zijn
-
-
De minimale capaciteit Q_1 van de eerste lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:
Q _1 = 0,1 • d_1^2 [l/min]
d _1 moet worden berekend volgens de volgende formule:
De minimale capaciteit Q_2 van de tweede lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:
Q _2 = 0,1 • d_2^2 [l/min]
d _2 moet worden berekend volgens de volgende formule:
De afmeting d_2 behoeft echter niet groter te zijn dan de afmeting d_1. Bij het berekenen van Q_2 heeft l betrekking op het langste waterdichte compartiment. In deze formules betekent:
l de lengte van het desbetreffende waterdichte compartiment in [m];
d _1 de rekenkundige inwendige diameter van de hoofdlensleiding in [mm];
d _2 de rekenkundige inwendige diameter van de aftakking van de lensleiding in [mm].
-
-
- Indien de lenspompen zijn aangesloten op een lenssysteem, moet de inwendige diameter van de lensleidingen ten minste afmeting d_1 hebben, in mm, en de inwendige diameter van de aftakkingen ten minste afmeting d_2, in mm. Voor schepen met een lengte L van minder dan 25 m mogen de afmetingen d_1 en d_2 worden verminderd tot 35 mm.
-
- Er zijn slechts zelfaanzuigende lenspompen toegestaan.
-
- In ieder lensbaar compartiment met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich aan stuurboord en aan bakboord ten minste één lenskorf bevinden.
-
- De achterpiek mag door middel van een gemakkelijk toegankelijke, zelfsluitende aftapinrichting, die naar de machinekamer loopt, gelenst kunnen worden.
-
- De aftakkingen van de leidingen van afzonderlijke compartimenten moeten door een vastzetbare terugslagklep aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten. Compartimenten of andere ruimten, die als ballastruimten dienen, behoeven slechts via een afsluiter aan het lenssysteem te zijn aangesloten. Dit geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast. Het vullen van dergelijke laadruimen met ballastwater moet door een van de lensleiding gescheiden, vast geïnstalleerde ballastleiding of door aftakkingen geschieden, die als flexibele leidingen of door middel van beweegbare tussenstukken met de hoofdlensleiding kunnen worden verbonden. Bodemkleppen zijn hiervoor niet toegestaan.
-
- Vullingen van laadruimen moeten zijn voorzien van peilmogelijkheden.
-
-
Artikel 8.09
-
- Het tijdens het bedrijf van een schip vrijkomend oliehoudend water moet aan boord kunnen worden verzameld. In dit verband wordt de machinekamerbilge aangemerkt als verzamelruimte.
-
- Voor het verzamelen van afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de hydraulische olietanks, kunnen bevatten. Aansluitingen voor het leeghalen van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305 : 1996.
-
- Voor schepen die slechts worden ingezet op korte trajecten kan de Commissie van deskundigen ontheffing verlenen van het tweede lid.
Artikel 8.10
-
- Het door een varend schip voortgebrachte geluid, in het bijzonder de door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren veroorzaakte geluiden, moet met daartoe geschikte middelen worden gedempt.
-
- Het door een varend schip voortgebrachte geluid mag op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 75 dB(A).
-
- Bij stilliggende schepen mag het geluid, behalve tijdens het laden en lossen, op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 65 dB(A).
Hoofdstuk 9. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door interne verbrandingsmotoren
Artikel 9.00
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*‘interne verbrandingsmotor’:* een energieomzetter, maar geen gasturbine, waarin brandstof wordt verbrand in een afgesloten ruimte, zodat uitzettend gas wordt geproduceerd dat direct wordt gebruikt voor het leveren van mechanisch vermogen, en waarvoor EU-typegoedkeuring kan worden verleend; ‘motor’ omvat het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van het motorsysteem (ECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn;
*‘typegoedkeuring’:* de beslissing waarbij de bevoegde autoriteit verklaart dat een motortype of een motorfamilie wat betreft het niveau van de uitstoot van verontreinigende deeltjes en gassen voldoet aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische vereisten;
*‘motorfamilie’:* een door de motorfabrikant bepaalde groep van motoren die vanwege hun ontwerp vergelijkbare eigenschappen bezitten wat betreft de uitlaatemissie en die aan de geldende emissiegrenswaarden voldoen;
*‘referentievermogen’:* het nettovermogen dat wordt gebruikt om toepasselijke emissiegrenswaarden voor de motor vast te stellen;
*‘motorfabrikant’:* de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring voor motoren, de vergunningsprocedure en de conformiteit van de productie van de motor en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde motoren, ongeacht of deze direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van de motor waarvoor de typegoedkeuring wordt aangevraagd;
*‘proces-verbaal van de motorkenmerken ‘:* het document, overeenkomstig bijlage 6, waarin alle parameters, samen met de wijzigingen, en met inbegrip van onderdelen en motorinstellingen die een invloed hebben op het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes door de motor, naar behoren worden geregistreerd.
Artikel 9.01
-
- De bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op alle interne verbrandingsmotoren met een referentievermogen gelijk aan of groter dan 19 kW die in vaartuigen aan boord zijn geïnstalleerd.
-
-
De interne verbrandingsmotoren moeten voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/162810Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (OJ L 252, 16.9.2016).. Er worden alleen interne verbrandingsmotoren van de categorieën
a) IWP, b) IWA, c) NRE met een referentievermogen van minder dan 560 kW of d) motoren die overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 als gelijkwaardig worden erkend,geïnstalleerd. Deze conformiteit wordt aangetoond door middel van een typegoedkeuring. a) a) IWP, b) b) IWA, c) c) NRE met een referentievermogen van minder dan 560 kW of d) d) motoren die overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 als gelijkwaardig worden erkend,
-
-
- Een kopie van de typegoedkeuring, alsmede het inlichtingenformulier van de motorfabrikant en het proces-verbaal van de motorkenmerken moeten zich aan boord bevinden.
-
- De montage van ruilmotoren, zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2016/1628, is verboden.
-
- De Commissie van deskundigen kan zich voor de vervulling van taken, bedoeld in dit hoofdstuk, doen bijstaan door een technische dienst. Alleen technische diensten die zijn aangemeld overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 zijn erkend voor de toepassing van deze standaard.
Artikel 9.02
Het identificatienummer, en indien van toepassing het typegoedkeuringsnummer, van alle interne verbrandingsmotoren aan boord worden onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat vermeld.
Artikel 9.03
De installatie van interne verbrandingsmotoren in vaartuigen dient in overeenstemming te zijn met de beperkingen die in de typegoedkeuring zijn uiteengezet.
Artikel 9.04
-
- In het inlichtingenformulier van de motorfabrikantdat wordt opgesteld door de motorfabrikant worden de relevante onderdelen, aanpassingen en parameters gespecificeerd, op grond waarvan kan worden aangenomen dat de emissiegrenswaarden voor uitlaatgassen voortdurend worden nageleefd.
-
-
De instructies omvatten ten minste de volgende informatie:
a) motortype en, waar aangewezen, motorfamilie met een indicatie van het referentievermogen en het nominale toerental; b) lijst met onderdelen en motorparameters die van belang zijn voor de uitlaatgasemissie; c) niet te verwarren merktekens om de toegelaten componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen te identificeren (bijv. nummers van onderdelen die zich op de componenten bevinden); d) vermelding van de motorkenmerken die betrekking hebben op de uitlaatgassen zoals instellingsmogelijkheden van het injectiemoment, van de toegelaten temperatuur van het koelwater en van de maximale tegendruk van het uitlaatgas.
-
a) a) motortype en, waar aangewezen, motorfamilie met een indicatie van het referentievermogen en het nominale toerental; b) b) lijst met onderdelen en motorparameters die van belang zijn voor de uitlaatgasemissie; c) c) niet te verwarren merktekens om de toegelaten componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen te identificeren (bijv. nummers van onderdelen die zich op de componenten bevinden); d) d) vermelding van de motorkenmerken die betrekking hebben op de uitlaatgassen zoals instellingsmogelijkheden van het injectiemoment, van de toegelaten temperatuur van het koelwater en van de maximale tegendruk van het uitlaatgas.
Artikel 9.05
-
- Bij gelegenheid van de inbouwkeuring, van de tussentijdse keuring en van de bijzondere keuring verifieert de Commissie van deskundigen de feitelijke toestand van de motor met betrekking tot de onderdelen, de ijking en de afstellingen van de parameters zoals die in het inlichtingenformulier van de motorfabrikant en in het proces-verbaal van de motorkenmerken zijn gespecificeerd.
-
- De resultaten van de keuringen overeenkomstig eerste lid worden geregistreerd in het proces-verbaal van de motorkenmerken overeenkomstig bijlage 6.
-
- Indien de inbouwkeuring, de tussentijdse en bijzondere keuringen aantonen dat de aan boord geïnstalleerde interne verbrandingsmotoren motoren wat de parameters, onderdelen en aanpasbare kenmerken betreft, voldoen aan de specificaties van de in artikel 9.01, derde lid, bedoelde documenten, mag worden aangenomen dat de emissies van uitlaatgassen en deeltjes van de interne verbrandingsmotoren aan de maximale waarden voldoen. Indien de Commissie van deskundigen vindt dat de interne verbrandingsmotor niet in overeenstemming is met de vereisten van de in in artikel 9.01, derde lid, bedoelde documenten, wordt geëist dat er maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de conformiteit van de motor wordt hersteld.
-
- Bij interne verbrandingsmotoren met uitlaatgasnabehandelingssystemen worden in het kader van de inbouw-, tussentijdse of bijzondere keuringen controles uitgevoerd om na te gaan of deze systemen correct functioneren.
Artikel 9.06
-
- Na de inbouw van de interne verbrandingsmotor aan boord, maar voor zijn ingebruikstelling, moet een inbouwkeuring worden uitgevoerd. Deze keuring, die deel uitmaakt van het eerste onderzoek van het vaartuig of van een bijzonder onderzoek naar aanleiding van de inbouw van de betreffende motor, leidt ofwel tot het inschrijven van de interne verbrandingsmotor in het eerste af te geven binnenschipcertificaat ofwel tot een wijziging van het bestaande binnenschipcertificaat.
-
- Tijdens de inbouwkeuring verifieert de Commissie van Deskundigen of de ingebouwde motor nog steeds voldoet aan de technische vereisten met betrekking tot het uitstootniveau van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, ook nadat deze na afgifte van de typegoedkeuring wijzigingen of aanpassingen heeft ondergaan.
-
- De Commissie van deskundigen kan van een inbouwkeuring, bedoeld in lid 1, afzien indien een motor waarvan het nominale referentievermogen PN minder dan 130 kW bedraagt, wordt vervangen door een interne verbrandingsmotor met een zelfde typegoedkeuring overeenkomstig artikel 9.01, tweede lid. Voorwaarde hiervoor is dat de Commissie van deskundigen in kennis wordt gesteld van de vervanging van de interne verbrandingsmotor en een kopie van het certificaat van typegoedkeuring alsmede het identificatienummer van de nieuw ingebouwde motor ontvangt. Ten gevolge hiervan wordt nummer 52 van het binnenschipcertificaat gewijzigd.
Artikel 9.07
-
- In geval van een tussentijdse keuring verifieert de Commissie van Deskundigen of de ingebouwde motor nog steeds voldoet aan de technische vereisten met betrekking tot het uitstootniveau van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, ook nadat deze sinds de inbouwkeuring wijzigingen of aanpassingen heeft ondergaan.
-
- De tussentijdse keuringen van de interne verbrandingsmotor worden uitgevoerd in het kader van de periodieke controle van het vaartuig.
Artikel 9.08
-
- In geval van een bijzondere keuring verifieert de Commissie van Deskundigen of de ingebouwde motor na elke belangrijke wijziging nog steeds voldoet aan de technische vereisten met betrekking tot het uitstootniveau van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes.
-
- Na elke belangrijke wijziging van een interne verbrandingsmotor die een invloed heeft op de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, moet altijd een bijzondere keuring plaatsvinden.
Artikel 9.09
-
- De uitlaatgasnabehandelingssystemen mogen de veilige werking van het vaartuig, met inbegrip van het voortstuwingssysteem en de stroomvoorziening, niet in gevaar brengen, noch het uitlaatsysteem blokkeren.
-
-
Als het uitlaatgasnabehandelingssysteem van een interne verbrandingsmotor die de hoofdvoortstuwing van het vaartuig vormt, met een omloopsysteem is uitgerust, moet het omloopsysteem aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) Als het uitlaatgasnabehandelingssysteem uitvalt, moet het vaartuig door inschakeling van het omloopsysteem in staat zijn zich op eigen kracht voort te bewegen. b) Als het omloopsysteem wordt ingeschakeld, moet het controlesysteem ervan een akoestisch en optisch alarmsignaal geven in het stuurhuis. c) Het omloopcontrolesysteem registreert alle incidenten waarbij de motor in bedrijf was met een ingeschakeld omloopsysteem, in een permanent computergeheugen. Deze informatie moet ter beschikking worden gesteld van de bevoegde autoriteiten.
-
a) a) Als het uitlaatgasnabehandelingssysteem uitvalt, moet het vaartuig door inschakeling van het omloopsysteem in staat zijn zich op eigen kracht voort te bewegen. b) b) Als het omloopsysteem wordt ingeschakeld, moet het controlesysteem ervan een akoestisch en optisch alarmsignaal geven in het stuurhuis. c) c) Het omloopcontrolesysteem registreert alle incidenten waarbij de motor in bedrijf was met een ingeschakeld omloopsysteem, in een permanent computergeheugen. Deze informatie moet ter beschikking worden gesteld van de bevoegde autoriteiten. 3. 3. Controlediagnosesystemen die overeenkomstig artikel 25, derde lid, onderdeel f van Verordening (EU) 2016/1628 zijn geïnstalleerd, zijn uitgerust met de voorgeschreven alarmen die in geval van een defect een akoestisch en optisch alarmsignaal geven in het stuurhuis. 4. 4. Als het nabehandelingssysteem gebruik maakt van een reagens om de emissies te verlagen, moeten de voorgeschreven alarmen de bemanning waarschuwen dat het reagens moet worden aangevuld vóór de tank leeg is of dat het reagens moet worden vervangen als er niet wordt voldaan aan de vereiste concentratie. Indien het in artikel 25, derde lid, onderdeel f van Verordening (EU) 2016/1628 bedoelde controlediagnosesysteem tot een vermogensreductie van de interne verbrandingsmotor kan leiden, moet aan de volgende vereisten worden voldaan:
a)
Ondanks het activeren van de vermogensreductie moet het vaartuig in staat blijven om zich op eigen kracht voort te bewegen.
b)
Als de vermogensreductie geactiveerd wordt, moet er een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis worden afgegeven.
a) a) Ondanks het activeren van de vermogensreductie moet het vaartuig in staat blijven om zich op eigen kracht voort te bewegen. b) b) Als de vermogensreductie geactiveerd wordt, moet er een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis worden afgegeven. 5. 5. Aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt geacht te zijn voldaan als het vaartuig is uitgerust met een
a)
tweede onafhankelijk voortstuwingssysteem (zelfs wanneer dit tweede systeem ook met een uitlaatgasnabehandelingssysteem is uitgerust), zodat het zich op eigen kracht kan blijven voortbewegen; of
b)
nabehandelingssysteem met een omloopsysteem overeenkomstig het tweede lid.
a) a) tweede onafhankelijk voortstuwingssysteem (zelfs wanneer dit tweede systeem ook met een uitlaatgasnabehandelingssysteem is uitgerust), zodat het zich op eigen kracht kan blijven voortbewegen; of b) b) nabehandelingssysteem met een omloopsysteem overeenkomstig het tweede lid.
Hoofdstuk 10. Elektrische apparaten en installaties
Artikel 10.01
-
- Indien voor bepaalde onderdelen van een elektrische installatie of een elektrisch apparaat bijzondere voorschriften ontbreken, wordt de veiligheidsgraad als voldoende beschouwd wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens een geldende Europese norm of volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau. De vereiste documenten moeten worden voorgelegd aan de Commissie van deskundigen.
-
-
Aan boord moeten de volgende, door de Commissie van deskundigen gewaarmerkte, documenten aanwezig zijn:
a) overzichtsschema's van de gehele elektrische installatie; b) schema's van het hoofdschakelbord, het noodschakelbord en de verdeelschakelborden waarop de belangrijkste technische gegevens zoals de nominale stroom van zekeringen en schakeltoestellen zijn aangegeven; c) gegevens betreffende het vermogen van elektrische apparaten; d) soort en doorsnede van de kabels; e) bij elektrische scheepsaandrijvingen schema’s van de schakelborden en documentatie met betrekking tot de elektrische aandrijfmotoren; f) schema’s van de elektronische sturing, regel-, alarm- en veiligheidssystemen; g) schema’s van de stuurstroomkringen. In geval van onbemande vaartuigen hoeven deze documenten zich niet aan boord te bevinden, daarentegen te allen tijde door de eigenaar getoond kunnen worden.
-
a) a) overzichtsschema's van de gehele elektrische installatie; b) b) schema's van het hoofdschakelbord, het noodschakelbord en de verdeelschakelborden waarop de belangrijkste technische gegevens zoals de nominale stroom van zekeringen en schakeltoestellen zijn aangegeven; c) c) gegevens betreffende het vermogen van elektrische apparaten; d) d) soort en doorsnede van de kabels; e) e) bij elektrische scheepsaandrijvingen schema’s van de schakelborden en documentatie met betrekking tot de elektrische aandrijfmotoren; f) f) schema’s van de elektronische sturing, regel-, alarm- en veiligheidssystemen; g) g) schema’s van de stuurstroomkringen. In geval van onbemande vaartuigen hoeven deze documenten zich niet aan boord te bevinden, daarentegen te allen tijde door de eigenaar getoond kunnen worden. 3. 3. De apparaten en installaties moeten bestand zijn tegen permanente slagzij van het vaartuig tot 15° en een omgevingstemperatuur, bij plaatsing binnen in het schip, van 0 °C tot + 40 °C en, bij plaatsing aan dek, van – 20 °C tot + 40 °C geschikt zijn. Zij moeten binnen deze grenswaarden onberispelijk functioneren. 4. 4. Elektrische apparaten en installaties moeten goed toegankelijk en onderhoudsvriendelijk zijn. 5. 5. Elektrische apparaten en installaties moeten zodanig uitgevoerd en ingebouwd zijn dat de trillingen die onder normale bedrijfsomstandigheden aan boord optreden geen storingen of schade veroorzaken.
Artikel 10.02
-
- Aan boord van vaartuigen die zijn voorzien van een elektrische installatie moeten ten behoeve van de energieverzorging ten minste twee energiebronnen aanwezig zijn, zodat bij het uitvallen van één energiebron de resterende energiebron in staat is om verbruikers die voor de veilige vaart noodzakelijk zijn, gedurende ten minste 30 minuten te voeden.
-
- Aan de hand van een vermogensbalansberekening moet worden aangetoond dat de energieverzorging over voldoende capaciteit beschikt. Hierbij kan een passende gelijktijdigheidsfactor in aanmerking worden genomen.
-
- Onverminderd het eerste lid is voor de energiebronnen van stuurinrichtingen artikel 6.04 van kracht.
Artikel 10.03
De minimumbeschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van een elektrische installatie moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling, zoals aangegeven in de onderstaande tabel:
Opmerkingen:
^1 Voor apparaten met een hoge warmteontwikkeling: IP 12.
^2 Indien het apparaat zelf niet aan de minimumbeschermingsgraad voldoet, moet de plaats van opstelling voldoen aan de minimumbeschermingsgraad volgens de tabel.
^3 Elektrische inrichting (erkend veilig), bijvoorbeeld
a) apparatuur die is toegelaten conform de desbetreffende Europese normenreeks EN 60079 (in de op 6 juli 2017 geldende versie),
b) apparatuur met een lagere minimumbeschermingsgraad door de bouw-aard, zoals bepaalde typen brandmelders.
Indien in ruimten met accumulatoren of waarin verf is opgeslagen lampen of brandmelders gemonteerd zijn, moet aan beide vereisten worden voldaan.
^4 Voor installatiemateriaal voor een stroomsterkte vanaf 125 A: IP 66 (EN 60529 : 2014).
Artikel 10.04
-
- In ruimten of zones waarin een explosiegevaarlijke atmosfeer kan ontstaan, mag alleen explosies beschermde elektrisch inrichtingen (erkend veilig) worden toegepast. Deze inrichtingen moeten ten aanzien van hun bedrijfszekerheid in een explosiegevaarlijke omgeving door een krachtens de nationale bepalingen van een lidstaat erkend keuringsinstituut gekeurd en toegelaten zijn. In deze ruimten of zones moet de installatie van schakeltoestellen voor verlichting en voor andere elektrische apparaten zoveel mogelijk worden vermeden. De beschermingsgraad tegen explosies moet zijn afgestemd op de eigenschappen met betrekking tot de atmosfeer die zich daar kan voordoen en de vereisten van de desbetreffende zone (explosiegroep, temperatuurklasse). De aanwijzingen en voorwaarden van de toelatingsverklaringen voor de inrichtingen moeten in acht worden genomen. De indeling en beoordeling van explosieve zones moet geschieden en gedocumenteerd worden overeenkomstig de internationale normen EN 60079-10-1 : 2015 en EN 60079-10-2 : 2015.
-
-
Voor explosiegevaarlijke gebieden geldt:
a) In zone 0 zijn uitsluitend intrinsiek veilige stroomkringen met een explosiebescherming (bescherming Ex ia) overeenkomstig de internationale norm IEC 60079-11 : 2012 toegelaten. b) In zone 1 zijn uitsluitend elektrische installaties toegelaten die geschikt zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving (erkend veilig). c) Voor elektrische installaties in gebieden van zone 2 moeten beschermende maatregelen worden getroffen die met de aard en toepassing van de elektrische functionele apparaten overeenstemmen. In deze gebieden zijn toegelaten: aa) elektrische installaties die geschikt zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving (erkend veilig), of bb) elektrische functionele apparaten die wanneer zij in werking zijn geen vonken afgeven en waarvan het oppervlak dat in contact staat met de omgevende lucht, geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken, of cc) elektrische functionele apparaten die op eenvoudige wijze tegen overdruk of dampdicht geïsoleerd zijn (minimale bescherming IP 55) en waarvan het oppervlak geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken.
-
a) a) In zone 0 zijn uitsluitend intrinsiek veilige stroomkringen met een explosiebescherming (bescherming Ex ia) overeenkomstig de internationale norm IEC 60079-11 : 2012 toegelaten. b) b) In zone 1 zijn uitsluitend elektrische installaties toegelaten die geschikt zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving (erkend veilig). c) c) Voor elektrische installaties in gebieden van zone 2 moeten beschermende maatregelen worden getroffen die met de aard en toepassing van de elektrische functionele apparaten overeenstemmen. In deze gebieden zijn toegelaten:
aa)
elektrische installaties die geschikt zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving (erkend veilig), of
bb)
elektrische functionele apparaten die wanneer zij in werking zijn geen vonken afgeven en waarvan het oppervlak dat in contact staat met de omgevende lucht, geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken, of
cc)
elektrische functionele apparaten die op eenvoudige wijze tegen overdruk of dampdicht geïsoleerd zijn (minimale bescherming IP 55) en waarvan het oppervlak geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken.
aa) aa) elektrische installaties die geschikt zijn voor gebruik in een explosiegevaarlijke omgeving (erkend veilig), of bb) bb) elektrische functionele apparaten die wanneer zij in werking zijn geen vonken afgeven en waarvan het oppervlak dat in contact staat met de omgevende lucht, geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken, of cc) cc) elektrische functionele apparaten die op eenvoudige wijze tegen overdruk of dampdicht geïsoleerd zijn (minimale bescherming IP 55) en waarvan het oppervlak geen ontoelaatbare temperatuur kan bereiken. 3. 3. Voor de bescherming tegen stofexplosies gelden de vereisten van de Europese norm EN 60079-10-2 : 2015.
Artikel 10.05
-
- Voor elektrische installaties met spanningen boven 50 V is aarding noodzakelijk.
-
- Metalen delen die bij normaal gebruik niet onder spanning staan, maar waar aanraking mogelijk is, zoals fundaties en behuizingen van elektrische installaties en vast gemonteerde elektrische apparaten, moeten afzonderlijk geaard zijn, voor zover zij niet al door de wijze waarop zij bevestigd zijn elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden.
-
- De behuizing van verplaatsbare elektrische apparaten moet geaard zijn door middel van een extra ader die bij normaal bedrijf geen stroom voert en die in de voedingskabel is opgenomen. Dit geldt niet bij het gebruik van scheidingstransformatoren en voor apparaten waarvan de behuizing bestaat uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd).
-
-
De doorsnede van de aardleiding moet ten minste gelijk zijn aan de waarde zoals aangegeven in de onderstaande tabel:
Doorsnede van de stroomgeleider (S) [mm^2] Minimumdoorsnede van de aardleiding In geïsoleerde kabels [mm^2] Separate kabels [mm^2] 0,5 < S < 4 gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider 4 4 < S < 16 gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider 16 < S < 35 16 35 < S < 120 gelijk aan de halve doorsnede van de stroomgeleider S > 120 70
-
Artikel 10.06
-
-
Spanningen mogen de volgende waarden niet overschrijden:
Soort apparaat of installatie Ten hoogste toegestane spanning bij Gelijkstroom Wisselstroom Draaistroom a) Kracht- en verwarmingsinstallaties met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik .......... 250 V 250 V 690 V b) Installaties voor verlichting, communicatie en signalering met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik .......... 250 V 250 V – c) Wandcontactdozen voor de voeding van verplaatsbare elektrische apparaten die op het open dek of in nauwe geleidende ruimten of vochtige, ruimten, met uitzondering van ketels of tanks, worden gebruikt 1. Algemeen .......... 50 V^1 50 V^1 2. Bij gebruik van een scheidingstransformator die slechts één apparaat voedt .......... – 250 V^2 – 3. Bij gebruik van apparaten uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd) zijn uitgevoerd .......... 250 V 250 V – 4. Bij gebruik van een aardlekschakelaar ≤ 30 mA .......... – 250 V 690 V d) Verplaatsbare elektrische apparaten zoals elektrische voorzieningen van containers, aangehangen motoren, verplaatsbare ventilatoren of pompen, die wanneer zij in bedrijf zijn normaliter niet worden verplaatst en waarvan de voor aanraking toegankelijke delen door een aardleiding in de aansluitkabel geaard zijn en die bovendien door de montage op een bepaalde plaats of door een extra geleider met de scheepsromp zijn verbonden .......... 250 V 250 V 690 V e) Wandcontactdozen voor de voeding van verplaatsbare elektrische apparaten die in ketels en tanks worden gebruikt .......... 50 V^1 50 V^1 –Opmerking:
^1 Indien deze spanning vanuit een net met hogere spanning wordt verkregen, moet een galvanische scheiding (scheidingstransformator) worden toegepast.
^2 De secundaire stroomkring moet geheel van aarde zijn geïsoleerd.
-
-
-
Met inachtneming van de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zijn hogere spanningen toegestaan:
a) voor krachtinstallaties waarvan het vermogen dit vereist; b) voor speciale inrichtingen aan boord, zoals radio-installaties en ontstekingsinrichtingen.
-
a) a) voor krachtinstallaties waarvan het vermogen dit vereist; b) b) voor speciale inrichtingen aan boord, zoals radio-installaties en ontstekingsinrichtingen. 3. 3. De Commissie van deskundigen kan in met redenen omklede gevallen en onder naleving van de vereiste beschermende maatregelen andere uitzonderingen toelaten.
Artikel 10.07
-
-
Voor gelijkstroom en 1-fase wisselstroom zijn de volgende verdeelsystemen toegestaan:
a) twee geleiders waarvan één is geaard (L1/N/PE); b) één geleider met terugleiding via de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde installaties, zoals de startinstallaties van een verbrandingsmotor (L1/PEN); c) twee geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/PE).
-
a) a) twee geleiders waarvan één is geaard (L1/N/PE); b) b) één geleider met terugleiding via de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde installaties, zoals de startinstallaties van een verbrandingsmotor (L1/PEN); c) c) twee geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/PE). 2. 2. Voor draaistroom (3-fasen wisselstroom) zijn de volgende verdeelsystemen toegestaan:
a)
vier geleiders met geaard sterpunt zonder terugleiding via de scheepsromp (L1/L2/L3/N/PE) = (TN-S-Net) of (TT-Net);
b)
drie geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/L3/PE) = (IT-Net);
c)
drie geleiders met geaard sterpunt en terugleiding via de scheepsromp, echter niet voor eindstroomkringen (L1/L2/L3/PEN).
a) a) vier geleiders met geaard sterpunt zonder terugleiding via de scheepsromp (L1/L2/L3/N/PE) = (TN-S-Net) of (TT-Net); b) b) drie geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/L3/PE) = (IT-Net); c) c) drie geleiders met geaard sterpunt en terugleiding via de scheepsromp, echter niet voor eindstroomkringen (L1/L2/L3/PEN). 3. 3. De Commissie van deskundigen kan het gebruik van andere verdeelsystemen toestaan.
Artikel 10.08
-
-
De voedingseenheid, oftewel alle installaties aan boord die bestemd zijn om elektrische stroom aan boord te brengen, moeten aan de volgende vereisten voldoen:
a) voor stroomlevering via een walaansluiting: aa) voor een stroomsterkte tot en met 125 A moet voldaan worden aan de vereisten van de Europese normen EN 15869-1 en EN 15869-3 in de op 6 juli 2017 geldende versie. bb) voor een stroomsterkte boven 250 A moet worden voldaan aan de vereisten van Europese norm EN 16840 : 2017. b) In alle andere gevallen gelden de vereisten van het tweede tot en met het negende lid. Aan de genoemde vereisten is voldaan, wanneer de onder a genoemde normen voor de desbetreffende toepassing zijn nagekomen.
-
a) a) voor stroomlevering via een walaansluiting:
aa)
voor een stroomsterkte tot en met 125 A moet voldaan worden aan de vereisten van de Europese normen EN 15869-1 en EN 15869-3 in de op 6 juli 2017 geldende versie.
bb)
voor een stroomsterkte boven 250 A moet worden voldaan aan de vereisten van Europese norm EN 16840 : 2017.
aa) aa) voor een stroomsterkte tot en met 125 A moet voldaan worden aan de vereisten van de Europese normen EN 15869-1 en EN 15869-3 in de op 6 juli 2017 geldende versie. bb) bb) voor een stroomsterkte boven 250 A moet worden voldaan aan de vereisten van Europese norm EN 16840 : 2017. b) b) In alle andere gevallen gelden de vereisten van het tweede tot en met het negende lid. Aan de genoemde vereisten is voldaan, wanneer de onder a genoemde normen voor de desbetreffende toepassing zijn nagekomen. 2. 2. Voedingskabels van het walnet en andere externe netten naar het boordnet moeten aan boord door middel van vast aangebrachte klemmen of door een vast aangebrachte stekkerinrichting kunnen worden aangesloten. Kabelverbindingen mogen niet op trek worden belast. 3. 3. De scheepsromp moet bij een aansluitspanning van meer dan 50 V over een aardaansluiting beschikken. Aardaansluitingen moeten duidelijk gekenmerkt zijn. 4. 4. De aansluitingen moeten dusdanig beveiligd zijn dat parallelbedrijf van de boordnetgeneratoren en het walnet of andere externe netten wordt vermeden. Een kortstondig parallelbedrijf ten behoeve van omschakelen zonder spanningsonderbreking van de systemen is toegestaan. 5. 5. De aansluiting moet tegen kortsluiting en overbelasting zijn beveiligd. 6. 6. Op het hoofdschakelbord moet zijn aangegeven of de aansluiting onder spanning staat. 7. 7. Teneinde bij gelijkspanning de polariteit en bij draaistroom de fasevolgorde van het walnet of van andere externe netten met die van het boordnet te kunnen vergelijken, moet een aanwijsinrichting zijn geïnstalleerd. 8. 8. Een instructiebord bij de aansluiting moet vermelden:
a)
welke maatregelen voor het tot stand brengen van de aansluiting getroffen moeten worden;
b)
de stroomsoort, de nominale spanning en bij wisselstroom eveneens de frequentie.
a) a) welke maatregelen voor het tot stand brengen van de aansluiting getroffen moeten worden; b) b) de stroomsoort, de nominale spanning en bij wisselstroom eveneens de frequentie. 9. 9. Bij gebruik van stekkeraansluitingen voor een nominale stroomsterkte boven 16 A moeten voorzieningen worden getroffen waardoor het tot stand brengen of scheiden van de aansluiting slechts mogelijk is als de stroom is uitgeschakeld.
Artikel 10.09
-
- Indien aan andere vaartuigen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn.
-
Artikel 10.08, tweede en vierde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.10
-
- Generatoren die worden aangedreven door de hoofdmotor, de schroefas of een voor andere doeleinden bestemd hulpaggregaat, moeten voor de onder bedrijfsomstandigheden optredende toerentalvariaties geschikt zijn.
-
- Transformatoren moeten op goed geventileerde plaatsen of in goed geventileerde ruimten worden geplaatst.
-
- Primaire en secondaire transformatorwikkelingen dienen elektrisch gescheiden van elkaar uitgevoerd zijn. Dit geldt niet voor starttransformatoren.
-
- Voor de instelling van de secundaire spanning van transformatoren moeten de dienovereenkomstige aftakkingen van de nominale spanning worden voorzien. Dit geldt niet voor starttransformatoren.
-
- Motoren, generatoren en transformatoren moeten door de fabrikant worden voorzien van een kentekening die afgezien van de firmanaam van de fabrikant, het serienummer van het apparaat en het vermogen tevens de belangrijkste nominale kengegevens moet vermelden.
Artikel 10.11
-
- Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij toegankelijk zijn en niet kunnen verschuiven ten gevolge van de bewegingen van het vaartuig. Zij mogen niet zijn opgesteld op plaatsen waar zij aan overmatige hitte, extreme koude, spatwater of dampen zijn blootgesteld.
-
-
In stuurhuis, woonverblijf, laadruim en verblijfsruimten, of op passagiersschepen in passagiersruimten, hutten en keukens mogen geen accumulatoren worden ondergebracht. De eerste volzin geldt niet voor accumulatoren
a) in verplaatsbare toestellen, of b) met een laadvermogen van minder dan 0,2 kW.
-
a) a) in verplaatsbare toestellen, of b) b) met een laadvermogen van minder dan 0,2 kW. 3. 3. Accumulatoren met een laadvermogen van meer dan 2,0 kW moeten in een speciale ruimte zijn ondergebracht. Bij opstelling aan dek is het voldoende indien zij in een kast zijn geplaatst. Deze ruimte of kast moet naar het open dek mechanisch geventileerd worden (luchttoevoer en -afvoer), voor zover uit de accumulatoren gas kan ontsnappen. 4. 4. Het laadvermogen van een accumulator wordt berekend uit de maximale laadstroom en de nominale spanning van de accumulator, met inachtneming van de laadkarakteristiek van de laadinrichting. 5. 5. Accumulatoren met een laadvermogen tot en met 2,0 kW mogen ook benedendeks in een kast of kist zijn opgesteld. Zij mogen ook open in de machinekamer, een elektrische bedrijfsruimte of een andere goed geventileerde ruimte zijn geplaatst, mits zij zijn beschermd tegen vallende voorwerpen en druipwater. 6. 6. De binnenzijde van alle voor accumulatoren bestemde ruimten, kasten of kisten, alsmede rekken en andere bouwtechnische onderdelen, moeten tegen de schadelijke inwerking van elektrolyt zijn beschermd. 7. 7. Gesloten ruimten, kasten of kisten waarin accumulatoren zijn opgesteld, moeten doeltreffend kunnen worden geventileerd. Een mechanische ventilatie moet zijn aangebracht indien het laadvermogen groter is dan
a)
2,0 kW voor nikkel-cadmium accumulatoren;
b)
3,0 kW voor loodaccumulatoren.
De luchttoevoer aan de onderzijde en de luchtafvoer aan de bovenzijde moeten zodanig zijn dat een goede afvoer van de gassen is gewaarborgd.
Ventilatiekanalen mogen geen inrichtingen zoals afsluitinrichtingen bevatten die de vrije doorgang van de lucht belemmeren.
a) a) 2,0 kW voor nikkel-cadmium accumulatoren; b) b) 3,0 kW voor loodaccumulatoren. 8. 8. De vereiste hoeveelheid lucht Q moet worden berekend volgens de formule:
*Q* = *f* • *Igas* • *n* [*m*^3/*h*]
Daarbij betekent:
*f* = 0,11 voor accumulatoren met vloeibare elektrolyten
*f* = 0,03 voor accumulatoren met gesloten cellen (elektrolyt gebonden in gel of vlies)
*Igas* = ¼ van de maximale stroom van de laadinrichting in A;
*n* = het aantal in serie geschakelde cellen.
Voor accumulatoren die in een bufferschakeling met het boordnet zijn opgenomen, kan door de Commissie van deskundigen op grond van de laadkarakteristiek van de laadinrichting een andere berekeningsmethode voor de benodigde luchthoeveelheid worden toegelaten voor zover deze berust op voorschriften van een erkend classificatiebureau of daartoe in aanmerking komende normen.
-
-
Bij natuurlijke ventilatie moet de doorsnede van de luchtkanalen zo groot zijn dat bij een luchtsnelheid van 0,5 m/s de vereiste luchthoeveelheid wordt opgebracht. De doorsnede moet echter ten minste
a) 80 cm^2 voor loodaccumulatoren; b) 120 cm^2 voor nikkel-cadmiumaccumulatorenbedragen. a) a) 80 cm^2 voor loodaccumulatoren; b) b) 120 cm^2 voor nikkel-cadmiumaccumulatoren
-
-
Bij mechanische ventilatie moet, bij voorkeur, een afzuigventilator worden gebruikt waarvan de motor niet in de gas- of luchtstroom mag zijn geplaatst. Deze ventilator moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen vonkvorming bij aanraking van een waaier met het ventilatorhuis en geen elektrostatische oplading kunnen optreden.
-
Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een teken ‘vuur, open licht en roken verboden’ met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage 4, zijn aangebracht.
-
Laadinrichtingen moeten altijd zodanig bemeten zijn dat lege accumulatoren binnen ten hoogste 15 uur weer voor 80% van hun nominale vermogen kunnen worden opgeladen, zonder dat daarbij de maximaal toegelaten laadstroomsterkte wordt overschreden.
-
Automatische laadinrichtingen zijn alleen toegelaten als zij zijn afgestemd op de laadeigenschappen van het desbetreffende accumulatortype.
-
Indien tijdens het laden tegelijkertijd verbruikers van stroom worden voorzien, moet bij de keuze van de laadinrichting rekening worden gehouden met het door de verbruikers benodigde vermogen. Afgezien van het tijdelijk vereiste vermogen, moet een laadspanning van maximaal 120% van de nominale spanning worden gewaarborgd.
-
Voor lithium-ionen-accumulatoren gelden de vereisten van de Europese normen EN 62619 in de op 6 juli 2017 geldende versie en EN 62620 : 2015.
-
Ter bewaking van de accumulatoren moeten zo mogelijk accumulatormanagementsystemen worden benut. Lithium-ionen-accumulatoren moeten met dergelijke systemen zijn uitgerust. Deze systemen moeten ten minste de volgende functionele mogelijkheden bieden:
a) bescherming van de cel (tegen externe en interne kortsluiting, overspanning, volledige ontlading, etc.); b) controle op de laadtoestand, voor zover dit niet via het laadtoestel geschiedt; c) vermogensmanagement; d) bepaling van de laadtoestand; e) gelijkmatige spanningsregeling tussen de cellen; f) thermomanagement.Voor zover mogelijk dienen zij al naar gelang de toepassing bovendien de volgende functionele mogelijkheden te bieden:
g) vaststelling van slijtage, restcapaciteit, interne weerstand, etc.; h) communicatie (bijv. met omvormers en sturing); i) authenticatie en identificatie; j) historische data.
a) a) bescherming van de cel (tegen externe en interne kortsluiting, overspanning, volledige ontlading, etc.); b) b) controle op de laadtoestand, voor zover dit niet via het laadtoestel geschiedt; c) c) vermogensmanagement; d) d) bepaling van de laadtoestand; e) e) gelijkmatige spanningsregeling tussen de cellen; f) f) thermomanagement. g) g) vaststelling van slijtage, restcapaciteit, interne weerstand, etc.; h) h) communicatie (bijv. met omvormers en sturing); i) i) authenticatie en identificatie; j) j) historische data. 17. 17. Voor batterijen gelden de leden 1 tot 12 en 16 dienovereenkomstig.
Artikel 10.12
-
-
Schakelborden:
a) Apparaten, schakelaars, zekeringen en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk zijn gerangschikt en ten behoeve van onderhoud en reparatie toegankelijk zijn. Aansluitklemmen voor spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar gescheiden zijn aangebracht en doelmatig gekenmerkt zijn. b) Op de schakelborden moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de stroomkring zijn aangebracht. c) Indien zich achter de deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de onder spanning staande delen van deze apparaten tegen onvoorzien aanraken bij geopende deuren zijn beschermd. d) Materialen van schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar, zelfdovend en niet hygroscopisch zijn. e) Zijn in schakelborden laagspannings- hoogvermogensmeltveiligheden (NH) ingebouwd, dan moeten in de nabijheid van deze schakelborden adequate hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig zijn om de smeltdraden te kunnen vervangen.
-
a) a) Apparaten, schakelaars, zekeringen en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk zijn gerangschikt en ten behoeve van onderhoud en reparatie toegankelijk zijn. Aansluitklemmen voor spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar gescheiden zijn aangebracht en doelmatig gekenmerkt zijn. b) b) Op de schakelborden moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de stroomkring zijn aangebracht. c) c) Indien zich achter de deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de onder spanning staande delen van deze apparaten tegen onvoorzien aanraken bij geopende deuren zijn beschermd. d) d) Materialen van schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar, zelfdovend en niet hygroscopisch zijn. e) e) Zijn in schakelborden laagspannings- hoogvermogensmeltveiligheden (NH) ingebouwd, dan moeten in de nabijheid van deze schakelborden adequate hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig zijn om de smeltdraden te kunnen vervangen. 2. 2. Schakelaars, beveiligingen: Veiligheden moeten met de nominale stroom en de stroomkring zijn aangeduid.
a)
Generator- en afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en overbelasting beveiligd zijn. Daartoe kunnen schakeltoestellen met kortsluit- en overbelastingbeveiliging of smeltveiligheden worden gebruikt.
Stroomkringen van de elektrische aandrijving van stuurinrichtingen overeenkomstig artikel 6.04, alsmede de stuurstroomkringen van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. Indien vermogensschakelaars met een thermische uitschakelinrichting worden toegepast, moeten de thermische uitschakelinrichtingen buiten werking zijn gesteld of op ten minste tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld.
b)
De afgaande groepen van het hoofdschakelbord moeten bij stroomsterkten van meer dan 16 A van last- of vermogensschakelaars zijn voorzien.
c)
Verbruikers die voor de voortstuwing, de stuurinrichting overeenkomstig hoofdstuk 6, de roerstandaanwijzer, de navigatie en de beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed.
d)
Stroomkringen van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn, moeten rechtstreeks vanuit het hoofdschakelbord worden gevoed.
e)
Schakeltoestellen moet volgens de nominale stroom, thermische en dynamische sterkte alsmede het schakelvermogen worden gekozen. Schakelaars moeten alle onder spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De schakelstand moet eenvoudig zichtbaar zijn.
f)
Smeltdraden moeten van het gesloten type zijn en uit keramisch of gelijkwaardig materiaal bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden vervangen.
a) a) Generator- en afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en overbelasting beveiligd zijn. Daartoe kunnen schakeltoestellen met kortsluit- en overbelastingbeveiliging of smeltveiligheden worden gebruikt. Stroomkringen van de elektrische aandrijving van stuurinrichtingen overeenkomstig artikel 6.04, alsmede de stuurstroomkringen van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. Indien vermogensschakelaars met een thermische uitschakelinrichting worden toegepast, moeten de thermische uitschakelinrichtingen buiten werking zijn gesteld of op ten minste tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld. b) b) De afgaande groepen van het hoofdschakelbord moeten bij stroomsterkten van meer dan 16 A van last- of vermogensschakelaars zijn voorzien. c) c) Verbruikers die voor de voortstuwing, de stuurinrichting overeenkomstig hoofdstuk 6, de roerstandaanwijzer, de navigatie en de beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed. d) d) Stroomkringen van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn, moeten rechtstreeks vanuit het hoofdschakelbord worden gevoed. e) e) Schakeltoestellen moet volgens de nominale stroom, thermische en dynamische sterkte alsmede het schakelvermogen worden gekozen. Schakelaars moeten alle onder spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De schakelstand moet eenvoudig zichtbaar zijn. f) f) Smeltdraden moeten van het gesloten type zijn en uit keramisch of gelijkwaardig materiaal bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden vervangen. 3. 3. Meet- en controle-inrichtingen:
a)
Voor generator-, accumulator- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen, die voor een veilig gebruik van de installatie noodzakelijk zijn, aanwezig zijn.
b)
Niet geaarde netten met een spanning boven de 50 V moeten van een doelmatige aardfoutbewakingsinrichting met zowel een optisch als een akoestisch alarm zijn voorzien. Voor secundaire inrichtingen, zoals stuurstroomschakelingen, kan van een aardfoutbewakingsinrichting worden afgezien.
a) a) Voor generator-, accumulator- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen, die voor een veilig gebruik van de installatie noodzakelijk zijn, aanwezig zijn. b) b) Niet geaarde netten met een spanning boven de 50 V moeten van een doelmatige aardfoutbewakingsinrichting met zowel een optisch als een akoestisch alarm zijn voorzien. Voor secundaire inrichtingen, zoals stuurstroomschakelingen, kan van een aardfoutbewakingsinrichting worden afgezien. 4. 4. Opstelling van schakelborden:
a)
Schakelborden moeten in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld, zodanig dat zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd.
Pijpleidingen en luchtkanalen moeten zodanig zijn geplaatst, dat schakelborden bij lekkages geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet vermeden kan worden, mogen de leidingen en kanalen op die plaats geen losneembare koppelingen hebben.
b)
Kasten en nissen waarin open schakeltoestellen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd.
c)
Bij spanningen boven 50 V moeten aan de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of matten liggen.
a) a) Schakelborden moeten in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld, zodanig dat zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd. Pijpleidingen en luchtkanalen moeten zodanig zijn geplaatst, dat schakelborden bij lekkages geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet vermeden kan worden, mogen de leidingen en kanalen op die plaats geen losneembare koppelingen hebben. b) b) Kasten en nissen waarin open schakeltoestellen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd. c) c) Bij spanningen boven 50 V moeten aan de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of matten liggen.
Artikel 10.13
Voor oliebranderinstallaties, olie- en brandstofpompen, olie- en brandstofseparatoren en machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten nooduitschakeltoestellen op een centrale plaats aanwezig zijn.
Artikel 10.14
-
- Kabelinvoeren van apparaten moeten passend zijn voor de afmetingen en het type van de aan te sluiten kabels.
-
- Wandcontactdozen van verdeelsystemen met van elkaar afwijkende spanningen of frequenties moeten van verschillende uitvoering zijn.
-
- Schakelaars moeten alle niet geaarde geleiders van een stroomkring gelijktijdig schakelen. Bij niet geaarde netten zijn in stroomkringen van de verlichting voor verblijven, uitgezonderd was-, bad- en overige natte ruimten, eenpolige schakelaars toegestaan.
-
- Bij stroomsterkten van meer dan 16 A moeten de wandcontactdozen zodanig met een schakelaar worden vergrendeld, dat noch het insteken, noch het uittrekken van de stekker mogelijk is wanneer de contactbussen van de contactdoos onder spanning staan.
Artikel 10.15
-
-
Kabels moeten moeilijk ontvlambaar, zelfdovend en bestendig tegen water en olie zijn. In de verblijven kan de toepassing van andere kabeltypen door de Commissie van deskundigen worden toegestaan, mits deze kabels doeltreffend zijn beschermd, moeilijk ontvlambaar en zelfdovend zijn. Ter vaststelling van het moeilijk ontvlambaar zijn van elektrische kabels moet hetzij
a) aan de vereisten van de Europese normenreeks EN 60332-1 en EN 60332-3 in de op 6 juli 2017 geldende versies of b) aan gelijkwaardige voorschriften van een van de lidstatenworden voldaan. a) a) aan de vereisten van de Europese normenreeks EN 60332-1 en EN 60332-3 in de op 6 juli 2017 geldende versies of b) b) aan gelijkwaardige voorschriften van een van de lidstaten
-
-
- Voor kracht- en verlichtingsinstallaties moeten de aders van de kabels een doorsnede van ten minste 1,5 mm^2 hebben.
-
- De metalen bewapening, afscherming en mantels van kabels mogen bij normaal gebruik niet als geleider of aardleiding dienen.
-
- Metalen bewapeningen en mantels van kabels van kracht- en verlichtingsinstallaties moeten ten minste aan één uiteinde geaard zijn.
-
- De doorsnede van de geleiders moet in overeenstemming zijn met de ten hoogste toegestane geleidertemperatuur (toelaatbare stroomsterkte) alsmede met het toelaatbare spanningsverlies. Dit spanningsverlies, optredend tussen het hoofdschakelbord en het meest ongunstige punt van de installatie, mag bij verlichtingsinstallaties niet meer dan 5% en voor kracht- en verwarmingsinstallaties niet meer dan 7% van de nominale spanning bedragen.
-
- Kabels moeten tegen het gevaar van mechanische beschadigingen beschermd zijn.
-
- Kabelbevestigingen moeten tegen mechanische belasting en tegen trekbelasting beschermd zijn.
-
- De doorvoeringen van kabels door schotten of dekken mogen de sterkte, dichtheid en de vereiste brandwerende eigenschappen (o.a. het niet brandbaar zijn, moeilijk ontbrandbaar zijn of brandbestendigheid) van de schotten of de dekken niet nadelig beïnvloeden.
-
-
De uiteinden en verbindingen van alle leidingen moeten zo zijn vervaardigd dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, en de vereiste brandwerende eigenschappen (o.a. het niet brandbaar zijn, moeilijk ontbrandbaar zijn of brandbestendigheid) van de kabel gehandhaafd blijven. Hieraan is voldaan wanneer de uiteinden en verbindingen voldoen aan
a) de internationale norm IEC 60092-352 : 2005 nummer 3.28 in verbinding met Bijlage D van de norm of b) een door de lidstaten als gelijkwaardig erkend voorschrift of norm.Het aantal kabelverbindingen moet tot een minimum worden beperkt. Bij gerepareerde of vervangen kabels wordt geacht aan de vereisten van de eerste zin te zijn voldaan indien de kabelverbindingen voldoen aan de internationale norm IEC 60092-352 : 2005 nummer 3.28 in verbinding met bijlage D van de norm of aan een door een lidstaat als gelijkwaardig erkend voorschrift. a) a) de internationale norm IEC 60092-352 : 2005 nummer 3.28 in verbinding met Bijlage D van de norm of b) b) een door de lidstaten als gelijkwaardig erkend voorschrift of norm.
-
-
Kabels die naar in de hoogte verstelbare stuurhuizen worden gevoerd, moeten voldoende buigzaam zijn en van een isolatie zijn voorzien die voldoende buigzaam blijft tot een temperatuur van - 20 °C, alsmede bestand zijn tegen de inwerking van dampen, ultraviolette straling en ozon.
-
De doorvoeringen van kabelbundels mogen de brandwerende eigenschappen van de afscheidingen niet nadelig beïnvloeden. Hieraan is voldaan wanneer de kabels voldoen aan de bepalingen van de Europese normenreeks EN 60332-3 in de op 6 juli 2017 geldende versie, of voldoen aan door een lidstaat als gelijkwaardig erkende voorschriften. Indien dit niet het geval is, moeten in lange doorvoeringen van kabelbundels (meer dan 6 m verticaal en 14 m horizontaal) brandwerende voorzieningen worden getroffen, voor zover de kabels niet volledig door kabelschachten omhuld zijn.
-
Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden, moeten zoveel mogelijk in veilige zones worden gelegd.
-
In zones met een verhoogde omgevingstemperatuur, moet de aanwezigheid van kabels worden vermeden. Indien dit niet mogelijk is,
a) moet bij de bepaling van de toelaatbare stroomsterkte rekening worden gehouden met de omgevingstemperaturen, of b) moeten de kabels tegen beschadiging door hitte en vuur worden beschermd.
a) a) moet bij de bepaling van de toelaatbare stroomsterkte rekening worden gehouden met de omgevingstemperaturen, of b) b) moeten de kabels tegen beschadiging door hitte en vuur worden beschermd. 14. 14. Hoofd- en noodstroomverzorgingskabels mogen niet door dezelfde ruimte worden gelegd. De Commissie van deskundigen kan een uitzondering hierop toestaan, wanneer
a)
de hoofd- en noodstroomverzorgingskabels zo ver mogelijk van elkaar worden gelegd of
b)
de noodstroomverzorgingskabels brandbestendig zijn. Hieraan is voldaan wanneer zij voldoen aan de eisen van de internationale normenreeks IEC 60331 in de op 6 juli 2017 geldende versie.
a) a) de hoofd- en noodstroomverzorgingskabels zo ver mogelijk van elkaar worden gelegd of b) b) de noodstroomverzorgingskabels brandbestendig zijn. Hieraan is voldaan wanneer zij voldoen aan de eisen van de internationale normenreeks IEC 60331 in de op 6 juli 2017 geldende versie.
Artikel 10.16
-
- Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn aangebracht, dat brandbare voorwerpen of constructiedelen niet door de uitgestraalde warmte in brand kunnen geraken.
-
- De verlichtingsarmaturen op het open dek moeten zodanig zijn geplaatst, dat de waarneembaarheid van de navigatielichten niet nadelig wordt beïnvloed.
-
- Indien in een machinekamer of een ketelruim twee of meer lichtpunten zijn aangebracht, moeten deze over ten minste twee stroomkringen zijn verdeeld. Dit geldt eveneens voor ruimten waarin koelmachines, hydraulische inrichtingen of elektromotoren zijn geplaatst.
Artikel 10.17
-
- Schakelborden voor navigatielantaarns moeten in het stuurhuis zijn geïnstalleerd. Zij moeten door een aparte kabel vanaf het hoofdschakelbord worden gevoed of door twee van elkaar onafhankelijke onderverdelingen kunnen worden verzorgd.
-
- Elke navigatielantaarn moet vanaf het navigatieschakelbord afzonderlijk gevoed, beveiligd en geschakeld kunnen worden.
-
- Het uitvallen van de controle-inrichtingen als bedoeld in artikel 7.05, tweede lid, mag de werking van de bijbehorende navigatielantaarns niet nadelig beïnvloeden.
-
- Dicht bijeen geplaatste, bij elkaar behorende navigatielantaarns mogen gemeenschappelijk worden gevoed, beveiligd en geschakeld. De controle-inrichting moet dan echter het uitvallen van één der lantaarns kunnen signaleren. Twee in één armatuur boven elkaar geplaatste navigatielantaarns mogen niet gelijktijdig ingeschakeld kunnen zijn.
Artikel 10.18
-
- Elk systeem dat deel uitmaakt van de vermogenselektronica moet afzonderlijk van het net kunnen worden gescheiden. Bij verbruikers met een nominale stroom tot 315 A is een combinatie van zekering en bescherming toegestaan. In alle andere gevallen moet binnen het net een vermogensschakelaar worden voorzien.
-
- De vermogenselektronica moet voor reparaties en metingen goed toegankelijk zijn. Voor een controle van de werking en het opsporen van storingen moeten dienovereenkomstige voorzieningen worden getroffen.
-
- De regel- en signaalelektronica moet galvanisch van de hoofdstroomkringen gescheiden zijn.
-
- Stroomomvormers moeten ook bij de maximaal toelaatbare spannings- en frequentieschommelingen een veilig gebruik waarborgen. Bij ontoelaatbaar hoge frequentie- en/of spanningsafwijkingen in de stroomverzorging moet het systeem uitschakelen of in een veilige bedrijfstoestand blijven.
-
- Elektrische lading in bouwgroepen moet na loskoppeling van het net in minder dan 5 seconden terugvallen op een spanning onder de 50 V. Indien een langere ontladingstijd vereist is, moet op het toestel een waarschuwingsplaatje zijn aangebracht.
-
- Het wegvallen van externe sturingssignalen mag niet tot een gevaarlijke situatie leiden.
-
- De vermogenselektronica moet zodanig voorzien en ingebouwd zijn dat het wegvallen van de voor de sturing vereiste spanning geen gevaren voor of schade aan de installatie of het apparaat waarin de vermogenselektronica is ingebouwd of de algehele installatie veroorzaakt.
-
- Bij installaties die voor de aandrijving en manoeuvreerbaarheid van het vaartuig, alsook voor de veiligheid van de bemanning, het vaartuig of de lading onontbeerlijk zijn, moeten voor de bewaking van de afzonderlijke bouwgroepen van de vermogenselektronica en systeemonderdelen componenten worden voorzien die een opsporing van storingen mogelijk maken en het optreden van niet onderkende fouten voorkomen.
-
- De vermogenselektronica moet over zodanige bewakingsfuncties beschikken dat fouten feilloos worden opgespoord en niet onderkende fouten worden voorkomen.
-
Artikel 10.19
Alarm- en beveiligingssystemen voor controle en beveiliging van werktuigbouwkundige inrichtingen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
-
- Alarmsystemen: Alarmsystemen moeten zodanig worden uitgevoerd, dat fouten in het alarmsysteem niet tot uitval van het te controleren apparaat of de te controleren installatie kunnen leiden. Binaire gevers moeten volgens het ruststroomprincipe of als bewaakt arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd. Optische alarmsignalen moeten zichtbaar blijven totdat de desbetreffende storing is opgeheven. Een geaccepteerd alarmsignaal moet onderscheiden kunnen worden van een niet geaccepteerd alarmsignaal. Elk alarmsignaal moet ook akoestisch worden gemeld. Akoestische alarmsignalen moeten kunnen worden uitgeschakeld. Door het uitschakelen van een akoestisch alarmsignaal mag het inwerkingtreden van een door nieuwe oorzaken geactiveerd alarmsignaal niet worden verhinderd. Bij alarminstallaties met minder dan vijf meetpunten kan met goedkeuring van de Commissie van deskundigen hiervan worden afgeweken.
-
- Beveiligingssystemen: Beveiligingssystemen moeten zodanig worden uitgevoerd, dat zij voor het bereiken van kritieke bedrijfstoestanden de bedreigde installatie uitschakelen, reduceren of op een permanent bezette post daartoe oproepen. Binaire gevers moeten volgens het arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd. Indien beveiligingssystemen niet van een eigen controlesysteem zijn voorzien, moet het functioneren van deze systemen kunnen worden getest. Beveiligingssystemen moeten onafhankelijk van andere systemen worden uitgevoerd.
Artikel 10.20
-
- Algemeen De in het tweede lid gestelde testvoorwaarden zijn uitsluitend van toepassing op elektronische apparaten die voor stuurinrichtingen en machine-installaties voor de voortbeweging van het vaartuig, met inbegrip van de daarbij behorende randapparatuur, benodigd zijn.
-
-
Testvoorwaarden
a) De volgende testbelastingen mogen niet leiden tot schade aan of verkeerd functioneren van elektronische apparaten. De tests overeenkomstig de desbetreffende internationale normen (zoals IEC 60092-504 : 2016) moeten, met uitzondering van de koudetest, met een ingeschakeld apparaat worden uitgevoerd, waarbij de functie moet worden getest. b) Spannings- en frequentieafwijkingen: eenheid afwijkingen blijvend kortstondig Algemeen frequentie spanning ± 5% ± 10% ± 10% 5 s ± 20% 1,5 s Accumulatorwerking spanning + 30% / – 25% – c) Warmtetest: Het te testen apparaat wordt binnen een half uur tot op 55 °C opgewarmd en wordt na het bereiken van deze temperatuur gedurende 16 uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt een functietest uitgevoerd. d) Koudetest: Het te testen apparaat wordt in uitgeschakelde toestand tot op – 25 °C afgekoeld en gedurende twee uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt de temperatuur tot op 0 °C verhoogd en een functietest uitgevoerd. e) Trillingstest: Trillingstests moeten bij de resonantiefrequentie van het apparaat of het onderdeel in de drie richtingsassen voor de duur van telkens 90 minuten worden uitgevoerd. Indien geen bijzondere resonantie wordt geconstateerd, vindt de trillingstest plaats bij 30 Hz. De trillingstest wordt uitgevoerd met een sinusvormige slingering tussen de volgende grenzen: Algemeen: *f* = 2,0 tot 13,2 Hz; a = ± 1 mm (amplitude *f* = ½ slingerbreedte) *f* = 13,2 Hz tot 100 Hz: versnelling ± 0,7 g. Functionele apparaten voor montage op verbrandingsmotoren of stuurmachines moeten als volgt worden getest: *f* = 2,0 tot 25 Hz; *a* = ± 1,6 mm (amplitude *a* = ½ slingerbreedte) *f* = 25 Hz tot 100 Hz; versnelling ± 4 g. Voelers voor montage in uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren kunnen worden blootgesteld aan beduidend hogere belastingen. Hiermee moet bij de tests rekening worden gehouden.
-
a) a) De volgende testbelastingen mogen niet leiden tot schade aan of verkeerd functioneren van elektronische apparaten. De tests overeenkomstig de desbetreffende internationale normen (zoals IEC 60092-504 : 2016) moeten, met uitzondering van de koudetest, met een ingeschakeld apparaat worden uitgevoerd, waarbij de functie moet worden getest. b) b) Spannings- en frequentieafwijkingen:
eenheid
afwijkingen
blijvend
kortstondig
Algemeen
frequentie
spanning
± 5%
± 10%
± 10% 5 s
± 20% 1,5 s
Accumulatorwerking
spanning
+ 30% / – 25%
–
c) c) Warmtetest: Het te testen apparaat wordt binnen een half uur tot op 55 °C opgewarmd en wordt na het bereiken van deze temperatuur gedurende 16 uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt een functietest uitgevoerd. d) d) Koudetest: Het te testen apparaat wordt in uitgeschakelde toestand tot op – 25 °C afgekoeld en gedurende twee uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt de temperatuur tot op 0 °C verhoogd en een functietest uitgevoerd. e) e) Trillingstest: Trillingstests moeten bij de resonantiefrequentie van het apparaat of het onderdeel in de drie richtingsassen voor de duur van telkens 90 minuten worden uitgevoerd. Indien geen bijzondere resonantie wordt geconstateerd, vindt de trillingstest plaats bij 30 Hz. De trillingstest wordt uitgevoerd met een sinusvormige slingering tussen de volgende grenzen: Algemeen:
*f* = 2,0 tot 13,2 Hz; a = ± 1 mm
(amplitude *f* = ½ slingerbreedte)
*f* = 13,2 Hz tot 100 Hz: versnelling ± 0,7 g.
Functionele apparaten voor montage op verbrandingsmotoren of stuurmachines moeten als volgt worden getest:
*f* = 2,0 tot 25 Hz; *a* = ± 1,6 mm
(amplitude *a* = ½ slingerbreedte)
*f* = 25 Hz tot 100 Hz; versnelling ± 4 g.
Voelers voor montage in uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren kunnen worden blootgesteld aan beduidend hogere belastingen. Hiermee moet bij de tests rekening worden gehouden.
-
- Tests van de elektromagnetische verdraagbaarheid moeten op basis van de Europese normen EN 61000-4-2 : 2009, EN 61000-4-3 : 2010, EN 61000-4-4 : 2012, met het testniveau 3 worden uitgevoerd.
-
- Het bewijs dat de apparaten voldoen aan deze testvoorwaarden moet door de fabrikant worden geleverd. Als bewijs geldt ook een verklaring van een erkend classificatiebureau.
Artikel 10.21
Elektrische en elektronische installaties mogen niet door elektromagnetische verstoringen in hun functioneren worden gehinderd. Algemene maatregelen dienen betrekking te hebben op:
a) a) de ontkoppeling van de overdrachtswegen tussen de storingsbron en het aan storing blootstaande apparaat; b) b) het onderdrukken van de stooroorzaken van de storingsbron; c) c) de vermindering van de stoorgevoeligheid van het aan storing blootstaande apparaat.
Hoofdstuk 11. Elektrische aandrijvingen
Hoofdstuk 12. Elektronische apparatuur en systemen
Hoofdstuk 13. Uitrusting
Artikel 13.01
-
-
Schepen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, met uitzondering van zeeschipbakken met een lengte L van ten hoogste 40 m, moeten zijn uitgerust met boegankers, waarvan de totale massa P wordt berekend met behulp van de volgende formule:
P = k • B • T [kg] In deze formule betekent:
k: een coëfficiënt die rekening houdt met de verhouding tussen de lengte L en de breedte B en met het soort vaartuig:
Voor duwbakken wordt k gelijkgesteld aan c;
c een ervaringscoëfficiënt overeenkomstig de volgende tabel:
Laadvermogen [t] Ervaringscoëfficiënt c tot en met 400 45 400 tot en met 650 55 650 tot en met 1.000 65 meer dan 1.000 70De Commissie van deskundigen kan toestaan dat op schepen met een laadvermogen van ten hoogste 400 t, die vanwege hun constructie en bestemming slechts op bepaalde korte riviergedeelten worden ingezet, voor de boegankers slechts 2/3 van de totale massa P vereist is.
-
-
a)
Passagiersschepen en schepen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, met uitzondering van duwboten, moeten zijn uitgerust met boegankers waarvan de totale massa *P* volgens de volgende formule wordt berekend:
*P* • *k* • *B* • *T* [*kg*]
b)
In afwijking van onderdeel a en rekening houdend met de in de lidstaten geldende politievoorschriften op sommige gedeelten van het vaarwater,voor passagiersschepen waarvoor de totale massa *P* van de boegankers is berekend volgens de volgende formule, moet in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 worden vermeld dat de totale massa van de boegankers voldoet aan de voorschriften van artikel 13.01, tweede lid, onderdeel b:
*P* • *k* • *B* • *T* + 4 *Af* [*kg*]
In deze formules betekent:
*k* de coëfficiënt als bedoeld in het eerste lid; bij het vaststellen van de ervaringscoëfficiënt *c* moet evenwel de in het binnenschipcertificaat vermelde waterverplaatsing in m^3 in plaats van het laadvermogen in aanmerking worden genomen;
*A*
_f het frontale windvangend oppervlak in m^2.
a) a) Passagiersschepen en schepen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, met uitzondering van duwboten, moeten zijn uitgerust met boegankers waarvan de totale massa P volgens de volgende formule wordt berekend:
*P* • *k* • *B* • *T* [*kg*]
b) b) In afwijking van onderdeel a en rekening houdend met de in de lidstaten geldende politievoorschriften op sommige gedeelten van het vaarwater,voor passagiersschepen waarvoor de totale massa P van de boegankers is berekend volgens de volgende formule, moet in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 worden vermeld dat de totale massa van de boegankers voldoet aan de voorschriften van artikel 13.01, tweede lid, onderdeel b:
*P* • *k* • *B* • *T* + 4 *Af* [*kg*]
In deze formules betekent:
*k* de coëfficiënt als bedoeld in het eerste lid; bij het vaststellen van de ervaringscoëfficiënt *c* moet evenwel de in het binnenschipcertificaat vermelde waterverplaatsing in m^3 in plaats van het laadvermogen in aanmerking worden genomen;
*A*
_f het frontale windvangend oppervlak in m^2.
-
-
Schepen als bedoeld in lid 1 waarvan de grootste lengte L 86 m of minder bedraagt, moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 25% bedraagt van de massa P. Schepen waarvan de grootste lengte L meer dan 86 m bedraagt, moeten echter zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 50% bedraagt van de massa P als bedoeld in het eerste of het tweede lid. Geen hekankers behoeven te hebben:
a) schepen waarvoor de totale massa van de hekankers minder dan 150 kg zou bedragen; voor schepen als bedoeld in het eerste lid, laatste alinea, moet daarbij worden uitgegaan van de gereduceerde massa van het boeganker; b) duwbakken.
-
a) a) schepen waarvoor de totale massa van de hekankers minder dan 150 kg zou bedragen; voor schepen als bedoeld in het eerste lid, laatste alinea, moet daarbij worden uitgegaan van de gereduceerde massa van het boeganker; b) b) duwbakken. 4. 4. Schepen die zijn bestemd voor het voortbewegen van hechte samenstellen met een lengte L van niet meer dan 86 m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 25% bedraagt van de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt berekend voor de in het binnenschipcertificaat toegestane samenstellingen (als nautische eenheid beschouwd). Schepen die zijn bestemd voor het voortbewegen in afvaart van hechte samenstellen met een lengte L van meer dan 86 m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 50% bedraagt van de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt berekend voor de in het binnenschipcertificaat toegestane samenstellingen (als nautische eenheid beschouwd). 5. 5. De volgens het eerste tot en met het vierde lid berekende massa's van de ankers mogen bij bepaalde bijzondere ankers worden verminderd. 6. 6. De voor boegankers voorgeschreven totale massa P kan worden verdeeld over één of twee ankers. De totale massa mag 15% minder zijn, indien het schip slechts met één boeganker is uitgerust en de ankerkluis zich op hart schip bevindt. De voor hekankers voorgeschreven totale massa P mag bij duwboten en schepen met een lengte L van meer dan 86 m worden verdeeld over één of twee ankers. De massa van het lichtste anker mag niet minder dan 45% van deze totale massa bedragen. 7. 7. Gietijzeren ankers zijn niet toegelaten. 8. 8. Op ieder anker moet de massa duurzaam in letters en cijfers in reliëf zijn aangegeven. 9. 9. Voor ankers met een massa van meer dan 50 kg zijn ankerlieren vereist. 10. 10. Boegankerkettingen moeten ten minste de volgende lengte hebben:
a)
40 m voor schepen met een lengte *L* van 30 m of minder;
b)
10 m meer dan de lengte *L* van het schip, wanneer deze tussen 30 en 50 m ligt;
c)
60 m voor schepen met een lengte *L* van meer dan 50 m.
De kettingen van de hekankers moeten ten minste 40 m lang zijn. Schepen die kop vóór moeten kunnen stoppen, moeten evenwel hekankerkettingen van ten minste 60 m lengte hebben.
a) a) 40 m voor schepen met een lengte L van 30 m of minder; b) b) 10 m meer dan de lengte L van het schip, wanneer deze tussen 30 en 50 m ligt; c) c) 60 m voor schepen met een lengte L van meer dan 50 m. 11. 11. De minimumbreeksterkte R van een ankerketting wordt met behulp van de volgende formules berekend:
a)
bij ankers met een massa tot en met 500 kg:
*R* = 0,35 • *P'* [*kN*]
b)
bij ankers met een massa van meer dan 500 t/m 2.000 kg:
c)
bij ankers met een massa van meer dan 2.000 kg:
*R* = 0,25 • *P'* [*kN*]
In deze formules betekent:
*P'*: de overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid bepaalde theoretische massa van het betreffende anker.
De breeksterkte van de ankerkettingen wordt bepaald aan de hand van de daarvoor in een van de lidstaten geldende normen.
a) a) bij ankers met een massa tot en met 500 kg:
*R* = 0,35 • *P'* [*kN*]
b) b) bij ankers met een massa van meer dan 500 t/m 2.000 kg: c) c) bij ankers met een massa van meer dan 2.000 kg:
*R* = 0,25 • *P'* [*kN*]
In deze formules betekent:
*P'*: de overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid bepaalde theoretische massa van het betreffende anker.
De breeksterkte van de ankerkettingen wordt bepaald aan de hand van de daarvoor in een van de lidstaten geldende normen.
Artikel 13.02
-
-
Ten minste de volgende uitrustingsstukken overeenkomstig de in één van de lidstaten van kracht zijnde scheepvaartpolitiereglementen moeten aan boord aanwezig zijn:
a) marifooninstallatie; b) apparaten en installaties die nodig zijn voor het geven van de voorgeschreven licht- en geluidsseinen, alsmede voor het voeren en tonen van de optische tekens; c) onafhankelijk van het aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten ter vervanging van de voor het stilliggen voorgeschreven lichten.
-
a) a) marifooninstallatie; b) b) apparaten en installaties die nodig zijn voor het geven van de voorgeschreven licht- en geluidsseinen, alsmede voor het voeren en tonen van de optische tekens; c) c) onafhankelijk van het aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten ter vervanging van de voor het stilliggen voorgeschreven lichten. 2. 2. Bovendien moeten ten minste de volgende verzamelreservoirs aanwezig zijn:
a)
als zodanig aangeduide verzamelreservoirs voor huisvuil;
b)
een als zodanig aangeduid verzamelreservoir van staal of van ander stootvast brandbestendig materiaal met sluitend deksel van voldoende grootte, maar ten minste 10 liter inhoud, voor het verzamelen van:
aa)
oliehoudende poetslappen;
bb)
vast klein chemisch afval;
cc)
vloeibaar klein chemisch afval;
en, voor zover dit geproduceerd kan worden, voor het verzamelen van
dd)
slops;
ee)
overig vethoudend scheepsbedrijfsafval.
a) a) als zodanig aangeduide verzamelreservoirs voor huisvuil; b) b) een als zodanig aangeduid verzamelreservoir van staal of van ander stootvast brandbestendig materiaal met sluitend deksel van voldoende grootte, maar ten minste 10 liter inhoud, voor het verzamelen van:
aa)
oliehoudende poetslappen;
bb)
vast klein chemisch afval;
cc)
vloeibaar klein chemisch afval;
en, voor zover dit geproduceerd kan worden, voor het verzamelen van
dd)
slops;
ee)
overig vethoudend scheepsbedrijfsafval.
aa) aa) oliehoudende poetslappen; bb) bb) vast klein chemisch afval; cc) cc) vloeibaar klein chemisch afval; dd) dd) slops; ee) ee) overig vethoudend scheepsbedrijfsafval. 3. 3. Voorts moeten ten minste aanwezig zijn:
a)
stalen trossen voor het meren:
Ieder schip moet zijn uitgerust met 3 stalen trossen voor het meren. De minimumlengte daarvan moet bedragen:
1ste tros: *L* + 20 *m*, echter niet meer dan 100 m,
2de tros: 2/3 van de eerste tros,
3de tros: 1/3 van de eerste tros.
Bij schepen met een lengte *L* van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven.
Deze trossen moeten berekend zijn op een minimumbreeksterkte *Rs* die met behulp van de volgende formule wordt vastgesteld:
Voor de voorgeschreven stalen trossen moet zich een keuringsbewijs volgens de Europese norm EN 10204 : 2004, model 3.1, aan boord bevinden.
Deze trossen mogen worden vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte. De minimumbreeksterkte voor deze kabels moet in een verklaring worden aangetekend.
b)
trossen voor het slepen:
Sleepboten moeten zijn uitgerust met een bij hun functie passend aantal trossen.
De hoofdtros moet echter ten minste 100 m lang zijn en een breeksterkte hebben in kN die overeenkomt met ten minste een derde van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en).
Motorschepen en duwboten die mogen slepen moeten ten minste zijn uitgerust met een sleeptros van 100 m lengte, waarvan de breeksterkte in kN overeenkomt met ten minste een kwart van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en);
c)
een werplijn;
d)
een loopplank, ten minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zijkanten door een lichte streep zijn gemarkeerd; deze loopplank moet van een leuning zijn voorzien. Voor kleine schepen kan de Commissie van deskundigen kortere loopplanken toelaten;
e)
een bootshaak;
f)
een geschikte verbandtrommel met een inhoud overeenkomstig een norm van een van de lidstaten. De verbandtrommel moet in een verblijf of in het stuurhuis worden bewaard en zo zijn opgeborgen dat hij indien nodig gemakkelijk en zeker kan worden bereikt. Indien verbandtrommels aan het zicht zijn onttrokken moet de afdekking zijn gemarkeerd met een symbool voor verbandtrommels overeenkomstig schets 8 van bijlage 4 met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm;
g)
een verrekijker, 7 x 50 of een grotere lensdiameter;
h)
een bord met aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen;
i)
een vanaf de stuurstelling bedienbare schijnwerper.
a) a) stalen trossen voor het meren: Ieder schip moet zijn uitgerust met 3 stalen trossen voor het meren. De minimumlengte daarvan moet bedragen: 1ste tros: L + 20 m, echter niet meer dan 100 m, 2de tros: 2/3 van de eerste tros, 3de tros: 1/3 van de eerste tros. Bij schepen met een lengte L van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven. Deze trossen moeten berekend zijn op een minimumbreeksterkte Rs die met behulp van de volgende formule wordt vastgesteld:
Voor de voorgeschreven stalen trossen moet zich een keuringsbewijs volgens de Europese norm EN 10204 : 2004, model 3.1, aan boord bevinden.
Deze trossen mogen worden vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte. De minimumbreeksterkte voor deze kabels moet in een verklaring worden aangetekend.
b) b) trossen voor het slepen: Sleepboten moeten zijn uitgerust met een bij hun functie passend aantal trossen. De hoofdtros moet echter ten minste 100 m lang zijn en een breeksterkte hebben in kN die overeenkomt met ten minste een derde van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en). Motorschepen en duwboten die mogen slepen moeten ten minste zijn uitgerust met een sleeptros van 100 m lengte, waarvan de breeksterkte in kN overeenkomt met ten minste een kwart van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en); c) c) een werplijn; d) d) een loopplank, ten minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zijkanten door een lichte streep zijn gemarkeerd; deze loopplank moet van een leuning zijn voorzien. Voor kleine schepen kan de Commissie van deskundigen kortere loopplanken toelaten; e) e) een bootshaak; f) f) een geschikte verbandtrommel met een inhoud overeenkomstig een norm van een van de lidstaten. De verbandtrommel moet in een verblijf of in het stuurhuis worden bewaard en zo zijn opgeborgen dat hij indien nodig gemakkelijk en zeker kan worden bereikt. Indien verbandtrommels aan het zicht zijn onttrokken moet de afdekking zijn gemarkeerd met een symbool voor verbandtrommels overeenkomstig schets 8 van bijlage 4 met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm; g) g) een verrekijker, 7 x 50 of een grotere lensdiameter; h) h) een bord met aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen; i) i) een vanaf de stuurstelling bedienbare schijnwerper. 4. 4. Op schepen waarvan de hoogte van het boord boven de waterlijn bij ledig schip meer dan 1,50 m bedraagt moet een buitenboordtrap of -ladder aanwezig zijn.
Artikel 13.03
-
-
Op de volgende plaatsen moet telkens één draagbaar blustoestel overeenkomstig de Europese normen EN 3-7 : 2007 en EN 3-8 : 2007 aanwezig zijn:
a) in het stuurhuis; b) in de nabijheid van iedere toegang van het dek naar de verblijven; c) in de nabijheid van iedere toegang tot niet van de verblijven uit toegankelijke bedrijfsruimten waarin zich verwarmings-, kook-, of koelinstallaties bevinden, die op vaste of vloeibare brandstoffen werken dan wel op vloeibaar gas; d) bij iedere toegang tot machinekamers of ketelruimen; e) op geschikte plaatsen benedendeks in de machinekamers en ketelruimen, en wel zodanig dat de afstand tot een brandblusapparaat vanaf geen enkel punt van deze ruimten meer dan tien meter bedraagt.
-
a) a) in het stuurhuis; b) b) in de nabijheid van iedere toegang van het dek naar de verblijven; c) c) in de nabijheid van iedere toegang tot niet van de verblijven uit toegankelijke bedrijfsruimten waarin zich verwarmings-, kook-, of koelinstallaties bevinden, die op vaste of vloeibare brandstoffen werken dan wel op vloeibaar gas; d) d) bij iedere toegang tot machinekamers of ketelruimen; e) e) op geschikte plaatsen benedendeks in de machinekamers en ketelruimen, en wel zodanig dat de afstand tot een brandblusapparaat vanaf geen enkel punt van deze ruimten meer dan tien meter bedraagt. 2. 2. Als draagbare blustoestellen, voorgeschreven in lid 1, mogen slechts poederblussers worden gebruikt met een inhoud van ten minste 6 kg dan wel andere draagbare blustoestellen met eenzelfde bluscapaciteit. Zij moeten geschikt zijn voor de brandklassen A, B en C. Afwijkend daarvan zijn op schepen waarop geen vloeibaargasinstallaties zijn geïnstalleerd, sproeischuimbrandblussers met tot – 20 °C vorstvrije blusmiddelen bestaande uit water met AFFF-AR-schuim (Aqua Film Forming Foam) toegestaan, ook wanneer deze niet voor de brandklasse C geschikt zijn. De minimuminhoud van deze brandblussers moet 9 liter bedragen. Alle brandblussers moeten voor het blussen van branden in elektrische installaties tot 1.000 V geschikt zijn. 3. 3. Daarnaast mogen poederblussers, blussers met vloeibare inhoud of schuimblussers worden gebruikt indien deze ten minste geschikt zijn voor die brandklasse, welke in de ruimte waarvoor het toestel bestemd is het meest waarschijnlijk is. 4. 4. Draagbare blustoestellen die als blusmiddel CO_2 bevatten mogen slechts voor het blussen van branden in keukens en elektrische inrichtingen worden aangewend. De inhoud van deze blustoestellen mag niet meer bedragen dan 1 kg voor iedere 15 m^3 van de ruimte waarin zij worden bewaard en gebruikt. 5. 5. Draagbare blustoestellen moeten ten minste iedere twee jaar door een deskundige worden gekeurd. Hiervan moet een kenmerking op het blustoestel worden aangebracht, ondertekend door de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is aangegeven. 6. 6. Wanneer draagbare blustoestellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken ‘brandblusapparaat’ met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 3 van bijlage 4.
Artikel 13.04
-
- In verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten mogen, ter bescherming van deze ruimten, slechts geschikte, automatisch werkende sprinklerinstallaties als vast ingebouwde brandblusinstallaties worden geïnstalleerd.
-
- Deze installaties mogen slechts door deskundige bedrijven worden ingebouwd of omgebouwd.
-
- Deze installaties moeten van staal of van gelijkwaardig niet brandbaar materiaal zijn gebouwd.
-
- Deze installaties moeten over de oppervlakken van de grootste te beschermen ruimte ten minste een hoeveelheid water van 5 l/m^2 per minuut kunnen sproeien.
-
- Installaties die een kleinere hoeveelheid water sproeien moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond van de IMO-Resolutie A.800 (19)11IMO Resolution A.800 (19) aangenomen op 23 november 1995 – Revised Guidelines for Approval of Sprinkler Systems Equivalent to that referred to in SOLAS Regulation II-2/12. of een andere door één van de lidstaten erkende norm. De typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2005.
-
-
De installaties moeten door een erkend deskundige worden gekeurd:
a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; c) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en d) met regelmaat en ten minste elke twee jaar.Keuringen overeenkomstig onderdeel d kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. a) a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; c) c) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en d) d) met regelmaat en ten minste elke twee jaar.
-
-
-
Bij de keuring, bedoeld in het zesde lid, moet de erkend deskundige of deskundige controleren of de installaties aan de eisen van dit artikel voldoen. De keuring moet ten minste bestaan uit:
a) inspectie van de buitenkant van de installatie als geheel; b) controle van de bedrijfszekerheid van de veiligheidssystemen en de sproeikoppen; c) controle van het systeem van druktanks en pompen.
-
a) a) inspectie van de buitenkant van de installatie als geheel; b) b) controle van de bedrijfszekerheid van de veiligheidssystemen en de sproeikoppen; c) c) controle van het systeem van druktanks en pompen. 8. 8. Met betrekking tot de keuring moet een door de erkend deskundige of deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt. 9. 9. Het aantal van de aanwezige installaties moet in het binnenschipcertificaat worden aangetekend.
Artikel 13.05
-
-
Blusmiddelen In machinekamers, ketelruimen en pompkamers mogen, ter bescherming van deze ruimten, in vast ingebouwde brandblusinstallaties de volgende blusmiddelen worden gebruikt:
a) CO_2 (koolstofdioxide); b) HFC-227ea (heptafluorpropaan); c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% koolstofdioxide); d) FK-5-1-12 (dodecafluoro-2-methylpentane-3-on); e) water.
-
a) a) CO_2 (koolstofdioxide); b) b) HFC-227ea (heptafluorpropaan); c) c) IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% koolstofdioxide); d) d) FK-5-1-12 (dodecafluoro-2-methylpentane-3-on); e) e) water. 2. 2. Ventilatie, luchtaanzuiging
a)
Verbrandingslucht voor de voor de vaart benodigde verbrandingsmotoren mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Dit is niet van toepassing wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer beschikbaar is, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd.
b)
Een mechanische ventilatie van de te beschermen ruimte, indien aanwezig, moet bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld.
c)
Er moeten middelen beschikbaar zijn waarmee alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte, snel kunnen worden gesloten. De gesloten toestand moet duidelijk herkenbaar zijn.
d)
De lucht die via de overdrukventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet naar buiten worden gevoerd.
e)
De bij het binnenstromen van het blusmiddel ontstane over- of onderdruk mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden.
f)
Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel en het brandgas af te zuigen. Dergelijke afzuiginrichtingen moeten vanaf een plek buiten de beschermde ruimten kunnen worden bediend. Die plek mag door een brand in die ruimten niet ontoegankelijk worden. Indien vast geïnstalleerde afzuiginrichtingen aanwezig zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld.
a) a) Verbrandingslucht voor de voor de vaart benodigde verbrandingsmotoren mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Dit is niet van toepassing wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer beschikbaar is, waardoor in geval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd. b) b) Een mechanische ventilatie van de te beschermen ruimte, indien aanwezig, moet bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld. c) c) Er moeten middelen beschikbaar zijn waarmee alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte, snel kunnen worden gesloten. De gesloten toestand moet duidelijk herkenbaar zijn. d) d) De lucht die via de overdrukventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet naar buiten worden gevoerd. e) e) De bij het binnenstromen van het blusmiddel ontstane over- of onderdruk mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden. f) f) Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel en het brandgas af te zuigen. Dergelijke afzuiginrichtingen moeten vanaf een plek buiten de beschermde ruimten kunnen worden bediend. Die plek mag door een brand in die ruimten niet ontoegankelijk worden. Indien vast geïnstalleerde afzuiginrichtingen aanwezig zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld. 3. 3. Brandmeldsysteem De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatig brandmeldsysteem. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte kunnen worden waargenomen. 4. 4. Pijpleidingensysteem
a)
Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. In de te beschermen ruimte moeten de pijpleidingen en de daarbij behorende armaturen van staal zijn vervaardigd. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren indien de daarvoor gebruikte materialen met betrekking tot brand over gelijkwaardige eigenschappen beschikken. De pijpleidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn.
b)
De sproeikoppen moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel gelijkmatig wordt verdeeld. In het bijzonder moet het blusmiddel ook onder de vloerplaten werkzaam zijn.
a) a) Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. In de te beschermen ruimte moeten de pijpleidingen en de daarbij behorende armaturen van staal zijn vervaardigd. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren indien de daarvoor gebruikte materialen met betrekking tot brand over gelijkwaardige eigenschappen beschikken. De pijpleidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn. b) b) De sproeikoppen moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel gelijkmatig wordt verdeeld. In het bijzonder moet het blusmiddel ook onder de vloerplaten werkzaam zijn. 5. 5. Inrichting voor het in werking stellen
a)
Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan.
b)
De brandblusinstallatie moet vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte in werking kunnen worden gesteld.
c)
Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en dat, in het geval van een beschadiging als gevolg van brand of explosie in de te beschermen ruimte, de daarvoor benodigde hoeveelheid blusmiddel nog kan worden toegevoerd.
Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee verschillende van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de beschermde ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij in geval van brand ten minste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. Elektrische leidingen voldoen aan deze eis indien zij voldoen aan de internationale norm IEC 60331-21 : 1999.
Wanneer inrichtingen voor het in werking stellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken ‘brandblusinstallatie’ met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 6 van bijlage 4, alsmede van de volgende tekst in rode letters op witte ondergrond:
„Feuerlöscheinrichtung
Installation d'extinction
Brandblusinstallatie
Fire-fighting installation’.
d)
Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor iedere ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd.
e)
de handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie.
aa)
Bij iedere inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing in een officiële taal van een van de lidstaten duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. Deze moet met name informatie bevatten inzake
bb)
het in werking stellen van de brandblusinstallatie;
cc)
de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten;
dd)
de handelswijze van de bemanning bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie en wanneer zij de beschermde ruimte betreden na het in werking stellen van de installatie of na het uitstromen van het blusmiddel, in het bijzonder met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke substanties;
f)
De gebruiksaanwijzing moet erop wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld.
6.
Waarschuwingssysteem
a)
Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een waarschuwingssysteem.
b)
Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld.
c)
De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij iedere toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn.
d)
De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn.
e)
Indien het waarschuwingssysteem niet van een eigen controlesysteem terzake van kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is voorzien, moet het functioneren ervan kunnen worden getest.
f)
Bij iedere ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst:
‘Vorsicht, Feuerlöscheinrichtung!
Bei Ertönen des Warnsignals (Beschreibung des Signals) den Raum sofort verlassen!
Attention, installation d'extinction d'incendie!
Quitter immédiatement ce local au signal (description du signal)!
Let op, brandblusinstallatie!
Bij het in werking treden van het alarmsignaal (omschrijving van het signaal) deze ruimte onmiddellijk verlaten!
Warning, fire-fighting installation!
Leave the room as soon as the warning signal sounds (description of signal)!’.
7.
Drukhouders, armaturen en persleidingen
a)
Drukhouders, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de in een van de lidstaten geldende voorschriften.
b)
Drukhouders moeten volgens de indicaties van de fabrikant zijn geïnstalleerd.
c)
Drukhouders, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn.
d)
De temperatuur in de kasten of ruimten waarin drukhouders zijn opgesteld mag niet meer bedragen dan 50 °C.
e)
Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de drukhouders niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan.
8.
Hoeveelheid van het blusmiddel
Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte.
9.
Installatie, controle en documentatie
a)
De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (folders met gegevens van het product en met de veiligheidsgegevens) van de fabrikant van het blusmiddel en de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. De installatie, en met name de toestand van de sproeikoppen, moet regelmatig overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de installatie of van het brandblusmiddel (technische gegevensbladen) worden onderhouden en gecontroleerd.
b)
de installatie moet door een erkend deskundige worden gekeurd:
aa)
vóór de eerste ingebruikstelling;
bb)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;
cc)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en
dd)
met regelmaat en ten minste elke twee jaar.
Keuringen overeenkomstig onderdeel dd kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties.
c)
Bij de keuring moet de erkend deskundige of de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van dit artikel voldoet.
d)
De keuring moet ten minste betrekking hebben op:
aa)
uitwendige inspectie van de installatie als geheel;
bb)
test van de pijpleidingen op hun dichtheid;
cc)
controle van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen;
dd)
controle van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan;
ee)
controle van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte;
ff)
test van het brandmeldingssysteem, alsmede
gg)
test van het waarschuwingssysteem.
e)
Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
f)
Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het binnenschipcertificaat worden aangetekend.
10.
Brandblusinstallaties met CO_2
Brandblusinstallaties die met CO_2 als blusmiddel werken moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
CO_2-houders moeten buiten de te beschermen ruimte in een van de overige ruimten gasdicht gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten waar ze opgesteld zijn of van de kasten moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een teken ‘Waarschuwing voor algemeen gevaar’ overeenkomstig schets 4 van bijlage 4 met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift ‘CO_2’ in dezelfde kleur en met dezelfde hoogte.
b)
De benedendekse ruimten waar CO_2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken.
c)
De vulgraad van met CO_2 gevulde houders mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO_2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m^3/kg.
d)
De hoeveelheid CO_2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen worden toegevoerd. Het moet controleerbaar zijn of het gas is toegevoerd.
e)
Het openen van de ventielen van de houders en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden.
f)
De redelijke tijd, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, moet ten minste 20 seconden bedragen. De vertraging tot aan het vrijkomen van het CO_2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting.
11.
Brandblusinstallaties met HFC-227ea
Brandblusinstallaties die werken met HFC-227ea als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die HFC-227ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde HFC-227ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m^3/kg.
e)
De hoeveelheid HFC-227ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f)
De houders van HFC-227ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g)
Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,5%.
h)
De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel uit aluminium bevatten.
12.
Brandblusinstallaties met IG-541
Brandblusinstallaties die werken met IG-541 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De druk waaronder de houders zijn gevuld mag bij + 15 °C niet meer bedragen dan 200 bar.
e)
De hoeveelheid IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden toegevoerd zijn.
13.
Brandblusinstallaties met FK-5-1-12
Brandblusinstallaties die werken met FK-5-1-12 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die FK-5-1-12 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van de brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het specifieke volume van het uitgestroomde FK-5-1-12 moet 0,0719 m^3/kg genomen worden.
e)
Het volume FK-5-1-12 in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f)
De houders van FK-5-1-12 moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g)
Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,0%.
14.
Brandblusinstallaties met water als brandblusmiddel
De brandblusinstallaties die gebruik maken van water als brandblusmiddel mogen dit water uitsluitend in de vorm van verneveld water in de te beschermen ruimte afgeven. De druppelgrootte moet 5 tot 300 micrometer bedragen.
De bedoelde brandblusinstallaties moeten behalve aan de eisen bedoeld in het eerste tot en met zevende lid en in het negende lid, aan de volgende eisen voldoen, waarbij het achtste lid van overeenkomstige toepassing is:
a)
Brandblusinstallaties moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond van MSC/Circ. 116512MSC/Circ. 1165 – Revised guidelines for the approval of equivalent water-based fire-extinguishing systems for machinery spaces and pump-rooms – aangenomen op 10 juni 2005 en gewijzigd bij resoluties MSC/Circ.1269, MSC/Circ.1386 en MSC/Circ.1385. of een andere door één van de lidstaten erkende norm. De typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese normen inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025 : 2005).
b)
De brandblusinstallatie moet overeenkomstig de afmetingen van de grootste te beschermen ruimte gedimensioneerd zijn en het water gedurende ten minste 30 minuten continu in de ruimte kunnen sproeien.
c)
De pompen, hun schakelinrichtingen en de ventielen die nodig zijn voor de werking van de installatie moeten in een ruimte buiten de te beschermen ruimten worden geïnstalleerd. De ruimte waarin zij zich bevinden, moet gescheiden zijn van daarnaast gelegen ruimten door scheidingsvlakken van ten minste type A30.
d)
De brandblusinstallatie moet ten minste tot aan de inschakelventielen permanent volledig met water gevuld zijn en onder de vereiste bedrijfsdruk staan. De pompen voor de watertoevoer moeten bij een inschakeling van de installatie automatisch in werking treden. De installatie moet continu met water worden gevoed. De installatie moet beschermd zijn tegen verontreinigingen die het functioneren kunnen belemmeren.
e)
Het leidingsysteem van de installatie moet zijn gedimensioneerd aan de hand van een hydraulische berekeningsmethode.
f)
Het aantal en de plaatsing van de sproeikoppen moeten een toereikende verspreiding van het water in de te beschermen ruimten garanderen. De installatie van de sproeikoppen moet de verspreiding van het vernevelde water in de totale te beschermen ruimte garanderen, in het bijzonder op plaatsen met een verhoogd brandrisico, ook achter de installaties en onder de vloerplaten.
g)
De elektrische componenten van de brandblusinstallatie in de te beschermen ruimte moeten ten minste voldoen aan de beschermingsklasse IP54. Het systeem moet over twee onafhankelijke energiebronnen met automatische schakeling beschikken. Eén van de energiebronnen moet zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Elke energiebron moet de installatie op eigen kracht kunnen aandrijven.
h)
De brandblusinstallatie moet zijn voorzien van redundante pompen.
i)
De brandblusinstallatie moet zijn uitgerust met een controlesysteem dat in de volgende gevallen een alarmsignaal in het stuurhuis in werking kan stellen:
–
laag peil in de watertank (indien aanwezig),
–
wegvallen van de stroom,
–
drukverlaging in de leidingen van de lagedrukinstallatie,
–
drukverlaging in het hogedrukcircuit,
–
bij de inschakeling van de installatie.
j)
De benodigde documenten voor de installatie, de controle en de documentatie van de installatie zoals bedoeld in het negende lid, moeten ten minste omvatten:
–
een algemeen overzicht van het systeem met vermelding van de leidingsecties en de soorten sproeikoppen,
–
de hydraulische berekening bedoeld onder letter d,
–
de technische documentatie van de fabrikant met alle componenten van de installatie,
–
de onderhoudshandleiding.
a) a) Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan. b) b) De brandblusinstallatie moet vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte in werking kunnen worden gesteld. c) c) Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en dat, in het geval van een beschadiging als gevolg van brand of explosie in de te beschermen ruimte, de daarvoor benodigde hoeveelheid blusmiddel nog kan worden toegevoerd. Niet mechanische inrichtingen voor het in werking stellen moeten door twee verschillende van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de beschermde ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij in geval van brand ten minste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. Elektrische leidingen voldoen aan deze eis indien zij voldoen aan de internationale norm IEC 60331-21 : 1999. Wanneer inrichtingen voor het in werking stellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken ‘brandblusinstallatie’ met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 6 van bijlage 4, alsmede van de volgende tekst in rode letters op witte ondergrond: „Feuerlöscheinrichtung Installation d'extinction Brandblusinstallatie Fire-fighting installation’. d) d) Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor iedere ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd. e) e) de handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie.
aa)
Bij iedere inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing in een officiële taal van een van de lidstaten duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. Deze moet met name informatie bevatten inzake
bb)
het in werking stellen van de brandblusinstallatie;
cc)
de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten;
dd)
de handelswijze van de bemanning bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie en wanneer zij de beschermde ruimte betreden na het in werking stellen van de installatie of na het uitstromen van het blusmiddel, in het bijzonder met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke substanties;
aa) aa) Bij iedere inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing in een officiële taal van een van de lidstaten duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. Deze moet met name informatie bevatten inzake bb) bb) het in werking stellen van de brandblusinstallatie; cc) cc) de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten; dd) dd) de handelswijze van de bemanning bij het in werking stellen van de brandblusinstallatie en wanneer zij de beschermde ruimte betreden na het in werking stellen van de installatie of na het uitstromen van het blusmiddel, in het bijzonder met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke substanties; f) f) De gebruiksaanwijzing moet erop wijzen dat vóór het in werking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld. 6. 6. Waarschuwingssysteem
a)
Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een waarschuwingssysteem.
b)
Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld.
c)
De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij iedere toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn.
d)
De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn.
e)
Indien het waarschuwingssysteem niet van een eigen controlesysteem terzake van kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is voorzien, moet het functioneren ervan kunnen worden getest.
f)
Bij iedere ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst:
‘Vorsicht, Feuerlöscheinrichtung!
Bei Ertönen des Warnsignals (Beschreibung des Signals) den Raum sofort verlassen!
Attention, installation d'extinction d'incendie!
Quitter immédiatement ce local au signal (description du signal)!
Let op, brandblusinstallatie!
Bij het in werking treden van het alarmsignaal (omschrijving van het signaal) deze ruimte onmiddellijk verlaten!
Warning, fire-fighting installation!
Leave the room as soon as the warning signal sounds (description of signal)!’.
a) a) Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een waarschuwingssysteem. b) b) Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld. c) c) De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij iedere toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn. d) d) De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn. e) e) Indien het waarschuwingssysteem niet van een eigen controlesysteem terzake van kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is voorzien, moet het functioneren ervan kunnen worden getest. f) f) Bij iedere ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst: ‘Vorsicht, Feuerlöscheinrichtung! Bei Ertönen des Warnsignals (Beschreibung des Signals) den Raum sofort verlassen! Attention, installation d'extinction d'incendie! Quitter immédiatement ce local au signal (description du signal)! Let op, brandblusinstallatie! Bij het in werking treden van het alarmsignaal (omschrijving van het signaal) deze ruimte onmiddellijk verlaten! Warning, fire-fighting installation! Leave the room as soon as the warning signal sounds (description of signal)!’. 7. 7. Drukhouders, armaturen en persleidingen
a)
Drukhouders, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de in een van de lidstaten geldende voorschriften.
b)
Drukhouders moeten volgens de indicaties van de fabrikant zijn geïnstalleerd.
c)
Drukhouders, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn.
d)
De temperatuur in de kasten of ruimten waarin drukhouders zijn opgesteld mag niet meer bedragen dan 50 °C.
e)
Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de drukhouders niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan.
a) a) Drukhouders, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de in een van de lidstaten geldende voorschriften. b) b) Drukhouders moeten volgens de indicaties van de fabrikant zijn geïnstalleerd. c) c) Drukhouders, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn. d) d) De temperatuur in de kasten of ruimten waarin drukhouders zijn opgesteld mag niet meer bedragen dan 50 °C. e) e) Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de drukhouders niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan. 8. 8. Hoeveelheid van het blusmiddel Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte. 9. 9. Installatie, controle en documentatie
a)
De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (folders met gegevens van het product en met de veiligheidsgegevens) van de fabrikant van het blusmiddel en de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. De installatie, en met name de toestand van de sproeikoppen, moet regelmatig overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de installatie of van het brandblusmiddel (technische gegevensbladen) worden onderhouden en gecontroleerd.
b)
de installatie moet door een erkend deskundige worden gekeurd:
aa)
vóór de eerste ingebruikstelling;
bb)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;
cc)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en
dd)
met regelmaat en ten minste elke twee jaar.
Keuringen overeenkomstig onderdeel dd kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties.
c)
Bij de keuring moet de erkend deskundige of de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van dit artikel voldoet.
d)
De keuring moet ten minste betrekking hebben op:
aa)
uitwendige inspectie van de installatie als geheel;
bb)
test van de pijpleidingen op hun dichtheid;
cc)
controle van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen;
dd)
controle van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan;
ee)
controle van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte;
ff)
test van het brandmeldingssysteem, alsmede
gg)
test van het waarschuwingssysteem.
e)
Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
f)
Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het binnenschipcertificaat worden aangetekend.
a) a) De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (folders met gegevens van het product en met de veiligheidsgegevens) van de fabrikant van het blusmiddel en de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen. De installatie, en met name de toestand van de sproeikoppen, moet regelmatig overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de installatie of van het brandblusmiddel (technische gegevensbladen) worden onderhouden en gecontroleerd. b) b) de installatie moet door een erkend deskundige worden gekeurd:
aa)
vóór de eerste ingebruikstelling;
bb)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;
cc)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en
dd)
met regelmaat en ten minste elke twee jaar.
Keuringen overeenkomstig onderdeel dd kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties.
aa) aa) vóór de eerste ingebruikstelling; bb) bb) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest; cc) cc) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en dd) dd) met regelmaat en ten minste elke twee jaar. Keuringen overeenkomstig onderdeel dd kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. c) c) Bij de keuring moet de erkend deskundige of de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van dit artikel voldoet. d) d) De keuring moet ten minste betrekking hebben op:
aa)
uitwendige inspectie van de installatie als geheel;
bb)
test van de pijpleidingen op hun dichtheid;
cc)
controle van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen;
dd)
controle van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan;
ee)
controle van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte;
ff)
test van het brandmeldingssysteem, alsmede
gg)
test van het waarschuwingssysteem.
aa) aa) uitwendige inspectie van de installatie als geheel; bb) bb) test van de pijpleidingen op hun dichtheid; cc) cc) controle van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen; dd) dd) controle van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan; ee) ee) controle van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte; ff) ff) test van het brandmeldingssysteem, alsmede gg) gg) test van het waarschuwingssysteem. e) e) Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt. f) f) Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het binnenschipcertificaat worden aangetekend. 10. 10. Brandblusinstallaties met CO_2 Brandblusinstallaties die met CO_2 als blusmiddel werken moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
CO_2-houders moeten buiten de te beschermen ruimte in een van de overige ruimten gasdicht gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten waar ze opgesteld zijn of van de kasten moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een teken ‘Waarschuwing voor algemeen gevaar’ overeenkomstig schets 4 van bijlage 4 met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift ‘CO_2’ in dezelfde kleur en met dezelfde hoogte.
b)
De benedendekse ruimten waar CO_2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken.
c)
De vulgraad van met CO_2 gevulde houders mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO_2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m^3/kg.
d)
De hoeveelheid CO_2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen worden toegevoerd. Het moet controleerbaar zijn of het gas is toegevoerd.
e)
Het openen van de ventielen van de houders en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden.
f)
De redelijke tijd, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, moet ten minste 20 seconden bedragen. De vertraging tot aan het vrijkomen van het CO_2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting.
a) a) CO_2-houders moeten buiten de te beschermen ruimte in een van de overige ruimten gasdicht gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten waar ze opgesteld zijn of van de kasten moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een teken ‘Waarschuwing voor algemeen gevaar’ overeenkomstig schets 4 van bijlage 4 met een hoogte van ten minste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift ‘CO_2’ in dezelfde kleur en met dezelfde hoogte. b) b) De benedendekse ruimten waar CO_2-houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken. c) c) De vulgraad van met CO_2 gevulde houders mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO_2-gas moet worden uitgegaan van 0,56 m^3/kg. d) d) De hoeveelheid CO_2-gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen worden toegevoerd. Het moet controleerbaar zijn of het gas is toegevoerd. e) e) Het openen van de ventielen van de houders en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden. f) f) De redelijke tijd, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, moet ten minste 20 seconden bedragen. De vertraging tot aan het vrijkomen van het CO_2-gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting. 11. 11. Brandblusinstallaties met HFC-227ea Brandblusinstallaties die werken met HFC-227ea als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die HFC-227ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde HFC-227ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m^3/kg.
e)
De hoeveelheid HFC-227ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f)
De houders van HFC-227ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g)
Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,5%.
h)
De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel uit aluminium bevatten.
a) a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) b) Iedere houder die HFC-227ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) c) Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) d) De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde HFC-227ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m^3/kg. e) e) De hoeveelheid HFC-227ea voor de te beschermen ruimte moet ten minste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn. f) f) De houders van HFC-227ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,5%. h) h) De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel uit aluminium bevatten. 12. 12. Brandblusinstallaties met IG-541 Brandblusinstallaties die werken met IG-541 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De druk waaronder de houders zijn gevuld mag bij + 15 °C niet meer bedragen dan 200 bar.
e)
De hoeveelheid IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden toegevoerd zijn.
a) a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) b) Iedere houder die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) c) Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) d) De druk waaronder de houders zijn gevuld mag bij + 15 °C niet meer bedragen dan 200 bar. e) e) De hoeveelheid IG-541 voor de te beschermen ruimte moet ten minste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden toegevoerd zijn. 13. 13. Brandblusinstallaties met FK-5-1-12 Brandblusinstallaties die werken met FK-5-1-12 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a)
Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b)
Iedere houder die FK-5-1-12 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van de brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c)
Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d)
De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het specifieke volume van het uitgestroomde FK-5-1-12 moet 0,0719 m^3/kg genomen worden.
e)
Het volume FK-5-1-12 in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f)
De houders van FK-5-1-12 moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g)
Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,0%.
a) a) Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie. b) b) Iedere houder die FK-5-1-12 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukventiel. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van de brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld. c) c) Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd. d) d) De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het specifieke volume van het uitgestroomde FK-5-1-12 moet 0,0719 m^3/kg genomen worden. e) e) Het volume FK-5-1-12 in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn. f) f) De houders van FK-5-1-12 moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld. g) g) Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,0%. 14. 14. Brandblusinstallaties met water als brandblusmiddel De brandblusinstallaties die gebruik maken van water als brandblusmiddel mogen dit water uitsluitend in de vorm van verneveld water in de te beschermen ruimte afgeven. De druppelgrootte moet 5 tot 300 micrometer bedragen. De bedoelde brandblusinstallaties moeten behalve aan de eisen bedoeld in het eerste tot en met zevende lid en in het negende lid, aan de volgende eisen voldoen, waarbij het achtste lid van overeenkomstige toepassing is:
a)
Brandblusinstallaties moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond van MSC/Circ. 116512MSC/Circ. 1165 – Revised guidelines for the approval of equivalent water-based fire-extinguishing systems for machinery spaces and pump-rooms – aangenomen op 10 juni 2005 en gewijzigd bij resoluties MSC/Circ.1269, MSC/Circ.1386 en MSC/Circ.1385. of een andere door één van de lidstaten erkende norm. De typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese normen inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025 : 2005).
b)
De brandblusinstallatie moet overeenkomstig de afmetingen van de grootste te beschermen ruimte gedimensioneerd zijn en het water gedurende ten minste 30 minuten continu in de ruimte kunnen sproeien.
c)
De pompen, hun schakelinrichtingen en de ventielen die nodig zijn voor de werking van de installatie moeten in een ruimte buiten de te beschermen ruimten worden geïnstalleerd. De ruimte waarin zij zich bevinden, moet gescheiden zijn van daarnaast gelegen ruimten door scheidingsvlakken van ten minste type A30.
d)
De brandblusinstallatie moet ten minste tot aan de inschakelventielen permanent volledig met water gevuld zijn en onder de vereiste bedrijfsdruk staan. De pompen voor de watertoevoer moeten bij een inschakeling van de installatie automatisch in werking treden. De installatie moet continu met water worden gevoed. De installatie moet beschermd zijn tegen verontreinigingen die het functioneren kunnen belemmeren.
e)
Het leidingsysteem van de installatie moet zijn gedimensioneerd aan de hand van een hydraulische berekeningsmethode.
f)
Het aantal en de plaatsing van de sproeikoppen moeten een toereikende verspreiding van het water in de te beschermen ruimten garanderen. De installatie van de sproeikoppen moet de verspreiding van het vernevelde water in de totale te beschermen ruimte garanderen, in het bijzonder op plaatsen met een verhoogd brandrisico, ook achter de installaties en onder de vloerplaten.
g)
De elektrische componenten van de brandblusinstallatie in de te beschermen ruimte moeten ten minste voldoen aan de beschermingsklasse IP54. Het systeem moet over twee onafhankelijke energiebronnen met automatische schakeling beschikken. Eén van de energiebronnen moet zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Elke energiebron moet de installatie op eigen kracht kunnen aandrijven.
h)
De brandblusinstallatie moet zijn voorzien van redundante pompen.
i)
De brandblusinstallatie moet zijn uitgerust met een controlesysteem dat in de volgende gevallen een alarmsignaal in het stuurhuis in werking kan stellen:
–
laag peil in de watertank (indien aanwezig),
–
wegvallen van de stroom,
–
drukverlaging in de leidingen van de lagedrukinstallatie,
–
drukverlaging in het hogedrukcircuit,
–
bij de inschakeling van de installatie.
j)
De benodigde documenten voor de installatie, de controle en de documentatie van de installatie zoals bedoeld in het negende lid, moeten ten minste omvatten:
–
een algemeen overzicht van het systeem met vermelding van de leidingsecties en de soorten sproeikoppen,
–
de hydraulische berekening bedoeld onder letter d,
–
de technische documentatie van de fabrikant met alle componenten van de installatie,
–
de onderhoudshandleiding.
a) a) Brandblusinstallaties moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond van MSC/Circ. 116512MSC/Circ. 1165 – Revised guidelines for the approval of equivalent water-based fire-extinguishing systems for machinery spaces and pump-rooms – aangenomen op 10 juni 2005 en gewijzigd bij resoluties MSC/Circ.1269, MSC/Circ.1386 en MSC/Circ.1385. of een andere door één van de lidstaten erkende norm. De typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese normen inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025 : 2005). b) b) De brandblusinstallatie moet overeenkomstig de afmetingen van de grootste te beschermen ruimte gedimensioneerd zijn en het water gedurende ten minste 30 minuten continu in de ruimte kunnen sproeien. c) c) De pompen, hun schakelinrichtingen en de ventielen die nodig zijn voor de werking van de installatie moeten in een ruimte buiten de te beschermen ruimten worden geïnstalleerd. De ruimte waarin zij zich bevinden, moet gescheiden zijn van daarnaast gelegen ruimten door scheidingsvlakken van ten minste type A30. d) d) De brandblusinstallatie moet ten minste tot aan de inschakelventielen permanent volledig met water gevuld zijn en onder de vereiste bedrijfsdruk staan. De pompen voor de watertoevoer moeten bij een inschakeling van de installatie automatisch in werking treden. De installatie moet continu met water worden gevoed. De installatie moet beschermd zijn tegen verontreinigingen die het functioneren kunnen belemmeren. e) e) Het leidingsysteem van de installatie moet zijn gedimensioneerd aan de hand van een hydraulische berekeningsmethode. f) f) Het aantal en de plaatsing van de sproeikoppen moeten een toereikende verspreiding van het water in de te beschermen ruimten garanderen. De installatie van de sproeikoppen moet de verspreiding van het vernevelde water in de totale te beschermen ruimte garanderen, in het bijzonder op plaatsen met een verhoogd brandrisico, ook achter de installaties en onder de vloerplaten. g) g) De elektrische componenten van de brandblusinstallatie in de te beschermen ruimte moeten ten minste voldoen aan de beschermingsklasse IP54. Het systeem moet over twee onafhankelijke energiebronnen met automatische schakeling beschikken. Eén van de energiebronnen moet zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Elke energiebron moet de installatie op eigen kracht kunnen aandrijven. h) h) De brandblusinstallatie moet zijn voorzien van redundante pompen. i) i) De brandblusinstallatie moet zijn uitgerust met een controlesysteem dat in de volgende gevallen een alarmsignaal in het stuurhuis in werking kan stellen:
–
laag peil in de watertank (indien aanwezig),
–
wegvallen van de stroom,
–
drukverlaging in de leidingen van de lagedrukinstallatie,
–
drukverlaging in het hogedrukcircuit,
–
bij de inschakeling van de installatie.
– – laag peil in de watertank (indien aanwezig), – – wegvallen van de stroom, – – drukverlaging in de leidingen van de lagedrukinstallatie, – – drukverlaging in het hogedrukcircuit, – – bij de inschakeling van de installatie. j) j) De benodigde documenten voor de installatie, de controle en de documentatie van de installatie zoals bedoeld in het negende lid, moeten ten minste omvatten:
–
een algemeen overzicht van het systeem met vermelding van de leidingsecties en de soorten sproeikoppen,
–
de hydraulische berekening bedoeld onder letter d,
–
de technische documentatie van de fabrikant met alle componenten van de installatie,
–
de onderhoudshandleiding.
– – een algemeen overzicht van het systeem met vermelding van de leidingsecties en de soorten sproeikoppen, – – de hydraulische berekening bedoeld onder letter d, – – de technische documentatie van de fabrikant met alle componenten van de installatie, – – de onderhoudshandleiding.
Artikel 13.06
Voor de bescherming van objecten zijn vast ingebouwde brandblusinstallaties verboden.
Artikel 13.07
-
-
De volgende vaartuigen moeten met een bijboot overeenkomstig de Europese norm EN 1914 : 2016, zijn uitgerust:
a) motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t; b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m^3; c) drijvende werktuigen; d) passagiersschepen.
-
a) a) motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t; b) b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m^3; c) c) drijvende werktuigen; d) d) passagiersschepen. 2. 2. Bijboten moeten binnen 5 minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één persoon veilig te water kunnen worden gelaten. Indien zij door middel van een door een motor aangedreven inrichting te water worden gelaten, moet deze zo zijn ingericht dat uitvallen van de energietoevoer het snel en veilig te water laten niet kan verhinderen. 3. 3. Opblaasbare bijboten moeten zijn getest overeenkomstig de instructies van de fabrikant.
Artikel 13.08
-
-
Aan boord van vaartuigen moeten ten minste drie reddingsboeien aanwezig zijn, die
– aan de Europese norm EN 14144 : 2003, of – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.1, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.1 voldoen.Ze moeten zich in gebruiksklare toestand op vaste en daarvoor geschikte plaatsen aan dek bevinden en mogen niet zijn vastgemaakt aan de houders. Ten minste één reddingsboei moet zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis bevinden en deze moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan. – – aan de Europese norm EN 14144 : 2003, of – – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.1, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.1 voldoen.
-
-
-
Aan boord van vaartuigen moet zich voor ieder zich regelmatig aan boord bevindend persoon een voor hem persoonlijk geschikt, automatisch opblaasbaar zwemvest, dat voldoet
– aan de Europese normen EN ISO 12402-2 : 2006, EN ISO 12402-3 : 2006, EN ISO 12402-4 : 2006, of – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.2, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.2,onder handbereik bevinden. Voor kinderen zijn ook harde zwemvesten, die aan deze normen voldoen, toegelaten. – – aan de Europese normen EN ISO 12402-2 : 2006, EN ISO 12402-3 : 2006, EN ISO 12402-4 : 2006, of – – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.2, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.2,
-
-
- Zwemvesten moeten zijn getest overeenkomstig de indicaties van de fabrikant.
Hoofdstuk 14. Veiligheid op de werkplek
Artikel 14.01
-
- Vaartuigen moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust, dat personen daarop veilig kunnen werken en de verkeerswegen kunnen gebruiken.
-
- De voor het werk aan boord noodzakelijke en vast opgestelde voorzieningen moeten zodanig zijn ingericht, opgesteld en beveiligd, dat ze gemakkelijk en zonder gevaar bediend, gebruikt en onderhouden kunnen worden. Zo nodig moeten bewegende en hete delen van beschermende inrichtingen zijn voorzien.
Artikel 14.02
-
- Dekken en gangboorden moeten vlak zijn en moeten vrij zijn van obstakels waarover men kan struikelen; ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan.
-
- Dekken alsmede gangboorden, machinekamervloeren, bordessen, trappen en de bolderdeksels in de gangboorden moeten veiligheid bieden tegen uitglijden.
-
- Bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen in de verkeerswegen, zoals bijvoorbeeld randen van traptreden, moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd.
-
-
De buitenkanten van de dekken, de gangboorden en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of denneboom van elk ten minste 0,90 m hoogte of van doorlopende relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 2016. Indien het gangboord een neerklapbare reling bezit, dan moeten
a) aan de denneboom tevens doorlopende handrelingen met een diameter van 0,02 tot 0,04 m op een hoogte tussen 0,7 en 1,1 m, en b) op goed zichtbare plaatsen aan het begin van het gangboord tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.
-
a) a) aan de denneboom tevens doorlopende handrelingen met een diameter van 0,02 tot 0,04 m op een hoogte tussen 0,7 en 1,1 m, en b) b) op goed zichtbare plaatsen aan het begin van het gangboord tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht. 5. 5. In afwijking van het vierde lid hoeven bij duwbakken en sleepschepen zonder verblijven geen verschansingen of relingen aanwezig te zijn, indien
a)
aan de buitenkanten van de dekken en gangboorden voetlijsten;
b)
aan de dennebomen handrelingen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, en
c)
op goed zichtbare plaatsen op het dek tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.
a) a) aan de buitenkanten van de dekken en gangboorden voetlijsten; b) b) aan de dennebomen handrelingen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, en c) c) op goed zichtbare plaatsen op het dek tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht. 6. 6. In afwijking van het vierde lid hoeven bij schepen met een glad- of trunkdek de relingen niet onmiddellijk aan de buitenkanten van dat dek of in de gangboorden te zijn aangebracht, indien
a)
de verkeerswegen over deze dekken lopen;
b)
de verkeerswegen en werkgebieden op deze dekken door vaste relingen overeenkomstig de Europese norm EN 711 : 2016 zijn omgeven, en
c)
op goed zichtbare plaatsen op de passages naar de niet door relingen beschermde gebieden tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.
a) a) de verkeerswegen over deze dekken lopen; b) b) de verkeerswegen en werkgebieden op deze dekken door vaste relingen overeenkomstig de Europese norm EN 711 : 2016 zijn omgeven, en c) c) op goed zichtbare plaatsen op de passages naar de niet door relingen beschermde gebieden tekens overeenkomstig Bijlage 4, schets 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht. 7. 7. Voor werkplekken, waar de valhoogte meer dan 1 m bedraagt, kan de Commissie van deskundigen geschikte inrichtingen en uitrustingen ten behoeve van het veilig werken eisen.
Artikel 14.03
Werkplekken moeten zo groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende bewegingsvrijheid heeft.
Artikel 14.04
-
- De vrije breedte van het gangboord moet ten minste 0,60 m bedragen. Op de plaats van bepaalde ingebouwde noodzakelijke constructies zoals afsluiters voor dekwasleidingen behoeft dit slechts 0,50 m te zijn en bij bolders en klampen 0,40 m.
-
- De vrije breedte van het gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,50 m beperkt blijven wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m bedraagt.
-
- Het eerste en tweede lid gelden tot een hoogte van 2,00 m boven het gangboord.
Artikel 14.05
-
-
Bij gangen, toegangen en doorgangen, die door personen of voor het verplaatsen van goederen worden gebruikt, moet:
a) voor de toegangsopeningen voldoende plaats zijn voor onbelemmerde beweging; b) de vrije breedte van de doorgangen overeenkomen met de bestemming van de werkplekken, maar ten minste 0,60 m bedragen. Bij schepen met een breedte van niet meer dan 8 m behoeft de breedte van de doorgangen slechts 0,50 m te bedragen; c) de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten minste 1,90 m bedragen.
-
a) a) voor de toegangsopeningen voldoende plaats zijn voor onbelemmerde beweging; b) b) de vrije breedte van de doorgangen overeenkomen met de bestemming van de werkplekken, maar ten minste 0,60 m bedragen. Bij schepen met een breedte van niet meer dan 8 m behoeft de breedte van de doorgangen slechts 0,50 m te bedragen; c) c) de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten minste 1,90 m bedragen. 2. 2. Deuren moeten van beide zijden zonder gevaar geopend en gesloten kunnen worden. Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet onopzettelijk open of dicht kunnen gaan. 3. 3. In- en uitgangen en gangen die hoogteverschillen van meer dan 0,50 m hebben moeten zijn voorzien van adequate trappen, ladders of klimtreden. 4. 4. Wanneer het hoogteverschil bij permanent bezette werkplekken meer dan 1,00 m bedraagt, moeten er trappen zijn. Dit geldt niet voor nooduitgangen. 5. 5. Bij schepen met laadruimen moet ten minste bij ieder uiteinde van ieder laadruim een vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig zijn. In afwijking hiervan behoeft geen vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig te zijn indien er ten minste twee draagbare ruimladders aanwezig zijn die bij een hellingshoek van 60° met ten minste drie treden tot boven de rand van het luik moeten reiken.
Artikel 14.06
-
- Het aantal, de constructie en de afmetingen van de uitgangen met inbegrip van de nooduitgangen moeten overeenkomen met de bestemming en de grootte van de ruimten. Wanneer één van deze uitgangen een nooduitgang is, moet die duidelijk als zodanig zijn aangeduid.
-
- Nooduitgangen of als nooduitgang dienende vensters of bovenlichten moeten een vrije opening van ten minste 0,36 m^2 hebben, waarbij de kortste zijde ten minste 0,50 m moet bedragen.
Artikel 14.07
-
- Trappen en ladders moeten veilig zijn bevestigd. Trappen moeten ten minste 0,60 m breed zijn; de vrije breedte tussen de handrelingen moet ten minste 0,60 m bedragen; de diepte van de treden mag niet minder zijn dan 0,15 m; het oppervlak van de treden moet veiligheid bieden tegen uitglijden; trappen met meer dan drie treden moeten handrelingen hebben.
-
- Ladders en klimtreden moeten een vrije breedte van ten minste 0,30 m hebben; de afstand tussen de sporten mag niet meer dan 0,30 m bedragen; de afstand van de sporten tot constructiedelen moet ten minste 0,15 m zijn.
-
- Ladders en klimtreden moeten van boven herkenbaar zijn en met handgrepen boven de uitgangsopeningen zijn uitgerust.
-
- Aanleunladders moeten ten minste 0,40 m en onderaan ten minste 0,50 m breed zijn; ze moeten kunnen worden beveiligd tegen kantelen en wegglijden; de sporten moeten vast in de boom zijn bevestigd.
Artikel 14.08
-
- Binnen in het schip gelegen werkplekken moeten naar grootte, inrichting en indeling zijn aangepast aan de daar te verrichten werkzaamheden en voldoen aan de eisen inzake hygiëne en veiligheid. Ze moeten voldoende en niet verblindend kunnen worden verlicht en voldoende kunnen worden geventileerd; zo nodig moeten zij zijn voorzien van verwarmingsapparaten die een redelijke temperatuur waarborgen.
-
- Vloeren van binnen in het schip gelegen werkplekken moeten vast zijn, duurzaam uitgevoerd, en veiligheid bieden tegen struikelen en uitglijden. Openingen in dekken en vloeren moeten in geopende toestand een beveiliging hebben tegen het gevaar van vallen. Vensters en bovenlichten moeten zodanig zijn uitgevoerd en gesitueerd dat ze zonder gevaar kunnen worden bediend en gereinigd.
Artikel 14.09
-
- De werkplekken moeten zodanig zijn gelegen, ingericht en ontworpen dat de werknemers niet aan het gevaar van trillingen zijn blootgesteld.
-
- Permanent gebruikte werkruimten moeten bovendien zodanig zijn gebouwd en geïsoleerd tegen geluid dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet door geluidshinder in gevaar worden gebracht.
-
- Voor werknemers die dagelijks aan een geluidsdruk van meer dan 85 dB(A) worden blootgesteld, moeten persoonlijke gehoorbeschermingsmiddelen aanwezig zijn. Werkplekken waar deze waarden meer zijn dan 90 dB(A) moeten zijn voorzien van een teken ‘gehoorbescherming verplicht’ met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 7 van bijlage 4, waarin wordt gewezen op de plicht tot het gebruiken van deze gehoorbeschermingsmiddelen.
Artikel 14.10
-
- Luiken moeten gemakkelijk bereikt en veilig bewogen kunnen worden. Delen van luiken met een gewicht van meer dan 40 kg moeten bovendien schuifbaar of neerklapbaar zijn of zodanig zijn ingericht dat zij mechanisch kunnen worden opgetild. Luiken die met behulp van hefwerktuigen worden bewogen, moeten zijn voorzien van adequate en gemakkelijk toegankelijke inrichtingen voor het vastmaken van de aanslagmiddelen. Op luiken of schaarstokken die niet uitwisselbaar zijn moet duidelijk het luik waarbij ze behoren en de exacte plaats daarop zijn aangegeven.
-
- Luiken moeten beveiligd kunnen worden tegen oplichten door wind en laadinrichtingen. Schuifluiken moeten zijn voorzien van vergrendelingen die onopzettelijke beweging in de lengterichting met meer dan 0,40 m verhinderen; zij moeten in hun uiterste stand kunnen worden vastgezet. Er moeten geschikte inrichtingen aanwezig zijn voor het bevestigen van opgestapelde luiken.
-
- Bij mechanisch bediende luiken moet de energietoevoer na het loslaten van de bedieningsschakelaar automatisch worden onderbroken.
-
- Luiken moeten de te verwachten belasting, begaanbare luiken ten minste 75 kg, als puntlast kunnen opnemen. Niet begaanbare luiken moeten als zodanig zijn aangeduid. Op luiken die bestemd zijn voor het dragen van deklast moet de toegelaten belasting in t/m^2 staan aangeduid. Indien voor het bereiken van de toegelaten belasting stutten nodig zijn, moet daarop op een geschikte plaats worden gewezen; in dat geval moeten tekeningen voor dit doel aan boord aanwezig zijn.
Artikel 14.11
-
- Lieren moeten zodanig zijn ingericht dat veilig werken mogelijk is. Ze moeten voorzieningen hebben die het onopzettelijk teruglopen van de last verhinderen. Lieren die geen automatische rem hebben moeten zijn uitgerust met een op de trekkracht berekende rem.
-
- Lieren die met de hand worden bediend moeten zijn voorzien van inrichtingen die het terugslaan van de zwengels verhinderen. Lieren die zowel met de hand als mechanisch kunnen worden bediend moeten zodanig zijn ingericht dat de mechanische aandrijving niet het handmechanisme in werking kan stellen.
Artikel 14.12
-
- Kranen moeten volgens de regels van de techniek zijn gebouwd. De tijdens het in bedrijf zijn optredende krachten moeten veilig worden overgebracht op de scheepsconstructie; zij mogen de stabiliteit niet in gevaar brengen.
-
-
Op elke kraan moet een fabriekslabel met de volgende gegevens zijn aangebracht:
a) naam en adres van de fabrikant; b) het EG-markering met vermelding van het bouwjaar; c) aanduiding van de serie of het type; d) eventueel serienummer.
-
a) a) naam en adres van de fabrikant; b) b) het EG-markering met vermelding van het bouwjaar; c) c) aanduiding van de serie of het type; d) d) eventueel serienummer. 3. 3. Op elke kraan moet de ten hoogste toelaatbare belasting duurzaam en duidelijk zichtbaar zijn aangebracht. Bij kranen waarvan de bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2.000 kg hoeft alleen de ten hoogste toelaatbare bedrijfslast bij de grootste vlucht van de kraan duurzaam en duidelijk zichtbaar te zijn aangebracht. 4. 4. Ter voorkoming van het gevaar van persoonlijk letsel moeten beschermende voorzieningen aanwezig zijn. De buitenste delen van de kraan moeten ten opzichte van vaste opbouwen binnen het gebied waar gewerkt en gelopen wordt een veiligheidsafstand van ten minste 0,50 m hebben. 5. 5. Kranen die mechanisch worden aangedreven moeten kunnen worden beschermd tegen gebruik door onbevoegden. Ze mogen slechts aan de voor de kraan voorziene bedieningsinrichting in werking kunnen worden gesteld. De bedieningsorganen moeten automatisch in de stopstand terugkeren (schakelaar die niet automatisch in de in werking gestelde stand blijft); duidelijk zichtbaar moet zijn in welke richting zij functioneren. Bij het uitvallen van de aandrijfenergie mag de last niet automatisch kunnen teruglopen. Onopzettelijke kraanbewegingen moeten worden voorkomen. De opwaartse beweging van het hijsmiddel en de overschrijding van de bedrijfslast moeten door adequate voorzieningen zijn beperkt. De neerwaartse beweging van het hijsmiddel moet beperkt zijn wanneer bij het voorziene gebruik van de kraan, op het moment dat het hijsmiddel wordt bevestigd aan de last, minder dan twee wikkelingen van de hijskabel op de liertrommel over zijn. Na het aanspreken van de automatische (beveiligings)voorzieningen, moet de respectieve tegengestelde beweging nog mogelijk zijn. De breeksterkte van draadkabels voor het lopende werk moet ten minste het vijfvoudige van de maximaal toelaatbare kabeltreksterkte bedragen. De constructie van de draadkabel moet onberispelijk zijn en moet geschikt zijn voor het gebruik bij kranen. 6. 6. Kranen moeten door een erkende deskundige worden gekeurd:
a)
vóór de eerste ingebruikstelling;
b)
vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en
c)
met regelmaat en ten minste elke tien jaar.
Daarbij dient de aanwezigheid van voldoende stevigheid en stabiliteit rekenkundig en door een belastingsproef aan boord te worden aangetoond.
Voor kranen waarvan de bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2.000 kg kan de erkend deskundige beslissen het rekenkundige bewijs geheel of gedeeltelijk te vervangen door een proef met het 1,25-voudige van de bedrijfslast die over het hele werkgebied wordt uitgevoerd.
Inzake de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
a) a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en c) c) met regelmaat en ten minste elke tien jaar. 7. 7. Kranen dienen regelmatig, echter ten minste één keer per jaar, door een deskundige te worden gekeurd. Hierbij dient door visuele controle en controle van het functioneren te worden vastgesteld dat de kraan veilig is. Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. 8. 8. Kranen waarvan de bedrijfslast meer dan 2.000 kg bedraagt, die dienen voor de overslag van vracht, of die aan boord van bokken, pontons en andere drijvende werktuigen of schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden zijn opgesteld, moeten bovendien voldoen aan de voorschriften een van de lidstaten. 9. 9. Voor kranen moeten de gebruiksaanwijzingen van de fabrikant van de kraan aan boord aanwezig zijn. Deze moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:
a)
toepassing en functie van de bedieningsorganen;
b)
maximaal toelaatbare bedrijfslast overeenkomstig de vlucht;
c)
maximaal toelaatbare helling van de kraan;
d)
handleiding voor montage en onderhoud;
e)
algemene technische gegevens.
a) a) toepassing en functie van de bedieningsorganen; b) b) maximaal toelaatbare bedrijfslast overeenkomstig de vlucht; c) c) maximaal toelaatbare helling van de kraan; d) d) handleiding voor montage en onderhoud; e) e) algemene technische gegevens.
Artikel 14.13
Ten behoeve van de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van minder dan 55 °C moet zich aan dek een geventileerde kast van onbrandbaar materiaal bevinden. De buitenkant daarvan moet zijn voorzien van een teken ‘Vuur, open licht en roken verboden’ met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage 4.
Hoofdstuk 15. Verblijven
Artikel 15.01
-
- Schepen moeten voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, althans ten minste voor de minimumbemanning, voorzien zijn van verblijven.
-
- Verblijven moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust dat zij voldoen aan de eisen met betrekking tot de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de personen aan boord. Zij moeten gemakkelijk en veilig toegankelijk zijn, alsmede voldoende geïsoleerd zijn tegen kou en warmte.
-
- De Commissie van deskundigen kan afwijkingen van dit hoofdstuk toestaan indien de veiligheid en gezondheid van de personen aan boord op andere wijze zijn gewaarborgd.
-
- De Commissie van deskundigen vermeldt in het binnenschipcertificaat beperkingen van de exploitatiewijze of van de soort bedrijfsvoering van het schip die zijn vereist op grond van afwijkingen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 15.02
-
- Verblijven moeten, ook wanneer de deuren gesloten zijn, voldoende kunnen worden geventileerd; bovendien moeten de woonruimten voldoende daglicht verkrijgen en zo mogelijk uitzicht naar buiten hebben.
-
- Verblijven moeten, indien zij niet op dekhoogte toegankelijk zijn en het hoogteverschil meer dan 0,30 m bedraagt, via trappen toegankelijk zijn.
-
- In het voorschip mogen de vloeren niet lager dan 1,20 m onder het vlak van de grootste inzinking liggen.
-
- Woon- en slaapruimten moeten ten minste twee zo ver mogelijk van elkaar verwijderde uitgangen hebben, die als vluchtwegen dienen. Eén uitgang kan als nooduitgang zijn geconstrueerd. Dit geldt niet voor ruimten waarvan de uitgang rechtstreeks naar het dek leidt of naar een gang die als vluchtweg dient, voor zover deze gang twee van elkaar verwijderd liggende uitgangen heeft naar bak- en stuurboord. Nooduitgangen, waartoe ook bovenlichten en ramen kunnen behoren, moeten een vrije opening van ten minste 0,36 m^2 hebben, een kleinste zijde van ten minste 0,50 m hebben en een snelle evacuatie in geval van nood mogelijk maken. De isolering en de bekleding van oppervlakken van de vluchtwegen moeten van moeilijk ontvlambaar materiaal zijn gemaakt en het gebruik van de vluchtwegen moet door adequate maatregelen zoals ladders of klimtreden te allen tijde zijn gewaarborgd.
-
-
Verblijven moeten zijn beschermd tegen ontoelaatbare geluidshinder en trillingen. De ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk zijn:
a) in woonruimten: 70 dB(A); b) in slaapruimten: 60 dB(A). Dit geldt niet voor schepen die uitsluitend buiten de door de lidstaten in hun nationale bepalingen voorgeschreven rusttijden van de bemanning worden geëxploiteerd. De beperking genoemd in onderdeel b wat betreft de exploitatiewijze dient in het Binnenschipcertificaat te worden vermeld.
-
a) a) in woonruimten: 70 dB(A); b) b) in slaapruimten: 60 dB(A). Dit geldt niet voor schepen die uitsluitend buiten de door de lidstaten in hun nationale bepalingen voorgeschreven rusttijden van de bemanning worden geëxploiteerd. De beperking genoemd in onderdeel b wat betreft de exploitatiewijze dient in het Binnenschipcertificaat te worden vermeld. 6. 6. In verblijven mag de stahoogte niet minder zijn dan 2,00 m. 7. 7. In de regel moeten de schepen ten minste één van de slaapruimte afgescheiden woonruimte hebben. 8. 8. In woonruimten mag het vrije vloeroppervlak niet minder zijn dan 2 m^2 per persoon, maar moet dit in totaal ten minste 8 m^2 zijn. De oppervlakte bezet met verplaatsbaar meubilair, zoals tafels en stoelen, maakt deel uit van de vrije oppervlakte. 9. 9. Elke woon- of slaapruimte moet een inhoud van ten minste 7 m^3 hebben. 10. 10. In woonruimten bedraagt het minimale luchtvolume 3,5 m^3 per persoon. In slaapruimten moet het luchtvolume voor de eerste persoon ten minste 5 m^3 bedragen, voor iedere verdere persoon moet nog eens ten minste 3 m^3 aanwezig zijn (het volume van het meubilair dient daarvan te worden afgetrokken). Slaapruimten mogen slechts voor ten hoogste twee personen bestemd zijn. De bedden moeten ten minste 0,30 m boven de vloer zijn aangebracht. Indien het stapelbedden betreft, moet boven elk bed een vrije ruimte van ten minste 0,60 m hoogte aanwezig zijn. 11. 11. Deuren moeten een opening hebben waarvan de bovenkant ten minste 1,90 m boven het dek of de vloer ligt en zij moeten een vrije breedte van ten minste 0,60 m hebben. De voorgeschreven hoogte mag door het aanbrengen van schuifkappen of luiken worden bereikt. Deuren moeten van beide kanten naar buiten kunnen worden geopend. Deurdrempels mogen ten hoogste 0,40 m hoog zijn. Bovendien moeten andere veiligheidsvoorschriften worden nageleefd. 12. 12. Trappen moeten vast aangebracht en veilig begaanbaar zijn. Dit is het geval wanneer:
a)
zij ten minste 0,60 m breed zijn;
b)
de treden ten minste 0,15 m diep zijn;
c)
de treden een antisliplaag hebben, en
d)
trappen met meer dan drie treden zijn voorzien van ten minste een handgreep of leuning.
a) a) zij ten minste 0,60 m breed zijn; b) b) de treden ten minste 0,15 m diep zijn; c) c) de treden een antisliplaag hebben, en d) d) trappen met meer dan drie treden zijn voorzien van ten minste een handgreep of leuning. 13. 13. Leidingen voor gevaarlijke gassen en gevaarlijke vloeistoffen, in het bijzonder als ze onder een zodanig hoge druk staan dat een lek personen in gevaar zou kunnen brengen, mogen niet zijn aangelegd in de verblijven en in de daarheen leidende gangen. Dit geldt niet voor leidingen voor stoomsystemen en hydraulische systemen die zijn ondergebracht in een metalen beschermkoker en voor vast aangelegde leidingen van vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik.
Artikel 15.03
-
-
Schepen met verblijven moeten ten minste over de volgende sanitaire voorzieningen beschikken:
a) een toilet per wooneenheid of per zes bemanningsleden. Dit toilet moet van frisse lucht kunnen worden voorzien; b) een wasbak met afvoer en met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per vier bemanningsleden; c) een douche of badkuip met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per zes bemanningsleden.
-
a) a) een toilet per wooneenheid of per zes bemanningsleden. Dit toilet moet van frisse lucht kunnen worden voorzien; b) b) een wasbak met afvoer en met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per vier bemanningsleden; c) c) een douche of badkuip met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per zes bemanningsleden. 2. 2. Sanitaire voorzieningen moeten zich in de directe nabijheid van de woonruimten bevinden. Toiletten mogen geen rechtstreekse verbinding hebben met de keukens, eetruimten of woonkeukens. 3. 3. Toiletruimten moeten een grondoppervlak van ten minste 1 m^2 hebben. Daarbij moet de breedte ten minste 0,75 m en de lengte ten minste 1,10 m bedragen. Toiletruimten in hutten voor maximaal twee personen mogen kleiner zijn. Indien zich een wasgelegenheid en/of douche in de toiletruimte bevindt, moet het grondoppervlak met ten minste het oppervlak van de wasbak en/of de douchebak (of eventueel van de badkuip) zijn vergroot.
Artikel 15.04
-
- Keukens mogen gecombineerd zijn met woonruimten.
-
-
Keukens moeten uitgerust zijn met:
a) kookgerei; b) spoelbak met afvoer; c) installatie voor de drinkwatervoorziening; d) koelkast; e) voldoende berg-, werk- en voorraadruimte.
-
a) a) kookgerei; b) b) spoelbak met afvoer; c) c) installatie voor de drinkwatervoorziening; d) d) koelkast; e) e) voldoende berg-, werk- en voorraadruimte. 3. 3. Eetruimten in woonkeukens moeten voldoende zijn voor het aantal bemanningsleden dat deze ruimten gewoonlijk gelijktijdig gebruikt. De breedte van de zitplaatsen mag niet minder dan 0,60 m bedragen.
Artikel 15.05
-
- Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van een drinkwaterinstallatie zijn voorzien. Op de vulopeningen van de drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater moeten boven het dek zijn aangebracht.
-
-
Drinkwaterinstallaties moeten:
a) van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan; b) zijn samengesteld zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is gegarandeerd, en c) tegen overmatige verhitting zijn beschermd.
-
a) a) van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan; b) b) zijn samengesteld zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is gegarandeerd, en c) c) tegen overmatige verhitting zijn beschermd. 3. 3. Drinkwatertanks moeten bovendien:
a)
een capaciteit hebben van ten minste 150 liter per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid;
b)
een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant;
c)
een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben, en
d)
aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien.
a) a) een capaciteit hebben van ten minste 150 liter per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid; b) b) een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant; c) c) een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben, en d) d) aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien. 4. 4. Drinkwatertanks mogen geen wanden gemeen hebben met andere tanks. Drinkwaterleidingen mogen niet door tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten. Verbindingen tussen het drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks lopen. 5. 5. Drukvaten voor drinkwater mogen slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het drinkwater door een membraan van de perslucht is gescheiden.
Artikel 15.06
-
- Verblijven moeten overeenkomstig hun doel kunnen worden verwarmd. De verwarmingen moeten berekend zijn op de heersende weersomstandigheden.
-
- Woon- en slaapruimten moeten – ook bij gesloten deuren – voldoende kunnen worden geventileerd. De toevoer en afvoer van lucht moeten onder alle klimatologische omstandigheden voldoende luchtcirculatie mogelijk maken.
-
- Verblijven moeten zodanig zijn ingericht en uitgevoerd dat voor zover mogelijk wordt voorkomen dat verontreinigde lucht uit andere compartimenten van het schip, zoals machinekamers of laadruimen, binnendringt; bij geforceerde ventilatie dienen de inlaatopeningen zodanig te worden aangebracht dat ze aan bovengenoemde eisen voldoen.
Artikel 15.07
-
- Ieder aan boord verblijvend bemanningslid moet over een eigen bed en een eigen afsluitbare klerenkast beschikken. Het bed moet ten minste een binnenmaat van 2,00 m lengte bij 0,90 m breedte hebben.
-
- Buiten de slaapruimten dient te zijn voorzien in adequate gelegenheden voor het bewaren en drogen van werkkleding.
-
- Alle ruimten moeten elektrisch kunnen worden verlicht. Extra lampen voor gasvormige of vloeibare brandstoffen zijn slechts in woonruimten toegestaan. Verlichtingsvoorzieningen met vloeibare brandstof moeten van metaal zijn vervaardigd en mogen slechts op brandstoffen werken waarvan het vlampunt boven 55 °C ligt of op handelspetroleum. Ze moeten zodanig zijn opgesteld of aangebracht dat er geen brandgevaar bestaat.
Hoofdstuk 16. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen
Artikel 16.01
-
- Op verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op vloeibaar gas zijn de voorschriften van hoofdstuk 17 van toepassing.
-
- Verwarmings-, kook- en koelinstallaties met toebehoren moeten zo zijn uitgevoerd en opgesteld dat zij ook bij oververhitting geen gevaar opleveren; ze moeten zijn beveiligd tegen onopzettelijk kantelen of verschuiven.
-
- De in het tweede lid genoemde installaties mogen niet worden opgesteld in ruimten waar stoffen met een vlampunt onder 55 °C worden opgeslagen of gebruikt. Afvoerleidingen van de installaties mogen niet door deze ruimten lopen.
-
- De voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer moet zijn gewaarborgd.
-
- Verwarmingsapparaten moeten vast verbonden zijn met schoorstenen. Deze schoorstenen moeten in goede staat zijn en zijn voorzien van geschikte kappen of tegen wind beschermd zijn. Zij moeten zodanig zijn aangelegd dat zij gereinigd kunnen worden.
Artikel 16.02
-
- Wanneer verwarmings-, kook- en koelinstallaties op vloeibare brandstoffen werken, mogen alleen brandstoffen met een vlampunt boven 55 °C worden gebruikt.
-
- In afwijking van het eerste lid kunnen kooktoestellen en van pitbranders voorziene verwarmings- en koeltoestellen die op handelspetroleum werken worden toegestaan in verblijven en stuurhuizen, mits de inhoud van hun reservoir niet meer bedraagt dan 12 liter.
-
-
Met pitbranders uitgeruste installaties moeten:
a) een metalen brandstoftank met een afsluitbare vulopening hebben, die geen zacht gesoldeerde naden heeft onder de hoogste vulstand en die zo is gebouwd en aangebracht dat hij niet onopzettelijk kan opengaan of leeglopen; b) zonder behulp van een andere brandbare vloeistof kunnen worden ontstoken, en c) zo zijn opgesteld dat de verbrandingsgassen veilig worden afgevoerd.
-
a) a) een metalen brandstoftank met een afsluitbare vulopening hebben, die geen zacht gesoldeerde naden heeft onder de hoogste vulstand en die zo is gebouwd en aangebracht dat hij niet onopzettelijk kan opengaan of leeglopen; b) b) zonder behulp van een andere brandbare vloeistof kunnen worden ontstoken, en c) c) zo zijn opgesteld dat de verbrandingsgassen veilig worden afgevoerd.
Artikel 16.03
-
- Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten volgens de algemeen erkende regels van de techniek zijn gebouwd.
-
- Indien een oliekachel met een verdampingsbrander of een oliestookinstallatie met een verstuivingsbrander in een machinekamer is opgesteld, moet de luchttoevoer voor het verwarmingsapparaat en de motoren zodanig zijn dat het verwarmingsapparaat en de motoren onafhankelijk van elkaar, probleemloos en veilig kunnen functioneren. Indien nodig moeten afzonderlijke luchttoevoerkokers aanwezig zijn. De opstelling van het apparaat moet zodanig zijn dat een eventueel uit de verbrandingsruimte terugslaande vlam niet met andere delen van de machinekamerinstallatie in aanraking kan komen.
Artikel 16.04
-
- Oliekachels met verdampingsbranders moeten zonder behulp van andere brandbare vloeistoffen kunnen worden aangestoken. Zij moeten zijn aangebracht boven een metalen lekbak van zodanige omvang dat alle kachelonderdelen waarin olie aanwezig kan zijn zich boven deze bak bevinden. De inhoud van de lekbak mag niet minder dan 2 liter en de randhoogte niet minder dan 20 mm bedragen.
-
- Voor oliekachels met verdampingsbranders die in de machinekamer zijn opgesteld moet de randhoogte van de in het eerste lid bedoelde lekbak ten minste 200 mm bedragen. De onderkant van de brander moet boven de bovenrand van de lekbak liggen. Bovendien moet de bovenrand van de lekbak ten minste 100 mm boven de vloerplaat uitsteken.
-
-
Oliekachels met verdampingsbranders moeten van een geschikte brandstofregelaar zijn voorzien, die bij elke ingestelde stand een praktisch gelijkblijvende olietoevoer naar de brander waarborgt en bij eventueel uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer afsluit. De brandstofregelaar is als geschikt te beschouwen als deze ook bij trillingen en bij slagzij tot 12° probleemloos functioneert en, behalve van een vlotter voor de regulering van het niveau, is voorzien van:
a) een tweede vlotter, die bij het overschrijden van het toelaatbare olieniveau de toevoer van brandstof veilig en betrouwbaar afsluit, of b) een overloopleiding, mits de olie-opvangbak ten minste de inhoud van de verbruikstank kan bevatten.
-
a) a) een tweede vlotter, die bij het overschrijden van het toelaatbare olieniveau de toevoer van brandstof veilig en betrouwbaar afsluit, of b) b) een overloopleiding, mits de olie-opvangbak ten minste de inhoud van de verbruikstank kan bevatten. 4. 4. Indien de brandstoftank gescheiden is van de oliekachel met verdampingsbrander:
a)
mag deze tank niet hoger zijn geplaatst dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is toegestaan;
b)
moet de tank zodanig zijn geplaatst dat deze tegen ontoelaatbare verwarming is beschermd;
c)
moet de brandstoftoevoer vanaf het dek kunnen worden onderbroken.
a) a) mag deze tank niet hoger zijn geplaatst dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is toegestaan; b) b) moet de tank zodanig zijn geplaatst dat deze tegen ontoelaatbare verwarming is beschermd; c) c) moet de brandstoftoevoer vanaf het dek kunnen worden onderbroken. 5. 5. De schoorstenen van oliekachels met natuurlijke trek moeten zijn voorzien van een inrichting die terugslag van de trek verhindert.
Artikel 16.05
Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten met name aan de volgende eisen voldoen:
a) a) Vóór het begin van de olietoevoer moet voldoende ventilatie van de verbrandingsruimte zijn gewaarborgd; b) b) De brandstoftoevoer moet door een thermostatische regelaar worden geregeld; c) c) De ontsteking moet elektrisch of met een waakvlam geschieden; d) d) Er moet een inrichting aanwezig zijn die bij het uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer automatisch afsluit; e) e) De hoofdschakelaar moet zijn aangebracht op een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten de ruimte waar de installatie staat opgesteld.
Artikel 16.06
Luchtverhitters waarbij de verwarmingslucht onder druk rondom een verbrandingskamer naar een verdeelsysteem of een ruimte wordt geleid moeten aan de volgende eisen voldoen:
a) a) Indien de brandstof onder druk wordt verstoven, moet de toevoer van de verbrandingslucht door middel van een ventilator geschieden; b) b) Voordat de brander kan worden ontstoken, moet de verbrandingskamer goed geventileerd zijn. Dit kan ook gebeuren door het nalopen van de verbrandingsluchtventilator; c) c) De brandstoftoevoer moet automatisch worden gesloten, wanneer het vuur uitdooft; geen voldoende toevoer van verbrandingslucht aanwezig is; de verhitte lucht een eerder ingestelde temperatuur overschrijdt, of de stroomvoorziening van de veiligheidsinrichtingen uitvalt; In deze gevallen mag de brandstoftoevoer na te zijn gesloten niet weer automatisch starten; d) d) De ventilatoren voor verbrandingslucht en verwarmingslucht moeten kunnen worden uitgeschakeld buiten de ruimte waarin het verwarmingsapparaat is opgesteld; e) e) Indien de verwarmingslucht van buitenaf wordt aangezogen, moeten de aanzuigopeningen zo hoog mogelijk boven het dek liggen. De uitvoering daarvan moet spatwater- en regendicht zijn. f) f) De leidingen voor de verwarmingslucht moeten van metaal zijn vervaardigd; g) g) De uitgangsopeningen voor de verwarmingslucht mogen niet volledig gesloten kunnen worden; h) h) De bij lekkage vrijkomende brandstof mag zich niet tot in de leidingen voor de verwarmingslucht kunnen verspreiden; i) i) Luchtverhitters mogen hun verwarmingslucht niet uit een machinekamer kunnen aanzuigen.
Artikel 16.07
-
- Verwarmingsapparaten die op vaste brandstoffen werken moeten zodanig op een metalen plaat met een opstaande rand staan dat gloeiende brandstoffen of hete as niet buiten deze plaat kunnen geraken. Dit is niet vereist in ruimten die zijn gebouwd van onbrandbaar materiaal en die uitsluitend zijn bestemd voor het onderbrengen van een verwarmingsketel.
-
- De met vaste brandstoffen verwarmde ketels moeten zijn voorzien van thermostatische regelaars, die de voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer regelen.
-
- In de nabijheid van ieder verwarmingsapparaat moeten middelen aanwezig zijn waarmee de as gemakkelijk kan worden afgekoeld.
Hoofdstuk 17. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
Artikel 17.01
-
- Vloeibaargasinstallaties bestaan in hoofdzaak uit een flessenkast met één of meer gasflessen, één of meer drukregelaars, een distributienet en gebruiksapparaten. Reserveflessen en lege flessen die zich niet in de flessenkast bevinden zijn geen delen van een vloeibaargasinstallatie. Artikel 17.05 is hierop van overeenkomstige toepassing.
-
- De installaties mogen slechts op handelspropaan werken.
Artikel 17.02
-
- Vloeibaargasinstallaties moeten in al hun onderdelen geschikt zijn voor het gebruik van propaan en deugdelijk zijn uitgevoerd en opgesteld.
-
- Vloeibaargasinstallaties mogen slechts worden gebruikt voor huishoudelijke doeleinden in de verblijven en in het stuurhuis, alsmede voor overeenkomstige doeleinden op passagiersschepen.
-
- Er kunnen zich aan boord verschillende afzonderlijke vloeibaargasinstallaties bevinden. Eén en dezelfde installatie mag niet worden gebruikt voor verblijven die door een ruim of een vaste tank zijn gescheiden.
-
- In de machinekamer mag zich geen onderdeel van de vloeibaargasinstallatie bevinden.
Artikel 17.03
-
- Toegestaan zijn uitsluitend flessen waarvan de toegelaten vulmassa ligt tussen 5 en 35 kg. Voor passagiersschepen kan de Commissie van deskundigen flessen met een hoger vulgewicht toestaan.
-
- De flessen moeten voldoen aan de voorschriften die in een van de lidstaten van kracht zijn. Zij moeten zijn voorzien van het officiële stempel ten bewijze van de keuring op basis van de voorgeschreven beproevingen.
Artikel 17.04
-
- Aangesloten flessen moeten aan dek zijn opgesteld in een al dan niet ingebouwde flessenkast buiten de verblijven en wel zodanig dat het zich verplaatsen aan boord niet wordt gehinderd. De flessenkast mag echter niet op het voor- of achterschip tegen de verschansing zijn opgesteld. De flessenkast mag alleen dan in de bovenbouw zijn ingebouwd, wanneer zij gasdicht is ten opzichte daarvan en wanneer zij slechts naar de buitenzijde kan worden geopend. Zij moet zo zijn ingericht dat de distributieleidingen naar de plaatsen van verbruik zo kort mogelijk zijn. Er mogen slechts zo veel flessen voor gelijktijdige afname zijn aangesloten als de verbruiksinstallatie vereist. In geval van meer dan één fles moet in elk geval gebruik worden gemaakt van een omschakel- of afsluitinrichting. Per flessenkast mogen ten hoogste vier flessen worden aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen mogen zich per flessenkast niet meer dan zes flessen aan boord bevinden. Op passagiersschepen met keukens of kantines voor de passagiers mogen ten hoogste zes flessen worden aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen mogen zich per flessenkast niet meer dan negen flessen aan boord bevinden. De drukregelaar, of in geval van een drukregeling in twee trappen, de eerste drukregelaar, moet zich in dezelfde kast bevinden als de flessen en vast zijn ingebouwd.
-
- Aangesloten flessen moeten zodanig zijn geplaatst dat in geval van lekkage ontsnappend gas uit de flessenkast in de open lucht kan afvloeien, zonder dat daarbij enig gevaar bestaat dat gas doordringt in het inwendige van het schip of in aanraking kan komen met een ontstekingsbron.
-
- Flessenkasten moeten zijn vervaardigd van moeilijk ontvlambaar materiaal en door aan de beneden- en bovenzijde aangebrachte openingen voldoende worden geventileerd. De flessen moeten staande zijn opgesteld en niet kunnen omvallen.
-
- De flessenkast moet zodanig zijn ingericht en opgesteld dat de temperatuur van de flessen niet boven 50 °C kan stijgen.
-
- Aan de buitenzijde van de flessenkast moet het opschrift ‘vloeibaar gas’ en een teken ‘vuur, open licht en roken verboden’ met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage 4, zijn aangebracht.
Artikel 17.05
Reserveflessen en lege flessen die zich niet in de flessenkast bevinden moeten buiten de verblijven en het stuurhuis in een overeenkomstig artikel 17.04 uitgevoerde kast zijn opgeslagen.
Artikel 17.06
-
- De gebruiksapparaten mogen slechts op de flessen worden aangesloten door middel van een distributienet dat is voorzien van één of meer drukregelaars, die de gasdruk verlagen tot de gebruiksdruk. Deze drukvermindering kan in één of twee trappen worden bewerkstelligd. Alle drukregelaars moeten op een bepaalde druk overeenkomstig artikel 17.07 zijn afgesteld.
-
- De laatste drukregelaar moet zijn voorzien van, dan wel worden gevolgd door een inrichting waardoor het distributienet automatisch is beveiligd tegen overdruk, wanneer de drukregelaar onvoldoende zou functioneren. Gewaarborgd moet zijn dat in geval van een lek uit deze veiligheidsvoorziening ontsnappend gas in de open lucht wordt afgevoerd en niet in het inwendige van het schip kan doordringen of in aanraking kan komen met een ontstekingsbron; zo nodig moet daartoe een afzonderlijke leiding worden aangelegd.
-
- Veiligheidsventielen en afblaasleidingen moeten tegen het binnendringen van water zijn beschermd.
Artikel 17.07
-
- Bij een drukregeling in twee trappen mag de waarde van de middeldruk niet meer bedragen dan 2,5 bar boven de heersende atmosferische druk.
-
- De einddruk van het gas bij het verlaten van de laatste drukregelaar mag niet meer bedragen dan 0,05 bar boven de heersende atmosferische druk, waarbij een speling van 10% is toegestaan.
Artikel 17.08
-
- Leidingen moeten uit vast aangelegde stalen of koperen pijpen bestaan. Aansluitleidingen aan de flessen moeten evenwel bestaan uit voor propaan geschikte hoge-drukslangen of spiraalvormige pijpen. Gebruiksapparaten die niet vast zijn ingebouwd mogen echter zijn aangesloten door middel van geschikte slangen met een lengte van ten hoogste 1 m.
-
- Leidingen moeten bestand zijn tegen alle aan boord bij normale bedrijfsomstandigheden optredende invloeden, met name wat corrosie en sterkte betreft, en door hun eigenschappen en opstelling voldoende gastoevoer naar de gebruiksapparaten met betrekking tot hoeveelheid en druk verzekeren.
-
- Pijpleidingen moeten zo weinig mogelijk koppelingen bevatten. De pijpen en koppelingen moeten gasdicht zijn en bij alle trillingen en uitzettingen waaraan zij kunnen worden blootgesteld gasdicht blijven.
-
- Pijpleidingen moet goed toegankelijk, behoorlijk bevestigd en overal op die plaatsen beschermd zijn, waar gevaar van stoten of wrijvingen bestaat, vooral bij de doorvoeringen door stalen schotten of metalen wanden. Stalen pijpen moeten over hun gehele uitwendige oppervlakte corrosiebestendig zijn gemaakt.
-
- Flexibele leidingen en de koppelingen daarvan moeten bestand zijn tegen alle aan boord bij normale bedrijfsomstandigheden optredende invloeden. Zij moeten bovendien zo zijn aangelegd dat zij niet onder spanning staan, niet ontoelaatbaar worden verwarmd en over hun gehele lengte kunnen worden gecontroleerd.
Artikel 17.09
-
- Het gehele distributienet moet door een steeds gemakkelijk en snel te bereiken hoofdkraan kunnen worden afgesloten.
-
- Ieder gebruiksappparaat moet aan een aftakking zijn geplaatst die door middel van een afzonderlijke kraan kan worden afgesloten.
-
- Kranen moeten beschermd tegen weersinvloeden en stoten zijn aangebracht.
-
- Achter elke drukregelaar moet een testaansluiting zijn aangebracht. Door middel van een kraan moet zijn gewaarborgd dat de drukregelaar bij een test niet aan de testdruk wordt blootgesteld.
Artikel 17.10
-
- Er mogen slechts gebruiksapparaten worden geïnstalleerd die in één van de lidstaten voor propaan zijn toegelaten. Zij moeten van inrichtingen zijn voorzien waardoor het uitstromen van gas bij het uitgaan van zowel de branders als de waakvlam geheel wordt verhinderd.
-
- Elk gebruiksapparaat moet zodanig zijn opgesteld en aangesloten dat het niet kan omvallen of onopzettelijk verschuiven en dat onopzettelijk losraken van de aansluitleidingen niet mogelijk is.
-
- Verwarmingstoestellen, geisers en koelkasten moeten zijn voorzien van een leiding waardoor verbrandingsgassen in de open lucht worden afgevoerd.
-
- Gebruiksapparaten mogen slechts in het stuurhuis zijn opgesteld, wanneer deze zo is gebouwd dat eventueel ontsnappend gas niet vanuit het stuurhuis in de lager gelegen gedeelten van het schip, met name via doorvoeringen van de afstandbedieningen in de machinekamer, kan doordringen.
-
- Gebruiksapparaten mogen in slaapruimten slechts worden opgesteld, wanneer de verbranding onafhankelijk van de in deze ruimte aanwezige lucht plaatsvindt.
-
- Gebruiksapparaten waarvan de verbranding afhankelijk van de in de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt moeten in een ruimte van voldoende afmeting zijn opgesteld.
Artikel 17.11
-
- De ventilatie in de ruimten, waarin gebruiksapparaten zijn opgesteld waarvan de verbranding afhankelijk van de in de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt, moet zijn verzekerd door ventilatieopeningen van voldoende afmetingen, elk echter met een vrije doorsnede van ten minste 150 cm^2.
-
- Ventilatieopeningen mogen geen afsluitinrichtingen hebben en niet in verbinding staan met slaapruimten.
-
- Afvoerkanalen moeten zo zijn uitgevoerd dat de verbrandingsgassen afdoende worden afgevoerd. Zij moeten bedrijfszeker en onbrandbaar zijn. Ventilatoren voor de luchtverversing van verblijven mogen de afvoer niet nadelig beïnvloeden.
Artikel 17.12
Op een geschikte plaats aan boord moet een gebruiksinstructie zijn aangebracht; hierop moeten ten minste de volgende opschriften voorkomen:
‘De afsluitkranen van de flessen, die niet op het distributienet zijn aangesloten, moeten zijn gesloten, zelfs wanneer de flessen geacht worden leeg te zijn.’
‘De slangen moeten worden vervangen, zodra hun toestand dit noodzakelijk maakt.’
‘Alle gebruiksapparaten moeten zijn aangesloten, tenzij de bijbehorende toevoerleidingen zijn gesloten.’
Artikel 17.13
Een erkend deskundige keurt of de vloeibaargasinstallaties in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk:
a) a) vóór de eerste ingebruikstelling; b) b) vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie, en c) c) bij iedere vernieuwing van de in artikel 17.15 bedoelde aantekening.
Met betrekking tot de keuring moet een door de erkend deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt. Hiervan moet een kopie aan de Commissie van deskundigen worden overgelegd.
Artikel 17.14
Het beproeven van de installatie moet onder de volgende voorwaarden geschieden:
-
-
Pijpleidingen voor de middeldruk tussen de in artikel 17.09, vierde lid, bedoelde kraan van de eerste drukregelaar en de kranen voor de laatste drukregelaars:
a) een sterktebeproeving uitgevoerd met lucht, met een inert gas of met een vloeistof, onder een druk van 20 bar boven de heersende atmosferische druk; b) een beproeving van de luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 3,5 bar boven de heersende atmosferische druk.
-
a) a) een sterktebeproeving uitgevoerd met lucht, met een inert gas of met een vloeistof, onder een druk van 20 bar boven de heersende atmosferische druk; b) b) een beproeving van de luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 3,5 bar boven de heersende atmosferische druk. 2. 2. Pijpleidingen onder de bedrijfsdruk tussen de in artikel 17.09, vierde lid, bedoelde kraan van de enige drukregelaar of de drukregelaar van de laatste trap en de kranen voor de gebruiksapparaten: beproeving van de luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 1 bar boven de heersende atmosferische druk. 3. 3. Leidingen tussen de in artikel 17.09, vierde lid, bedoelde kraan van de enige drukregelaar of van de drukregelaar van de laatste trap en de bedieningsarmaturen van de gebruiksapparaten: beproeving van de luchtdichtheid onder een druk van 0,15 bar boven de heersende atmosferische druk. 4. 4. Bij de beproevingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, het tweede en het derde lid, worden de leidingen als dicht beschouwd, wanneer de testdruk na een voor aanpassing aan de temperatuur voldoende wachttijd en een aansluitende beproevingsduur van 10 minuten niet daalt. 5. 5. De aansluitingen aan de flessen, de verbindingsstukken en de armaturen die onder flessendruk staan, alsmede de aansluiting van de regelaar aan de gebruiksleiding: beproeving onder bedrijfsdruk van de luchtdichtheid met een schuimvormend middel. 6. 6. Gebruiksapparaten moeten bij de nominale belasting in gebruik worden genomen en worden gecontroleerd op goed branden bij verschillende instellingen van de regelknop. De ontstekingsbeveiligingen moeten op hun goede werking worden gecontroleerd. 7. 7. Na de in het zesde lid bedoelde controle moet voor ieder gebruiksapparaat dat aan een afvoergassenleiding is aangesloten, na vijf minuten functioneren bij nominale belasting met gesloten ramen en deuren en in werking zijnde ventilatie-inrichtingen, worden gecontroleerd of verbrandingsgassen naar buiten uittreden. Wanneer het ontsnappen van verbrandingsgassen niet van voorbijgaande aard is, moet onmiddellijk de oorzaak worden opgespoord. Het apparaat mag niet voor gebruik worden vrijgegeven, voordat alle gebreken zijn hersteld.
Artikel 17.15
-
- Voor elke vloeibaargasinstallatie die aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet moet een aantekening worden geplaatst in het binnenschipcertificaat.
-
- Deze aantekening wordt afgegeven door de Commissie van deskundigen geplaatst na de in artikel 17.13 bedoelde keuring.
-
- De geldigheidsduur van de aantekening bedraagt maximum drie jaar. Vóór iedere vernieuwing dient een nieuwe keuring overeenkomstig artikel 17.13 plaats te vinden. Bij wijze van uitzondering kan de Commissie van deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar van een schip of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het attest met maximum drie maanden verlengen, zonder dat eerst een keuring overeenkomstig artikel 17.13 heeft plaatsgehad. Deze verlenging wordt in het binnenschipcertificaat aangetekend.
Hoofdstuk 18. Boordzuiveringsinstallaties
Artikel 18.00
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*‘boordzuiveringsinstallatie’:* een compact gebouwde zuiveringsinstallatie voor de reiniging van huishoudelijk afvalwater aan boord van schepen;
*‘typegoedkeuring’:* de beslissing waarbij de bevoegde autoriteit verklaart dat een boordzuiveringsinstallatie aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk 18 voldoet;
*‘speciale test’:* de procedure overeenkomstig artikel 18.09, waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde boordzuiveringsinstallatie aan de voorschriften van dit hoofdstuk 18 voldoet;
*‘fabrikant’:* de persoon of organisatie die tegenover de bevoegde autoriteit verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van de boordzuiveringsinstallatie. Indien de boordzuiveringsinstallatie pas na haar oorspronkelijke fabricage door veranderingen en aanvullingen wordt aangepast voor gebruik op een vaartuig in de zin van dit hoofdstuk 18, is de fabrikant gewoonlijk de persoon of de organisatie die deze veranderingen of aanvullingen heeft uitgevoerd;
*‘inlichtingenformulier’:* het formulier bedoeld in bijlage 7, onderdeel II, waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt;
*‘informatiedossier’:* het geheel van gegevens, tekeningen, foto’s en andere bescheiden die de aanvrager overeenkomstig de eisen van het inlichtingenformulier aan de technische dienst of de bevoegde autoriteit moet verstrekken;
*‘informatiepakket’:* het informatiedossier plus alle testrapporten en andere documenten die de technische dienst of de bevoegde autoriteit tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd;
*‘certificaat van typegoedkeuring’:* het document bedoeld in bijlage 7, onderdeel III, waarin de bevoegde autoriteit de typegoedkeuring vaststelt;
*‘proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie’:* het document, bedoeld in bijlage 7, onderdeel VIII, waarin alle kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie, met inbegrip van de onderdelen (componenten) en afstellingen die een weerslag hebben op het niveau van de afvalwaterreiniging, evenals alle veranderingen daarvan, vastgelegd zijn;
*‘inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie’:* het document bedoeld in artikel 18.09, vierde lid, ten behoeve van de speciale test;
*‘huishoudelijk afvalwater’:* afvalwater uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens, evenals uit de toiletten;
*‘zuiveringsslib’:* restanten die bij gebruik van een zuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan.
Artikel 18.01
-
- Dit hoofdstuk is van toepassing op alle boordzuiveringsinstallaties die geïnstalleerd zijn in vaartuigen.
-
a)
Boordzuiveringsinstallaties moeten bij de typekeuring aan de volgende grenswaarden voldoen:
Tabel 1: Tijdens de typekeuring bij de afvoer van de boordzuiveringsinstallatie (testinstallatie) na te komen grenswaarden
Kenmerk
Concentratie (Fase II)
Monstertype
Biochemische zuurstofbehoefte (*BZB5*)
ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003^1
20 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
25 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Chemische zuurstofbehoefte (CZB)^2
ISO 6060 : 1989^1
100 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
125 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Totaal organisch gebonden koolstof (TOC)
EN 1484 : 1997^1
35 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
45 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
^1 Lidstaten kunnen gelijkwaardige procedures voorzien.
^2 In plaats van de chemische zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de typekeuring ook van het totaal organisch gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan.
b)
Bij gebruik moet aan de volgende controlewaarden worden voldaan:
Tabel 2: Tijdens gebruik bij de afvoer vanuit de boordzuiveringsinstallatie na te komen controlewaarden
Kenmerk
Concentratie (Fase II)
Monstertype
Biochemische zuurstofbehoefte (*BZB5*)
ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003^1
25 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Chemische zuurstofbehoefte (CZB)^2
ISO 6060 : 1989^1
125 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
150 mg/l
Steekproef
Totaal organisch gebonden koolstof (TOC)
EN 1484 : 1997^1
45 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
^1 Lidstaten kunnen gelijkwaardige procedures voorzien.
^2 In plaats van de chemische zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de controle ook van het totaal organisch gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan.
a) a) Boordzuiveringsinstallaties moeten bij de typekeuring aan de volgende grenswaarden voldoen:
Tabel 1: Tijdens de typekeuring bij de afvoer van de boordzuiveringsinstallatie (testinstallatie) na te komen grenswaarden
Kenmerk
Concentratie (Fase II)
Monstertype
Biochemische zuurstofbehoefte (*BZB5*)
ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003^1
20 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
25 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Chemische zuurstofbehoefte (CZB)^2
ISO 6060 : 1989^1
100 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
125 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Totaal organisch gebonden koolstof (TOC)
EN 1484 : 1997^1
35 mg/l
24-u-mengmonster, gehomogeniseerd
45 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
^1 Lidstaten kunnen gelijkwaardige procedures voorzien.
^2 In plaats van de chemische zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de typekeuring ook van het totaal organisch gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan.
b) b) Bij gebruik moet aan de volgende controlewaarden worden voldaan:
Tabel 2: Tijdens gebruik bij de afvoer vanuit de boordzuiveringsinstallatie na te komen controlewaarden
Kenmerk
Concentratie (Fase II)
Monstertype
Biochemische zuurstofbehoefte (*BZB5*)
ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003^1
25 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
Chemische zuurstofbehoefte (CZB)^2
ISO 6060 : 1989^1
125 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
150 mg/l
Steekproef
Totaal organisch gebonden koolstof (TOC)
EN 1484 : 1997^1
45 mg/l
Steekproef, gehomogeniseerd
^1 Lidstaten kunnen gelijkwaardige procedures voorzien.
^2 In plaats van de chemische zuurstofbehoefte (CZB) kan voor de controle ook van het totaal organisch gebonden koolstof (TOC) worden uitgegaan.
-
- Procedures met gebruik van chloorhoudende stoffen zijn niet toegestaan. Het is evenmin toegelaten, het huishoudelijk afvalwater te verdunnen om de specifieke belasting te verminderen en daardoor een verwerking mogelijk te maken.
-
- Voor de opslag, conservering (voor zover noodzakelijk) en afgifte van het slib moeten de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Dit houdt tevens een beheerplan voor het zuiveringsslib in.
-
- Het voldoen aan de grenswaarden bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, tabel 1, wordt door een typekeuring bevestigd en door een typegoedkeuring vastgesteld. De typegoedkeuring wordt vastgelegd in een certificaat van typegoedkeuring. Voor de inbouw van de boordzuiveringsinstallatie moet een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aan de Commissie van deskundigen worden gezonden. Een kopie van het certificaat van typegoedkeuring en van het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie moeten zich aan boord bevinden.
-
-
Na de inbouw van de boordzuiveringsinstallatie aan boord, moet, voordat de installatie normaal in gebruik wordt genomen, door de fabrikant een controle van het functioneren worden uitgevoerd. De boordzuiveringsinstallatie moet met de onderstaande gegevens onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat worden vermeld, met de volgende gegevens van de installatie:
a) naam; b) typegoedkeuringsnummer; c) serienummer; d) bouwjaar.
-
a) a) naam; b) b) typegoedkeuringsnummer; c) c) serienummer; d) d) bouwjaar. 7. 7. Na elke belangrijke wijziging van een boordzuiveringsinstallatie die een invloed heeft op de reiniging van huishoudelijk afvalwater, moet altijd een speciale test, bedoeld in artikel 18.09, derde lid, plaatsvinden. 8. 8. De bevoegde autoriteit kan zich voor de vervulling van taken, bedoeld in dit hoofdstuk doen bijstaan door een technische dienst. 9. 9. Om zeker te zijn dat de boordzuiveringsinstallatie functioneert, moet de installatie regelmatig overeenkomstig de instructies van de fabrikant worden onderhouden. Een dienovereenkomstig bewijs van onderhoud moet zich aan boord bevinden.
Artikel 18.02
-
- Een aanvraag van een typegoedkeuring voor een boordzuiveringsinstallatietype moet door de fabrikant bij de bevoegde autoriteit worden ingediend. Bij de aanvraag moet een informatiedossier, als bedoeld in artikel 18.00, zesde lid, het ontwerp van een proces-verbaal van de kenmerken de boordzuiveringsinstallatie, bedoeld in artikel 18.00, negende lid, en het ontwerp van een inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en de kenmerken van het boordzuiveringsinstallatietype, bedoeld in artikel 18.00, tiende lid, worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typegoedkeuring een prototype van een boordzuiveringsinstallatie demonstreren.
-
- Indien de bevoegde autoriteit in het geval van een aanvraag van een typegoedkeuring van een boordzuiveringsinstallatie vaststelt dat de ingediende aanvraag met betrekking tot het gepresenteerde prototype van de boordzuiveringsinstallatie, voor de in bijlage 7, onderdeel II, aanhangsel 1, beschreven kenmerken van dit boordzuiveringsinstallatietype niet representatief is, moet een ander, en eventueel een extra, prototype dat door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen ten behoeve van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking worden gesteld.
-
- Een aanvraag van een typegoedkeuring voor een boordzuiveringsinstallatietype mag bij niet meer dan één bevoegde autoriteit worden ingediend. Voor ieder goed te keuren boordzuiveringsinstallatietype moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.
Artikel 18.03
-
- De bevoegde autoriteit bij wie de aanvraag wordt ingediend, verleent de typegoedkeuring voor het boordzuiveringsinstallatietype dat met de gegevens in het informatiedossier overeenstemt en aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoet. Het voldoen aan deze voorschriften wordt overeenkomstig bijlage 7, onderdeel IX gecontroleerd.
-
- De bevoegde autoriteit vult voor ieder boordzuiveringsinstallatietype waarvoor zij goedkeuring verleent, alle desbetreffende onderdelen van het certificaat van typegoedkeuring in, waarvan het model is opgenomen in bijlage 7, onderdeel III; zij stelt een inhoudsopgave van het informatiepakket op of verifieert deze. De certificaten van typegoedkeuring moeten volgens het systeem aangegeven in bijlage 7, onderdeel IV, worden genummerd. Het ingevulde certificaat van typegoedkeuring en de bijbehorende bijlagen worden aan de aanvrager toegezonden.
-
- Indien de goed te keuren boordzuiveringsinstallatie haar functie slechts vervult of bijzondere kenmerken slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het vaartuig waarin de boordzuiveringsinstallatie zal worden ingebouwd, en om die reden de naleving van één of meer eisen slechts kan worden geverifieerd, wanneer de goed te keuren boordzuiveringsinstallatie in combinatie met andere echte of gesimuleerde onderdelen van het vaartuig functioneert, moet de geldigheid van de typegoedkeuring van deze boordzuiveringsinstallatie dienovereenkomstig worden beperkt. In dergelijke gevallen moeten in het certificaat van typegoedkeuring van een boordzuiveringsinstallatietype de eventuele beperkingen in het gebruik, alsmede eventuele voorwaarden waaraan bij montage moet worden voldaan, worden vermeld.
Artikel 18.04
-
- De bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend, moet de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat zij in kennis wordt gesteld van iedere wijziging van de gegevens in het informatiepakket.
-
- De aanvraag om wijziging of uitbreiding van een typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de bevoegde autoriteit die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend.
-
-
Indien in het informatiepakket beschreven kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie worden gewijzigd, verstrekt de bevoegde autoriteit:
a) indien nodig, de herziene bladzijden van het informatiepakket, waarbij zij op elke afzonderlijke bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziene versie vermeldt. Bij iedere heruitgave van bladzijden moet ook de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij het certificaat van typegoedkeuring is gevoegd, dienovereenkomstig worden gewijzigd; b) een herzien certificaat van typegoedkeuring (met een uitbreidingsnummer), indien de daarin voorkomende gegevens (met uitzondering van de bijlagen) zijn gewijzigd of indien de minimumeisen van dit hoofdstuk sinds de oorspronkelijke datum van de goedkeuring zijn gewijzigd. In dit herziene certificaat van typegoedkeuring moeten duidelijk de reden voor de herziening en de datum van afgifte van de herziene versie worden vermeld. Indien de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft afgegeven van oordeel is dat nieuwe proeven of tests moeten worden uitgevoerd naar aanleiding van een wijziging van het informatiepakket, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis en geeft zij de bovenvermelde documenten pas af nadat de nieuwe proeven of tests met goed gevolg zijn uitgevoerd.
-
a) a) indien nodig, de herziene bladzijden van het informatiepakket, waarbij zij op elke afzonderlijke bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziene versie vermeldt. Bij iedere heruitgave van bladzijden moet ook de inhoudsopgave van het informatiepakket dat bij het certificaat van typegoedkeuring is gevoegd, dienovereenkomstig worden gewijzigd; b) b) een herzien certificaat van typegoedkeuring (met een uitbreidingsnummer), indien de daarin voorkomende gegevens (met uitzondering van de bijlagen) zijn gewijzigd of indien de minimumeisen van dit hoofdstuk sinds de oorspronkelijke datum van de goedkeuring zijn gewijzigd. In dit herziene certificaat van typegoedkeuring moeten duidelijk de reden voor de herziening en de datum van afgifte van de herziene versie worden vermeld. Indien de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft afgegeven van oordeel is dat nieuwe proeven of tests moeten worden uitgevoerd naar aanleiding van een wijziging van het informatiepakket, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis en geeft zij de bovenvermelde documenten pas af nadat de nieuwe proeven of tests met goed gevolg zijn uitgevoerd.
Artikel 18.05
-
- De fabrikant brengt op iedere boordzuiveringsinstallatie die conform de typegoedkeuring is geproduceerd, de in bijlage 7, onderdeel I, vastgestelde merktekens aan, met inbegrip van het typegoedkeuringsnummer.
-
- Indien de typegoedkeuring overeenkomstig artikel 18.03, derde lid, beperkingen aan het gebruik bevat, moeten door de fabrikant bij iedere gefabriceerde eenheid gedetailleerde gegevens over deze beperkingen en de volledige inbouwvoorschriften worden bijgeleverd.
-
- De fabrikant zendt op verzoek van de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend, binnen 45 dagen na het einde van ieder kalenderjaar en onmiddellijk na ieder verder tijdstip dat door de bevoegde autoriteit is vastgesteld, een lijst met serienummers van alle boordzuiveringsinstallaties die conform de eisen van dit hoofdstuk zijn geproduceerd sinds de laatste lijst werd ingediend of sinds de datum waarop deze voorschriften voor het eerst van kracht werden. Deze lijst moet het verband tussen de serienummers en de daarbij behorende boordzuiveringsinstallatietypes en de typegoedkeuringsnummers aangeven. Bovendien moet de lijst bijzondere gegevens bevatten indien de fabrikant niet langer een typegoedgekeurd boordzuiveringsinstallatietype produceert. Indien de bevoegde autoriteit niet verlangt dat deze lijst haar regelmatig wordt toegezonden, moet de fabrikant de geregistreerde gegevens gedurende ten minste 40 jaar bewaren.
Artikel 18.06
-
- De bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring verleent, zorgt ervoor dat de serienummers van de boordzuiveringsinstallaties die overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk zijn geproduceerd worden geregistreerd en gecontroleerd. Zij kan hierbij samenwerken met andere krachtens dit hoofdstuk bevoegde autoriteiten en met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
-
- Een bijkomende controle van de serienummers kan plaatsvinden ter gelegenheid van de controle van de conformiteit van de productie met de eisen bedoeld in artikel 18.07.
-
- Met betrekking tot de controle van de serienummers verstrekken de fabrikant of zijn in de lidstaten gevestigde agenten op verzoek van de bevoegde autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens betreffende de cliënten alsook de serienummers van de boordzuiveringsinstallaties, waarvan is medegedeeld dat zij conform artikel 18.05, derde lid, zijn geproduceerd.
-
- Indien een fabrikant, na een verzoek daartoe van de bevoegde autoriteit, niet in staat is de in artikel 18.05 bedoelde voorschriften na te komen, kan de goedkeuring voor de betreffende boordzuiveringsinstallatie worden ingetrokken. Daarvan wordt kennis gegeven volgens de procedure overeenkomstig artikel 18.08, vierde lid.
Artikel 18.07
-
- De bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring verleent, vergewist er zich van tevoren van dat de met betrekking tot bijlage 7, onderdeel I, passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om een doeltreffende controle van de conformiteit van de productie te waarborgen. Zij kan hierbij samenwerken met andere krachtens dit hoofdstuk bevoegde autoriteiten en met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
-
- De bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring heeft verleend, vergewist zich ervan dat de in het eerste lid bedoelde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de bepalingen van bijlage 7, onderdeel I, nog steeds afdoende zijn en elke geproduceerde boordzuiveringsinstallatie die krachtens dit hoofdstuk van een typegoedkeuringsnummer is voorzien, nog steeds beantwoordt aan de beschrijving die in het certificaat van typegoedkeuring en de daarbij horende bijlagen inzake het boordzuiveringsinstallatietype is gegeven. Zij kan hierbij samenwerken met andere krachtens dit hoofdstuk bevoegde autoriteiten en met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
-
- De bevoegde autoriteit kan vergelijkbare controles van andere bevoegde autoriteiten met betrekking tot de bepalingen in het eerste en tweede lid als gelijkwaardig erkennen.
Artikel 18.08
-
- Er is sprake van non-conformiteit met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype, indien er afwijkingen worden vastgesteld van de kenmerken in het certificaat van typegoedkeuring of eventueel in het informatiepakket, indien deze afwijkingen niet door de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend zijn toegestaan op grond van artikel 18.04, derde lid.
-
- Indien de bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat boordzuiveringsinstallaties niet conform zijn met het boordzuiveringsinstallatietype waarvoor zij de goedkeuring heeft verleend, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde boordzuiveringsinstallaties opnieuw in overeenstemming worden gebracht met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype. De bevoegde autoriteit die de non-conformiteit heeft vastgesteld, stelt de andere bevoegde autoriteiten in kennis van de genomen maatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de typegoedkeuring.
-
- Indien een bevoegde autoriteit kan aantonen dat boordzuiveringsinstallaties die van een typegoedkeuringsnummer zijn voorzien, niet conform zijn met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype, kan zij van de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te controleren of de in productie zijnde boordzuiveringsinstallaties conform zijn met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype. De hiertoe vereiste maatregelen moeten binnen zes maanden na de datum van het verzoek worden genomen
Artikel 18.09
-
-
Uiterlijk drie maanden na de ingebruikname van het vaartuig of na de inbouw achteraf en de overeenkomstige controle van het functioneren van de boordzuiveringsinstallatie, neemt de bevoegde autoriteit tijdens de exploitatie van het vaartuig een steekproef ter controle van het nakomen van de in artikel 18.01, tweede lid, tabel 2 vermelde controlewaarden. De bevoegde autoriteit controleert bovendien door middel van steekproefmetingen van tijd tot tijd zonder vaste regelmaat het goede functioneren van de boordzuiveringsinstallatie om vast te stellen of de in artikel 18.01, tweede lid, tabel 2, vermelde controlewaarden nog worden nagekomen. Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de waarden van de steekproefmetingen de controlewaarden, bedoeld in artikel 18.01, eerste lid, tabel 2, niet nakomen dan kan zij eisen:
a) dat de gebreken van de boordzuiveringsinstallatie worden verholpen, zodat de installatie weer naar behoren werkt; b) dat de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie met de typegoedkeuring wordt hersteld, of c) dat een speciale test overeenkomstig het derde lid wordt verricht.Indien de gebreken worden verholpen en de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie met de vereisten van de typegoedkeuring wordt hersteld, kan de bevoegde autoriteit opnieuw steekproefmetingen verrichten. Indien de gebreken niet worden verholpen of indien de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie met de vereisten van de typegoedkeuring niet wordt hersteld, verzegelt de bevoegde autoriteit de boordzuiveringsinstallatie en informeert de Commissie van deskundigen, die vervolgens een overeenkomstige aantekening op het binnenschipcertificaat onder nummer 52 maakt. a) a) dat de gebreken van de boordzuiveringsinstallatie worden verholpen, zodat de installatie weer naar behoren werkt; b) b) dat de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie met de typegoedkeuring wordt hersteld, of c) c) dat een speciale test overeenkomstig het derde lid wordt verricht.
-
-
- De metingen van de steekproeven moeten geschieden volgens de in artikel 18.01, tweede lid, tabel 2, voorgeschreven normen.
-
-
Indien de bevoegde autoriteit aan de boordzuiveringsinstallatie bijzonderheden vaststelt die op een afwijking van de typegoedkeuring zou kunnen wijzen, dan voert de bevoegde autoriteit een speciale test uit, om de feitelijke toestand van de boordzuiveringsinstallatie met betrekking tot de onderdelen, de ijking en de afstellingen van de parameters zoals die in het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie zijn gespecificeerd, vast te stellen. Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de boordzuiveringsinstallatie niet conform is met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype, kan zij:
a) eisen dat aa) de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie wordt hersteld, of bb) als bedoeld in artikel 18.04 de typegoedkeuring dienovereenkomstig wordt gewijzigd of b) een meting overeenkomstig het keuringsvoorschrift wordt uitgevoerd, als bedoeld in bijlage 7, onderdeel IX.Indien de conformiteit niet wordt hersteld of de typegoedkeuring niet dienovereenkomstig wordt aangepast, of indien de uitgevoerde metingen, bedoeld onder onderdeel b, aantonen dat de vastgestelde grenswaarden, bedoeld in artikel 18.01, tweede lid, onderdeel a, tabel 1, niet worden nagekomen, verzegelt de bevoegde autoriteit de boordzuiveringsinstallatie en informeert de Commissie van deskundigen, die vervolgens een overeenkomstige aantekening op het binnenschipcertificaat onder nummer 52 maakt. a) a) eisen dat
aa) de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie wordt hersteld, of bb) als bedoeld in artikel 18.04 de typegoedkeuring dienovereenkomstig wordt gewijzigd of
-
aa) aa) de conformiteit van de boordzuiveringsinstallatie wordt hersteld, of bb) bb) als bedoeld in artikel 18.04 de typegoedkeuring dienovereenkomstig wordt gewijzigd of b) b) een meting overeenkomstig het keuringsvoorschrift wordt uitgevoerd, als bedoeld in bijlage 7, onderdeel IX. 4. 4. De keuringen als bedoeld in het derde lid geschieden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en de kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie. In dit formulier, dat door de fabrikant wordt opgesteld en dat door een bevoegde autoriteit moet worden goedgekeurd, worden de onderdelen die betrekking hebben op de afvalwaterreiniging alsmede de instellingen, dimensioneringscriteria, en kenmerken gespecificeerd, bij toepassing waarvan kan worden uitgegaan van een onafgebroken inachtneming van de waarden van artikel 18.01, tweede lid, tabel 1 en 2. Daarin wordt ten minste vermeld:
a)
het boordzuiveringsinstallatietype met een beschrijving van de werkwijze en of afvalwaterverzameltanks vóór de boordzuiveringsinstallatie moeten worden geïnstalleerd;
b)
een lijst van de voor de reiniging van het afvalwater specifieke componenten;
c)
toegepaste bouw- en dimensioneringscriteria, dimensioneringsvereisten en regelgeving;
d)
schematische weergave van de boordzuiveringsinstallatie met niet te verwarren merktekens om de toegelaten componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging te identificeren (bijv. nummers van onderdelen die zich op de componenten bevinden).
a) a) het boordzuiveringsinstallatietype met een beschrijving van de werkwijze en of afvalwaterverzameltanks vóór de boordzuiveringsinstallatie moeten worden geïnstalleerd; b) b) een lijst van de voor de reiniging van het afvalwater specifieke componenten; c) c) toegepaste bouw- en dimensioneringscriteria, dimensioneringsvereisten en regelgeving; d) d) schematische weergave van de boordzuiveringsinstallatie met niet te verwarren merktekens om de toegelaten componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging te identificeren (bijv. nummers van onderdelen die zich op de componenten bevinden). 5. 5. De krachtens het derde lid, derde volzin, buiten bedrijf verzegelde boordzuiveringsinstallatie mag alleen na een speciale test, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, weer in gebruik genomen worden.
Artikel 18.10
De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2005, en is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
a) a) de fabrikanten van boordzuiveringsinstallaties kunnen niet als technische dienst worden erkend; b) b) voor de toepassing van doeleinden van dit hoofdstuk mag een technische dienst met toestemming van de bevoegde autoriteit gebruik maken van inrichtingen buiten zijn eigen testinstelling.
Deel III. Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk 19. Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen
Artikel 19.01
-
-
De volgende bepalingen zijn niet van toepassing:
a) artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b; b) artikelen 4.01 tot en met 4.03; c) artikel 8.08, tweede lid, tweede zin, en zevende lid; d) artikel 10.14, derde lid, tweede zin, bij nominale spanningen van meer dan 50 V.
-
a) a)
artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b;
b) b)
artikelen 4.01 tot en met 4.03;
c) c)
artikel 8.08, tweede lid, tweede zin, en zevende lid;
d) d)
artikel 10.14, derde lid, tweede zin, bij nominale spanningen van meer dan 50 V.
-
-
De volgende installaties zijn op passagiersschepen verboden:
a) lampen die werken op vloeibaar gas en vloeibare brandstof als bedoeld in artikel 15.07, derde lid, tweede zin; b) met pitbranders uitgeruste installaties als bedoeld in artikel 16.02, tweede en derde lid; c) oliekachels met verdampingsbranders als bedoeld in artikel 16.04; d) verwarmingsapparaten en verwarmingsketels als bedoeld in artikel 16.07; e) vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 17.
-
a) a) lampen die werken op vloeibaar gas en vloeibare brandstof als bedoeld in artikel 15.07, derde lid, tweede zin; b) b) met pitbranders uitgeruste installaties als bedoeld in artikel 16.02, tweede en derde lid; c) c) oliekachels met verdampingsbranders als bedoeld in artikel 16.04; d) d) verwarmingsapparaten en verwarmingsketels als bedoeld in artikel 16.07; e) e) vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 17. 3. 3. Schepen, die niet van eigen mechanische middelen tot voortbeweging zijn voorzien, kunnen niet tot het vervoer van passagiers worden toegelaten. 4. 4. Op passagiersschepen moeten ruimten beschikbaar zijn voor mensen met een beperkte mobiliteit, die aan de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen voldoen. 5. 5. In afwijking van artikel 7.02, tweede lid, eerste volzin, mag de dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast voor de roerganger niet meer zijn dan twee maal de scheepslengte of 250 m, al naargelang welke afstand het kortste is. 6. 6. In afwijking van artikel 7.02, derde lid, derde alinea, moet een passagiersschip met geschikte hulpmiddelen zijn uitgerust wanneer een vrij zicht naar achteren niet gewaarborgd is. Ingeval met deze hulpmiddelen bij het varen des nachts vrij zicht niet gewaarborgd is, moet de dienovereenkomstige beperking in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 worden aangetekend.
Artikel 19.02
-
-
Bij een periodiek onderzoek wordt de dikte van de scheepshuid van stalen passagiersschepen als volgt vastgesteld:
a) De minimale dikte *tmin* van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid van passagiersschepen wordt bepaald volgens de grootste waarde van de volgende formules: Daarbij betekent: *F* = 1 + 0,0013 • (*a* – 500) *a* = spantafstand in de lengte of de breedte [mm]; bij een kleinere spantafstand dan 400 mm moet *a* worden genomen. b) De uit onderdeel a voortvloeiende minimale waarde voor de plaatdikte behoeft niet te worden gehaald, wanneer de toegestane waarde op basis van een rekenkundig bewijs voor de voldoende sterkte van de scheepsromp (langs- en dwarssterkte als ook plaatselijke sterkte) is vastgelegd en dit uit een verklaring blijkt. c) Op geen enkele plaats van de scheepshuid mag de volgens onderdeel a of onderdeel b berekende waarde minder zijn dan 3 mm. d) Platen moeten worden vervangen, wanneer de dikte van de bodem-, kim- of zijplaten niet langer de volgens onderdelen a of b, in samenhang met onderdeel c, vastgestelde minimale waarde heeft.
-
a) a) De minimale dikte tmin van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid van passagiersschepen wordt bepaald volgens de grootste waarde van de volgende formules:
Daarbij betekent:
*F* = 1 + 0,0013 • (*a* – 500)
*a* = spantafstand in de lengte of de breedte [mm]; bij een kleinere spantafstand dan 400 mm moet *a* worden genomen.
b) b) De uit onderdeel a voortvloeiende minimale waarde voor de plaatdikte behoeft niet te worden gehaald, wanneer de toegestane waarde op basis van een rekenkundig bewijs voor de voldoende sterkte van de scheepsromp (langs- en dwarssterkte als ook plaatselijke sterkte) is vastgelegd en dit uit een verklaring blijkt. c) c) Op geen enkele plaats van de scheepshuid mag de volgens onderdeel a of onderdeel b berekende waarde minder zijn dan 3 mm. d) d) Platen moeten worden vervangen, wanneer de dikte van de bodem-, kim- of zijplaten niet langer de volgens onderdelen a of b, in samenhang met onderdeel c, vastgestelde minimale waarde heeft. 2. 2. Het aantal en de indeling van de schotten moeten zodanig zijn gekozen dat het schip in lekke toestand volgens de standaarden van artikel 19.03, zevende tot en met dertiende lid, kan blijven drijven. Ieder deel van de interne constructie, die de functionaliteit van de indeling van het schip beïnvloedt, moet waterdicht en zo geconstrueerd zijn, dat de integriteit van de indeling in stand blijft. 3. 3. Voor het bepalen van de plaats van het aanvaringsschot en het achterpiekschot gelden de bepalingen van artikel 3.03, eerste lid, waarbij afwijkend daarvan als referentiegrootte de lengte in de waterlijn LWL in plaats van de lengte L moet worden gebruikt. 4. 4. In een dwarsschot mag een sprong of nis voorkomen, mits alle delen van de sprong of nis binnen de veilige zone zijn gelegen. 5. 5. De schotten die bij de lekberekening als bedoeld in artikel 19.03, zevende tot en met dertiende lid, in aanmerking zijn genomen, moeten waterdicht zijn en tot boven het schottendek opgetrokken zijn. Ontbreekt het schottendek, dan moeten zij ten minste 0,20 m boven de indompelingsgrenslijn zijn opgetrokken. 6. 6. Het aantal openingen in deze schotten moet zo gering worden gehouden als vanwege de bouwwijze en voor de normale bedrijfsvoering van het schip toelaatbaar is. Openingen en doorvoeringen mogen de waterdichte functie van de schotten niet nadelig beïnvloeden. 7. 7. In het aanvaringsschot zijn openingen en deuren niet toegestaan. 8. 8. In schotten die machinekamers van passagiersruimten of woonruimten voor het boordpersoneel scheiden, zijn deuren niet toegestaan. 9. 9. Met de hand te bedienen deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid die niet op afstand bediend kunnen worden, zijn slechts toegestaan buiten de voor passagiers bestemde plaatsen. Zij moeten:
a)
voortdurend gesloten blijven en mogen slechts voor passage kortstondig worden geopend;
b)
snel en veilig door geschikte inrichtingen gesloten kunnen worden;
c)
aan beide zijden voorzien zijn van het opschrift:
‘Deur na doorgang direct sluiten’.
a) a) voortdurend gesloten blijven en mogen slechts voor passage kortstondig worden geopend; b) b) snel en veilig door geschikte inrichtingen gesloten kunnen worden; c) c) aan beide zijden voorzien zijn van het opschrift: ‘Deur na doorgang direct sluiten’. 10. 10. Deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid die langdurig open staan moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
zij moeten ter plaatse aan beide zijden van het schot en vanaf een goed toegankelijke plaats boven het schottendek kunnen worden gesloten;
b)
na sluiting door afstandsbediening moeten de deuren ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en op veilige wijze worden gesloten. Het afsluitproces mag met name niet door tapijten of drempels gehinderd worden;
c)
de duur van het sluiten door afstandsbediening moet ten minste 30 seconden bedragen, maar mag niet meer bedragen dan 60 seconden;
d)
tijdens het sluiten moet bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal worden gegeven;
e)
gewaarborgd moet zijn dat het bedienen van deur en het alarmsignaal ook onafhankelijk van het boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening moet een inrichting aanwezig zijn die aangeeft of de deur open dan wel gesloten is.
a) a) zij moeten ter plaatse aan beide zijden van het schot en vanaf een goed toegankelijke plaats boven het schottendek kunnen worden gesloten; b) b) na sluiting door afstandsbediening moeten de deuren ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en op veilige wijze worden gesloten. Het afsluitproces mag met name niet door tapijten of drempels gehinderd worden; c) c) de duur van het sluiten door afstandsbediening moet ten minste 30 seconden bedragen, maar mag niet meer bedragen dan 60 seconden; d) d) tijdens het sluiten moet bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal worden gegeven; e) e) gewaarborgd moet zijn dat het bedienen van deur en het alarmsignaal ook onafhankelijk van het boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening moet een inrichting aanwezig zijn die aangeeft of de deur open dan wel gesloten is. 11. 11. Alle deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid en hun bedieningsinrichtingen moeten in de veilige zone liggen. 12. 12. In het stuurhuis moet een alarminstallatie aanwezig zijn, die aangeeft welke deur in schotten als bedoeld in het vijfde lid geopend is. 13. 13. Pijpleidingen met open uitmondingen en ventilatiekanalen moeten zo zijn aangelegd, dat daardoor bij elke lektoestand geen water naar andere ruimten of tanks kan stromen:
a)
Wanneer verschillende compartimenten door middel van pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in open verbinding staan, moeten deze op een geschikte plaats tot boven de ongunstigste lastlijn in lekke toestand worden geleid.
b)
Pijpleidingen behoeven niet aan onderdeel a te voldoen, wanneer op de doorboorde schotten afsluiters zijn aangebracht, die van boven het schottendek op afstand kunnen worden bediend.
c)
Wanneer een pijpleidingsysteem in een compartiment geen open uitmonding heeft, wordt de pijpleiding bij beschadiging van dit compartiment als onbeschadigd beschouwd, wanneer zij binnen de veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer dan 0,50 m bedraagt.
a) a) Wanneer verschillende compartimenten door middel van pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in open verbinding staan, moeten deze op een geschikte plaats tot boven de ongunstigste lastlijn in lekke toestand worden geleid. b) b) Pijpleidingen behoeven niet aan onderdeel a te voldoen, wanneer op de doorboorde schotten afsluiters zijn aangebracht, die van boven het schottendek op afstand kunnen worden bediend. c) c) Wanneer een pijpleidingsysteem in een compartiment geen open uitmonding heeft, wordt de pijpleiding bij beschadiging van dit compartiment als onbeschadigd beschouwd, wanneer zij binnen de veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer dan 0,50 m bedraagt. 14. 14. Afstandsbedieningen van deuren in schotten als bedoeld in het tiende lid en afsluitmechanismen als bedoeld in het dertiende lid, onderdeel b, boven het schottendek moeten als zodanig duidelijk gemarkeerd zijn. 15. 15. Bij een dubbele bodem moet de hoogte daarvan en bij dubbele wanden de breedte daarvan ten minste 0,60 m bedragen. 16. 16. Vensters mogen onder de indompelingsgrenslijn liggen, wanneer zij waterdicht zijn, niet geopend kunnen worden, een voldoende sterkte bezitten en voldoen aan artikel 19.06, veertiende lid.
Artikel 19.03
-
- De aanvrager moet het bewijs van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip leveren met een berekening die is gebaseerd op de resultaten van het toepassen van een standaard van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend. De gegevens over het vaartuig in onbeladen toestand waarop de stabiliteitsberekeningen zijn gebaseerd moeten door een hellingproef worden bepaald.
-
-
De intactstabiliteit moet voor de volgende standaardbeladingcondities worden aangetoond:
a) bij het begin van de vaart: 100% passagiers, 98% brandstof en drinkwater, 10% afvalwater; b) tijdens de vaart: 100% passagiers, 50% brandstof en drinkwater, 50% afvalwater; c) bij het eind van de vaart: 100% passagiers, 10% brandstof en drinkwater, 98% afvalwater; d) leeg schip: geen passagiers, 10% brandstof en drinkwater, geen afvalwater. Voor alle standaardbeladingcondities moet uitgegaan worden van lege dan wel volle ballasttanks, overeenkomstig hun normale gebruik. Daarnaast moet voor de volgende beladingsconditie voor het derde lid, onder d, worden aangetoond: 100% passagiers, 50% brandstof en drinkwater, 50% afvalwater, het totaal van de andere vloeistoftanks met inbegrip van ballast voor 50% gevuld.
-
a) a) bij het begin van de vaart: 100% passagiers, 98% brandstof en drinkwater, 10% afvalwater; b) b) tijdens de vaart: 100% passagiers, 50% brandstof en drinkwater, 50% afvalwater; c) c) bij het eind van de vaart: 100% passagiers, 10% brandstof en drinkwater, 98% afvalwater; d) d) leeg schip: geen passagiers, 10% brandstof en drinkwater, geen afvalwater. Voor alle standaardbeladingcondities moet uitgegaan worden van lege dan wel volle ballasttanks, overeenkomstig hun normale gebruik. Daarnaast moet voor de volgende beladingsconditie voor het derde lid, onder d, worden aangetoond: 100% passagiers, 50% brandstof en drinkwater, 50% afvalwater, het totaal van de andere vloeistoftanks met inbegrip van ballast voor 50% gevuld. 3. 3. Het bewijs van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip via een berekening moet worden geleverd met toepassing van de volgende eisen voor voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip en voor de in het tweede lid, onder a tot en met d, genoemde standaardbeladingcondities:
a)
De maximale oprichtende hefboomarm *hmax* moet bij een slagzij van *φmax* ≥ (*φmom* + 3°) optreden en moet minstens 0,20 m bedragen; Wanneer *φf* < *φmax* is, moet de oprichtende hefboomarm bij een hoek van het onder water komen *φf* ten minste 0,20 m bedragen.
b)
De hoek van het onder water komen *φf* mag niet kleiner zijn dan (*φmom* + 3°).
c)
Het vlak A onder de kromme van de oprichtende hefboomarm moet, afhankelijk van de positie van *φf* et de *φmax* ten minste de volgende waarden bereiken:
Geval
A
1
*φmax* ≤ 15° of *φf* ≤ 15°°
0,05 m • rad tot aan de kleinste van de hoeken *φmax* of *φf*
2
15° < *φmax* < 30°
*φmax* ≤ *φf*
0,035 + 0,001 • (30 – *φmax*) *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φmax*
3
15° < *φf* < 30°
*φmax* > *φf*
0,035 + 0,001 • (30 – *φf*) *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φf*
4
*φmax* ≥ 30° en *φf* ≥ 30°°
0,035 *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φ* = 30°
Daarbij betekent:
*hmax* de maximale hefboomarm;
*φ* de hoek van de slagzij;
*φf* de hoek van het onder water komen, d.w.z. de hoek van de slagzij waarbij de openingen in de scheepsromp, in de opbouwen of dekhuizen, die niet waterdicht gesloten kunnen worden, onderwater komen te staan;
*φmom* de maximale hoek van de slagzij als bedoeld onder e;
*φmax* de hoek van de slagzij waarbij sprake is van de maximale oprichtende hefboomarm:
*A* vlakken onder de kromme van de oprichtende hefboomarm;
d)
De metacentrische hoogte bij het begin van *GM0*, gecorrigeerd in verband met het effect van de vrije oppervlakken in vloeistoftanks, mag niet minder bedragen dan 0,15 m;
e)
De hoek van de slagzij *φmom* mag in de beide hiernavolgende gevallen niet meer bedragen dan 12°:
aa)
op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en wind als bedoeld in het vierde en vijfde lid;
bb)
op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde en zesde lid;
f)
Het resterende vrijboord mag bij een kenterend moment ten gevolge van personen, wind en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid niet minder bedragen dan 0,20 m;
g)
De resterende veiligheidsafstand moet voor schepen met vensters, of andere openingen in de scheepshuid die beneden het schottendek zijn gelegen en die niet waterdicht gesloten zijn, ten minste 0,10 m bedragen uitgaande van de drie kenterende momenten, bedoeld in onderdeel f.
a) a) De maximale oprichtende hefboomarm hmax moet bij een slagzij van φmax ≥ (φmom + 3°) optreden en moet minstens 0,20 m bedragen; Wanneer φf < φmax is, moet de oprichtende hefboomarm bij een hoek van het onder water komen φf ten minste 0,20 m bedragen. b) b) De hoek van het onder water komen φf mag niet kleiner zijn dan (φmom + 3°). c) c) Het vlak A onder de kromme van de oprichtende hefboomarm moet, afhankelijk van de positie van φf et de φmax ten minste de volgende waarden bereiken:
Geval
A
1
*φmax* ≤ 15° of *φf* ≤ 15°°
0,05 m • rad tot aan de kleinste van de hoeken *φmax* of *φf*
2
15° < *φmax* < 30°
*φmax* ≤ *φf*
0,035 + 0,001 • (30 – *φmax*) *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φmax*
3
15° < *φf* < 30°
*φmax* > *φf*
0,035 + 0,001 • (30 – *φf*) *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φf*
4
*φmax* ≥ 30° en *φf* ≥ 30°°
0,035 *m* •∙*rad * tot aan de hoek *φ* = 30°
Daarbij betekent:
*hmax* de maximale hefboomarm;
*φ* de hoek van de slagzij;
*φf* de hoek van het onder water komen, d.w.z. de hoek van de slagzij waarbij de openingen in de scheepsromp, in de opbouwen of dekhuizen, die niet waterdicht gesloten kunnen worden, onderwater komen te staan;
*φmom* de maximale hoek van de slagzij als bedoeld onder e;
*φmax* de hoek van de slagzij waarbij sprake is van de maximale oprichtende hefboomarm:
*A* vlakken onder de kromme van de oprichtende hefboomarm;
d) d) De metacentrische hoogte bij het begin van GM0, gecorrigeerd in verband met het effect van de vrije oppervlakken in vloeistoftanks, mag niet minder bedragen dan 0,15 m; e) e) De hoek van de slagzij φmom mag in de beide hiernavolgende gevallen niet meer bedragen dan 12°:
aa)
op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en wind als bedoeld in het vierde en vijfde lid;
bb)
op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde en zesde lid;
aa) aa) op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en wind als bedoeld in het vierde en vijfde lid; bb) bb) op basis van het kenterende moment ten gevolge van personen en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde en zesde lid; f) f) Het resterende vrijboord mag bij een kenterend moment ten gevolge van personen, wind en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid niet minder bedragen dan 0,20 m; g) g) De resterende veiligheidsafstand moet voor schepen met vensters, of andere openingen in de scheepshuid die beneden het schottendek zijn gelegen en die niet waterdicht gesloten zijn, ten minste 0,10 m bedragen uitgaande van de drie kenterende momenten, bedoeld in onderdeel f. 4. 4. Het kenterende moment ten gevolge van een concentratie van personen Mp op één plaats moet op grond van de volgende formule als volgt worden berekend:
In deze formule betekent:
*P* = totale massa van personen aan boord in [t], te berekenen uit de som van het hoogste toegestane aantal passagiers en het maximale aantal van het boordpersoneel en de bemanning onder normale bedrijfsomstandigheden onder aanname van een gemiddelde massa van 0,075 t per persoon;
*y* = zijdelingse afstand van het zwaartepunt van de massa van personen *P* vanaf de middellijn van het schip in [m];
*g* = acceleratie van de zwaartekracht (*g* = 9,81 *m/s2*);
*Pi*= massa van de op een vlak A_i verzamelde personen volgens:
*Pi* - *ni* • 0,075 • *Ai* [*t*]
Daarbij betekent in deze formule:
*Ai* = vlak waarop zich personen bevinden in [m²];
*ni* = aantal personen per vierkante meter bij
*ni* = 3,75 in geval van vrije dekoppervlakken en vlakken met verplaatsbaar meubilair; in geval van vlakken met vast ingebouwde zitplaatsen zoals banken, moet *ni* worden berekend onder aanname van een zitbreedte van 0,50 m en een zitdiepte van 0,75 m per persoon;
*yi* = zijdelingse afstand van het vlakzwaartepunt van het vlak *Ai* vanaf de middellijn van het schip in [m].
De berekening moet worden uitgevoerd zowel voor een concentratie van personen aan stuurboord als voor een concentratie aan bakboord.
De verdeling van personen moet het meest ongunstige zijn vanuit het oogpunt van stabiliteit. Ingeval er hutten aanwezig zijn moet voor de berekening van het moment van personen ervan worden uitgegaan dat deze niet bezet zijn.
Voor de berekening van beladen situaties moet het middelpunt van de zwaarte van een persoon worden genomen op 1 m boven het laagste punt van het betreffende dek op 0,5 *LWL* zonder rekening te houden met een verlaging of verhoging in het dek of de kromming van het dek en onder aanname van een massa van 0,075 t per persoon.
Een gedetailleerde vaststelling van de vlakken aan dek, die door personen bezet zijn, kan achterwege blijven, indien de volgende waarden worden toegepast:
*P* = 1,1 • *Fmax* • 0,075 in het geval van schepen voor dagtochten;
= 1,5 • *Fmax* • 0,075 in het geval van hotelschepen.
In deze formules betekent:
*Fmax* = ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers;
*y* = *B*/2in [m].
-
-
Het moment ten gevolge van wind Mw moet als volgt worden aangetoond:
In deze formule betekent:
pw = specifieke winddruk van 0,25 kN/m_2;
Aw = zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de grootste inzinking in [m^2], dat overeenkomt met de betreffende beladingstoestand;
lw = afstand van het zwaartepunt van het zijdelingse vlak Aw tot het vlak van de inzinking in [m]. die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand in [m]. Bij de berekening van het zijdelingse oppervlak moeten de voorziene overdekkingen van het dek door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen in aanmerking worden genomen.
-
-
-
Het moment ten gevolge van de centrifugale kracht Mdr, veroorzaakt door het draaien van het schip, moet als volgt worden berekend:
In deze formule betekent:
Cdr = coëfficiënt van 0,45;
CB = de blokcoëfficiënt (indien niet bekend moet hiervoor 1,0 worden aangenomen);
v = grootste snelheid van het schip in [m/s];
KG = afstand van het zwaartepunt tot de bovenkant van de kiel in [m]. In geval het passagiersschip is uitgerust met een aandrijfsysteem overeenkomstig artikel 6.06 moet Mdr worden afgeleid uit beproevingen op ware grootte dan wel met modellen, hetzij op basis van daarmee overeenkomende berekeningen.
-
-
- De aanvrager moet met een berekening aantonen dat de lekstabiliteit van het schip voldoende is. Hierbij moet voor de eindtoestand van het vollopen een berekening die berust op de procedure van het ‘wegvallen van het drijfvermogen’, en voor de tussentoestanden van het vollopen een berekening die berust op het ‘toenemen van het gewicht’ worden gebruikt. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend.
-
- Het drijfvermogen in lekke toestand moet voor de in het tweede lid bedoelde standaardbeladingcondities worden aangetoond. Hierbij moet voor drie tussenstadia van het volstromen (25%, 50% en 75% van de eindtoestand van het volgestroomd zijn) en voor de eindtoestand van het volgelopen zijn aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit zijn voldaan.
-
-
Passagiersschepen moeten voldoen aan de 1-compartimentstatus en aan de 2-compartimentstatus. De volgende indicaties moeten voor het geval van een lekke toestand in acht worden genomen:
1-compartimentstatus 2-compartimentstatus Omvang van het lek aan de zijde in langsrichting *l* [m] 0,10 • *LWL*maar niet minder dan 4,00 m 0,05 • *LWL* maar niet minder dan 2,25 m in dwarsrichting *d* [m] B/5 0,59 loodrecht *h* [m] Vanaf de bodem van het schip onbeperkt naar boven Omvang van het lek in de bodem in langsrichting *l* [m] 0,10 • *LWL* maar niet minder dan 4,00 m 0,05 • *LWL* maar niet minder dan 2,25 m in dwarsrichting *b* [m] B/5 loodrecht *h* [m] 0,59; pijpleidingen die overeenkomstig artikel 19.02, dertiende lid, onder c, zijn aangelegd kunnen als onbeschadigd worden beschouwd a) Voor de 1-compartimentstatus kunnen de schotten als onbeschadigd worden beschouwd, wanneer de onderlinge afstand tussen twee aangrenzende schotten groter is dan de lengte van het lek. Langsschotten die zich op een afstand van minder dan B/3 ten opzichte van de scheepshuid bevinden, gemeten in een rechte hoek ten opzichte van de scheepsmiddellijn in het vlak van de grootste inzinking, mogen in de berekening niet worden meegenomen. Een sprong of een nis in een dwarsschot, waarvan de lengte groter is dan 2,50 m wordt als een langsschot beschouwd. b) Voor de 2-compartimentstatus wordt ieder schot dat is gelegen binnen het gebied waar het lek van invloed is als beschadigd aangemerkt. Dit betekent dat de plaats van de schotten zodanig moet worden gekozen, dat het passagiersschip na het volstromen van twee of meer aangrenzende compartimenten in de langsrichting nog kan blijven drijven. c) Het laagste punt van iedere niet waterdichte opening (bijv. van deuren, vensters, luiken) moet bij de eindtoestand van het volgestroomd zijn ten minste 0,10 m boven de lastlijn in lekke toestand liggen. Het schottendek mag bij de eindtoestand van het volstromen niet onder water komen. d) Er wordt met een permeabiliteit van 95% rekening gehouden. Wordt door een berekening aangetoond, dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%, dan kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten minste worden bereikt: verblijfsruimten 95% machinekamers en ketelruimen 85% bagage- en voorraadruimten 75% dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks en andere tanks al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of leeg moeten worden aangenomen 0% of 95%. e) Ingeval een lek van kleinere omvang dan hierboven aangegeven leidt tot ongunstiger verhoudingen met betrekking tot slagzij of verlies aan metacentrische hoogte, moet een zodanig lek bij de berekening worden betrokken.
-
a) a) Voor de 1-compartimentstatus kunnen de schotten als onbeschadigd worden beschouwd, wanneer de onderlinge afstand tussen twee aangrenzende schotten groter is dan de lengte van het lek. Langsschotten die zich op een afstand van minder dan B/3 ten opzichte van de scheepshuid bevinden, gemeten in een rechte hoek ten opzichte van de scheepsmiddellijn in het vlak van de grootste inzinking, mogen in de berekening niet worden meegenomen. Een sprong of een nis in een dwarsschot, waarvan de lengte groter is dan 2,50 m wordt als een langsschot beschouwd. b) b) Voor de 2-compartimentstatus wordt ieder schot dat is gelegen binnen het gebied waar het lek van invloed is als beschadigd aangemerkt. Dit betekent dat de plaats van de schotten zodanig moet worden gekozen, dat het passagiersschip na het volstromen van twee of meer aangrenzende compartimenten in de langsrichting nog kan blijven drijven. c) c) Het laagste punt van iedere niet waterdichte opening (bijv. van deuren, vensters, luiken) moet bij de eindtoestand van het volgestroomd zijn ten minste 0,10 m boven de lastlijn in lekke toestand liggen. Het schottendek mag bij de eindtoestand van het volstromen niet onder water komen. d) d) Er wordt met een permeabiliteit van 95% rekening gehouden. Wordt door een berekening aangetoond, dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%, dan kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten minste worden bereikt:
verblijfsruimten
95%
machinekamers en ketelruimen
85%
bagage- en voorraadruimten
75%
dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks en andere tanks al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of leeg moeten worden aangenomen
0% of 95%.
e) e) Ingeval een lek van kleinere omvang dan hierboven aangegeven leidt tot ongunstiger verhoudingen met betrekking tot slagzij of verlies aan metacentrische hoogte, moet een zodanig lek bij de berekening worden betrokken. 10. 10. Bij alle tussenstadia van het vollopen als bedoeld in het achtste lid moet aan de volgende criteria worden voldaan:
a)
De hoek van de slagzij *φ* van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15°.
b)
Afgezien van de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de hefboomarmen een oprichtende hefboomarm aangeven van *GZ* ≥ 0,02 *m*, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij *φ* van 25° bereikt wordt.
c)
Niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt.
d)
Voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van het bruto grondvlak van de beschadigde ruimten.
a) a) De hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15°. b) b) Afgezien van de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de hefboomarmen een oprichtende hefboomarm aangeven van GZ ≥ 0,02 m, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 25° bereikt wordt. c) c) Niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt. d) d) Voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van het bruto grondvlak van de beschadigde ruimten. 11. 11. Bij de eindtoestand van het volgestroomd zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan met inachtneming van het kenterende moment als bedoeld in het vierde lid:
a)
De hoek van de slagzij *φE* mag niet meer bedragen dan 10°.
b)
Afgezien van de evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van de hefboomarmen een oprichtende hefboomarm aangeven van *GZ* ≥ 0,02 *m* gecombineerd met een vlak *A* ≥ 0,0025 *m* • *rad*. Deze minimumwaarden van de stabiliteit moeten worden bereikt tot aan het onder water komen van de eerste onbeschermde opening of in ieder geval vóór het bereiken van een hoek van de slagzij van 25°.
Daarbij betekent
*φE* de hoek van de slagzij bij het volledig onder water komen met inachtneming van het moment als bedoeld in het vierde lid;
*φm* de hoek van de afnemende stabiliteit dan wel de hoek waarbij de eerste onbeschermde opening onder water komt, of 25°: de kleinste van deze waarden moet worden aangehouden;
*GZR* de resterende oprichtende hefboomarm bij volledig onder water komen met inachtneming van het kenterende moment als bedoeld in het vierde lid;
*GZK* het moment van de hefboomarm resulterend uit het moment als bedoeld in het vierde lid.
c)
niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt. In geval dat dergelijke openingen onder water komen voordat dit punt is bereikt moeten de ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit als volgestroomd worden beschouwd.
a) a) De hoek van de slagzij φE mag niet meer bedragen dan 10°. b) b) Afgezien van de evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van de hefboomarmen een oprichtende hefboomarm aangeven van GZ ≥ 0,02 m gecombineerd met een vlak A ≥ 0,0025 m • rad. Deze minimumwaarden van de stabiliteit moeten worden bereikt tot aan het onder water komen van de eerste onbeschermde opening of in ieder geval vóór het bereiken van een hoek van de slagzij van 25°.
Daarbij betekent
*φE* de hoek van de slagzij bij het volledig onder water komen met inachtneming van het moment als bedoeld in het vierde lid;
*φm* de hoek van de afnemende stabiliteit dan wel de hoek waarbij de eerste onbeschermde opening onder water komt, of 25°: de kleinste van deze waarden moet worden aangehouden;
*GZR* de resterende oprichtende hefboomarm bij volledig onder water komen met inachtneming van het kenterende moment als bedoeld in het vierde lid;
*GZK* het moment van de hefboomarm resulterend uit het moment als bedoeld in het vierde lid.
c) c) niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt. In geval dat dergelijke openingen onder water komen voordat dit punt is bereikt moeten de ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit als volgestroomd worden beschouwd. 12. 12. Afsluitvoorzieningen van openingen die waterdicht afsluitbaar moeten zijn, moeten als zodanig duidelijk gemarkeerd worden. 13. 13. Wanneer doorstroomopeningen in de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch volstromen, moeten deze aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen moet de IMO resolutie A.266 (VIII)13IMO Resolution A.266 (VIII) aangenomen op 20 november 1973 – Recommendation on a Standard Method for Establishing Compliance with the Requirements for Cross-Flooding Arrangements in Passenger Ships worden toegepast;
b)
ze moeten automatisch functioneren;
c)
ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien;
d)
de tijd die nodig is voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten.
a) a) voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen moet de IMO resolutie A.266 (VIII)13IMO Resolution A.266 (VIII) aangenomen op 20 november 1973 – Recommendation on a Standard Method for Establishing Compliance with the Requirements for Cross-Flooding Arrangements in Passenger Ships worden toegepast; b) b) ze moeten automatisch functioneren; c) c) ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien; d) d) de tijd die nodig is voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten.
Artikel 19.04
-
-
De veiligheidsafstand moet ten minste gelijk zijn aan de som van:
a) de extra zijdelingse inzinking die, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat door de toelaatbare slagzij, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder e, en b) de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder g. De veiligheidsafstand van schepen zonder schottendek moet ten minste 0,50 m bedragen.
-
a) a) de extra zijdelingse inzinking die, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat door de toelaatbare slagzij, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder e, en b) b) de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder g. De veiligheidsafstand van schepen zonder schottendek moet ten minste 0,50 m bedragen. 2. 2. Het vrijboord moet ten minste gelijk zijn aan de som van:
a)
de extra zijdelingse inzinking die door de volgens artikel 19.03, derde lid, onder e, berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat, en
b)
het resterende vrijboord, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder f.
Het vrijboord moet echter ten minste 0,30 m bedragen.
a) a) de extra zijdelingse inzinking die door de volgens artikel 19.03, derde lid, onder e, berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat, en b) b) het resterende vrijboord, bedoeld in artikel 19.03, derde lid, onder f. Het vrijboord moet echter ten minste 0,30 m bedragen. 3. 3. Het vlak van de grootste inzinking moet zodanig worden vastgesteld dat zowel de veiligheidsafstand als bedoeld in het eerste lid als het vrijboord als bedoeld in het tweede lid als de artikelen 19.02 en 19.03 in acht zijn genomen. 4. 4. De Commissie van deskundigen kan uit veiligheidsoverwegingen een grotere veiligheidsafstand of een groter vrijboord bepalen.
Artikel 19.05
-
- De Commissie van deskundigen bepaalt het ten hoogste toegelaten aantal passagiers en tekent dit in het binnenschipcertificaat aan.
-
-
Het ten hoogste toegelaten aantal passagiers mag niet meer zijn dan:
a) het aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte, bedoeld in artikel 19.06, achtste lid, is aangetoond; b) het aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening, bedoeld in artikel 19.03, is uitgevoerd; c) het aantal beschikbare bedden voor passagiers op hotelschepen, die voor reizen met overnachting worden ingezet.
-
a) a) het aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte, bedoeld in artikel 19.06, achtste lid, is aangetoond; b) b) het aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening, bedoeld in artikel 19.03, is uitgevoerd; c) c) het aantal beschikbare bedden voor passagiers op hotelschepen, die voor reizen met overnachting worden ingezet. 3. 3. Voor hotelschepen die ook als schip voor dagtochten worden ingezet moet het aantal passagiers zowel voor een schip voor dagtochten als voor een hotelschip worden berekend en in het binnenschipcertificaat worden aangetekend. 4. 4. Het ten hoogste toegelaten aantal passagiers moet aan boord op een opvallende plaats duidelijk leesbaar worden aangegeven.
Artikel 19.06
-
-
Passagiersverblijven moeten:
a) zich op alle dekken achter het vlak van het aanvaringsschot en, voor zover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het vlak van het achterpiekschot bevinden, en b) gasdicht gescheiden zijn van machinekamers en ketelruimen.Dekzones, die door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen niet alleen naar boven, maar ook zijdelings gedeeltelijk of geheel zijn overdekt, moeten aan dezelfde eisen als aan gesloten passagiersverblijven voldoen. a) a) zich op alle dekken achter het vlak van het aanvaringsschot en, voor zover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het vlak van het achterpiekschot bevinden, en b) b) gasdicht gescheiden zijn van machinekamers en ketelruimen.
-
-
- Kasten als bedoeld in artikel 14.13 en ruimten voor brandbare vloeistoffen moeten zich buiten het gebied bestemd voor passagiers bevinden.
-
-
Aantal en breedte van uitgangen van passagiersverblijven moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) Verblijven of groepen van verblijven die voor 30 of meer passagiers zijn bestemd of ingericht, dan wel voor 12 of meer passagiers bedden bieden, moeten ten minste twee uitgangen hebben. Op schepen voor dagtochten mag één van deze twee uitgangen door twee nooduitgangen worden vervangen. Verblijven, uitgezonderd hutten, en groepen van verblijven met slechts één uitgang moeten ten minste één nooduitgang hebben. b) Indien zich verblijven onder het schottendek bevinden, mag één van de uitgangen een waterdichte deur in een schot, bedoeld in artikel 19.02, tiende lid, zijn die toegang geeft tot een aangrenzend compartiment van waaruit het hoger gelegen dek rechtstreeks kan worden bereikt. De andere uitgang moet direct of, wanneer dit overeenkomstig onderdeel a is toegestaan, als nooduitgang naar het schottendek dan wel naar buiten leiden. Dit geldt niet voor de afzonderlijke hutten. c) Uitgangen, bedoeld onder a en b, moeten doelmatig zijn aangebracht en een vrije breedte van ten minste 0,80 m en een vrije hoogte van ten minste 2,00 m hebben. Bij deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven mag de vrije breedte worden verminderd tot 0,70 m. d) Bij verblijven of groepen van verblijven die voor meer dan 80 passagiers zijn bestemd moet het totaal van de breedte van alle uitgangen die voor passagiers zijn bestemd, en door hen in geval van nood moeten worden gebruikt, ten minste 0,01 m per passagier bedragen. e) Indien het aantal passagiers voor de totale breedte van de uitgangen maatgevend is, moet de breedte van elke uitgang ten minste 0,005 m per passagier bedragen. f) Nooduitgangen moeten een kleinste zijdelingse lengte van ten minste 0,60 m hebben of een minimale diameter van 0,70 m. Zij moeten kunnen worden geopend in de vluchtrichting en aan beide zijden zijn gekenmerkt. g) Uitgangen van verblijven die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit, moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,90 m. Uitgangen die gewoonlijk worden gebruikt voor het aan of van boord gaan van personen met beperkte mobiliteit, moeten over een vrije breedte beschikken van 1,50 m.
-
a) a) Verblijven of groepen van verblijven die voor 30 of meer passagiers zijn bestemd of ingericht, dan wel voor 12 of meer passagiers bedden bieden, moeten ten minste twee uitgangen hebben. Op schepen voor dagtochten mag één van deze twee uitgangen door twee nooduitgangen worden vervangen. Verblijven, uitgezonderd hutten, en groepen van verblijven met slechts één uitgang moeten ten minste één nooduitgang hebben. b) b) Indien zich verblijven onder het schottendek bevinden, mag één van de uitgangen een waterdichte deur in een schot, bedoeld in artikel 19.02, tiende lid, zijn die toegang geeft tot een aangrenzend compartiment van waaruit het hoger gelegen dek rechtstreeks kan worden bereikt. De andere uitgang moet direct of, wanneer dit overeenkomstig onderdeel a is toegestaan, als nooduitgang naar het schottendek dan wel naar buiten leiden. Dit geldt niet voor de afzonderlijke hutten. c) c) Uitgangen, bedoeld onder a en b, moeten doelmatig zijn aangebracht en een vrije breedte van ten minste 0,80 m en een vrije hoogte van ten minste 2,00 m hebben. Bij deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven mag de vrije breedte worden verminderd tot 0,70 m. d) d) Bij verblijven of groepen van verblijven die voor meer dan 80 passagiers zijn bestemd moet het totaal van de breedte van alle uitgangen die voor passagiers zijn bestemd, en door hen in geval van nood moeten worden gebruikt, ten minste 0,01 m per passagier bedragen. e) e) Indien het aantal passagiers voor de totale breedte van de uitgangen maatgevend is, moet de breedte van elke uitgang ten minste 0,005 m per passagier bedragen. f) f) Nooduitgangen moeten een kleinste zijdelingse lengte van ten minste 0,60 m hebben of een minimale diameter van 0,70 m. Zij moeten kunnen worden geopend in de vluchtrichting en aan beide zijden zijn gekenmerkt. g) g) Uitgangen van verblijven die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit, moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,90 m. Uitgangen die gewoonlijk worden gebruikt voor het aan of van boord gaan van personen met beperkte mobiliteit, moeten over een vrije breedte beschikken van 1,50 m. 4. 4. Deuren van passagiersverblijven moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Met uitzondering van deuren die naar verbindingsgangen leiden, moeten ze naar buiten opengaan of als schuifdeuren zijn uitgevoerd.
b)
Hutdeuren moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij te allen tijde ook van buitenaf kunnen worden geopend.
c)
Automatische deuren moeten wanneer de aandrijfenergie uitvalt gemakkelijk kunnen worden geopend.
d)
Bij deuren die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit moet aan de zijde waarnaar de deur opengaat een zijdelingse afstand bestaan tussen binnenkant van de deurpost aan de kant van het slot en de naburige loodrecht op het vlak van de deur aangebrachte wand van ten minste 0,60 m.
a) a) Met uitzondering van deuren die naar verbindingsgangen leiden, moeten ze naar buiten opengaan of als schuifdeuren zijn uitgevoerd. b) b) Hutdeuren moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij te allen tijde ook van buitenaf kunnen worden geopend. c) c) Automatische deuren moeten wanneer de aandrijfenergie uitvalt gemakkelijk kunnen worden geopend. d) d) Bij deuren die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit moet aan de zijde waarnaar de deur opengaat een zijdelingse afstand bestaan tussen binnenkant van de deurpost aan de kant van het slot en de naburige loodrecht op het vlak van de deur aangebrachte wand van ten minste 0,60 m. 5. 5. Verbindingsgangen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Zij moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,80 m. Wanneer zij naar ruimten leiden die voor meer dan 80 passagiers zijn voorzien, moeten zij aan de in het derde lid, onderdeel d en e, bedoelde vereisten ten aanzien van de breedte van de naar de verbindingsgangen leidende uitgangen voldoen.
b)
Hun vrije hoogte mag niet minder zijn dan 2,00 m.
c)
Verbindingsgangen die zijn bestemd voor het gebruik door personen met een beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van minstens 1,30 m. Verbindingsgangen met een breedte van meer dan 1,50 m moeten aan beide zijden van een handrail zijn voorzien.
d)
Indien slechts één verbindingsgang of -trap naar een voor passagiers bestemde ruimte leidt, moet de vrije breedte daarvan ten minste 1,00 m bedragen.
e)
Verbindingsgangen mogen geen treden of niveauverschillen hebben.
f)
Zij mogen alleen naar vrije dekken, ruimten of trappen leiden.
g)
Doodlopende gedeelten van verbindingsgangen mogen niet langer dan twee meter zijn.
a) a) Zij moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,80 m. Wanneer zij naar ruimten leiden die voor meer dan 80 passagiers zijn voorzien, moeten zij aan de in het derde lid, onderdeel d en e, bedoelde vereisten ten aanzien van de breedte van de naar de verbindingsgangen leidende uitgangen voldoen. b) b) Hun vrije hoogte mag niet minder zijn dan 2,00 m. c) c) Verbindingsgangen die zijn bestemd voor het gebruik door personen met een beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van minstens 1,30 m. Verbindingsgangen met een breedte van meer dan 1,50 m moeten aan beide zijden van een handrail zijn voorzien. d) d) Indien slechts één verbindingsgang of -trap naar een voor passagiers bestemde ruimte leidt, moet de vrije breedte daarvan ten minste 1,00 m bedragen. e) e) Verbindingsgangen mogen geen treden of niveauverschillen hebben. f) f) Zij mogen alleen naar vrije dekken, ruimten of trappen leiden. g) g) Doodlopende gedeelten van verbindingsgangen mogen niet langer dan twee meter zijn. 6. 6. Vluchtwegen moeten behalve aan het vijfde lid aan de volgende voorwaarden voldoen:
a)
Bij de inrichting van trappen, uitgangen en nooduitgangen moet ingecalculeerd zijn dat bij brand in een willekeurig verblijf alle andere verblijven verlaten kunnen worden.
b)
Vluchtwegen moeten de kortste weg volgen naar verzamelruimten als bedoeld in het achtste lid.
c)
Vluchtwegen mogen niet door machinekamers en keukens leiden.
d)
In vluchtwegen mogen geen gangen met klimtreden, ladders en dergelijke zijn ingebouwd.
e)
Deuren in vluchtwegen moeten zodanig zijn gebouwd dat ze geen inbreuk maken op de minimale breedte van vluchtwegen als bedoeld in het vijfde lid, onder a of d.
f)
Vluchtwegen en nooduitgangen moeten duidelijk zijn gemarkeerd. De markeringen moeten door de noodverlichting worden belicht.
a) a) Bij de inrichting van trappen, uitgangen en nooduitgangen moet ingecalculeerd zijn dat bij brand in een willekeurig verblijf alle andere verblijven verlaten kunnen worden. b) b) Vluchtwegen moeten de kortste weg volgen naar verzamelruimten als bedoeld in het achtste lid. c) c) Vluchtwegen mogen niet door machinekamers en keukens leiden. d) d) In vluchtwegen mogen geen gangen met klimtreden, ladders en dergelijke zijn ingebouwd. e) e) Deuren in vluchtwegen moeten zodanig zijn gebouwd dat ze geen inbreuk maken op de minimale breedte van vluchtwegen als bedoeld in het vijfde lid, onder a of d. f) f) Vluchtwegen en nooduitgangen moeten duidelijk zijn gemarkeerd. De markeringen moeten door de noodverlichting worden belicht. 7. 7. Vluchtwegen en nooduitgangen moeten beschikken over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem. 8. 8. Voor alle personen aan boord moeten verzamelruimten beschikbaar zijn, die aan de volgende eisen voldoen:
a)
De totale oppervlakte *AS* van de verzamelruimten moet ten minste voldoen aan de volgende waarde:
Schepen voor dagtochten *AS* = 0,35 • *Fmax* [*m*^2 ]
Hotelschepen *AS* = 0,45 • *Fmax* [*m*^2 ]
In deze formule betekent:
*Fmax* = ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers.
b)
Iedere individuele verzamel- en evacuatieruimte moet groter zijn dan 10 m^2.
c)
De verzamelruimten moeten vrij zijn van zowel losstaand als vast meubilair.
d)
Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, verplaatsbaar meubilair bevindt, moet dit voldoende zijn beveiligd tegen verschuiven.
e)
Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, vast ingebouwde zitplaatsen bevinden, behoeft het aantal personen waarvoor de ruimte geschikt is bij de berekening van het totaal van de oppervlakken van de in onderdeel a bedoelde verzamelruimten niet in acht te worden genomen. Het aantal personen waarvoor in een ruimte vast ingebouwde zitplaatsen aanwezig zijn mag echter niet groter zijn dan het aantal personen waarvoor in dezelfde ruimte verzamelruimten beschikbaar zijn.
f)
Vanuit de evacuatieruimten moeten de reddingsmiddelen eenvoudig toegankelijk zijn.
g)
Een veilige evacuatie van personen vanuit deze evacuatieruimten moet aan beide zijden van het schip mogelijk zijn.
h)
De verzamelruimten moeten boven de indompelingsgrenslijn liggen.
i)
De verzamel- en evacuatieruimten moeten in het veiligheidsplan als zodanig worden aangegeven en aan boord worden gemarkeerd.
j)
De voorschriften, bedoeld onder d en e, gelden eveneens voor open dekken waarop verzamelruimten zijn aangewezen.
k)
Indien gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 19.09, vijfde lid, aan boord aanwezig zijn, behoeft het aantal personen, waarvoor zij geschikt zijn, bij de berekening van het totaaloppervlak van de verzamelruimten, bedoeld onder a, niet in acht te worden genomen.
l)
Het totaaloppervlak, bedoeld onder a, moet echter voor alle gevallen, waarbij een reductie overeenkomstig de onderdelen e, j en k wordt toegepast, voor ten minste 50% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord toereikend zijn.
a) a) De totale oppervlakte AS van de verzamelruimten moet ten minste voldoen aan de volgende waarde: Schepen voor dagtochten AS = 0,35 • Fmax [m^2 ] Hotelschepen AS = 0,45 • Fmax [m^2 ] In deze formule betekent:
*Fmax* = ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers.
b) b) Iedere individuele verzamel- en evacuatieruimte moet groter zijn dan 10 m^2. c) c) De verzamelruimten moeten vrij zijn van zowel losstaand als vast meubilair. d) d) Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, verplaatsbaar meubilair bevindt, moet dit voldoende zijn beveiligd tegen verschuiven. e) e) Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, vast ingebouwde zitplaatsen bevinden, behoeft het aantal personen waarvoor de ruimte geschikt is bij de berekening van het totaal van de oppervlakken van de in onderdeel a bedoelde verzamelruimten niet in acht te worden genomen. Het aantal personen waarvoor in een ruimte vast ingebouwde zitplaatsen aanwezig zijn mag echter niet groter zijn dan het aantal personen waarvoor in dezelfde ruimte verzamelruimten beschikbaar zijn. f) f) Vanuit de evacuatieruimten moeten de reddingsmiddelen eenvoudig toegankelijk zijn. g) g) Een veilige evacuatie van personen vanuit deze evacuatieruimten moet aan beide zijden van het schip mogelijk zijn. h) h) De verzamelruimten moeten boven de indompelingsgrenslijn liggen. i) i) De verzamel- en evacuatieruimten moeten in het veiligheidsplan als zodanig worden aangegeven en aan boord worden gemarkeerd. j) j) De voorschriften, bedoeld onder d en e, gelden eveneens voor open dekken waarop verzamelruimten zijn aangewezen. k) k) Indien gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig artikel 19.09, vijfde lid, aan boord aanwezig zijn, behoeft het aantal personen, waarvoor zij geschikt zijn, bij de berekening van het totaaloppervlak van de verzamelruimten, bedoeld onder a, niet in acht te worden genomen. l) l) Het totaaloppervlak, bedoeld onder a, moet echter voor alle gevallen, waarbij een reductie overeenkomstig de onderdelen e, j en k wordt toegepast, voor ten minste 50% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord toereikend zijn. 9. 9. Trappen in het gedeelte voor passagiers en hun portalen moeten:
a)
Overeenkomstig de Europese norm EN 13056 : 2000, zijn gebouwd.
b)
Een vrije breedte van ten minste 0,80 m hebben dan wel, wanneer zij naar verbindingsgangen of trappen leiden die door meer dan 80 passagiers worden gebruikt, van ten minste 0,01 m per passagier.
c)
Een vrije breedte van minstens 1,00 m hebben, wanneer zij naar een voor passagiers bestemde ruimte leiden, die slechts over deze verbindingstrap toegankelijk is.
d)
Zich in de veilige zone bevinden voor zover aan iedere zijde van het schip in dezelfde ruimte niet ten minste één trap beschikbaar is.
e)
Bovendien, indien zij zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit, aan de volgende eisen voldoen:
aa)
de helling van de trappen mag niet steiler zijn dan 38°;
bb)
de trappen moeten een vrije breedte hebben van minstens 0,90 m.
cc)
wenteltrappen zijn niet toegestaan;
dd)
trappen mogen niet in dwarsrichting in het schip zijn aangebracht;
ee)
de leuningen van trappen moeten aan het begin en het eind van een horizontale uitloop van 0,30 m zijn voorzien zodanig, dat zij doorgang voorlangs niet bemoeilijken;
ff)
leuningen en voorkanten ten minste van de eerste en de laatste trede alsook de vloerbedekking aan de uiteinden van de trap moeten wat de kleur betreft contrasteren.
Liften die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit en stijgvoorzieningen als trapliften of hefplatformen moeten volgens een desbetreffende norm of voorschrift van een lidstaten uitgevoerd zijn.
a) a) Overeenkomstig de Europese norm EN 13056 : 2000, zijn gebouwd. b) b) Een vrije breedte van ten minste 0,80 m hebben dan wel, wanneer zij naar verbindingsgangen of trappen leiden die door meer dan 80 passagiers worden gebruikt, van ten minste 0,01 m per passagier. c) c) Een vrije breedte van minstens 1,00 m hebben, wanneer zij naar een voor passagiers bestemde ruimte leiden, die slechts over deze verbindingstrap toegankelijk is. d) d) Zich in de veilige zone bevinden voor zover aan iedere zijde van het schip in dezelfde ruimte niet ten minste één trap beschikbaar is. e) e) Bovendien, indien zij zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit, aan de volgende eisen voldoen:
aa)
de helling van de trappen mag niet steiler zijn dan 38°;
bb)
de trappen moeten een vrije breedte hebben van minstens 0,90 m.
cc)
wenteltrappen zijn niet toegestaan;
dd)
trappen mogen niet in dwarsrichting in het schip zijn aangebracht;
ee)
de leuningen van trappen moeten aan het begin en het eind van een horizontale uitloop van 0,30 m zijn voorzien zodanig, dat zij doorgang voorlangs niet bemoeilijken;
ff)
leuningen en voorkanten ten minste van de eerste en de laatste trede alsook de vloerbedekking aan de uiteinden van de trap moeten wat de kleur betreft contrasteren.
Liften die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit en stijgvoorzieningen als trapliften of hefplatformen moeten volgens een desbetreffende norm of voorschrift van een lidstaten uitgevoerd zijn.
aa) aa) de helling van de trappen mag niet steiler zijn dan 38°; bb) bb) de trappen moeten een vrije breedte hebben van minstens 0,90 m. cc) cc) wenteltrappen zijn niet toegestaan; dd) dd) trappen mogen niet in dwarsrichting in het schip zijn aangebracht; ee) ee) de leuningen van trappen moeten aan het begin en het eind van een horizontale uitloop van 0,30 m zijn voorzien zodanig, dat zij doorgang voorlangs niet bemoeilijken; ff) ff) leuningen en voorkanten ten minste van de eerste en de laatste trede alsook de vloerbedekking aan de uiteinden van de trap moeten wat de kleur betreft contrasteren. 10. 10. De voor passagiers bestemde, niet afgesloten delen van de dekken moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Zij moeten door een vaste verschansing van ten minste 1,00 m hoogte of een reling volgens de Europese norm EN 711 : 2016, bouwwijze PF, PG of PZ, zijn omgeven. Verschansing en relingen van dekken die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een hoogte hebben van ten minste 1,10 m.
b)
Openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren en voor laden en lossen moeten kunnen worden beveiligd en een vrije breedte hebben van ten minste 1,00 m. Openingen die gewoonlijk worden gebruikt voor embarkeren en debarkeren van personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van ten minste 1,50 m.
c)
Indien de openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren niet vanuit het stuurhuis te zien zijn, moeten er optische of elektronische hulpmiddelen aanwezig zijn.
a) a) Zij moeten door een vaste verschansing van ten minste 1,00 m hoogte of een reling volgens de Europese norm EN 711 : 2016, bouwwijze PF, PG of PZ, zijn omgeven. Verschansing en relingen van dekken die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een hoogte hebben van ten minste 1,10 m. b) b) Openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren en voor laden en lossen moeten kunnen worden beveiligd en een vrije breedte hebben van ten minste 1,00 m. Openingen die gewoonlijk worden gebruikt voor embarkeren en debarkeren van personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van ten minste 1,50 m. c) c) Indien de openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren niet vanuit het stuurhuis te zien zijn, moeten er optische of elektronische hulpmiddelen aanwezig zijn. 11. 11. De gedeelten van het schip die niet voor passagiers zijn bestemd, met name de toegangen tot het stuurhuis, tot de lieren en tot de machinekamers, moeten voor het betreden door onbevoegden kunnen worden beveiligd. Bij deze toegangen moet bovendien op een opvallende plaats een teken overeenkomstig schets 1 van bijlage 4 zijn aangebracht. 12. 12. Loopplanken moeten overeenkomstig de Europese norm EN 14206 : 2003, zijn vervaardigd. In afwijking van artikel 13.02, derde lid, onder d, mag hun lengte minder dan 4 m bedragen. 13. 13. Verkeerswegen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte van ten minste 1,30 m hebben en vrij zijn van drempels en opstaande randen die een hoogte van 0,025 m te boven gaan. Wanden van verkeerswegen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten zijn voorzien van handrelingen op een hoogte van 0,90 m boven de vloer. 14. 14. Glazen deuren, glazen wanden van verkeerswegen en vensterruiten moeten van voorgespannen glas of van gelaagd glas zijn vervaardigd. Zij mogen ook van kunststof zijn vervaardigd, indien dit uit een oogpunt van brandveiligheid toelaatbaar is. Doorzichtige deuren en tot aan de vloer doorlopende doorzichtige wanden van verkeerswegen moeten opvallend zijn gemarkeerd. 15. 15. Opbouwen die volledig of waarvan de daken uit panoramaruiten bestaan, of overdekkingen door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen evenals de constructies daaronder mogen slechts van dergelijk materiaal zijn vervaardigd en dusdanig zijn gerealiseerd dat in geval van schade de kans op verwonding van personen aan boord zo klein mogelijk houdt. 16. 16. Drinkwaterinstallaties moeten ten minste aan de eisen van artikel 15.05 voldoen. 17. 17. Er moeten toiletten voor passagiers beschikbaar zijn. Ten minste één toilet moet volgens een betreffende norm of voorschrift van een lidstaat voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit uitgevoerd zijn en via een passagiersverblijf dat is bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit te bereiken zijn. 18. 18. Hutten die geen venster hebben dat geopend kan worden moeten zijn aangesloten op een airconditioning- of ventilatiesysteem. 19. 19. Op verblijven waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19.07
-
- Behalve met het hoofdvoortstuwingssysteem moet het schip zijn uitgerust met een tweede onafhankelijk voortstuwingssysteem, dat garandeert dat het schip bij uitval van het hoofdvoortstuwingssysteem zich op eigen kracht kan voortbewegen.
-
- Het tweede onafhankelijke voortstuwingssysteem moet zich in een aparte machinekamer bevinden. Wanneer de beide machinekamers gemeenschappelijke scheidingsvlakken hebben moet deze overeenkomstig artikel 19.11, tweede lid, gebouwd zijn.
Artikel 19.08
-
- Ieder passagiersschip moet beschikken over een interne spreekverbinding als bedoeld in artikel 7.08. Deze moet bovendien de bedrijfsruimten en – voor zover daar geen directe communicatiemogelijkheid vanaf de stuurstelling aanwezig is – de plaatsen voor het embarkeren van passagiers en de verzamelruimten voor passagiers als bedoeld in artikel 19.06, achtste lid, omvatten.
-
- Alle passagiersverblijven moeten met een luidsprekerinstallatie bereikt kunnen worden. De installatie moet zo gedimensioneerd zijn dat de overgebrachte informatie duidelijk van achtergrondlawaai kan worden onderscheiden. Voor zover er een directe communicatiemogelijkheid vanaf de stuurstelling naar het passagiersgedeelte aanwezig is, behoeft er aldaar geen luidspreker beschikbaar te zijn.
-
-
Er moet een alarmsysteem aanwezig zijn. Deze moet bestaan uit:
a) een alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren. Dit alarm mag slechts klinken in de ruimten bestemd voor de scheepsleiding en voor de bemanning en mag slechts door de scheepsleiding kunnen worden afgezet. Dit alarm moet ten minste op de volgende plaatsen kunnen worden aangezet: aa) in iedere hut; bb) in gangen, liften en trappenhuizen, zodanig dat de afstand naar de dichtstbijzijnde schakelaar ten hoogste 10 m bedraagt, terwijl er ten minste één schakelaar per waterdicht compartiment moet zijn; cc) in salons, eetzalen en vergelijkbare dagverblijven; dd) in toiletten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; ee) in machinekamers, keukens en vergelijkbare ruimten waar brand mogelijk is; ff) in koelruimten en overige opslagruimten. De alarmknoppen moeten zijn aangebracht op een hoogte tussen 0,85 m en 1,10 m boven de vloer; b) een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding de passagiers kan waarschuwen. Dit alarm moet duidelijk en zonder dat verwarring mogelijk is waarneembaar zijn in alle ruimten die toegankelijk zijn voor passagiers. Het moet ingeschakeld kunnen worden vanuit het stuurhuis en vanaf een plaats die constant door het personeel wordt bezet; c) een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding, bedoeld in artikel 7.09, eerste lid, de bemanning en het boordpersoneel kan waarschuwen. Deze alarminstallatie moet eveneens functioneren in de verblijfsruimten voor het boordpersoneel, de koelruimten en andere opslagruimten.De alarmschakelaars moeten beschermd zijn tegen ongewild gebruik. a) a) een alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren. Dit alarm mag slechts klinken in de ruimten bestemd voor de scheepsleiding en voor de bemanning en mag slechts door de scheepsleiding kunnen worden afgezet. Dit alarm moet ten minste op de volgende plaatsen kunnen worden aangezet:
aa) in iedere hut; bb) in gangen, liften en trappenhuizen, zodanig dat de afstand naar de dichtstbijzijnde schakelaar ten hoogste 10 m bedraagt, terwijl er ten minste één schakelaar per waterdicht compartiment moet zijn; cc) in salons, eetzalen en vergelijkbare dagverblijven; dd) in toiletten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; ee) in machinekamers, keukens en vergelijkbare ruimten waar brand mogelijk is; ff) in koelruimten en overige opslagruimten. De alarmknoppen moeten zijn aangebracht op een hoogte tussen 0,85 m en 1,10 m boven de vloer;
-
aa) aa) in iedere hut; bb) bb) in gangen, liften en trappenhuizen, zodanig dat de afstand naar de dichtstbijzijnde schakelaar ten hoogste 10 m bedraagt, terwijl er ten minste één schakelaar per waterdicht compartiment moet zijn; cc) cc) in salons, eetzalen en vergelijkbare dagverblijven; dd) dd) in toiletten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; ee) ee) in machinekamers, keukens en vergelijkbare ruimten waar brand mogelijk is; ff) ff) in koelruimten en overige opslagruimten. b) b) een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding de passagiers kan waarschuwen. Dit alarm moet duidelijk en zonder dat verwarring mogelijk is waarneembaar zijn in alle ruimten die toegankelijk zijn voor passagiers. Het moet ingeschakeld kunnen worden vanuit het stuurhuis en vanaf een plaats die constant door het personeel wordt bezet; c) c) een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding, bedoeld in artikel 7.09, eerste lid, de bemanning en het boordpersoneel kan waarschuwen. Deze alarminstallatie moet eveneens functioneren in de verblijfsruimten voor het boordpersoneel, de koelruimten en andere opslagruimten. 4. 4. Ieder waterdicht compartiment moet zijn uitgerust met een bilge alarm. 5. 5. Er moeten twee gemotoriseerde lenspompen aan boord beschikbaar zijn. 6. 6. Een lenssysteem met vast geïnstalleerde lensleidingen moet beschikbaar zijn. 7. 7. Koelruimten moeten, ook wanneer de deur afgesloten is, van binnen uit kunnen worden geopend. 8. 8. Indien zich onderdelen van in kasten opgestelde CO_2-installaties in onderdeks gesitueerde ruimten bevinden, moeten deze zijn voorzien van een automatische ventilatie, die automatisch in werking treedt bij het openen van de deur of van het luik van deze ruimte. De ventilatieschachten moeten reiken tot op 0,05 m van de bodem van deze ruimte. 9. 9. Behalve de verbandtrommel, bedoeld in artikel 13.02, tweede lid, onder f, moeten er verdere verbandtrommels in voldoende aantal aanwezig zijn. De verbandtrommels en de plaats waar ze opgeborgen zijn moeten voldoen aan de eisen van artikel 13.02, tweede lid, onder f.
Artikel 19.09
-
-
Behalve de in artikel 13.08, eerste lid, genoemde reddingsboeien moeten op alle voor passagiers bestemde, niet gesloten delen van de dekken geschikte reddingsboeien beschikbaar zijn die aan beide zijden van het schip op een afstand van telkens niet meer dan 20 m uit elkaar worden geplaatst. Reddingsboeien worden als geschikt beschouwd als zij voldoen
– aan de Europese norm EN 14144 : 2003, of – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.1, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.1.De ene helft van alle voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een drijvende lijn die ten minste 30 m lang moet zijn en een doorsnede van 8 tot 11 mm moet hebben. De andere helft van de voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan. – – aan de Europese norm EN 14144 : 2003, of – – aan het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), Hoofdstuk III, Regel 7.1, en aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.1.
-
-
- Behalve de reddingsboeien als bedoeld in het eerste lid moeten: voor alle leden van het boordpersoneel individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, onder handbereik beschikbaar zijn; voor de leden van het boordpersoneel die geen taak volgens de veiligheidsrol hebben, zijn ook harde of halfautomatisch opblaasbare zwemvesten als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, toegestaan.
-
- Passagiersschepen moeten over geschikte inrichtingen beschikken die personen op een veilige manier van boord in ondiep water, aan de oever of aan boord van een ander vaartuig kunnen brengen.
-
- Behalve de reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten voor in totaal 100% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, aanwezig zijn, waarbij ook harde of halfautomatisch opblaasbare zwemvesten als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, zijn toegestaan.
-
-
Onder „gemeenschappelijke reddingsmiddelen’ vallen ook bijboten als bedoeld in artikel 13.07 en reddingsvlotten. Reddingsvlotten moeten:
a) over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn; b) voldoende zitruimte bieden voor het toegestane aantal personen; c) een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 750 N per persoon; d) voorzien zijn van een met het passagiersschip verbonden touw om wegdrijven te vermijden; e) van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede tegen temperaturen tot 50 °C; f) drijvend een stabiele ligging kunnen aannemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen waaraan het aangegeven aantal personen zich vast kunnen houden; g) een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm^2, en h) vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel vanzelf boven drijven, en i) zijn voorzien van passende inrichtingen voor evacuatie van de in artikel 19.06, lid 8, bedoelde evacuatieruimten naar de reddingsvlotten, indien de verticale afstand tussen het dek van de evacuatieruimten en het vlak van grootste inzinking groter is dan 1 m.
-
a) a) over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn; b) b) voldoende zitruimte bieden voor het toegestane aantal personen; c) c) een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 750 N per persoon; d) d) voorzien zijn van een met het passagiersschip verbonden touw om wegdrijven te vermijden; e) e) van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede tegen temperaturen tot 50 °C; f) f) drijvend een stabiele ligging kunnen aannemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen waaraan het aangegeven aantal personen zich vast kunnen houden; g) g) een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm^2, en h) h) vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel vanzelf boven drijven, en i) i) zijn voorzien van passende inrichtingen voor evacuatie van de in artikel 19.06, lid 8, bedoelde evacuatieruimten naar de reddingsvlotten, indien de verticale afstand tussen het dek van de evacuatieruimten en het vlak van grootste inzinking groter is dan 1 m. 6. 6. Extra gemeenschappelijke reddingsmiddelen zijn uitrustingsstukken die het mogelijk maken meerdere personen die zich te water bevinden drijvende te houden. Zij moeten:
a)
over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn;
b)
een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 100 N per persoon;
c)
van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede tegen temperaturen tot 50 °C;
d)
drijvend een stabiele ligging kunnen innemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen om zich vast te houden voor het aangegeven aantal personen;
e)
een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel duurzaam aangebrachte fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm^2, en
f)
vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel vanzelf boven drijven.
a) a) over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn; b) b) een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 100 N per persoon; c) c) van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede tegen temperaturen tot 50 °C; d) d) drijvend een stabiele ligging kunnen innemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen om zich vast te houden voor het aangegeven aantal personen; e) e) een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel duurzaam aangebrachte fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm^2, en f) f) vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel vanzelf boven drijven. 7. 7. Opblaasbare gemeenschappelijke reddingsmiddelen moeten bovendien:
a)
uit ten minste twee gescheiden luchtkamers bestaan;
b)
bij het in het water belanden zich automatisch opblazen of door handbediening kunnen worden opgeblazen, en
c)
bij iedere mogelijke belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen, drijvend een stabiele ligging innemen en behouden.
a) a) uit ten minste twee gescheiden luchtkamers bestaan; b) b) bij het in het water belanden zich automatisch opblazen of door handbediening kunnen worden opgeblazen, en c) c) bij iedere mogelijke belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen, drijvend een stabiele ligging innemen en behouden. 8. 8. Reddingsmiddelen moeten aan boord zodanig zijn ondergebracht dat zij als het nodig is gemakkelijk en veilig kunnen worden bereikt. Aan het gezicht onttrokken depots moeten duidelijk zijn gemarkeerd. 9. 9. Reddingsmiddelen moeten zijn getest volgens de indicaties van de fabrikant. 10. 10. De bijboot moet zijn uitgerust met een motor en met een verstelbare schijnwerper. 11. 11. Er moet een geschikte draagbaar beschikbaar zijn.
Artikel 19.10
-
- Voor de verlichting zijn slechts elektrische installaties toegestaan.
-
Artikel 10.16, derde lid, geldt ook voor passagiersverblijven.
-
-
Een voldoende verlichting alsmede een noodverlichting moet voor ten minste de volgende ruimten en plaatsen aanwezig zijn:
a) plaatsen waar reddingsmiddelen worden bewaard en waar zij normaal voor het gebruik worden gereedgemaakt; b) vluchtwegen, instapplaatsen voor passagiers met inbegrip van loopplanken, toe- en uitgangen, verbindingsgangen, liften en trappen van verblijven, hutten en woonruimten; c) markeringen van de vluchtwegen en nooduitgangen; d) overige ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; e) bedrijfsruimten, machinekamers en roermachinekamers en de uitgangen daarvan; f) stuurhuis; g) ruimte voor de noodkrachtbron; h) plaatsen waar zich blustoestellen en de bediening van brandblusinstallaties bevinden; i) plaatsen waar de passagiers, het boordpersoneel en de bemanning zich in noodgevallen verzamelen.
-
a) a) plaatsen waar reddingsmiddelen worden bewaard en waar zij normaal voor het gebruik worden gereedgemaakt; b) b) vluchtwegen, instapplaatsen voor passagiers met inbegrip van loopplanken, toe- en uitgangen, verbindingsgangen, liften en trappen van verblijven, hutten en woonruimten; c) c) markeringen van de vluchtwegen en nooduitgangen; d) d) overige ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; e) e) bedrijfsruimten, machinekamers en roermachinekamers en de uitgangen daarvan; f) f) stuurhuis; g) g) ruimte voor de noodkrachtbron; h) h) plaatsen waar zich blustoestellen en de bediening van brandblusinstallaties bevinden; i) i) plaatsen waar de passagiers, het boordpersoneel en de bemanning zich in noodgevallen verzamelen. 4. 4. Er moet een noodstroominstallatie aanwezig zijn, die bestaat uit een noodstroombron en noodschakelbord en die bij uitval van de voeding de stroomvoorziening van de volgende elektrische inrichtingen kan overnemen; zij moet in staat zijn deze gelijktijdig te voeden, voor zover deze inrichtingen niet van een eigen stroombron zijn voorzien:
a)
navigatielantaarns;
b)
installaties voor geluidsseinen;
c)
noodverlichting als bedoeld in het derde lid;
d)
marifooninstallatie;
e)
alarm- en luidsprekerinstallaties en installaties voor de interne communicatie aan boord;
f)
schijnwerpers als bedoeld in artikel 13.02, tweede lid, onder i;
g)
brandmeldinstallatie;
h)
overige veiligheidsinstallaties zoals automatische sprinklerinstallaties of brandbluspompen;
i)
liften en hefinrichtingen als bedoeld in artikel 19.06, negende lid, tweede zin.
a) a) navigatielantaarns; b) b) installaties voor geluidsseinen; c) c) noodverlichting als bedoeld in het derde lid; d) d) marifooninstallatie; e) e) alarm- en luidsprekerinstallaties en installaties voor de interne communicatie aan boord; f) f) schijnwerpers als bedoeld in artikel 13.02, tweede lid, onder i; g) g) brandmeldinstallatie; h) h) overige veiligheidsinstallaties zoals automatische sprinklerinstallaties of brandbluspompen; i) i) liften en hefinrichtingen als bedoeld in artikel 19.06, negende lid, tweede zin. 5. 5. De lichtbronnen voor de noodverlichting moeten als zodanig zijn gemarkeerd. 6. 6. De noodstroominstallatie moet zijn aangebracht buiten de hoofdmachinekamer, buiten de ruimte waarin de energiebronnen als bedoeld in artikel 10.02, eerste lid, ondergebracht zijn en buiten de ruimte waarin het hoofdschakelbord staat opgesteld en van deze ruimten door scheidingsvlakken als bedoeld in artikel 19.11, tweede lid, zijn gescheiden. Kabels die elektrische installaties in noodgevallen voeden, moeten zodanig zijn ingebouwd en doorgeleid dat de continuïteit van de voeding van deze installaties in geval van brand en overstroming gehandhaafd blijft. In ieder geval mogen deze kabels niet door de hoofdmachinekamer, door keukens of door ruimten geleid worden waarin de elektrische hoofdenergiebron en de daarbij behorende uitrusting staan, behalve indien het nodig is om ook deze ruimte van een noodstroominstallatie te voorzien. De noodstroominstallatie moet ofwel zijn opgesteld boven de indompelingsgrenslijn, ofwel zo ver verwijderd van de energiebronnen bedoeld in artikel 10.02, eerste lid, dat hij in het geval van een lekke toestand als bedoeld in artikel 19.03, negende lid, niet tegelijkertijd met deze energiebronnen onder water komt. 7. 7. Als noodstroombron zijn toegelaten:
a)
aggregaten met een eigen onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem, die bij het uitvallen van het hoofdnet automatisch moeten aanlopen en binnen 30 seconden de stroomvoorziening automatisch moeten kunnen overnemen, dan wel, indien zij zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden gestart;
b)
accumulatoren, die bij uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overnemen, dan wel, indien zij zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden ingeschakeld. Zij moeten in staat zijn om de aangegeven installaties gedurende de voorgeschreven tijd zonder oplading en zonder ontoelaatbaar spanningsverlies te voeden.
a) a) aggregaten met een eigen onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem, die bij het uitvallen van het hoofdnet automatisch moeten aanlopen en binnen 30 seconden de stroomvoorziening automatisch moeten kunnen overnemen, dan wel, indien zij zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden gestart; b) b) accumulatoren, die bij uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overnemen, dan wel, indien zij zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden ingeschakeld. Zij moeten in staat zijn om de aangegeven installaties gedurende de voorgeschreven tijd zonder oplading en zonder ontoelaatbaar spanningsverlies te voeden. 8. 8. De voor de noodstroomvoorziening benodigde bedrijfsduur wordt bepaald naar gelang het gebruiksdoel van het passagiersschip, maar mag niet minder dan 30 minuten bedragen. 9. 9. De isolatieweerstanden en de aarding van de elektrische systemen moeten worden getest tijdens de periodieke onderzoeken. 10. 10. De energiebronnen, bedoeld in artikel 10.02, eerste lid, moeten onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd. 11. 11. Storingen in de hoofd- of noodstroominstallatie mogen geen aanleiding kunnen zijn tot onderlinge beïnvloeding van de bedrijfszekerheid van de inrichtingen.
Artikel 19.11
-
-
De technische geschiktheid van materialen en onderdelen op het gebied van brandbescherming moet worden vastgesteld door een geaccrediteerd testinstituut op grond van geschikte testmethoden.
a) Het testinstituut moet voldoen aan: aa) de code voor brandtestprocedures, of bb) de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2005. b) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van de onbrandbaarheid van materialen zijn: aa) bijlage 1, deel 1, van de code voor brandtestprocedures, en bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. c) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van het moeilijk ontvlambaar zijn van materialen zijn: aa) de eisen overeenkomstig bijlage 1, deel 5 (ontvlambaarheidstest van het oppervlak – test van bekledingsmaterialen en materialen voor dekbedekking), deel 7 (test van stofferingen en kunststoffen), deel 8 (test van gestoffeerd meubilair) en deel 9 (test van beddengoed) van de code voor brandtestprocedures en bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. d) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van brandbestendigheid zijn: aa) bijlage 1, deel 3, van de code voor brandtestprocedures, en bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. e) De Commissie van deskundigen kan in overeenstemming met de code voor brandtestprocedures een test voor een modelscheidingsvlak voorschrijven teneinde zeker te stellen dat aan de voorschriften inzake weerstandsvermogen en temperatuurverhoging, bedoeld in het tweede lid, is voldaan.
-
a) a) Het testinstituut moet voldoen aan:
aa)
de code voor brandtestprocedures, of
bb)
de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2005.
aa) aa) de code voor brandtestprocedures, of bb) bb) de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2005. b) b) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van de onbrandbaarheid van materialen zijn:
aa)
bijlage 1, deel 1, van de code voor brandtestprocedures, en
bb)
gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat.
aa) aa)
bijlage 1, deel 1, van de code voor brandtestprocedures, en
bb) bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. c) c) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van het moeilijk ontvlambaar zijn van materialen zijn:
aa)
de eisen overeenkomstig bijlage 1, deel 5 (ontvlambaarheidstest van het oppervlak – test van bekledingsmaterialen en materialen voor dekbedekking), deel 7 (test van stofferingen en kunststoffen), deel 8 (test van gestoffeerd meubilair) en deel 9 (test van beddengoed) van de code voor brandtestprocedures en
bb)
gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat.
aa) aa) de eisen overeenkomstig bijlage 1, deel 5 (ontvlambaarheidstest van het oppervlak – test van bekledingsmaterialen en materialen voor dekbedekking), deel 7 (test van stofferingen en kunststoffen), deel 8 (test van gestoffeerd meubilair) en deel 9 (test van beddengoed) van de code voor brandtestprocedures en bb) bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. d) d) Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van brandbestendigheid zijn:
aa)
bijlage 1, deel 3, van de code voor brandtestprocedures, en
bb)
gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat.
aa) aa)
bijlage 1, deel 3, van de code voor brandtestprocedures, en
bb) bb) gelijkwaardige voorschriften van een lidstaat. e) e) De Commissie van deskundigen kan in overeenstemming met de code voor brandtestprocedures een test voor een modelscheidingsvlak voorschrijven teneinde zeker te stellen dat aan de voorschriften inzake weerstandsvermogen en temperatuurverhoging, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. 2. 2. Scheidingsvlakken
a)
Scheidingsvlakken van ruimten moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de volgende tabellen:
aa)
Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Machinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A30
A60
A60
A30/A60^5
Trappenschachten
–
A0
A30
A60
A60
A30
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A60
A30/A60^5
Verblijfsruimten
-/A0/B15^3
A60
A60
A30
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
A0
A30/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
bb)
Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Maschinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A0
A60
A30
A0/A30^5
Trappenschachten
–
A0
A0
A60
A30
A0
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A30
A0/A30^5
Verblijfsruimten
-/B15/B0^3
A60
A30
A0
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
–
A0/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
b)
Scheidingsvlakken van het type ‘A’ zijn schotten, wanden en dekken, die aan de volgende eisen voldoen:
aa)
Ze zijn vervaardigd van staal of een ander gelijkwaardig materiaal;
bb)
Ze zijn op een geschikte wijze versterkt;
cc)
Ze zijn zodanig geïsoleerd met een toegelaten onbrandbaar materiaal, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 180 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type A60 60 minuten
type A30 30 minuten
type A0 0 minuten;
dd)
Ze zijn zodanig gebouwd, dat ze de doorvoer van rook en vuur verhinderen tot aan het einde van de standaardbrandtest van één uur;
c)
Scheidingsvlakken van het type ‘B’ zijn schotten, wanden, dekken, dekens of bekledingen, die aan de volgende eisen voldoen:
aa)
Ze bestaan uit een toegelaten onbrandbaar materiaal, en alle materialen die voor de constructie en het installeren van de scheidingsvlakken worden toegepast zijn onbrandbaar met uitzondering van oppervlaktemateriaal dat ten minste moeilijk ontvlambaar moet zijn;
bb)
Ze hebben een zodanige isolatiewaarde, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 225 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type B15 15 minuten
type B0 0 minuten;
cc)
Ze zijn zodanig gebouwd dat ze de doorvoer van vuur verhinderen tot aan het eind van het eerste half uur van de standaardbrandtest.
a) a) Scheidingsvlakken van ruimten moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de volgende tabellen:
aa)
Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Machinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A30
A60
A60
A30/A60^5
Trappenschachten
–
A0
A30
A60
A60
A30
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A60
A30/A60^5
Verblijfsruimten
-/A0/B15^3
A60
A60
A30
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
A0
A30/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
bb)
Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Maschinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A0
A60
A30
A0/A30^5
Trappenschachten
–
A0
A0
A60
A30
A0
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A30
A0/A30^5
Verblijfsruimten
-/B15/B0^3
A60
A30
A0
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
–
A0/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
aa) aa) Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Machinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A30
A60
A60
A30/A60^5
Trappenschachten
–
A0
A30
A60
A60
A30
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A60
A30/A60^5
Verblijfsruimten
-/A0/B15^3
A60
A60
A30
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
A0
A30/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
bb) bb) Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 13.04 zijn geïnstalleerd.
Ruimten
Controleposten
Trappenschachten
Verzamelruimten
Verblijfsruimten
Maschinekamers
Keukens
Voorraadruimten
Controleposten
–
A0
A0/B15^1
A0
A60
A30
A0/A30^5
Trappenschachten
–
A0
A0
A60
A30
A0
Verzamelruimten
–
A30/B15^2
A60
A30
A0/A30^5
Verblijfsruimten
-/B15/B0^3
A60
A30
A0
Machinekamers
A60/A0^4
A60
A60
Keukens
–
A0/B15^6
Voorraadruimten
–
^1 Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^2 Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.
^3 Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in het tiende lid, moeten voldoen aan type B15 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B0. Scheidingsvlakken tussen hutten en sauna’s moeten voldoen aan type A0 en in ruimten met sprinklerinstallaties moeten zij voldoen aan type B15.
^4 Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in de artikelen 19.07 en 19.10, zesde lid, moeten voldoen aan type A60, en overigens aan type A0.
^5 Scheidingsvlakken tussen voorraadruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen en controleposten evenals verzamelruimten moeten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A 30.
^6 Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.
b) b) Scheidingsvlakken van het type ‘A’ zijn schotten, wanden en dekken, die aan de volgende eisen voldoen:
aa)
Ze zijn vervaardigd van staal of een ander gelijkwaardig materiaal;
bb)
Ze zijn op een geschikte wijze versterkt;
cc)
Ze zijn zodanig geïsoleerd met een toegelaten onbrandbaar materiaal, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 180 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type A60 60 minuten
type A30 30 minuten
type A0 0 minuten;
dd)
Ze zijn zodanig gebouwd, dat ze de doorvoer van rook en vuur verhinderen tot aan het einde van de standaardbrandtest van één uur;
aa) aa) Ze zijn vervaardigd van staal of een ander gelijkwaardig materiaal; bb) bb) Ze zijn op een geschikte wijze versterkt; cc) cc) Ze zijn zodanig geïsoleerd met een toegelaten onbrandbaar materiaal, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 180 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur: type A60 60 minuten type A30 30 minuten type A0 0 minuten; dd) dd) Ze zijn zodanig gebouwd, dat ze de doorvoer van rook en vuur verhinderen tot aan het einde van de standaardbrandtest van één uur; c) c) Scheidingsvlakken van het type ‘B’ zijn schotten, wanden, dekken, dekens of bekledingen, die aan de volgende eisen voldoen:
aa)
Ze bestaan uit een toegelaten onbrandbaar materiaal, en alle materialen die voor de constructie en het installeren van de scheidingsvlakken worden toegepast zijn onbrandbaar met uitzondering van oppervlaktemateriaal dat ten minste moeilijk ontvlambaar moet zijn;
bb)
Ze hebben een zodanige isolatiewaarde, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 225 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type B15 15 minuten
type B0 0 minuten;
cc)
Ze zijn zodanig gebouwd dat ze de doorvoer van vuur verhinderen tot aan het eind van het eerste half uur van de standaardbrandtest.
aa) aa) Ze bestaan uit een toegelaten onbrandbaar materiaal, en alle materialen die voor de constructie en het installeren van de scheidingsvlakken worden toegepast zijn onbrandbaar met uitzondering van oppervlaktemateriaal dat ten minste moeilijk ontvlambaar moet zijn; bb) bb) Ze hebben een zodanige isolatiewaarde, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 225 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur: type B15 15 minuten type B0 0 minuten; cc) cc) Ze zijn zodanig gebouwd dat ze de doorvoer van vuur verhinderen tot aan het eind van het eerste half uur van de standaardbrandtest. 3. 3. In ruimten, met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste verf, lak en andere producten voor het behandelen van oppervlakken, alsmede bedekking van dekken moeten moeilijk ontvlambaar zijn. Vaste vloerbedekking, stoffen, gordijnen en andere hangende materialen van textiel, alsmede gestoffeerde meubels en beddengoed, moeten moeilijk ontvlambaar zijn voor zover de ruimten waarin ze zich bevinden niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 13.04. 4. 4. De in ruimten voor passagiers aangebrachte plafonds en stofferingen van wanden met inbegrip van de constructies daaronder moeten, voor zover die ruimten niet over een automatisch werkende sprinklerinstallatie beschikken als bedoeld in artikel 13.04, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd met uitzondering van de oppervlakken ervan die tenminste moeilijk ontvlambaar moeten zijn. De eerste volzin geldt niet voor sauna’s. 5. 5. Meubels en constructies in verblijfsruimten, waarin zich verzamelruimten bevinden, moeten, voor zover die ruimten niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 13.04, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd. 6. 6. Verf, lak en andere stoffen, die worden toegepast op onbeschermde oppervlakken aan de binnenkant, mogen bij brand niet meer dan normale hoeveelheden rook en giftige stoffen ontwikkelen. Dit moet worden aangetoond met toetsing aan de code voor brandtestmethoden. 7. 7. Isolatiemateriaal in verblijfsruimten moet onbrandbaar zijn. Dit geldt niet voor isolaties van leidingen voor koelvloeistof. De oppervlakken van de isolatie van deze leidingen moeten ten minste moeilijk ontvlambaar zijn. 8. 8. Dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen, waarmee dekzones gedeeltelijk of geheel worden overdekt, evenals constructies daaronder moeten moeilijk ontvlambaar zijn. 9. 9. Deuren in scheidingsvlakken als bedoeld in het tweede lid moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Ze moeten aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen als de scheidingsvlakken zelf.
b)
Ze moeten, voor zover het deuren in scheidingsvlakken, bedoeld in het tiende lid, dan wel deuren in wanden die machinekamers omsluiten, keukens en trappen betreft, automatisch sluitend zijn.
c)
Automatisch sluitende deuren, die bij een normale situatie open staan, moeten ter plaatse en vanuit een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden gesloten. Na sluiting op afstand moet de deur ter plaatse opnieuw geopend en veilig gesloten kunnen worden.
d)
Waterdichte deuren als bedoeld in artikel 19.02 hoeven niet te worden geïsoleerd.
a) a) Ze moeten aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen als de scheidingsvlakken zelf. b) b) Ze moeten, voor zover het deuren in scheidingsvlakken, bedoeld in het tiende lid, dan wel deuren in wanden die machinekamers omsluiten, keukens en trappen betreft, automatisch sluitend zijn. c) c) Automatisch sluitende deuren, die bij een normale situatie open staan, moeten ter plaatse en vanuit een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden gesloten. Na sluiting op afstand moet de deur ter plaatse opnieuw geopend en veilig gesloten kunnen worden. d) d) Waterdichte deuren als bedoeld in artikel 19.02 hoeven niet te worden geïsoleerd. 10. 10. Wanden als bedoeld in het tweede lid moeten van dek tot dek opgetrokken zijn, dan wel eindigen bij doorlopende plafonds die aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen. 11. 11. De volgende passagiersruimten moeten zijn onderverdeeld met verticale scheidingsvlakken als bedoeld in het tweede lid:
a)
Passagiersruimten met een totale oppervlakte van meer dan 800 m^2;
b)
Passagiersruimten waarin zich hutten bevinden met tussenruimten van ten hoogste 40 m
Deze verticale scheidingsvlakken wanden moeten onder normale omstandigheden rookdicht en van dek tot dek zijn opgetrokken.
a) a) Passagiersruimten met een totale oppervlakte van meer dan 800 m^2; b) b) Passagiersruimten waarin zich hutten bevinden met tussenruimten van ten hoogste 40 m Deze verticale scheidingsvlakken wanden moeten onder normale omstandigheden rookdicht en van dek tot dek zijn opgetrokken. 12. 12. Holle ruimten boven de plafonds, onder vloeren en achter wandbekleding moeten met tussenruimten van ten hoogste 14 m door niet brandbare, ook bij brand goed afsluitende, tochtkleppen gescheiden zijn. 13. 13. Trappen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd. 14. 14. Inwendig gelegen trappen en liften moeten op alle niveaus door wanden als bedoeld in het tweede lid zijn omgeven. De volgende uitzonderingen kunnen worden toegestaan:
a)
Een trap die slechts tussen twee dekken ligt hoeft niet in een schacht te liggen, wanneer de trap op één dek door wanden als bedoeld in het tweede lid is omgeven.
b)
In een verblijfsruimte hoeven trappen niet in een schacht te liggen, wanneer ze volledig binnen deze ruimte liggen en
aa)
wanneer deze ruimte niet meer dan 2 dekken omvat dan wel
bb)
indien in deze ruimte op alle dekken een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 13.04 is geïnstalleerd, deze ruimte beschikt over een installatie voor het afzuigen van rook als bedoeld in het zestiende lid en deze ruimte op alle dekken een toegang tot een trappenschacht heeft.
a) a) Een trap die slechts tussen twee dekken ligt hoeft niet in een schacht te liggen, wanneer de trap op één dek door wanden als bedoeld in het tweede lid is omgeven. b) b) In een verblijfsruimte hoeven trappen niet in een schacht te liggen, wanneer ze volledig binnen deze ruimte liggen en
aa)
wanneer deze ruimte niet meer dan 2 dekken omvat dan wel
bb)
indien in deze ruimte op alle dekken een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 13.04 is geïnstalleerd, deze ruimte beschikt over een installatie voor het afzuigen van rook als bedoeld in het zestiende lid en deze ruimte op alle dekken een toegang tot een trappenschacht heeft.
aa) aa) wanneer deze ruimte niet meer dan 2 dekken omvat dan wel bb) bb) indien in deze ruimte op alle dekken een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 13.04 is geïnstalleerd, deze ruimte beschikt over een installatie voor het afzuigen van rook als bedoeld in het zestiende lid en deze ruimte op alle dekken een toegang tot een trappenschacht heeft. 15. 15. Ventilatie- en airconditioningsystemen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vuur en rook zich niet via deze systemen kunnen verspreiden.
b)
Openingen voor toe- en afvoer van lucht en airconditioningsystemen moeten kunnen worden afgesloten.
c)
Ventilatiekanalen moeten van staal of een gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en op een veilige wijze met elkaar en met de scheepsconstructie verbonden zijn.
d)
Indien ventilatiekanalen met een doorsnede van meer dan 0,02 m^2 door scheidingsvlakken van type A als bedoeld in het tweede lid of door scheidingsvlakken als bedoeld in het tiende lid lopen, moeten ze zijn uitgerust met automatische brandkleppen die vanaf een permanent door het boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend.
e)
Ventilatiesystemen voor keuken en machinekamers moeten zijn gescheiden van ventilatiesystemen die voor andere ruimten werken.
f)
Ontluchtingskanalen moeten voorzien zijn van afsluitbare openingen ten behoeve van controle en reiniging. De betreffende openingen moeten in de nabijheid van de brandkleppen zijn aangebracht.
g)
Ingebouwde ventilatoren moeten kunnen worden uitgeschakeld vanaf een centrale plaats buiten de machinekamer.
a) a) Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vuur en rook zich niet via deze systemen kunnen verspreiden. b) b) Openingen voor toe- en afvoer van lucht en airconditioningsystemen moeten kunnen worden afgesloten. c) c) Ventilatiekanalen moeten van staal of een gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en op een veilige wijze met elkaar en met de scheepsconstructie verbonden zijn. d) d) Indien ventilatiekanalen met een doorsnede van meer dan 0,02 m^2 door scheidingsvlakken van type A als bedoeld in het tweede lid of door scheidingsvlakken als bedoeld in het tiende lid lopen, moeten ze zijn uitgerust met automatische brandkleppen die vanaf een permanent door het boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend. e) e) Ventilatiesystemen voor keuken en machinekamers moeten zijn gescheiden van ventilatiesystemen die voor andere ruimten werken. f) f) Ontluchtingskanalen moeten voorzien zijn van afsluitbare openingen ten behoeve van controle en reiniging. De betreffende openingen moeten in de nabijheid van de brandkleppen zijn aangebracht. g) g) Ingebouwde ventilatoren moeten kunnen worden uitgeschakeld vanaf een centrale plaats buiten de machinekamer. 16. 16. Keukens moeten zijn voorzien van een ventilatiesysteem en keukenfornuizen met een afzuiging. De ontluchtingskanalen van de afzuigingen moeten voldoen aan de eisen als bedoeld in het veertiende lid en bovendien zijn voorzien van handbediende brandkleppen aan de ingangsopeningen. 17. 17. Controleposten, trappenschachten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten zijn voorzien van inrichtingen voor het afzuigen van rook via een natuurlijke of machinale weg. Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten aan de volgende eisen voldoen:
a)
Ze moeten voldoende capaciteit hebben en betrouwbaar zijn.
b)
Ze moeten passen bij de bedrijfsomstandigheden van het passagiersschip.
c)
Indien inrichtingen voor het afzuigen van rook ook dienen voor de algemene ventilatie van de ruimten mag daardoor hun functie als inrichting voor het afzuigen van rook in geval van brand niet worden gehinderd.
d)
Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten voorzien zijn van een handmatige inschakeling.
e)
Machinale inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten bovendien vanaf een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend.
f)
Inrichtingen voor afzuiging van rook via natuurlijke weg moeten zijn voorzien van een handmatig te bedienen openingsmechanisme of met een energiebron binnen deze inrichtingen.
g)
Handmatig te bedienen inschakelinrichtingen en openingsmechanismen moeten van binnen en van buiten de te beschermen ruimte bereikbaar zijn.
a) a) Ze moeten voldoende capaciteit hebben en betrouwbaar zijn. b) b) Ze moeten passen bij de bedrijfsomstandigheden van het passagiersschip. c) c) Indien inrichtingen voor het afzuigen van rook ook dienen voor de algemene ventilatie van de ruimten mag daardoor hun functie als inrichting voor het afzuigen van rook in geval van brand niet worden gehinderd. d) d) Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten voorzien zijn van een handmatige inschakeling. e) e) Machinale inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten bovendien vanaf een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend. f) f) Inrichtingen voor afzuiging van rook via natuurlijke weg moeten zijn voorzien van een handmatig te bedienen openingsmechanisme of met een energiebron binnen deze inrichtingen. g) g) Handmatig te bedienen inschakelinrichtingen en openingsmechanismen moeten van binnen en van buiten de te beschermen ruimte bereikbaar zijn. 18. 18. Verblijfsruimten waarop niet permanent door boordpersoneel en leden van de bemanning wordt gelet, keukens, machinekamers en andere bedreigde ruimten moeten op een doelmatige brandmeldinstallatie zijn aangesloten. De aanwezigheid van een brand alsmede de plaats daarvan moeten automatisch worden gemeld op een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats
Artikel 19.12
-
-
Behalve de draagbare blustoestellen als bedoeld in artikel 13.03 moeten ten minste de volgende draagbare blustoestellen aanwezig zijn:
a) één draagbaar blustoestel voor elke 120 m^2 bruto vloeroppervlak van de verblijfsruimten voor passagiers; b) één draagbaar blustoestel per tien hutten of deel daarvan; c) één draagbaar blustoestel in iedere keuken en in de nabijheid van iedere ruimte waarin brandbare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt. In keukens moet het blusmiddel tevens geschikt zijn voor het blussen van branden met vet.Deze extra brandblussers moeten voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 13.03, tweede lid, en zo opgesteld en over het schip verdeeld zijn dat bij een brandhaard altijd op elke plaats een blustoestel direct bereikbaar is. In iedere keuken alsmede in kapsalons en parfumerieën moet een branddeken binnen handbereik zijn. a) a) één draagbaar blustoestel voor elke 120 m^2 bruto vloeroppervlak van de verblijfsruimten voor passagiers; b) b) één draagbaar blustoestel per tien hutten of deel daarvan; c) c) één draagbaar blustoestel in iedere keuken en in de nabijheid van iedere ruimte waarin brandbare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt. In keukens moet het blusmiddel tevens geschikt zijn voor het blussen van branden met vet.
-
-
-
Passagiersschepen moeten zijn voorzien van een blusinstallatie, die bestaat uit:
a) twee bluspompen waarvan er één vast is opgesteld, die door een motor worden aangedreven en voldoende capaciteit hebben; b) een brandblusleiding met een voldoend aantal brandkranen, met daaraan vast aangesloten ten minste 20 m lange brandslangen met straalpijp, die geschikt is om zowel een sproeinevel als een waterstraal voort te brengen en die van een afsluitmogelijkheid is voorzien.
-
a) a) twee bluspompen waarvan er één vast is opgesteld, die door een motor worden aangedreven en voldoende capaciteit hebben; b) b) een brandblusleiding met een voldoend aantal brandkranen, met daaraan vast aangesloten ten minste 20 m lange brandslangen met straalpijp, die geschikt is om zowel een sproeinevel als een waterstraal voort te brengen en die van een afsluitmogelijkheid is voorzien. 3. 3. Blusinstallaties moeten zodanig zijn uitgevoerd en een zodanige capaciteit hebben dat:
a)
elke willekeurige plaats van het schip door ten minste twee stralen water, niet afkomstig van dezelfde brandkraan en met voor elk slechts een slanglengte van ten hoogste 20 m, kan worden bestreken;
b)
de druk bij de brandkranen ten minste 300 kPa bedraagt, en
c)
op alle dekken een lengte van de waterstralen van ten minste 6 m kan worden bereikt.
Wanneer er brandbluskasten aanwezig zijn moeten deze aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool voor ‘brandslang’ volgens schets 5 van bijlage 4 met een lengte van de zijde van 10 cm.
a) a) elke willekeurige plaats van het schip door ten minste twee stralen water, niet afkomstig van dezelfde brandkraan en met voor elk slechts een slanglengte van ten hoogste 20 m, kan worden bestreken; b) b) de druk bij de brandkranen ten minste 300 kPa bedraagt, en c) c) op alle dekken een lengte van de waterstralen van ten minste 6 m kan worden bereikt. 4. 4. Aansluitingen van blusinstallaties met schroefdraad of kraan moeten zo zijn afgesteld dat elk van de brandslangen bij draaiende bluspompen afgekoppeld en verwijderd kan worden. 5. 5. Brandslangen binnen in het schip moeten zijn opgerold op een axiaal aangebrachte haspel. 6. 6. Materiaal voor inrichtingen voor brandbestrijding moeten ofwel hittebestendig ofwel voldoende zijn beschermd tegen uitvallen bij hitte. 7. 7. Pijpleidingen en blusinstallaties moeten zodanig zijn aangebracht dat de risico op bevriezen wordt vermeden. 8. 8. De twee bluspompen moeten:
a)
niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld of geplaatst worden;
b)
onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren;
c)
ieder op zich op alle dekken in staat zijn om de noodzakelijke druk op de blusinstallatie te houden en de vereiste lengte van de waterstraal te bereiken;
d)
voor het achterpiekschot zijn opgesteld;
Brandbluspompen mogen worden gebruikt voor algemene bedrijfsmatige taken.
a) a) niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld of geplaatst worden; b) b) onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren; c) c) ieder op zich op alle dekken in staat zijn om de noodzakelijke druk op de blusinstallatie te houden en de vereiste lengte van de waterstraal te bereiken; d) d) voor het achterpiekschot zijn opgesteld; Brandbluspompen mogen worden gebruikt voor algemene bedrijfsmatige taken. 9. 9. Machinekamers moeten zijn uitgerust met een vast ingebouwde brandblusinstallatie als bedoeld in artikel 13.05. 10. 10. Op hotelschepen moeten beschikbaar zijn:
a)
twee ademhalingsapparaten die onafhankelijk van de omgevingslucht werken en voldoen aan de Europese norm EN 137 : 2006 type 2, met volledig masker overeenkomstig de Europese norm EN 136 : 1998;
b)
twee uitrustingspakketten die ten minste bestaan uit veiligheidskleding, helm, laarzen, handschoenen, bijl, koevoet, zaklamp en geleidingslijn;
c)
vier vluchtmaskers.
a) a) twee ademhalingsapparaten die onafhankelijk van de omgevingslucht werken en voldoen aan de Europese norm EN 137 : 2006 type 2, met volledig masker overeenkomstig de Europese norm EN 136 : 1998; b) b) twee uitrustingspakketten die ten minste bestaan uit veiligheidskleding, helm, laarzen, handschoenen, bijl, koevoet, zaklamp en geleidingslijn; c) c) vier vluchtmaskers.
Artikel 19.13
-
-
Op ieder passagiersschip moet een veiligheidsrol aanwezig zijn. Hierin worden de instructies voor de bemanning en het boordpersoneel voor de volgende gevallen omschreven:
a) averij van het schip; b) brand aan boord; c) evacuatie van de passagiers; d) man-over-boord.Bijzondere veiligheidsmaatregelen die nodig zijn voor personen met beperkte mobiliteit moeten in de veiligheidsrol zijn opgenomen. De verschillende taken moeten aan de leden van de bemanning en van het boordpersoneel die in het kader van de veiligheidsrol moeten optreden in overeenstemming met hun functie zijn toegedeeld. In het bijzonder moet door speciale aanwijzingen zeker gesteld zijn, dat alle deuren en openingen in waterdichte schotten als bedoeld in artikel 19.02 in geval van gevaar onmiddellijk waterdicht gesloten worden. a) a) averij van het schip; b) b) brand aan boord; c) c) evacuatie van de passagiers; d) d) man-over-boord.
-
-
-
Bij de veiligheidsrol behoort een veiligheidsplan van het schip, waarop duidelijk en overzichtelijk ten minste zijn aangegeven:
a) ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; b) vluchtwegen, nooduitgangen, verzamel- en evacuatieruimten; c) reddingsmiddelen en bijboten; d) blustoestellen, brandblusinstallaties en automatisch werkende sprinklerinstallaties; e) overige veiligheidsuitrusting; f) alarminstallatie, bedoeld in artikel 19.08, derde lid, onder a; g) alarminstallatie, bedoeld in artikel 19.08, derde lid, onder b en c; h) deuren in schotten, bedoeld in artikel 19.02, vijfde lid, en de plaatsen van waaruit deze worden bediend, alsook overige openingen, bedoeld in artikel 19.02, negende, tiende en dertiende lid, en artikel 19.03, twaalfde lid; i) deuren, bedoeld in artikel 19.11, negende lid; j) brandkleppen; k) brandmeldsysteem; l) noodstroominstallatie; m) schakelaars van ventilatiesystemen; n) walaansluitingen; o) afsluiters van brandstofleidingen; p) vloeibaargasinstallaties; q) luidsprekerinstallaties; r) marifooninstallaties; s) verbandtrommels.
-
a) a) ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit; b) b) vluchtwegen, nooduitgangen, verzamel- en evacuatieruimten; c) c) reddingsmiddelen en bijboten; d) d) blustoestellen, brandblusinstallaties en automatisch werkende sprinklerinstallaties; e) e) overige veiligheidsuitrusting; f) f) alarminstallatie, bedoeld in artikel 19.08, derde lid, onder a; g) g) alarminstallatie, bedoeld in artikel 19.08, derde lid, onder b en c; h) h) deuren in schotten, bedoeld in artikel 19.02, vijfde lid, en de plaatsen van waaruit deze worden bediend, alsook overige openingen, bedoeld in artikel 19.02, negende, tiende en dertiende lid, en artikel 19.03, twaalfde lid; i) i) deuren, bedoeld in artikel 19.11, negende lid; j) j) brandkleppen; k) k) brandmeldsysteem; l) l) noodstroominstallatie; m) m) schakelaars van ventilatiesystemen; n) n) walaansluitingen; o) o) afsluiters van brandstofleidingen; p) p) vloeibaargasinstallaties; q) q) luidsprekerinstallaties; r) r) marifooninstallaties; s) s) verbandtrommels. 3. 3. De veiligheidsrol, bedoeld in het eerste lid, en het veiligheidsplan, bedoeld in het tweede lid, moeten:
a)
door de Commissie van deskundigen zijn gewaarmerkt en
b)
op ieder dek op geschikte plaatsen duidelijk zichtbaar zijn opgehangen.
a) a) door de Commissie van deskundigen zijn gewaarmerkt en b) b) op ieder dek op geschikte plaatsen duidelijk zichtbaar zijn opgehangen. 4. 4. In elke hut moeten de nodige instructies aanwezig zijn voor het gedrag van de passagiers alsmede een verkort veiligheidsplan waarin alleen de indicaties, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met f, zijn opgenomen. Deze instructies moeten ten minste bevatten:
a)
Aangeven van noodsituaties:
aa)
brand;
bb)
lek raken van het schip;
cc)
algemeen gevaar;
b)
beschrijving van de verschillende noodsignalen;
c)
aanwijzingen met betrekking tot:
aa)
vluchtweg;
bb)
gedrag;
cc)
bewaren van kalmte;
d)
aanwijzingen met betrekking tot:
aa)
roken;
bb)
gebruik van vuur en open licht;
cc)
openen van vensters;
dd)
gebruik van bepaalde inrichtingen.
Deze instructies moeten in het Duits, Engels, Frans en Nederlands beschikbaar zijn.
a) a) Aangeven van noodsituaties:
aa)
brand;
bb)
lek raken van het schip;
cc)
algemeen gevaar;
aa) aa) brand; bb) bb) lek raken van het schip; cc) cc) algemeen gevaar; b) b) beschrijving van de verschillende noodsignalen; c) c) aanwijzingen met betrekking tot:
aa)
vluchtweg;
bb)
gedrag;
cc)
bewaren van kalmte;
aa) aa) vluchtweg; bb) bb) gedrag; cc) cc) bewaren van kalmte; d) d) aanwijzingen met betrekking tot:
aa)
roken;
bb)
gebruik van vuur en open licht;
cc)
openen van vensters;
dd)
gebruik van bepaalde inrichtingen.
aa) aa) roken; bb) bb) gebruik van vuur en open licht; cc) cc) openen van vensters; dd) dd) gebruik van bepaalde inrichtingen.
Artikel 19.14
-
- Passagiersschepen moeten ofwel van verzameltanks voor huishoudelijk afvalwater overeenkomstig het tweede lid ofwel van boordzuiveringsinstallaties overeenkomstig hoofdstuk 18 zijn voorzien.
-
- Tanks voor het verzamelen van afvalwater moeten voldoende capaciteit hebben. De tanks moeten zijn voorzien van een inrichting waarmee het niveau kan worden vastgesteld, dan wel hoever de tank gevuld is. Om de tanks leeg te maken moeten aan boord pompen en leidingen aanwezig zijn, waarmee het afvalwater op aanlegplaatsen aan beide zijden van het schip kan worden afgegeven. Doorvoer van afvalwater van andere schepen moet mogelijk zijn. De leidingen moeten zijn voorzien van een aansluiting voor afgifte overeenkomstig de Europese norm EN 1306 : 1996.
Artikel 19.15
-
-
Een passagiersschip dat voor het vervoer van minder dan 50 passagiers is toegelaten en waarvan LWL niet groter is dan 25 m. moet het rekenkundig bewijs van voldoende lekstabiliteit als bedoeld in artikel 19.03, zevende tot en met dertiende lid aantonen, of bewijzen dat het schip in symmetrische leksituaties aan de volgende criteria voldoet:
a) het schip mag maximaal tot aan de indompelingsgrenslijn inzinken, en b) de resterende metacentrische hoogte *GMR* mag niet kleiner zijn dan 0,10 m.Het benodigde resterende drijfvermogen moet worden verzekerd door de juiste keuze van het materiaal van de scheepshuid of door drijflichamen van blokken schuim, die vast met de romp verbonden zijn. Voor schepen met een lengte van meer dan 15 m mag het resterend drijfvermogen door een combinatie van drijflichamen en een schotindeling overeenkomstig de 1-compartimentstatus als bedoeld in artikel 19.03 zijn verzekerd. a) a) het schip mag maximaal tot aan de indompelingsgrenslijn inzinken, en b) b) de resterende metacentrische hoogte GMR mag niet kleiner zijn dan 0,10 m.
-
-
- De Commissie van deskundigen kan bij passagiersschepen als bedoeld in het eerste lid kleine afwijkingen toelaten van de bij artikel 19.06, derde lid, onder c, en vijfde lid, onder b, vereiste vrije hoogte. De afwijking mag niet meer zijn dan 5%. In geval van afwijkingen moeten de betreffende plaatsen in het schip met verf worden gemarkeerd.
-
- In afwijking van artikel 19.03, negende lid, behoeven passagiersschepen die voor het vervoer van ten hoogste 250 passagiers zijn toegelaten en waarvan de lengte L niet groter is dan 45 m niet te voldoen aan de 2-compartimentstatus.
-
-
De Commissie van deskundigen kan bij passagiersschepen, die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 250 passagiers en waarvan de lengte LWL niet groter is dan 25 m, afzien van het moeten voldoen aan artikel 13.07, indien het passagiersschip is uitgerust met een van twee kanten bereikbaar platform vlak boven de waterlijn, dat het mogelijk maakt personen uit het water te redden. Het passagiersschip mag van een vergelijkbare inrichting zijn voorzien, in welk geval:
a) voor de bediening van de inrichting één persoon volstaat; b) mobiele inrichtingen toegestaan zijn; c) de inrichting zich buiten de gevarenzone van de middelen tot voortbeweging bevinden moet, en d) een effectieve communicatie tussen de schipper en de persoon die de inrichting bedient mogelijk moet zijn.
-
a) a) voor de bediening van de inrichting één persoon volstaat; b) b) mobiele inrichtingen toegestaan zijn; c) c) de inrichting zich buiten de gevarenzone van de middelen tot voortbeweging bevinden moet, en d) d) een effectieve communicatie tussen de schipper en de persoon die de inrichting bedient mogelijk moet zijn. 5. 5. De Commissie van deskundigen kan bij passagiersschepen, die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 600 passagiers en waarvan de lengte L niet groter is dan 45 m, afzien van het moeten voldoen aan artikel 13.07, indien het passagiersschip is uitgerust met een platform overeenkomstig het vierde lid, eerste zin, dan wel met een vergelijkbare inrichting als een platform als bedoeld in het vierde lid, tweede zin. Bovendien moet het passagiersschip beschikken over:
a)
als hoofdaandrijving een roerpropeller, een cycloïdaalschroef of een waterstraalaandrijving, of
b)
een hoofdaandrijving met 2 voortstuwingsorganen, of
c)
een hoofdaandrijving en een boegschroefinstallatie.
a) a) als hoofdaandrijving een roerpropeller, een cycloïdaalschroef of een waterstraalaandrijving, of b) b) een hoofdaandrijving met 2 voortstuwingsorganen, of c) c) een hoofdaandrijving en een boegschroefinstallatie. 6. 6. In afwijking van artikel 19.02, negende lid, mag op passagiersschepen, waarvan de lengte L niet groter is dan 45 m en waarvan het ten hoogste toegelaten aantal passagiers overeenkomt met de lengte van het schip in meters, een handbediende deur, die niet op afstand kan worden bediend, in een schot als bedoeld in artikel 19.02, vijfde lid, in de verblijfsruimte voor passagiers aanwezig zijn, indien:
a)
het schip slechts één dek heeft;
b)
deze deur vanaf het dek direct te bereiken is en niet meer dan 10 m van de toegang tot het dek verwijderd is;
c)
de onderkant van de deuropening ten minste 30 cm boven de bodem van de verblijfsruimte voor passagiers is gelegen, en
d)
de beide compartimenten die door de deur worden gescheiden zijn uitgerust met een bilge alarm.
a) a) het schip slechts één dek heeft; b) b) deze deur vanaf het dek direct te bereiken is en niet meer dan 10 m van de toegang tot het dek verwijderd is; c) c) de onderkant van de deuropening ten minste 30 cm boven de bodem van de verblijfsruimte voor passagiers is gelegen, en d) d) de beide compartimenten die door de deur worden gescheiden zijn uitgerust met een bilge alarm. 7. 7. In afwijking van artikel 19.06, zesde lid, onder c, mag op passagiersschepen als bedoeld in het zesde lid een vluchtweg door een keuken leiden, indien een tweede vluchtweg beschikbaar is. 8. 8. Voor passagiersschepen, waarvan de lengte L niet groter is dan 45 m, geldt artikel 19.01, tweede lid, onder e, niet, wanneer de vloeibaargasinstallaties met geschikte alarminstallaties voor gezondheidsbedreigende concentraties van CO alsmede voor explosieve gasmengsels zijn uitgerust. 9. 9. De volgende voorschriften gelden niet voor passagiersschepen waarvan de lengte L niet groter is dan 25 m:
a)
artikel 19.04, eerste lid, laatste zin;
b)
artikel 19.06, zesde lid, onder c, voor zover het keukens betreft, indien een tweede vluchtweg beschikbaar is;
c)
artikel 19.07.
a) a)
artikel 19.04, eerste lid, laatste zin;
b) b)
artikel 19.06, zesde lid, onder c, voor zover het keukens betreft, indien een tweede vluchtweg beschikbaar is;
c) c)
artikel 19.07.
Hoofdstuk 20. Bijzondere bepalingen voor zeilende passagiersschepen die uitsluitend buiten de rijn (zone r) varen
Artikel 20.01
Naast de bepalingen van deel II en III gelden voor zeilende passagiersschepen die uitsluitend buiten de Rijn (zone R) varen de bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 20.02
-
-
Voor zeilende passagiersschepen waarvan de LWL niet meer bedraagt dan 45 m en waarvan het hoogste toegestane aantal passagiers niet meer bedraagt dan LWL in gehele meters, gelden de volgende bepalingen niet:
a) artikel 3.03, zevende lid, voorzover het anker niet binnen de buitenhuid is weggewerkt; b) artikel 13.02, tweede lid, onderdeel d, met betrekking tot de lengte; c) artikel 19.08, derde lid, onderdeel a; d) artikel 19.15, achtste lid.
-
a) a) artikel 3.03, zevende lid, voorzover het anker niet binnen de buitenhuid is weggewerkt; b) b) artikel 13.02, tweede lid, onderdeel d, met betrekking tot de lengte; c) c) artikel 19.08, derde lid, onderdeel a; d) d) artikel 19.15, achtste lid. 2. 2. In afwijking van eerste lid kan het aantal passagiers worden verhoogd tot anderhalf maal LWL in gehele meters indien de zeilvoering en de inrichting van het dek dit toelaten.
Artikel 20.03
-
- Voor de berekening van het kenterend moment volgens artikel 19.03, derde lid, moet bij de vaststelling van het zwaartepunt van het schip het opgedoekte zeil in de berekening worden meegenomen.
-
-
Met inachtneming van alle beladingstoestanden volgens artikel 19.02, tweede lid, en bij een standaard zeilvoering mag het door de winddruk veroorzaakte kenterend moment niet zo hoog zijn dat de hoek van slagzij groter wordt dan 20°. Daarbij moet:
a) voor de berekening van een gelijk blijvende winddruk van 0,07 kN/m^2 aangehouden worden; b) de resterende veiligheidsafstand minstens 100 mm bedragen, en mag c) het resterende vrijboord niet negatief zijn.
-
a) a) voor de berekening van een gelijk blijvende winddruk van 0,07 kN/m^2 aangehouden worden; b) b) de resterende veiligheidsafstand minstens 100 mm bedragen, en mag c) c) het resterende vrijboord niet negatief zijn. 3. 3. De oprichtende arm van statische stabiliteit moet bij een hoek van slagzij
a)
van 25° of meer zijn maximale waarde *hmax* bereiken;
b)
van 30° of meer minstens 0,20 m bedragen;
c)
tot 60° positief zijn.
a) a) van 25° of meer zijn maximale waarde hmax bereiken; b) b) van 30° of meer minstens 0,20 m bedragen; c) c) tot 60° positief zijn. 4. 4. Het vlak A onder de kromme van de oprichtende armen van statische stabiliteit mag
a)
tot 30° niet minder dan 0,055 *m* • *rad* bedragen;
b)
tot 40° of bij de hoek *φf* waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan 40°, niet minder dan 0,09 *m* • *rad* bedragen.
Tussen
c)
30° en 40° of
d)
tussen 30° en de hoek *φf* waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan 40°,
mag dit vlak niet onder 0,03 *m* • *rad* liggen.
a) a) tot 30° niet minder dan 0,055 m • rad bedragen; b) b) tot 40° of bij de hoek φf waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan 40°, niet minder dan 0,09 m • rad bedragen. c) c) 30° en 40° of d) d) tussen 30° en de hoek φf waarbij een onafgeschermde opening onder water raakt en die kleiner is dan 40°,
Artikel 20.04
-
- In afwijking van artikel 6.01, derde lid, en artikel 10.01, derde lid, moeten de installaties op een permanente slagzij van het schip tot 20° berekend zijn.
-
- In afwijking van artikel 19.06, vijfde lid, onderdeel a, en artikel 19.06, negende lid, onderdeel b, kan de Commissie van deskundigen voor zeilende passagiersschepen waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 25 m, een kleinere vrije breedte voor de verbindingsgangen en -trappen dan 0,80 m toestaan. Deze breedte mag echter niet minder zijn dan 0,60 m.
-
- In afwijking van artikel 19.06, tiende lid, onderdeel a, kan de Commissie van deskundigen in bijzondere gevallen wegneembare relingen toestaan, op plaatsen waar de zeilvoering dat noodzakelijk maakt.
-
- In de zin van artikel 19.07 gelden de zeilen als hoofdaandrijfsysteem.
-
- In afwijking van artikel 19.15, zesde lid, onderdeel c, mag de hoogte van de onderkant van de deuropening tot 0,20 m boven de bodem van de passagiersruimte verminderd worden. Daarbij moet de deur zich na het openen automatisch sluiten en vergrendelen.
-
- Indien de schroef gedurende het zeilen loos meedraaien, moeten voorzieningen zijn getroffen om schade aan de delen van de voortstuwingsinstallatie die gevaar lopen, te voorkomen.
Artikel 20.05
-
- De tuigage is zodanig ingericht dat ontoelaatbaar schavielen vermeden wordt.
-
-
Bij gebruik van een ander materiaal dan hout of bij gebruik van bijzondere tuigvormen moeten constructies worden toegepast die een gelijkwaardige veiligheid waarborgen als de in dit hoofdstuk voorgeschreven afmetingen en sterktes. Ter staving van voldoende sterkte moet:
a) een sterkteberekening worden opgesteld; of b) de voldoende sterkte door een erkend classificatiebureau bevestigd zijn, of c) de dimensionering uit een erkende berekeningsmethode zijn afgeleid (bv. Middendorf; Kusk-Jensen).Een document ter staving van de voldoende sterkte moet aan de Commissie van deskundigen worden overgelegd. a) a) een sterkteberekening worden opgesteld; of b) b) de voldoende sterkte door een erkend classificatiebureau bevestigd zijn, of c) c) de dimensionering uit een erkende berekeningsmethode zijn afgeleid (bv. Middendorf; Kusk-Jensen).
-
Artikel 20.06
-
- Het materiaal van alle rondhouten is van goede kwaliteit.
-
-
Hout voor masten moet voldoen aan de volgende vereisten:
a) vrij van concentraties van kwasten; b) binnen de vereiste diktes spintvrij; c) zoveel mogelijk rechtdradig; d) zo min mogelijk gedraaid gegroeid.
-
a) a) vrij van concentraties van kwasten; b) b) binnen de vereiste diktes spintvrij; c) c) zoveel mogelijk rechtdradig; d) d) zo min mogelijk gedraaid gegroeid. 3. 3. Bij gebruik van de houtsoorten Pitchpine of Oregonpine (van de kwaliteit ‘clear and better’) geldt een reductie van 5% op de diameters in de tabellen van de artikelen 20.07 tot en met 20.12. 4. 4. Indien masten en rondhouten zonder ronde diameter worden gebruikt, moeten deze van gelijkwaardige sterkte zijn. 5. 5. Mastdekken, mastkokers, bevestigingen op dek, op wrangen en aan stevens worden zodanig geconstrueerd, dat de daarop uitgeoefende krachten kunnen worden opgenomen of overgedragen op andere verbanddelen. 6. 6. Afhankelijk van de belasting en stabiliteit van het schip en de verdeling van het beschikbare zeiloppervlak kan de Commissie van deskundigen op de in de artikelen 20.07 tot en met 20.12 voorgeschreven afmetingen een vermindering van de diameters van de rondhouten en eventueel minder strenge eisen voor de tuigage toestaan. Daarvoor moeten documenten ter staving overeenkomstig artikel 20.05, tweede lid, worden overgelegd. 7. 7. Indien de slingertijd van het schip in seconden korter is dan 3/4 van de scheepsbreedte in meters, moeten de in de artikelen 20.07 tot en met 20.12 voorgeschreven afmetingen worden verhoogd. Daarvoor moeten documenten ter staving overeenkomstig artikel 20.05, tweede lid, worden overgelegd. 8. 8. In de tabellen van de artikelen 20.07 tot en met 20.12 en 20.14 kunnen eventueel tussenwaarden worden geïnterpoleerd.
Artikel 20.07
-
-
Houten masten moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] Dekdiameter [cm] Diameter bij de zaling [cm] Ezelshoofd [cm] 10 20 17 15 11 22 17 15 12 24 19 17 13 26 21 18 14 28 23 19 15 30 25 21 16 32 26 22 17 34 28 23 18 36 29 24 19 39 31 25 20 41 33 26 21 43 34 28 22 44 35 29 23 46 37 30 24 49 39 32 25 51 41 33^1 Afstand van zaling tot aan het dek. Indien aan een mast twee ra's gevoerd worden, geldt een toeslag van ten minste 10% op de afmetingen volgens de tabel. Indien aan een mast meer dan twee ra's gevoerd worden, geldt een toeslag van ten minste 15% op de afmetingen volgens de tabel. Bij een doorgestoken mast is de diameter ter plaatse van de mastvoet ten minste 75% van de diameter ter plaatse van het dek.
-
-
- Mastbeslag en mastbanden, zalingen en ezelshoofden moeten voldoende sterk gedimensioneerd zijn en deugdelijk aangebracht of bevestigd zijn.
Artikel 20.08
-
-
Houten stengen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] Voetdiameter [cm] Diameter op halve lengte [cm] Beslagdiameter^2 [cm] 4 8 7 6 5 10 9 7 6 13 11 8 7 14 13 10 8 16 15 11 9 18 16 13 10 20 18 15 11 23 20 16 12 25 22 17 13 26 24 18 14 28 25 20 15 31 27 21^1 De totale lengte van de steng, zonder de top.
^2 Diameter van de steng ter plaatse van het topbeslag. Indien aan een steng razeilen worden gevoerd, geldt een toeslag van 10% op de afmetingen volgens de tabel.
-
-
- De overlap van de steng met de mast bedraagt ten minste 10 maal de voorgeschreven voetdiameter van de steng.
Artikel 20.09
-
-
Houten boegsprieten moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] Diameter op voorsteven [cm] Diameter op halve lengte [cm] 4 14,5 12,5 5 18 16 6 22 19 7 25 23 8 29 25 9 32 29 10 36 32 11 39 35 12 43 39^1 Totale lengte van de boegspriet.
-
-
- Het binnenboordgedeelte van de boegspriet moet een lengte hebben van ten minste 4 maal de diameter van de boegspriet ter plaatse van de steven.
-
- De diameter van de boegspriet aan de nok is ten minste 60% van de diameter ter plaatse van de steven.
Artikel 20.10
-
-
Houten kluiverbomen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Diameter op de steven [cm] 7 10 14 17 21 24 28 31 35^1 Totale lengte van de kluiverboom.
-
-
- De diameter van de kluiverboom aan de nok is ten minste 60% van de diameter ter plaatse van de steven.
Artikel 20.11
-
-
Houten gieken moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Diameter [cm] 14 15 16 17 18 20 21 23 24 25 26 27^1 Totale lengte van de giek.
-
-
- De diameter bij de lummel is ten minste 72% van de diameter volgens de tabel.
-
- De diameter bij de schoothoek is ten minste 85% van de diameter volgens de tabel.
-
- De grootste diameter ligt op 2/3 van de lengte vanaf de mast.
-
-
Indien:
a) de hoek die het achterlijk maakt met de giek kleiner is dan 65° en de grootschoot aan het einde van de giek aangrijpt of b) het aangrijpingspunt van de grootschoot niet tegenover de schoothoek ligt,kan de Commissie van deskundigen overeenkomstig artikel 20.05, tweede lid, een grotere diameter voorschrijven. a) a) de hoek die het achterlijk maakt met de giek kleiner is dan 65° en de grootschoot aan het einde van de giek aangrijpt of b) b) het aangrijpingspunt van de grootschoot niet tegenover de schoothoek ligt,
-
-
- Voor zeiloppervlakten kleiner dan 50 m^2 kan de Commissie van deskundigen reducties toestaan op de afmetingen volgens de tabel.
Artikel 20.12
-
-
Houten gaffels moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte^1 [m] 4 5 6 7 8 9 10 Diameter [cm] 10 12 14 16 17 18 20^1 Totale lengte van de gaffel.
-
-
- De ongesteunde lengte van de gaffel bedraagt maximaal 75%.
-
- De breeksterkte van de spruit is ten minste gelijk aan 1,2 maal de breeksterkte van de piekeval.
-
- De tophoek van de spruit is maximaal 60°.
-
- Indien de tophoek van de spruit, in afwijking van het vierde lid, groter is dan 60°, is de breeksterkte aangepast aan de dan optredende krachten.
-
- Voor zeiloppervlakten kleiner dan 50 m^2 kan de Commissie van deskundigen reducties toestaan op de afmetingen volgens de tabel.
Artikel 20.13
-
- Staand en lopend want moeten voldoen aan de sterkte-eisen van de artikelen 20.14 en 20.15.
-
-
Als staaldraadverbindingen zijn toegestaan:
a) splitsen, b) klemhulzen, of c) taluritklemmen.Splitsen moeten bekleed zijn en uiteinden moeten afgeschermd zijn. a) a) splitsen, b) b) klemhulzen, of c) c) taluritklemmen.
-
-
- Oogsplitsen moeten van een kous zijn voorzien.
-
- Draden moeten zodanig lopen dat hinder bij ingangen en trappen vermeden wordt.
Artikel 20.14
-
-
Fokkestagen en wanten moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Lengte van de mast^1 [m] 11 12 13 14 15 16 17 18 Breeksterkte fokkestag [kN] 160 172 185 200 220 244 269 294 Breeksterkte wanten [kN] 355 415 450 485 525 540 630 720 Aantal kabels en draden van de wanten per zijde 3 3 3 3 3 3 4 4^1 Afstand van top of zaling tot aan het dek.
-
-
-
Bakstag, topwantsteng, kluiverbomen, boeg- en vliegerstag moeten ten minste voldoen aan de volgende eisen:
Lengte van de mast^1 [m] <13 13–18 >18 Breeksterkte bakstag [kN] 89 119 159 Breeksterkte topwantsteng [kN] 89 119 159 Lengte van de steng [m] <6 6–8 >8 Breeksterkte vliegerstag [kN] 58 89 119 Lengte van de kluiverboom [m] <5 5–7 >7 Breeksterkte boegstag [kN] 58 89 119^1 Afstand van top of zaling tot aan het dek.
-
-
- De draadconstructie is bij voorkeur uitgevoerd volgens 6 maal 7 FE in de sterkteklasse 1.550 N/mm^2. In afwijking daarvan kan bij gelijke sterkteklasse de constructie 6 maal 36 SE of 6 maal 19 FE gebruikt worden. Wegens de grotere elasticiteit van de constructie 6 maal 19 moeten de in de tabel aangegeven breekkrachten met 10% worden verhoogd. Gebruik van andere draadconstructies zijn toegestaan, mits deze vergelijkbare eigenschappen bezitten.
-
- Bij gebruik van massieve verstaging geldt een toeslag van 30% op de breeksterkte volgens de tabel.
-
- In de verstaging worden alleen gekeurde sluitingen, ogen en bouten toegepast.
-
- Bouten, sluitingen, ogen en spanschroeven zijn deugdelijk geborgd.
-
- De breeksterkte van de waterstag is ten minste 1,2 maal de breeksterkte van het aangrijpende kluiver- en vliegerstag.
-
-
Voor schepen met minder dan 30 m^3 waterverplaatsing kan de Commissie van deskundigen de volgende reducties op de breeksterkten volgens de tabel toestaan:
Waterverplaatsing gedeeld door het aantal masten [m^3] Verminderingspercentage > 20 t/m 30 20 10 t/m 20 35 < 10 60
-
Artikel 20.15
-
-
Voor lopend want moet touw van vezels of staaldraad worden gebruikt. De breeksterkte en de doorsnede van het lopend want moeten, gerelateerd aan zeiloppervlakte, ten minste voldoen aan de volgende eisen:
Soort lopend want Draadmateriaal Zeiloppervlak [m^2] Breeksterkte [kN] Draaddiameter [mm] Stagzeilvallen Staaldraad tot en met 35 20 6 > 35 38 8 Vezel (polypropyleen – PP) draaddiameter ten minste 14 mm en per 25 m^2 een schijf Gaffelzeilvallen/ Torenzeilvallen Staaldraad tot en met 50 20 6 > 50 t/m 80 30 8 > 80 t/m 120 60 10 >120 t/m 160 80 12 Vezel (PP) draaddiameter ten minste 18 mm en per 30 m^2 een schijf Stagzeilschoten Vezel (PP) tot en met 40 14 > 40 18 Bij zeiloppervlakten boven de 30 m^2 moet de schoot uitgevoerd zijn als takel of bediend worden met een lier. Gaffel-/toren- zeilschoten Staaldraad < 100 60 10 100 t/m 150 85 12 > 150 116 14 Voor torenzeilschoten zijn elastische verbindingsonderdelen (veren of rekkers) noodzakelijk. Vezel (PP) Draaddiameter ten minste 18 mm en minstens drie schijven. Bij meer dan 60 m^2 zeiloppervlak per 20 m^2 een schijf.
-
-
- Het lopend want heeft, voorzover het deel uitmaakt van de verstaging, een breeksterkte die overeenkomt met die van het betrokken stag of want.
-
- Bij toepassing van andere dan de in eerste lid genoemde materialen moeten de sterktewaarden van de tabel uit eerste lid aangehouden worden. Touw uit polyethyleen mag niet worden gebruikt.
Artikel 20.16
-
-
De diameter van de schijven (gemeten van het midden van de draad tot het midden van de draad) moet bij gebruik van staaldraad of touw ten minste aan de volgende eisen voldoen:
Diameter staaldraad [mm] 6 7 8 9 10 11 12 Diameter touw [mm] 16 18 20 22 24 26 28 Diameter schijf [mm] 100 110 120 130 145 155 165
-
-
- In afwijking van eerste lid mag de diameter van de schijven het zesvoudige van de draaddiameter bedragen indien het staaldraad niet constant over de schijven loopt.
-
- De breeksterkte van het beslag (bijvoorbeeld sluitingen, ogen, spanschroeven, oogplaten, bouten, ringen en schakels) is in overeenstemming met de breeksterkte van het daaraan bevestigde staand of lopend want.
-
- De bevestiging van stag- en wantputtingen kan de daarop uitgeoefende krachten opnemen.
-
- Aan elk oog mag slechts een schakel en het daarbij behorende stag of want bevestigd zijn.
-
- De blokken van vallen en dirken zijn op een deugdelijke wijze aan de mast bevestigd, waarbij de hiertoe gebruikte draaiende hanenpoten in goede staat verkeren.
-
- De bevestiging van oogbouten, klampen, kikkers en nagelbanken is in overeenstemming met de daarop uitgeoefende belasting.
Artikel 20.17
-
- De zeilen moeten eenvoudig, snel en veilig kunnen worden gestreken.
-
- Het zeiloppervlak is passend voor het scheepstype en de waterverplaatsing.
Artikel 20.18
-
- Schepen die met een kluiverboom of een boegspriet zijn uitgerust, moeten voorzien zijn van een kluivernet en een toereikend aantal daarbij behorende rem- en spanvoorzieningen.
-
- Van de in eerste lid bedoelde uitrusting kan worden afgezien indien de kluiverboom of boegspriet met een hand- en voetgeleiding is uitgerust die voldoende is gedimensioneerd voor het gebruik van een aan boord mee te voeren veiligheidsgordel.
-
- Voor het werken aan de tuigage dient een bootmansstoeltje beschikbaar te zijn.
Artikel 20.19
-
-
De tuigage wordt om de 2,5 jaar door de Commissie van deskundigen gekeurd. De keuring omvat ten minste een inspectie van:
a) de zeilen, inclusief de lijken, schoothoek en reefogen; b) de toestand van masten en rondhouten; c) de toestand van het staand en lopend want, inclusief de draadverbindingen; d) de uitrusting om het zeil snel en veilig te kunnen strijken; e) de deugdelijke bevestiging van blokken van vallen en dirken; f) de bevestiging van mastkokers en overig aan de scheepsconstructie aangebrachte bevestigingspunten van staand en lopend want; g) de voor de zeilvoering aanwezige lieren; h) de overige ten behoeve van het zeilen aangebrachte voorzieningen zoals zwaarden en de voor de bediening daarvan aanwezige installaties; i) de voorzieningen die zijn getroffen om schavielen van rondhouten, staand en lopend want en zeilen te voorkomen; j) de uitrusting als bedoeld in artikel 20.18.
-
a) a) de zeilen, inclusief de lijken, schoothoek en reefogen; b) b) de toestand van masten en rondhouten; c) c) de toestand van het staand en lopend want, inclusief de draadverbindingen; d) d) de uitrusting om het zeil snel en veilig te kunnen strijken; e) e) de deugdelijke bevestiging van blokken van vallen en dirken; f) f) de bevestiging van mastkokers en overig aan de scheepsconstructie aangebrachte bevestigingspunten van staand en lopend want; g) g) de voor de zeilvoering aanwezige lieren; h) h) de overige ten behoeve van het zeilen aangebrachte voorzieningen zoals zwaarden en de voor de bediening daarvan aanwezige installaties; i) i) de voorzieningen die zijn getroffen om schavielen van rondhouten, staand en lopend want en zeilen te voorkomen; j) j) de uitrusting als bedoeld in artikel 20.18. 2. 2. Het onderdeks gelegen deel van doorgestoken houten masten wordt regelmatig, na een door de Commissie van deskundigen vastgelegde tussentijd, maar uiterlijk bij ieder periodiek onderzoek onderzocht. Hiertoe wordt de mast getrokken voor inspectie aangeboden. 3. 3. Een door de Commissie van deskundigen afgegeven, gedateerd en ondertekend bewijsstuk van de laatste overeenkomstig eerste lid uitgevoerde keuring bevindt zich aan boord.
Hoofdstuk 21. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel
Artikel 21.01
-
-
Vaartuigen die bestemd zijn om te duwen moeten zijn voorzien van een geschikte duwinrichting. Zij moeten zo zijn gebouwd en uitgerust dat:
a) voor het personeel de passage naar het geduwde vaartuig gemakkelijk en zonder gevaar mogelijk is, ook wanneer de koppelingsmiddelen zijn aangebracht; b) zij een vaste positie kunnen innemen ten opzichte van het gekoppelde vaartuig of de gekoppelde vaartuigen, en c) ten opzichte van elkaar verschuiven van de vaartuigen wordt voorkomen.
-
a) a) voor het personeel de passage naar het geduwde vaartuig gemakkelijk en zonder gevaar mogelijk is, ook wanneer de koppelingsmiddelen zijn aangebracht; b) b) zij een vaste positie kunnen innemen ten opzichte van het gekoppelde vaartuig of de gekoppelde vaartuigen, en c) c) ten opzichte van elkaar verschuiven van de vaartuigen wordt voorkomen. 2. 2. Indien bij het koppelen kabels worden gebruikt, moeten op het voor het duwen geschikte vaartuig ten minste twee speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen voor het spannen van de kabels zijn aangebracht. 3. 3. De koppelingsinrichting moet een hechte verbinding met het geduwde vaartuig of de geduwde vaartuigen mogelijk maken. Bij duwstellen die bestaan uit één duwend en slechts één geduwd vaartuig mogen de koppelingsinrichtingen echter ook een gestuurd knikken mogelijk maken. De daartoe vereiste aandrijvingen moeten de over te brengen krachten probleemloos kunnen opvangen en zij moeten gemakkelijk en zonder gevaar kunnen worden bediend. Voor deze aandrijvingen zijn de artikelen 6.02 tot en met 6.04 van overeenkomstige toepassing. 4. 4. Bij duwboten is een aanvaringsschot als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid onderdeel a, niet vereist.
Artikel 21.02
-
-
Voor duwbakken zonder stuurinrichting, verblijven, machinekamers of ketelruimen zijn niet van toepassing:
a) de hoofdstukken 5, 6, 7 en 15; b) Artikel 8.08, tweede tot en met achtste lid, artikel 13.02, artikel 13.08, eerste lid.Indien stuurinrichtingen, verblijven, machinekamers of ketelruimen aanwezig zijn, zijn de dienovereenkomstige vereisten van deze standaard van toepassing. a) a) de hoofdstukken 5, 6, 7 en 15; b) b)
Artikel 8.08, tweede tot en met achtste lid, artikel 13.02, artikel 13.08, eerste lid.
-
-
-
Voor zeeschipbakken met een lengte L van ten hoogste 40 m geldt bovendien:
a) Waterdichte schotten als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, zijn niet vereist, wanneer de frontale gedeelten van de bak zodanig zijn versterkt dat zij een belasting kunnen opnemen die ten minste 2,5 maal zo groot is als die van het aanvaringsschot van een binnenschip met een overeenkomstige diepgang dat is gebouwd volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau; b) In afwijking van artikel 8.08, eerste lid, behoeven moeilijk toegankelijke compartimenten van een dubbele bodem slechts gelensd te kunnen worden, wanneer hun inhoud meer bedraagt dan 5% van de waterverplaatsing van de zeeschipbak bij de grootste toegelaten inzinking.
-
a) a) Waterdichte schotten als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, zijn niet vereist, wanneer de frontale gedeelten van de bak zodanig zijn versterkt dat zij een belasting kunnen opnemen die ten minste 2,5 maal zo groot is als die van het aanvaringsschot van een binnenschip met een overeenkomstige diepgang dat is gebouwd volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau; b) b) In afwijking van artikel 8.08, eerste lid, behoeven moeilijk toegankelijke compartimenten van een dubbele bodem slechts gelensd te kunnen worden, wanneer hun inhoud meer bedraagt dan 5% van de waterverplaatsing van de zeeschipbak bij de grootste toegelaten inzinking. 3. 3. Vaartuigen die geduwd moeten worden moeten zijn voorzien van koppelingsinrichtingen die een veilige verbinding met andere vaartuigen waarborgen.
Artikel 21.03
Op vaartuigen die bestemd zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen moeten bolders of gelijkwaardige inrichtingen aanwezig zijn die het door hun aantal en opstelling mogelijk maken een afdoende verbinding tot stand te brengen tussen de gekoppelde vaartuigen.
Artikel 21.04
Vaartuigen die bestemd zijn om te worden voortbewogen in een samenstel moeten zijn voorzien van hiervoor geschikte koppelingsinrichtingen, bolders of gelijkwaardige inrichtingen die door hun aantal en opstelling een afdoende verbinding met het andere vaartuig of de andere vaartuigen van het samenstel waarborgen.
Artikel 21.05
-
-
Vaartuigen die moeten kunnen worden gebruikt om te slepen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a) De sleepinrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat door het gebruik daarvan de veiligheid van het schip, de bemanning of de lading niet in gevaar komt. b) Assisterende en slepende schepen moeten zijn uitgerust met een vanuit het stuurhuis veilig te bedienen sleephaak; dit geldt niet wanneer op grond van de bouwwijze of door andere voorzieningen kenteren niet mogelijk is. c) Als sleepinrichting moeten sleeplieren of een sleephaak aanwezig zijn. De sleepinrichtingen moeten vóór de schroeven zijn aangebracht. Dit geldt niet voor sleepboten die met het aandrijforgaan worden gestuurd, zoals een roerpropeller of cycloïdaalschroef. d) In afwijking van onderdeel c is bij schepen die uitsluitend overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten worden gebruikt voor het verlenen van sleepbijstand voor motorschepen, ook een sleepinrichting zoals bolders of gelijkwaardige inrichtingen voldoende. Het onderdeel b is van overeenkomstige toepassing. e) Wanneer de sleeptrossen op een achterschip zouden kunnen blijven haken dienen daar sleepbogen met draadvangers te zijn aangebracht.
-
a) a) De sleepinrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat door het gebruik daarvan de veiligheid van het schip, de bemanning of de lading niet in gevaar komt. b) b) Assisterende en slepende schepen moeten zijn uitgerust met een vanuit het stuurhuis veilig te bedienen sleephaak; dit geldt niet wanneer op grond van de bouwwijze of door andere voorzieningen kenteren niet mogelijk is. c) c) Als sleepinrichting moeten sleeplieren of een sleephaak aanwezig zijn. De sleepinrichtingen moeten vóór de schroeven zijn aangebracht. Dit geldt niet voor sleepboten die met het aandrijforgaan worden gestuurd, zoals een roerpropeller of cycloïdaalschroef. d) d) In afwijking van onderdeel c is bij schepen die uitsluitend overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten worden gebruikt voor het verlenen van sleepbijstand voor motorschepen, ook een sleepinrichting zoals bolders of gelijkwaardige inrichtingen voldoende. Het onderdeel b is van overeenkomstige toepassing. e) e) Wanneer de sleeptrossen op een achterschip zouden kunnen blijven haken dienen daar sleepbogen met draadvangers te zijn aangebracht. 2. 2. Schepen met een lengte L van meer dan 86 m mogen niet worden toegelaten om afvarend te slepen.
Artikel 21.06
-
- Met het oog op de toelating als duwboot of motorschip voor het voortbewegen van vaartuigen in een hecht samenstel en met het oog op het plaatsen van een desbetreffende aantekening in het binnenschipcertificaat bepaalt de Commissie van deskundigen welke formaties haar voor onderzoek moeten worden getoond en laat zij proefvaarten als bedoeld in artikel 5.02 uitvoeren met het samenstel in de verzochte formatie(s) die haar het meest ongunstig voorkomen. Daarbij moet dit samenstel aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10 voldoen. De Commissie van deskundigen vergewist zich ervan of een hechte verbinding van alle vaartuigen van het samenstel bij de volgens hoofdstuk 5 voorgeschreven manoeuvres verzekerd is.
-
- Indien tijdens de in het eerste lid bedoelde proefvaarten bijzondere inrichtingen op de in het samenstel voortbewogen vaartuigen (zoals de stuurinrichting, de aandrijf- of manoeuvreerinrichtingen of de scharnierkoppelingen) worden gebruikt om te voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10, moet in het binnenschipcertificaat van het vaartuig dat het samenstel voortbeweegt worden vermeld: de formatie, de positie, de naam en het uniek Europees scheepsidentificatienummer van de toegelaten vaartuigen die over deze bijzondere inrichtingen beschikken.
Artikel 21.07
-
- Indien een vaartuig een samenstel moet voortbewegen of daarin moet worden voortbewogen, moet in het certificaat van onderzoek zijn aangetekend dat het daarvoor geschikt is overeenkomstig de artikelen 21.01 tot en met 21.06.
-
-
In het binnenschipcertificaat van het vaartuig dat voor de voortbeweging zorgtmoet worden aangetekend:
a) de toegelaten samenstellen en formaties; b) het soort koppelingen; c) de vastgestelde grootste koppelingskrachten, en d) eventueel de minimumbreeksterkte van de koppelingskabels van de langsverbindingen, alsmede het aantal windingen van de koppelingskabels.
-
a) a) de toegelaten samenstellen en formaties; b) b) het soort koppelingen; c) c) de vastgestelde grootste koppelingskrachten, en d) d) eventueel de minimumbreeksterkte van de koppelingskabels van de langsverbindingen, alsmede het aantal windingen van de koppelingskabels.
Hoofdstuk 22. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen
Artikel 22.01
Voor drijvende werktuigen zijn voor wat betreft bouw en uitrusting de hoofdstukken 3, 7 tot en met 17 en 21 van toepassing. Drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging moeten ook voldoen aan de hoofdstukken 5 en 6. Aandrijvingen die slechts een geringe verplaatsing mogelijk maken worden niet beschouwd als mechanische middelen tot voortbeweging.
Artikel 22.02
a)
Artikel 3.03, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing;
b)
artikel 7.02 is van overeenkomstige toepassing;
c)
de ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk als bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, tweede alinea, mogen worden overschreden wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn en voor zover er dan niet aan boord wordt overnacht;
d)
De Commissie van deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting afwijkingen toelaten, voor zover in het elke geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond.
a) a)
Artikel 3.03, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing;
b) b)
artikel 7.02 is van overeenkomstige toepassing;
c) c) de ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk als bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, tweede alinea, mogen worden overschreden wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn en voor zover er dan niet aan boord wordt overnacht; d) d) De Commissie van deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting afwijkingen toelaten, voor zover in het elke geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond. 2. 2. De Commissie van deskundigen kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen:
a)
artikel 13.01, eerste lid, wanneer het drijvende werktuig veilig kan worden verankerd terwijl de werkinrichtingen in bedrijf zijn, bijvoorbeeld door middel van werkankers of palen. Een drijvend werktuig met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt *k* = 45 en voor *T* gelijk aan holte *H*;
b)
artikel 15.02, eerste lid, tweede gedeelte van de zin, wanneer de ruimten voldoende elektrisch kunnen worden verlicht.
a) a)
artikel 13.01, eerste lid, wanneer het drijvende werktuig veilig kan worden verankerd terwijl de werkinrichtingen in bedrijf zijn, bijvoorbeeld door middel van werkankers of palen. Een drijvend werktuig met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt *k* = 45 en voor *T* gelijk aan holte *H*;
b) b)
artikel 15.02, eerste lid, tweede gedeelte van de zin, wanneer de ruimten voldoende elektrisch kunnen worden verlicht.
-
-
Bovendien geldt:
a) in afwijking van artikel 8.08, tweede lid, tweede volzin, de lenspomp moet mechanisch worden aangedreven; b) in afwijking van artikel 8.10, derde lid, bij stilliggende drijvende werktuigen mag het geluid wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn op 25 m afstand zijdelings van de scheepshuid meer bedragen dan 65 dB(A); c) in afwijking van artikel 13.03, eerste lid, bij vrij op het dek staande werktuigen moet ten minste één extra draagbaar blustoestel aanwezig zijn; d) in afwijking van artikel 17.02, tweede lid, naast vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik mogen ook andere vloeibaargasinstallaties aanwezig zijn. Deze installaties met toebehoren moeten voldoen aan de voorschriften van een van de lidstaten.
-
a) a) in afwijking van artikel 8.08, tweede lid, tweede volzin, de lenspomp moet mechanisch worden aangedreven; b) b) in afwijking van artikel 8.10, derde lid, bij stilliggende drijvende werktuigen mag het geluid wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn op 25 m afstand zijdelings van de scheepshuid meer bedragen dan 65 dB(A); c) c) in afwijking van artikel 13.03, eerste lid, bij vrij op het dek staande werktuigen moet ten minste één extra draagbaar blustoestel aanwezig zijn; d) d) in afwijking van artikel 17.02, tweede lid, naast vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik mogen ook andere vloeibaargasinstallaties aanwezig zijn. Deze installaties met toebehoren moeten voldoen aan de voorschriften van een van de lidstaten.
Artikel 22.03
-
- Op drijvende werktuigen waarop tijdens het werk personen aanwezig zijn is de aanwezigheid van een algemene alarminstallatie vereist. Het alarmsignaal moet zich duidelijk onderscheiden van andere signalen en in alle verblijven en op alle werkplekken een geluidsdrukniveau doen ontstaan dat ten minste 5 dB(A) hoger is dan het ter plaatse overheersende maximale geluidsniveau. De alarminstallatie moet in het stuurhuis en op de belangrijkste bedieningspunten in werking kunnen worden gesteld.
-
- Werkinrichtingen moeten voor hun belasting voldoende sterkte hebben en zij moeten voldoen aan de voorschriften van een van de lidstaten van de CCR of aan de voorschriften van gewijzigde Richtlijn 2006/42/EG14Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (OJ L 157, 9.6.2006)..
-
- De kantelingsstabiliteit en de sterkte van de werkinrichtingen en eventueel de bevestiging daarvan moeten zodanig zijn dat zij bestand zijn tegen belastingen door te verwachten slagzij, trim en bewegingen van het drijvend werktuig.
-
- Indien lasten met heftoestellen omhoog worden gebracht, dient de uit stabiliteit en sterkte resulterende maximaal toelaatbare last duidelijk te worden aangegeven op een bord aan dek en op de bedieningspunten. Indien het hefvermogen door het aankoppelen van extra drijvende voorwerpen kan worden vergroot, moeten de waarden met en zonder extra drijvende voorwerpen zijn vermeld
Artikel 22.04
-
- Voor de toepassing van dit hoofdstuk en in afwijking van artikel 1.01 is de resterende veiligheidsafstand de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en het laagste punt waarboven het drijvend werktuig niet meer waterdicht is, waarbij rekening wordt gehouden met trim en slagzij die optreden onder invloed van de momenten als bedoeld in artikel 22.07, vierde tot en met negende lid.
-
- Een resterende veiligheidsafstand bij spatwater- en regendicht afsluitbare openingen is voldoende in de zin van artikel 22.07, eerste lid, wanneer deze 300 mm bedraagt.
-
- De resterende veiligheidsafstand bij niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen moet ten minste 400 mm bedragen.
Artikel 22.05
-
- Voor de toepassing van dit hoofdstuk en in afwijking van artikel 1.01 is het resterende vrijboord de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en de zijkant van het dek, waarbij rekening wordt gehouden met trim en slagzij, die optreden onder invloed van de momenten als bedoeld in artikel 22.07, vierde tot en met negende lid.
-
- Het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 22.07, eerste lid, is voldoende indien het 300 mm bedraagt.
-
- Het resterend vrijboord mag worden verminderd wanneer wordt aangetoond dat artikel 22.08 in acht is genomen.
-
- Indien de vorm van het drijvend voorwerp in belangrijke mate afwijkt van de vorm van een ponton, zoals bij cilindrische drijvende voorwerpen of bij een drijvend voorwerp waarvan de dwarsdoorsnede meer bedraagt dan vier zijden, kan de Commissie van deskundigen een resterend vrijboord eisen of toelaten dat afwijkt van het tweede lid. Dit geldt ook voor een drijvend werktuig met verscheidene drijvende voorwerpen.
Artikel 22.06
-
- Het bewijs van stabiliteit als bedoeld in de artikelen 22.07 en 22.08 moet worden geleverd op basis van een volgens goed scheepsbouwgebruik uitgevoerde hellingproef.
-
- Indien bij de hellingproef geen voldoende hellingshoek kan worden bereikt, of indien de uitvoering van de hellingproef onoverkomelijke technische problemen met zich meebrengt, kan in plaats daarvan een berekening van het gewicht en het zwaartepunt worden gemaakt. Het resultaat van de berekening van het gewicht moet worden gecontroleerd met behulp van metingen van de diepgang, waarbij het verschil niet meer dan ± 5% mag bedragen.
Artikel 22.07
-
- Bewezen dient te worden dat bij de tijdens het in bedrijf zijn van de installaties en tijdens de vaart optredende belastingen voldoende resterende veiligheidsafstand en voldoende resterend vrijboord aanwezig zijn. Daarbij mag de som van de hoeken tussen slagzij en trim niet meer dan 10° bedragen en mag de bodem van de scheepsromp niet boven het water uitkomen.
-
-
Het bewijs van stabiliteit moet de volgende gegevens en documenten bevatten:
a) tekeningen op schaal van de drijvende voorwerpen en de werkinrichtingen alsmede de voor het bewijs van stabiliteit vereiste gedetailleerde gegevens, zoals de inhoud van tanks en openingen die naar het binnenste van het schip voeren; b) hydrostatische gegevens of krommen; c) krommen van de armen van intactstabiliteit, voor zover vereist ingevolge het vijfde lid of artikel 22.08; d) beschrijving van de bedrijfstoestanden met de dienovereenkomstige gegevens inzake gewicht en zwaartepunt met inbegrip van de onbeladen toestand en de toestand van het werktuig bij verplaatsing; e) berekening van het kenterende, trimmende en oprichtende moment met vermelding van de optredende hellings- en trimhoeken, resterende veiligheidsafstanden en resterende vrijboorden; f) overzicht van de uitkomsten van de berekeningen met vermelding van de grenzen van gebruik en belasting.
-
a) a) tekeningen op schaal van de drijvende voorwerpen en de werkinrichtingen alsmede de voor het bewijs van stabiliteit vereiste gedetailleerde gegevens, zoals de inhoud van tanks en openingen die naar het binnenste van het schip voeren; b) b) hydrostatische gegevens of krommen; c) c) krommen van de armen van intactstabiliteit, voor zover vereist ingevolge het vijfde lid of artikel 22.08; d) d) beschrijving van de bedrijfstoestanden met de dienovereenkomstige gegevens inzake gewicht en zwaartepunt met inbegrip van de onbeladen toestand en de toestand van het werktuig bij verplaatsing; e) e) berekening van het kenterende, trimmende en oprichtende moment met vermelding van de optredende hellings- en trimhoeken, resterende veiligheidsafstanden en resterende vrijboorden; f) f) overzicht van de uitkomsten van de berekeningen met vermelding van de grenzen van gebruik en belasting. 3. 3. Het bewijs van stabiliteit moet ten minste zijn gebaseerd op de volgende veronderstelde belading:
a)
dichtheid van de baggerspecie bij baggermolens:
zeer nat zand 2,0 t/m^3,
grond gemiddeld 1,8 t/m^3,
mengsel uit zand en water in buisleidingen 1,3 t/m^3;
b)
bij baggerwerktuigen met grijptanden moeten de waarden onder a met 15% worden verhoogd;
c)
bij hydraulische baggerwerktuigen moet worden uitgegaan van het maximale hefvermogen.
a) a) dichtheid van de baggerspecie bij baggermolens: zeer nat zand 2,0 t/m^3, grond gemiddeld 1,8 t/m^3, mengsel uit zand en water in buisleidingen 1,3 t/m^3; b) b) bij baggerwerktuigen met grijptanden moeten de waarden onder a met 15% worden verhoogd; c) c) bij hydraulische baggerwerktuigen moet worden uitgegaan van het maximale hefvermogen. 4. 4. In het bewijs van de stabiliteit moet rekening worden gehouden met de momenten resulterend uit:
a)
de belading;
b)
bouwkundige asymmetrieën;
c)
de winddruk;
d)
de draaibeweging bij werktuigen met eigen aandrijvingskracht;
e)
dwarsstroming voor zover vereist;
f)
ballast en voorraden;
g)
deklasten en eventueel lading;
h)
vrije oppervlakken van vloeistof;
i)
dynamische traagheidskrachten;
j)
andere mechanische inrichtingen.
Daarbij dienen momenten die tegelijkertijd kunnen inwerken te worden opgeteld.
a) a) de belading; b) b) bouwkundige asymmetrieën; c) c) de winddruk; d) d) de draaibeweging bij werktuigen met eigen aandrijvingskracht; e) e) dwarsstroming voor zover vereist; f) f) ballast en voorraden; g) g) deklasten en eventueel lading; h) h) vrije oppervlakken van vloeistof; i) i) dynamische traagheidskrachten; j) j) andere mechanische inrichtingen. 5. 5. Het moment ten gevolge van de winddruk dient te worden berekend volgens de volgende formule:
In deze formule betekent:
*c* = de vormafhankelijke weerstandscoëfficiënt;
Voor vakwerk moet worden uitgegaan van *c* = 1,2 en voor gesloten constructies van *c* = 1,6, waarbij rekening is gehouden met de invloed van windstoten.
Het windvangend oppervlak is de omhullende oppervlakte van het vakwerk.
*PW* = de specifieke winddruk; deze moet uniform op 0,25 kN/m^2 worden gesteld;
*AW* = zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de grootste inzinking in [m^2], dat overeenkomt met de betreffende beladingstoestand;
*lW* = afstand van het zwaartepunt van het zijdelingse vlak *AW* tot het vlak van de inzinking in m. die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand in [m].
-
- Voor de vaststelling van de momenten bij de draaibeweging als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, dient bij drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging de formule van artikel 19.03, zesde lid, te worden gebruikt.
-
- Het door dwarsstroming als bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, veroorzaakte moment hoeft alleen te worden meegerekend bij drijvende werktuigen die gedurende het werk in stromend water dwarsliggend met ankers of kabels zijn vastgemaakt.
-
- Bij de berekening van de momenten resulterend uit vloeibare ballast en vloeibare voorraden als bedoeld in het vierde lid, onderdeel f, dient de voor de stabiliteit meest ongunstige vullingsgraad van de tanks te worden vastgesteld en het dienovereenkomstige moment in de berekening te worden opgenomen.
-
- Met het uit dynamische traagheidskrachten resulterende moment als bedoeld in het vierde lid, onderdeel i, moet op passende wijze rekening worden gehouden, wanneer door bewegingen van de lading en van de werkinrichtingen een beïnvloeding van de stabiliteit te verwachten is.
-
De oprichtende momenten kunnen bij drijvende voorwerpen met loodrechte zijwanden worden berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
= de metacentrumhoogte in m;
*φ*= de hellingshoek in graden.Deze formule is van toepassing tot hellingshoeken van ten hoogste 10° of tot een hellingshoek waarbij de zijde van het dek wordt ingedompeld of de bodem boven water uitkomt. Daarbij is de kleinste hoek doorslaggevend. Bij schuin lopende zijwanden is de formule van toepassing tot hellingshoeken van ten hoogste 5°; voor het overige zijn de criteria als bedoeld in het derde tot en met negende lid van toepassing. Wanneer de bijzondere vorm van het drijvend voorwerp of de drijvende voorwerpen dit niet toelaat, zijn stabiliteitskrommen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vereist.
Artikel 22.08
Indien gebruik wordt gemaakt van een verminderd resterend vrijboord als bedoeld in artikel 22.05, derde lid, moet voor alle bedrijfsomstandigheden zijn aangetoond dat
a) a) na correctie voor vrije vloeistofoppervlakken de metacentrumhoogte niet minder dan 0,15 m bedraagt; b) b) binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een oprichtende arm van ten minste
*h* = 0,30 – 0,28 • *φn* [*m*]
aanwezig is. Daarbij is *φn* de hellingshoek, waar vandaan de stabiliteitskromme negatief wordt (stabiliteitsomvang). Hij mag niet kleiner zijn dan 20° of 0,35 rad en moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld, waarbij voor *φn* de eenheid radiaal (rad) moet worden gebruikt (1° = 0,01745 rad);
c) c) de som van de hoeken resulterend uit slagzij en trim niet meer dan 10° bedraagt; d) d) een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 22.04 aanwezig is; e) e) een resterend vrijboord van ten minste 0,05 m aanwezig is; f) f) binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een resterende arm van ten minste
*h* = 0,20 – 0,23 • *φn* [*m*]
aanwezig is. Daarbij is *φn* de hellingshoek, waarvandaan de stabiliteitskromme negatief wordt; deze moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld.
Onder resterende arm moet worden verstaan het tussen 0° en 30° hellingshoek aanwezige grootste verschil tussen de kromme van de oprichtende armen en de kromme van de kenterende armen. Indien een opening naar het inwendige van het schip in het water terecht komt bij een hellingshoek die kleiner is dan de hellingshoek die bij het grootste verschil hoort, is de eis inzake de resterende arm van toepassing op deze hellingshoek.
Artikel 22.09
Inzinkingsmerken als bedoeld in artikel 4.04 en diepgangsschalen als bedoeld in artikel 4.06 moeten zijn aangebracht.
Artikel 22.10
-
-
Bij de onderstaande drijvende werktuigen kan worden afgezien van de toepassing van de artikelen 22.04 tot en met 22.08:
a) door de werkinrichting waarvan geen enkele wijziging van de slagzij of de trim kan worden veroorzaakt, en b) waarbij een verschuiving van het gewichtszwaartepunt verregaand kan worden uitgesloten.
-
a) a) door de werkinrichting waarvan geen enkele wijziging van de slagzij of de trim kan worden veroorzaakt, en b) b) waarbij een verschuiving van het gewichtszwaartepunt verregaand kan worden uitgesloten. 2. 2. Echter moet:
a)
bij maximale belading de veiligheidsafstand ten minste 300 mm en het vrijboord ten minste 150 mm bedragen; en
b)
de veiligheidsafstand voor niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen ten minste 500 mm bedragen.
a) a) bij maximale belading de veiligheidsafstand ten minste 300 mm en het vrijboord ten minste 150 mm bedragen; en b) b) de veiligheidsafstand voor niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen ten minste 500 mm bedragen.
Hoofdstuk 23. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden
Artikel 23.01
Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, die als zodanig in het binnenschipcertificaat zijn aangeduid, mogen buiten werkterreinen slechts onbeladen varen. Deze voorwaarde dient in het binnenschipcertificaat te worden vermeld.
Hiertoe moeten deze schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden beschikken over een verklaring van de bevoegde autoriteit over de duur van de werkzaamheden en de begrenzing van het werkterrein waarop het schip mag worden gebruikt.
Artikel 23.02
Voor zover in dit hoofdstuk niets anders is bepaald, zijn met betrekking tot de bouw en de uitrusting van schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden de hoofdstukken 3 tot en met 17 van Deel II van toepassing.
Artikel 23.03
a)
Artikel 3.03, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing;
b)
de hoofdstukken 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing, indien het schip is voorzien van eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
c)
artikel 13.02, tweede lid, onderdeel a en b, is van overeenkomstige toepassing;
d)
De Commissie van deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting afwijkingen toelaten, voor zover in het elke geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond.
a) a)
Artikel 3.03, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing;
b) b) de hoofdstukken 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing, indien het schip is voorzien van eigen mechanische middelen tot voortbeweging; c) c)
artikel 13.02, tweede lid, onderdeel a en b, is van overeenkomstige toepassing;
d) d) De Commissie van deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting afwijkingen toelaten, voor zover in het elke geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond. 2. 2. De Commissie van deskundigen kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen:
a)
artikel 8.08, tweede tot en met achtste lid, wanneer geen bemanning is voorgeschreven;
b)
artikel 13.01, eerste en derde lid, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden door middel van werkankers of palen veilig kan worden verankerd. Een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt *k* en voor *T* gelijk aan holte *H*;
c)
artikel 13.02, eerste lid, onderdeel c, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden niet over eigen mechanische middelen tot voortbeweging beschikt.
a) a)
artikel 8.08, tweede tot en met achtste lid, wanneer geen bemanning is voorgeschreven;
b) b)
artikel 13.01, eerste en derde lid, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden door middel van werkankers of palen veilig kan worden verankerd. Een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt *k* en voor *T* gelijk aan holte *H*;
c) c)
artikel 13.02, eerste lid, onderdeel c, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden niet over eigen mechanische middelen tot voortbeweging beschikt.
Artikel 23.04
-
- Indien een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden als spoel- en klepbak wordt geëxploiteerd moet de veiligheidsafstand buiten het laadruim ten minste 300 mm en het vrijboord ten minste 150 mm bedragen. De Commissie van deskundigen kan een kleiner vrijboord toestaan, wanneer rekenkundig is bewezen dat de stabiliteit bij belading met een dichtheid van 1,5 t/m^3 voldoende is en er geen zijde van het dek in het water komt. De invloed van vloeibaar gemaakte lading moet daarbij in aanmerking worden genomen.
-
- Voor een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden dat niet onder het eerste lid valt zijn de artikelen 4.01 en 4.02 van overeenkomstige toepassing. Daarbij kan de Commissie van deskundigen voor de veiligheidsafstand en voor het vrijboord afwijkende waarden vaststellen.
Artikel 23.05
Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden hoeven niet met een bijboot te zijn uitgerust, indien
a) a) ze niet zijn uitgerust met mechanische middelen tot voortbeweging, en b) b) op het werkterrein een andere bijboot beschikbaar is.
Deze vrijstelling dient in het binnenschipcertificaat te worden vermeld.
Hoofdstuk 24. Bijzondere bepalingen voor traditionele vaartuigen
Artikel 24.01
-
- Traditionele vaartuigen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd, in overeenstemming met de stand van de techniek op de gekozen historische datum. De staat van het traditionele vaartuig qua bouw, inrichting en uitrusting moet minstens aan de nationale voorschriften van de lidstaat waar het traditionele vaartuig oorspronkelijk werd geëxploiteerd, op de gekozen historische datum, voldoen.
-
- Alle bouwonderdelen, inrichtingen en uitrustingen die niet tot de staat qua bouw, inrichting en uitrusting van de gekozen historische datum behoren, moeten aan de daarvoor geldende bepalingen van de delen II en III van deze standaard voldoen.
-
- Bij afwijkingen van de bepalingen van deze standaard worden door de Commissie van deskundigen compenserende vereisten bepaald, die de technische functie en de uiterlijke indruk van het traditionele vaartuig in aanmerking nemend, een gelijkwaardige veiligheid waarborgen. Afwijkingen zijn uitsluitend toegestaan indien hiertoe op grond van de historische aard een noodzaak bestaat.
Artikel 24.02
-
-
Voor de erkenning van een vaartuig als ‘traditioneel vaartuig’ moet
a) een initieel onderzoek dat voorafgaat aan de eerste afgifte van een binnenschipcertificaat of b) een bijzonder onderzoek voor de afgifte van een gewijzigd binnenschipcertificaat na de ombouw of de wijziging van de bestemming van een vaartuig tot traditioneel vaartuig worden uitgevoerd.
-
a) a) een initieel onderzoek dat voorafgaat aan de eerste afgifte van een binnenschipcertificaat of b) b) een bijzonder onderzoek voor de afgifte van een gewijzigd binnenschipcertificaat na de ombouw of de wijziging van de bestemming van een vaartuig tot traditioneel vaartuig worden uitgevoerd. 2. 2. Aan de Commissie van deskundigen moeten met de aanvraag van het onderzoek, behalve de reglementair voorgeschreven bescheiden, de volgende documenten worden voorgelegd:
a)
een advies van een instantie voor monumentenzorg met de desbetreffende kennis of van een erkend deskundige voor traditionele vaartuigen, dat is opgesteld op grond van een inspectie die binnen een termijn van drie maanden vóór de indiening van de aanvraag is uitgevoerd, en waarin wordt bevestigd dat aan de eisen van artikel 24.01, eerste lid, wordt voldaan en dat moet worden uitgegaan van een geschiktheid voor een gebruik als bedoeld in artikel 1.01, lid 1.29, en het dientengevolge de moeite waard is het vaartuig te behouden;
b)
het gebruiksconcept;
c)
een veiligheidsconcept dat is gebaseerd op het in onderdeel b bedoelde gebruiksconcept;
d)
de uit de volgende delen bestaande documentatie van het traditionele vaartuig:
aa)
gegevens betreffende de staat qua bouw, inrichting en uitrusting van het voor het onderzoek aangeboden vaartuig door middel van beschrijvingen, tekeningen, foto’s en overige documenten;
bb)
lijst van de op de gekozen historische datum geldende voorschriften en kopieën daarvan, voor zover deze voor de motivering van de afwijkingen van de eisen van de delen II en III van deze standaard nodig zijn;
cc)
bewijs dat de staat qua bouw, inrichting en uitrusting geschikt is om het vaartuig als een traditioneel vaartuig te exploiteren;
dd)
krachtens deze standaard vereiste tekeningen, ontwerpen, berekeningen en bewijzen. Deze moeten overeenkomen met de stand van het vaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag;
ee)
lijst van de afwijkingen van de staat van de bouw, inrichting en uitrusting overeenkomstig de in onderdeel aa bedoelde gegevens ten opzichte van de op de datum van de indiening van de aanvraag geldige technische voorschriften van deze standaard;
ff)
gegevens over de bemanning van het traditionele vaartuig op de gekozen historische datum.
a) a) een advies van een instantie voor monumentenzorg met de desbetreffende kennis of van een erkend deskundige voor traditionele vaartuigen, dat is opgesteld op grond van een inspectie die binnen een termijn van drie maanden vóór de indiening van de aanvraag is uitgevoerd, en waarin wordt bevestigd dat aan de eisen van artikel 24.01, eerste lid, wordt voldaan en dat moet worden uitgegaan van een geschiktheid voor een gebruik als bedoeld in artikel 1.01, lid 1.29, en het dientengevolge de moeite waard is het vaartuig te behouden; b) b) het gebruiksconcept; c) c) een veiligheidsconcept dat is gebaseerd op het in onderdeel b bedoelde gebruiksconcept; d) d) de uit de volgende delen bestaande documentatie van het traditionele vaartuig:
aa)
gegevens betreffende de staat qua bouw, inrichting en uitrusting van het voor het onderzoek aangeboden vaartuig door middel van beschrijvingen, tekeningen, foto’s en overige documenten;
bb)
lijst van de op de gekozen historische datum geldende voorschriften en kopieën daarvan, voor zover deze voor de motivering van de afwijkingen van de eisen van de delen II en III van deze standaard nodig zijn;
cc)
bewijs dat de staat qua bouw, inrichting en uitrusting geschikt is om het vaartuig als een traditioneel vaartuig te exploiteren;
dd)
krachtens deze standaard vereiste tekeningen, ontwerpen, berekeningen en bewijzen. Deze moeten overeenkomen met de stand van het vaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag;
ee)
lijst van de afwijkingen van de staat van de bouw, inrichting en uitrusting overeenkomstig de in onderdeel aa bedoelde gegevens ten opzichte van de op de datum van de indiening van de aanvraag geldige technische voorschriften van deze standaard;
ff)
gegevens over de bemanning van het traditionele vaartuig op de gekozen historische datum.
aa) aa) gegevens betreffende de staat qua bouw, inrichting en uitrusting van het voor het onderzoek aangeboden vaartuig door middel van beschrijvingen, tekeningen, foto’s en overige documenten; bb) bb) lijst van de op de gekozen historische datum geldende voorschriften en kopieën daarvan, voor zover deze voor de motivering van de afwijkingen van de eisen van de delen II en III van deze standaard nodig zijn; cc) cc) bewijs dat de staat qua bouw, inrichting en uitrusting geschikt is om het vaartuig als een traditioneel vaartuig te exploiteren; dd) dd) krachtens deze standaard vereiste tekeningen, ontwerpen, berekeningen en bewijzen. Deze moeten overeenkomen met de stand van het vaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag; ee) ee) lijst van de afwijkingen van de staat van de bouw, inrichting en uitrusting overeenkomstig de in onderdeel aa bedoelde gegevens ten opzichte van de op de datum van de indiening van de aanvraag geldige technische voorschriften van deze standaard; ff) ff) gegevens over de bemanning van het traditionele vaartuig op de gekozen historische datum. 3. 3. De aanvrager vermeldt de historische datum voor het traditionele vaartuig, waarbij deze datum niet vóór de datum van de eerste ingebruikneming van het vaartuig mag liggen. Bij de replica van een traditioneel vaartuig blijkt de historische datum uit het advies overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a. 4. 4. Op grond van de bovengenoemde bescheiden en van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Commissie van deskundigen de geschiktheid overeenkomstig artikel 1.01, lid 1.29, en artikel 24.01 vastgesteld en de erkenning door de vermelding ‘traditioneel vaartuig’ onder nummer 2 van het binnenschipcertificaat ingeschreven. De geschiktheid mag hierbij niet worden vastgesteld in tegenspraak met de uitspraak van de erkend deskundige voor traditionele vaartuigen of met het advies zoals bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. 5. 5. Buiten de vermelding ‘traditioneel vaartuig’ wordt de bijlage ‘traditioneel vaartuig’ volgens het model uit bijlage 3, deel V, afgegeven. De volgende aantekening moet onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat worden gemaakt: ‘zie Bijlage traditioneel vaartuig’. 6. 6. Indien in de documentatie overeenkomstig het tweede lid, onderdeel d, onderdeel ee, of bij het onderzoek als bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden vastgesteld ten opzichte van de op de datum van aanvraag geldende versie van deze standaard
a)
mogen tijdens de vaart uitsluitend bemanningsleden of personen die zich om dienstredenen aan boord bevinden, zich aan boord ophouden en
b)
is de werking van vrij toegankelijke machines of mechanisch aangedreven inrichtingen uitsluitend toegestaan indien zich geen andere personen aan boord ophouden dan de bemanning of personen die zich om dienstredenen aan boord bevinden.
De volgende aantekening wordt ingeschreven onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat:
‘Andere personen dan de bemanning of dan personen die zich om dienstredenen aan boord bevinden, mogen zich uitsluitend aan boord ophouden, indien het vaartuig veilig gemeerd is en vrij toegankelijke machines en mechanisch aangedreven inrichtingen niet in werking zijn.’
a) a) mogen tijdens de vaart uitsluitend bemanningsleden of personen die zich om dienstredenen aan boord bevinden, zich aan boord ophouden en b) b) is de werking van vrij toegankelijke machines of mechanisch aangedreven inrichtingen uitsluitend toegestaan indien zich geen andere personen aan boord ophouden dan de bemanning of personen die zich om dienstredenen aan boord bevinden.
Artikel 24.03
-
-
De Commissie van deskundigen bepaalt overeenkomstig de gebruiks- en veiligheidsconcepten als bedoeld in artikel 24.02, tweede lid, onderdelen b en c, en overeenkomstig de staat qua bouw, inrichting en uitrusting van het traditionele vaartuig:
a) de minimumbemanning en hun bekwaamheid; b) het toegestane aantal personen, dat tot op de minimumbemanning kan worden beperkt; c) beperkende bepalingen voor het verblijf van personen, met uitzondering van de leden van de bemanning, aan boord; d) de toegestane belading, die tot op ‘nul’ kan worden beperkt; e) het toegestane vaarbereik; f) meteorologische grensvoorwaarden; g) nautische grensvoorwaarden; h) overige beperkende voorwaarden.
-
a) a) de minimumbemanning en hun bekwaamheid; b) b) het toegestane aantal personen, dat tot op de minimumbemanning kan worden beperkt; c) c) beperkende bepalingen voor het verblijf van personen, met uitzondering van de leden van de bemanning, aan boord; d) d) de toegestane belading, die tot op ‘nul’ kan worden beperkt; e) e) het toegestane vaarbereik; f) f) meteorologische grensvoorwaarden; g) g) nautische grensvoorwaarden; h) h) overige beperkende voorwaarden. 2. 2. Bij periodieke onderzoeken kan de Commissie van deskundigen in het licht van de ontwikkeling van de technische voorschriften van de onderhavige standaard, de overeenkomstig het artikel 24.03, eerste lid en artikel 24.01, derde lid vastgelegde voorwaarden wijzigen. Deze wijzigingen moeten in de bijlage ‘Traditioneel vaartuig’ bij het binnenschipcertificaat worden opgenomen.
Hoofdstuk 25. Bijzondere bepalingen voor zeeschepen
Artikel 25.01
-
- Zeeschepen, die op de Rijn varen, moeten voldoen aan de geldende nationale en internationale bepalingen betreffende de technische voorschriften inzake de bouw, de uitrusting en het milieu die van toepassing zijn op zeeschepen en dit kunnen aantonen door middel van de hiervoor benodigde certificaten.
-
-
Zeeschepen moeten in aanvulling op de in het eerste lid genoemde voorschriften voldoen aan de volgende bepalingen van deze standaard:
a) hoofdstuk 5; b) van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.02, eerste en tweede lid; c) van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, eerste lid, en derde lid, eerste en derde alinea, 7.05, tweede lid, artikel 7.13 voor schepen die voor het voeren van het schip door één persoon met behulp van radar zijn toegelaten; d) van hoofdstuk 8: artikel 8.03, derde lid, indien vanaf de stuurstelling een inrichting om de motor automatisch te stoppen kan worden uitgeschakeld, voorts artikelen 8.05, dertiende lid, 8.08, tiende lid, 8.09, eerste en tweede lid, en 8.10. Een verzegeling van de afsluitorganen overeenkomstig artikel 8.08, tiende lid, wordt geacht overeen te komen met het afsluiten van de afsluitorganen in het lenssysteem, via welke het oliehoudende water overboord kan worden gepompt. De sleutel of sleutels daarvan moeten op een centrale als zodanig gekenmerkte plaats worden bewaard. Een bewakings- en controlesysteem voor olielozingen, overeenkomstig voorschrift 16 van de MARPOL 73/78, wordt geacht overeen te komen met het verzegelen van het afsluitorgaan overeenkomstig artikel 8.08, tiende lid. De aanwezigheid van een bewakings- en controlesysteem moet door een internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document) overeenkomstig de MARPOL 73/78 worden aangetoond. Blijkt uit het IOPP document dat het schip voorzien is van opslagtanks waarin al het aan boord aanwezige oliehoudende bilgewater en alle olieresten kunnen worden verzameld, dan wordt geacht dat aan artikel 8.09, tweede lid, is voldaan; e) van hoofdstuk 10: artikel 10.17; f) van hoofdstuk 13: de artikelen 13.01 en 13.02, eerste lid; g) hoofdstuk 21: voor zeeschepen die zijn toegelaten om deel uit te maken van een samenstel; h) hoofdstuk 27: Aan hoofdstuk 27 is voldaan indien de stabiliteit voldoet aan de van kracht zijnde resoluties van de IMO en de betreffende stabiliteitsberekeningen door de bevoegde autoriteit gekeurd zijn en de containers op een voor de zeevaart gebruikelijke wijze zijn vastgezet.
-
a) a)
hoofdstuk 5;
b) b) van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.02, eerste en tweede lid; c) c) van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, eerste lid, en derde lid, eerste en derde alinea, 7.05, tweede lid,
artikel 7.13 voor schepen die voor het voeren van het schip door één persoon met behulp van radar zijn toegelaten;
d) d) van hoofdstuk 8:
artikel 8.03, derde lid, indien vanaf de stuurstelling een inrichting om de motor automatisch te stoppen kan worden uitgeschakeld, voorts artikelen 8.05, dertiende lid, 8.08, tiende lid, 8.09, eerste en tweede lid, en 8.10.
Een verzegeling van de afsluitorganen overeenkomstig artikel 8.08, tiende lid, wordt geacht overeen te komen met het afsluiten van de afsluitorganen in het lenssysteem, via welke het oliehoudende water overboord kan worden gepompt. De sleutel of sleutels daarvan moeten op een centrale als zodanig gekenmerkte plaats worden bewaard.
Een bewakings- en controlesysteem voor olielozingen, overeenkomstig voorschrift 16 van de MARPOL 73/78, wordt geacht overeen te komen met het verzegelen van het afsluitorgaan overeenkomstig artikel 8.08, tiende lid. De aanwezigheid van een bewakings- en controlesysteem moet door een internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document) overeenkomstig de MARPOL 73/78 worden aangetoond.
Blijkt uit het IOPP document dat het schip voorzien is van opslagtanks waarin al het aan boord aanwezige oliehoudende bilgewater en alle olieresten kunnen worden verzameld, dan wordt geacht dat aan artikel 8.09, tweede lid, is voldaan;
e) e) van hoofdstuk 10:
artikel 10.17;
f) f) van hoofdstuk 13: de artikelen 13.01 en 13.02, eerste lid; g) g)
hoofdstuk 21:
voor zeeschepen die zijn toegelaten om deel uit te maken van een samenstel;
h) h)
hoofdstuk 27:
Aan hoofdstuk 27 is voldaan indien de stabiliteit voldoet aan de van kracht zijnde resoluties van de IMO en de betreffende stabiliteitsberekeningen door de bevoegde autoriteit gekeurd zijn en de containers op een voor de zeevaart gebruikelijke wijze zijn vastgezet.
Hoofdstuk 26. Bijzondere bepalingen voor pleziervaartuigen
Artikel 26.01
-
-
Op pleziervaartuigen zijn van toepassing:
a) van hoofdstuk 3: de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 3.03, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, en 3.04, eerste lid; b) hoofdstuk 5; c) van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.08; d) van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, eerste en tweede lid, 7.02, 7.03, eerste en tweede lid, 7.04, eerste lid, en 7.05, tweede lid, en artikel 7.13 voor pleziervaartuigen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar; e) van hoofdstuk 8: artikel 8.01, eerste en tweede lid, artikel 8.02, eerste en tweede lid, artikel 8.03, eerste en derde lid, artikel 8.04, artikel 8.05, eerste tot en met tiende lid en dertiende lid, artikel 8.06, artikel 8.07, artikel 8.08, eerste, tweede, vijfde, zevende en tiende lid, artikel 8.09, eerste lid, artikel 8.10; f) hoofdstuk 9; g) van hoofdstuk 10: artikel 10.01, eerste lid, van overeenkomstige toepassing; h) van hoofdstuk 13: artikel 13.01, tweede, derde en vijfde tot en met veertiende lid, artikel 13.02, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, onderdelen a en e tot en met h, artikel 13.03, eerste lid, onderdelen a, b en d: er moeten echter minstens twee blustoestellen aan boord aanwezig zijn; en voorts de artikelen 13.03, tweede tot en met zesde lid, 13.04, 13.05, 13.07 en 13.08; i) hoofdstuk 16; j) hoofdstuk 17.
-
a) a) van hoofdstuk 3: de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 3.03, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, en 3.04, eerste lid; b) b)
hoofdstuk 5;
c) c) van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.08; d) d) van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, eerste en tweede lid, 7.02, 7.03, eerste en tweede lid, 7.04, eerste lid, en 7.05, tweede lid, en
artikel 7.13 voor pleziervaartuigen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar;
e) e) van hoofdstuk 8:
artikel 8.01, eerste en tweede lid, artikel 8.02, eerste en tweede lid, artikel 8.03, eerste en derde lid, artikel 8.04, artikel 8.05, eerste tot en met tiende lid en dertiende lid, artikel 8.06, artikel 8.07, artikel 8.08, eerste, tweede, vijfde, zevende en tiende lid, artikel 8.09, eerste lid, artikel 8.10;
f) f)
hoofdstuk 9;
g) g) van hoofdstuk 10:
artikel 10.01, eerste lid, van overeenkomstige toepassing;
h) h) van hoofdstuk 13:
artikel 13.01, tweede, derde en vijfde tot en met veertiende lid, artikel 13.02, eerste lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, onderdelen a en e tot en met h, artikel 13.03, eerste lid, onderdelen a, b en d: er moeten echter minstens twee blustoestellen aan boord aanwezig zijn; en voorts de artikelen 13.03, tweede tot en met zesde lid, 13.04, 13.05, 13.07 en 13.08;
i) i)
hoofdstuk 16;
j) j)
hoofdstuk 17.
-
-
In het geval van pleziervaartuigen waarop Richtlijn 2013/53/EU15Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van Richtlijn 94/25/EG (OJ L 354, 28.12.2013). van toepassing is, hebben het aanvankelijk onderzoek en de periodieke onderzoeken slechts betrekking op:
a) artikel 6.08, in het geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is; b) de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, en 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar; c) artikel 8.01, tweede lid, artikel 8.02, eerste lid, artikel 8.03, derde lid, artikel 8.05, vijfde lid, artikel 8.08, tweede lid, artikel 8.10; d) artikel 13.01, tweede, derde, zesde en veertiende lid, artikel 13.02, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen a en e tot en met h, artikel 13.03, eerste lid, onderdelen b en d, en tweede tot en met zesde lid, en artikel 13.08; e) hoofdstuk 16; f) van hoofdstuk 17: aa) artikel 17.12; bb) artikel 17.13, waarbij de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2013/53/EG geschiedt en aan de Commissie van deskundigen hierover een verklaring van goedkeuring moet wordenovergelegd; cc) de artikelen 17.14 en 17.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van Richtlijn 2013/53/EG moet beantwoorden; dd) hoofdstuk 17 in zijn geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het pleziervaartuig in het verkeer is gebracht.
-
a) a)
artikel 6.08, in het geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is;
b) b) de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, en 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar; c) c)
artikel 8.01, tweede lid, artikel 8.02, eerste lid, artikel 8.03, derde lid, artikel 8.05, vijfde lid, artikel 8.08, tweede lid, artikel 8.10;
d) d)
artikel 13.01, tweede, derde, zesde en veertiende lid, artikel 13.02, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen a en e tot en met h, artikel 13.03, eerste lid, onderdelen b en d, en tweede tot en met zesde lid, en artikel 13.08;
e) e)
hoofdstuk 16;
f) f) van hoofdstuk 17:
aa)
artikel 17.12;
bb)
artikel 17.13, waarbij de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2013/53/EG geschiedt en aan de Commissie van deskundigen hierover een verklaring van goedkeuring moet wordenovergelegd;
cc)
de artikelen 17.14 en 17.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van Richtlijn 2013/53/EG moet beantwoorden;
dd)
hoofdstuk 17 in zijn geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het pleziervaartuig in het verkeer is gebracht.
aa) aa)
artikel 17.12;
bb) bb)
artikel 17.13, waarbij de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2013/53/EG geschiedt en aan de Commissie van deskundigen hierover een verklaring van goedkeuring moet wordenovergelegd;
cc) cc) de artikelen 17.14 en 17.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van Richtlijn 2013/53/EG moet beantwoorden; dd) dd)
hoofdstuk 17 in zijn geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het pleziervaartuig in het verkeer is gebracht.
Hoofdstuk 27. Bijzondere bepalingen voor schepen die containers vervoeren
Artikel 27.01
-
- Indien overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten voor schepen die containers vervoeren stabiliteitsbescheiden zijn vereist, is dit hoofdstuk van toepassing. De stabiliteitsdocumenten moeten door een Commissie van deskundigen worden geverifieerd en van haar waarmerk worden voorzien.
-
-
De stabiliteitsdocumenten moeten de schipper begrijpelijke informatie bieden over de stabiliteit van het schip in elke voorkomende beladingstoestand. De stabiliteitsdocumenten moeten ten minste bevatten:
a) gegevens betreffende de toelaatbare stabiliteitscoëfficiënten, de toegestane of de toegestane zwaartepuntshoogten van de lading; b) gegevens betreffende de ruimten die met ballastwater kunnen worden gevuld; c) formulieren voor de stabiliteitscontrole; d) een berekeningsvoorbeeld of handleiding voor de schipper.
-
a) a) gegevens betreffende de toelaatbare stabiliteitscoëfficiënten, de toegestane
of de toegestane zwaartepuntshoogten van de lading;
b) b) gegevens betreffende de ruimten die met ballastwater kunnen worden gevuld; c) c) formulieren voor de stabiliteitscontrole; d) d) een berekeningsvoorbeeld of handleiding voor de schipper. 3. 3. Indien containers op een schip al dan niet vastgezet kunnen worden vervoerd, zijn voor het vervoer van niet-vastgezette en voor het vervoer van vastgezette containerladingen afzonderlijke berekeningsmethoden vereist voor het bewijs van stabiliteit. 4. 4. Een containerlading geldt alleen als vastgezet wanneer de afzonderlijke containers door middel van geleiders of spaninrichtingen hecht met de scheepsromp zijn verbonden en zij tijdens het varen niet van plaats kunnen veranderen.
Artikel 27.02
-
-
Voor niet-vastgezette containers moet bij elke berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de volgende criteria worden uitgegaan:
a) De metacentrumhoogte mag niet minder zijn dan 1,00 m. b) Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag de optredende slagzij niet meer zijn dan 5° en mag de zijde van het dek niet in het water komen. c) De arm van het moment veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip wordt berekend volgens de formule: In deze formule betekent: *cKZ* coëfficiënt (*cKZ* = 0,04) [s^2/m]; *v* de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s]; de hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m]; *T'* de diepgang van het geladen schip [m]. d) De arm van het moment veroorzaakt door de winddruk wordt berekend volgens de formule: In deze formule betekent: *cKW* coëfficiënt (*cKW* = 0,025) [t/m^2]; *A'* het lateraal oppervlak van het geladen schip boven water [m^2]; *D'* het deplacement van het geladen schip [t]; *lW* de afstand van het zwaartepunt van het lateraal oppervlak A' boven de waterlijn [m]; *T'* de diepgang van het geladen schip [m]. e) De arm van het moment veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken van regen- en restwater in het laadruim of de dubbele bodem wordt berekend volgens de formule: In deze formule betekent: *cKfO* coëfficiënt (*cKfO*) = 0,015 [t/m^2]; *b* de breedte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];16Ruimgedeelten van vrije vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of dwars-verdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden gevormd. *l* de lengte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];16Ruimgedeelten van vrije vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of dwars-verdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden gevormd. *D'* het deplacement van het geladen schip [t]. f) Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend.
-
a) a) De metacentrumhoogte
mag niet minder zijn dan 1,00 m.
b) b) Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag de optredende slagzij niet meer zijn dan 5° en mag de zijde van het dek niet in het water komen. c) c) De arm van het moment veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip wordt berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
*cKZ* coëfficiënt (*cKZ* = 0,04) [s^2/m];
*v* de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s];
de hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m];
*T'* de diepgang van het geladen schip [m].
d) d) De arm van het moment veroorzaakt door de winddruk wordt berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
*cKW* coëfficiënt (*cKW* = 0,025) [t/m^2];
*A'* het lateraal oppervlak van het geladen schip boven water [m^2];
*D'* het deplacement van het geladen schip [t];
*lW* de afstand van het zwaartepunt van het lateraal oppervlak A' boven de waterlijn [m];
*T'* de diepgang van het geladen schip [m].
e) e) De arm van het moment veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken van regen- en restwater in het laadruim of de dubbele bodem wordt berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
*cKfO* coëfficiënt (*cKfO*) = 0,015 [t/m^2];
*b* de breedte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];16Ruimgedeelten van vrije vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of dwars-verdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden gevormd.
*l* de lengte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m];16Ruimgedeelten van vrije vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of dwars-verdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden gevormd.
*D'* het deplacement van het geladen schip [t].
f) f) Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend. 2. 2. De stabiliteit van een met niet-vastgezette containers geladen schip wordt geacht voldoende te zijn wanneer de aanwezige
gelijk aan of kleiner is dan
volgens de volgende formules. Daarbij moet
worden berekend voor verschillende verplaatsingen over het gehele diepgangsbereik.
a)
Voor
mag geen kleinere waarde dan (11,5 worden genomen 11,5 = 1/tan5°).
b)
De kleinere waarde voor
uit de formule a of b is doorslaggevend.
In deze formules betekent:
de maximaal toelaatbare hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m];
de hoogte van het metacentrum boven de basis [m] volgens de benaderingsformule in het derde lid;
*F* het voorhanden vrijboord op 1/2 van de lengte *L* [m];
*Z* coëfficiënt voor de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip
*v* de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s];
*Tm* gemiddelde diepgang [m];
*hKW* de arm van het moment veroorzaakt door de zijdelingse winddruk als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d [m];
*hKfO* som van de momenten veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e [m].
a) a)
Voor
mag geen kleinere waarde dan (11,5 worden genomen 11,5 = 1/tan5°).
b) b)
De kleinere waarde voor
uit de formule a of b is doorslaggevend.
In deze formules betekent:
de maximaal toelaatbare hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m];
de hoogte van het metacentrum boven de basis [m] volgens de benaderingsformule in het derde lid;
*F* het voorhanden vrijboord op 1/2 van de lengte *L* [m];
*Z* coëfficiënt voor de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip
*v* de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s];
*Tm* gemiddelde diepgang [m];
*hKW* de arm van het moment veroorzaakt door de zijdelingse winddruk als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d [m];
*hKfO* som van de momenten veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e [m].
-
-
Benaderingsformule voor
Indien geen carènediagram ter beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid en artikel 27.03, tweede lid, de waarde van
met behulp van bijvoorbeeld de onderstaande benaderingsformules worden berekend:
a) voor schepen met een pontonvorm b) voor andere schepen
-
a) a) voor schepen met een pontonvorm b) b) voor andere schepen
Artikel 27.03
-
-
Voor vastgezette containers moet bij elke berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de volgende criteria worden uitgegaan:
a) De metacentrumhoogte mag niet minder zijn dan 0,50 m. b) Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag geen opening van de scheepsromp onder water komen. c) De armen van de momenten veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de formules van artikel 27.02, eerste lid, onderdelen c, d en e. d) Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend.
-
a) a) De metacentrumhoogte
mag niet minder zijn dan 0,50 m.
b) b) Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag geen opening van de scheepsromp onder water komen. c) c) De armen van de momenten veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de formules van artikel 27.02, eerste lid, onderdelen c, d en e. d) d) Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend. 2. 2. De stabiliteit van een met vastgezette containers geladen binnenschip wordt geacht voldoende te zijn, wanneer de aanwezige
waarde gelijk aan of kleiner is dan
volgens de volgende formules. Daarbij moet
worden berekend voor verschillende verplaatsingen over het gehele diepgangsbereik.
a)
Voor
mag geen kleinere waarde dan 6,6 worden genomen en
voor
geen kleinere waarde dan 0.
b
De kleinste waarde voor
uit de formule a) of b) is doorslaggevend.
In de formules betekent:
*I* het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn bij *Tm* [m^4], overeenkomstig de benaderingsformule van het derde lid;
*i* het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn evenwijdig aan de basis bij een diepgang van
∀ de waterverplaatsing van het schip bij *Tm* [m^3];
*F'* het denkbeeldige vrijboord
waarbij de kleinste van de beide waarden dient te worden genomen;
*a* verticale afstand van de onderkant van de bij een helling het eerst onder water komende opening tot de waterlijn in rechte stand van het schip [m];
*b* de afstand van deze opening tot hart schip [m];
*H'* de denkbeeldige holte
*q* de som der inhouden van dekhuizen, luiken, trunks en andere opbouwen tot een hoogte van maximaal 1,00 m boven *H*, of tot de laagste opening van de desbetreffende ruimte, waarbij de kleinste waarde kleiner maatgevend is. Ruimten gelegen op minder dan 0,05 *L* van de scheepseinden blijven buiten beschouwing [m^3].
a) a)
Voor
mag geen kleinere waarde dan 6,6 worden genomen en
voor
geen kleinere waarde dan 0.
b b
De kleinste waarde voor
uit de formule a) of b) is doorslaggevend.
In de formules betekent:
*I* het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn bij *Tm* [m^4], overeenkomstig de benaderingsformule van het derde lid;
*i* het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn evenwijdig aan de basis bij een diepgang van
∀ de waterverplaatsing van het schip bij *Tm* [m^3];
*F'* het denkbeeldige vrijboord
waarbij de kleinste van de beide waarden dient te worden genomen;
*a* verticale afstand van de onderkant van de bij een helling het eerst onder water komende opening tot de waterlijn in rechte stand van het schip [m];
*b* de afstand van deze opening tot hart schip [m];
*H'* de denkbeeldige holte
*q* de som der inhouden van dekhuizen, luiken, trunks en andere opbouwen tot een hoogte van maximaal 1,00 m boven *H*, of tot de laagste opening van de desbetreffende ruimte, waarbij de kleinste waarde kleiner maatgevend is. Ruimten gelegen op minder dan 0,05 *L* van de scheepseinden blijven buiten beschouwing [m^3].
-
-
Benaderingsformule voor I Indien geen carènediagram ter beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid de waarde van het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn l met behulp van de onderstaande benaderingsformules worden berekend:
a) voor schepen met een pontonvorm b) voor andere schepen
-
a) a) voor schepen met een pontonvorm b) b) voor andere schepen
Artikel 27.04
De methode voor de stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 27.01, tweede lid, bedoelde documenten worden ontleend.
Hoofdstuk 28. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lengte van meer dan 110 m
Artikel 28.01
Op vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m zijn, behalve delen II en III, de artikelen 28.02 tot en met 28.04 van toepassing.
Artikel 28.02
De voldoende sterkte van de scheepsromp als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel a, (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) moet worden aangetoond door een verklaring van een erkend classificatiebureau.
Artikel 28.03
-
- Op vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m, met uitzondering van passagiers-schepen, zijn het tweede tot en met tiende lid van toepassing.
-
- De basisgegevens voor de stabiliteitsberekening – ledig scheepsgewicht en ligging gewichtszwaartepunt – moeten worden bepaald door een hellingproef overeenkomstig bijlage 1 van de IMO-Resolutie MSC.267(85)17MSC.267(85) aangenomen op 4 december 2008 – International Code on Intact Stability..
-
- De aanvrager moet met een berekening aantonen dat de lekstabiliteit van het schip voldoende is. Hierbij moet voor de eindtoestand van het vollopen een berekening die berust op de procedure van het ‘wegvallen van het draagvermogen’, en voor de tussentoestanden van het vollopen een berekening die berust op het ‘toenemen van het gewicht’ worden gebruikt. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend. Het bewijs van voldoende drijfvermogen en stabiliteit van het schip in lekke toestand moet worden aangetoond bij een belading, die met de grootste inzinking van het schip overeenkomt en gelijkmatig over alle laadruimten is verdeeld, en bij maximale voorraden en een volle tank van het schip. Bij een ongelijksoortige lading, moet de stabiliteitsberekening worden gebaseerd op de meest ongunstige beladingstoestand. Deze stabiliteitsberekening moet aan boord worden bewaard. Hierbij moet voor de tussenstadia van het volstromen (25%, 50% en 75% van de eindtoestand van het volgestroomd zijn en, indien van toepassing, vlak vóór het volstromen uit dwarsrichting) en vóór de eindtoestand van het volgelopen zijn, onder de bovenstaande beladingcondities aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit zijn voldaan.
-
-
Voor de lekke toestand moeten de volgende uitgangspunten in acht worden genomen:
a) Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps: ten minste 0,10 *L*, dwarsscheeps: 0,59 m, verticaal: vanaf de scheepsbodem naar boven onbegrensd, b) Omvang van de schade aan de scheepsbodem: langsscheeps: ten minste 0,10 *L*, dwarsscheeps: 3,00 m, verticaal: vanaf de scheepsbodem naar boven 0,39 m, lensput uitgezonderd. c) Alle in de beschadigde zone aanwezige schotten zijn als lek te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het vaartuig ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, dat wil zeggen machinekamereindschotten worden als niet beschadigd beschouwd. Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. d) Permeabiliteit Er moet met een permeabiliteit van 95% worden gerekend. Wordt door een berekening aangetoond, dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%, dan kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten minste worden bereikt: Machinekamers en bedrijfsruimten 85% Laadruimen 70% Dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks enz. en al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende vaartuig als vol of als ledig moeten worden aangenomen 0 of 95%. e) Voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van het bruto grondvlak van de beschadigde ruimten.
-
a) a) Omvang van de schade aan een scheepszijde: langsscheeps: ten minste 0,10 L, dwarsscheeps: 0,59 m, verticaal: vanaf de scheepsbodem naar boven onbegrensd, b) b) Omvang van de schade aan de scheepsbodem: langsscheeps: ten minste 0,10 L, dwarsscheeps: 3,00 m, verticaal: vanaf de scheepsbodem naar boven 0,39 m, lensput uitgezonderd. c) c) Alle in de beschadigde zone aanwezige schotten zijn als lek te beschouwen, dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het vaartuig ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de ééncompartimentsstandaard, dat wil zeggen machinekamereindschotten worden als niet beschadigd beschouwd. Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd. d) d) Permeabiliteit Er moet met een permeabiliteit van 95% worden gerekend. Wordt door een berekening aangetoond, dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%, dan kan de berekende waarde worden aangehouden. De volgende waarden moeten ten minste worden bereikt:
Machinekamers en bedrijfsruimten
85%
Laadruimen
70%
Dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks enz. en al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende vaartuig als vol of als ledig moeten worden aangenomen
0 of 95%.
e) e) Voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van het bruto grondvlak van de beschadigde ruimten. 5. 5. Bij alle tussenstadia van het vollopen als bedoeld in het derde lid moet aan de volgende criteria worden voldaan:
a)
De hoek van de slagzij *φ* van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15° (5° bij niet vastgezette containers).
b)
Afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van *GZ* ≥ 0,02 *m* (0,03 m bij niet vastgezette containers), voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij *φ* van 27° bereikt wordt (15° bij niet vastgezette containers).
c)
Niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt.
a) a) De hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15° (5° bij niet vastgezette containers). b) b) Afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,02 m (0,03 m bij niet vastgezette containers), voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° bereikt wordt (15° bij niet vastgezette containers). c) c) Niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de hoek van de slagzij van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt. 6. 6. Bij de eindtoestand van het volgelopen zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan:
a)
De onderzijde van niet waterdicht afsluitbare openingen (bijv. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het volgelopen zijn ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen.
b)
De hoek van de slagzij *φ* van de evenwichtssituatie mag niet meer bedragen dan 12° (5° bij niet vastgezette containers).
c)
Afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van *GZR* ≥ 0,05 *m* en het vlak onder de kromme moet ten minste 0,0065 *m* • *rad* bereiken, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij *φ* van 27° bereikt wordt. (10° bij niet vastgezette containers).
d)
Indien niet waterdichte openingen onder water komen voordat de evenwichtssituatie is bereikt, wordt het vollopen van de ruimten die daarmee in verbinding staan in de berekening van de lekstabiliteit meegenomen.
a) a) De onderzijde van niet waterdicht afsluitbare openingen (bijv. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet in de eindtoestand van het volgelopen zijn ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen. b) b) De hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie mag niet meer bedragen dan 12° (5° bij niet vastgezette containers). c) c) Afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZR ≥ 0,05 m en het vlak onder de kromme moet ten minste 0,0065 m • rad bereiken, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° bereikt wordt. (10° bij niet vastgezette containers). d) d) Indien niet waterdichte openingen onder water komen voordat de evenwichtssituatie is bereikt, wordt het vollopen van de ruimten die daarmee in verbinding staan in de berekening van de lekstabiliteit meegenomen. 7. 7. Wanneer doorstroomopeningen in de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch volstromen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
a)
voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen wordt IMO-Resolutie A.266 (VIII) toegepast;
b)
ze moeten automatisch functioneren;
c)
ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien;
d)
de tijd die nodig is voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten.
a) a) voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen wordt IMO-Resolutie A.266 (VIII) toegepast; b) b) ze moeten automatisch functioneren; c) c) ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien; d) d) de tijd die nodig is voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten. 8. 8. Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, dan moeten deze afsluitinrichtingen aan beide zijden goed leesbaar van het volgende opschrift zijn voorzien: ‘Opening na doorgang direct sluiten’. 9. 9. Het rekenkundig bewijs als bedoeld in het derde tot en met zevende lid wordt geacht te zijn geleverd wanneer lekstabiliteitsberekeningen overeenkomstig Deel 9 van het ADN, met een positief resultaat worden overgelegd. 10. 10. Indien het noodzakelijk is om aan de voorwaarden van het derde lid te voldoen moet het vlak van de grootste inzinking opnieuw worden vastgesteld.
Artikel 28.04
-
-
Vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m moeten:
a) beschikken over een meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie die ook werkt indien het vaartuig niet geladen is; of beschikken over een enkelschroefsaandrijving en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie. De boegschroefinstallatie moet voorzien zijn van een eigen energieverzorging, ook werken indien het vaartuig niet geladen is en bij uitval van de hoofdaandrijving het voortbewegen op eigen kracht mogelijk maken; b) beschikken over een navigatieradarinstallatie met bochtaanwijzer als bedoeld in artikel 7.06, eerste lid; c) beschikken over een vast ingebouwde lensinrichting als bedoeld in artikel 8.08; d) voldoen aan de eisen van artikel 31.09, eerste lid, onderdeel 1.
-
a) a) beschikken over een meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie die ook werkt indien het vaartuig niet geladen is; of beschikken over een enkelschroefsaandrijving en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie. De boegschroefinstallatie moet voorzien zijn van een eigen energieverzorging, ook werken indien het vaartuig niet geladen is en bij uitval van de hoofdaandrijving het voortbewegen op eigen kracht mogelijk maken; b) b) beschikken over een navigatieradarinstallatie met bochtaanwijzer als bedoeld in artikel 7.06, eerste lid; c) c) beschikken over een vast ingebouwde lensinrichting als bedoeld in artikel 8.08; d) d) voldoen aan de eisen van artikel 31.09, eerste lid, onderdeel 1. 2. 2. In afwijking van het eerste lid en rekening houdend met de in de lidstaten geldende politievoorschriften op sommige gedeelten van het vaarwater, voor vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m – met uitzondering van passagiersschepen – die:
a)
aan de voorschriften van eerste lid, onderdelen a tot en met d voldoen;
b)
in geval van averij in het middelste derde deel van het vaartuig, zonder dat de inzet van zwaar bergingsmaterieel noodzakelijk is, kunnen worden gedeeld, waarbij de gedeelde stukken van het vaartuig na het delen moeten kunnen blijven drijven;
c)
over een bewijs van een erkend classificatiebureau beschikken, waarmee het drijfvermogen, de trimsituatie en de stabiliteit van de gedeelde stukken van het schip worden aangetoond en waaruit tevens blijkt vanaf welke beladingstoestand het drijfvermogen van de beide delen niet meer gewaarborgd is, waarbij in dit laatste geval het bewijs aan boord aanwezig moet zijn;
d)
als dubbelwandig schip volgens het ADN zijn gebouwd. Motorschepen moeten aan 9.1.0.91 tot en met 9.1.0.95 en tankschepen aan 9.3.2.11.7 en 9.3.2.13 tot en met 9.3.2.15 van Deel 9 van het ADN voldoen;
e)
over een meerschroefsaandrijving overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, eerste alinea, beschikken;
moet in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 een notitie worden opgenomen dat zij voldoen aan alle eisen van de onderdelen a tot en met e.
a) a) aan de voorschriften van eerste lid, onderdelen a tot en met d voldoen; b) b) in geval van averij in het middelste derde deel van het vaartuig, zonder dat de inzet van zwaar bergingsmaterieel noodzakelijk is, kunnen worden gedeeld, waarbij de gedeelde stukken van het vaartuig na het delen moeten kunnen blijven drijven; c) c) over een bewijs van een erkend classificatiebureau beschikken, waarmee het drijfvermogen, de trimsituatie en de stabiliteit van de gedeelde stukken van het schip worden aangetoond en waaruit tevens blijkt vanaf welke beladingstoestand het drijfvermogen van de beide delen niet meer gewaarborgd is, waarbij in dit laatste geval het bewijs aan boord aanwezig moet zijn; d) d) als dubbelwandig schip volgens het ADN zijn gebouwd. Motorschepen moeten aan 9.1.0.91 tot en met 9.1.0.95 en tankschepen aan 9.3.2.11.7 en 9.3.2.13 tot en met 9.3.2.15 van Deel 9 van het ADN voldoen; e) e) over een meerschroefsaandrijving overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, eerste alinea, beschikken; 3. 3. In afwijking van het eerste lid en rekening houdend met de in de lidstaten geldende politievoorschriften op sommige gedeelten van het vaarwater, voor passagiersschepen met een lengte L van meer dan 110 m, die:
a)
aan de voorschriften van eerste lid, onderdelen a tot en met d voldoen;
b)
onder toezicht van een erkend classificatiebureau voor de hoogste klasse daarvan zijn gebouwd of omgebouwd, hetgeen moet worden bevestigd door een verklaring van het classificatiebureau en waarbij de lopende klasse niet vereist is;
c)
hetzij
een dubbele bodem met een hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een schotindeling hebben die garandeert dat het schip bij vollopen van twee willekeurige, naast elkaar gelegen waterdichte compartimenten niet inzinkt tot onder de indompelingsgrenslijn en er een resterende veiligheidsafstand van 100 mm blijft bestaan;
hetzij
een dubbele bodem met een hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een dubbele romp met een afstand tussen de buitenwand van het schip en het langsschot van ten minste 800 mm hebben;
d)
beschikken over een meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie die zowel in de lengte- als dwarsrichting werkt;
e)
de hekankers van uit het stuurhuis direct kunnen presenteren;
moet in het binnenschipcertificaat onder nummer 52 een notitie worden opgenomen dat zij voldoen aan alle eisen van de onderdelen a tot en met e.
a) a) aan de voorschriften van eerste lid, onderdelen a tot en met d voldoen; b) b) onder toezicht van een erkend classificatiebureau voor de hoogste klasse daarvan zijn gebouwd of omgebouwd, hetgeen moet worden bevestigd door een verklaring van het classificatiebureau en waarbij de lopende klasse niet vereist is; c) c) hetzij een dubbele bodem met een hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een schotindeling hebben die garandeert dat het schip bij vollopen van twee willekeurige, naast elkaar gelegen waterdichte compartimenten niet inzinkt tot onder de indompelingsgrenslijn en er een resterende veiligheidsafstand van 100 mm blijft bestaan; hetzij een dubbele bodem met een hoogte van ten minste 600 mm hebben, en een dubbele romp met een afstand tussen de buitenwand van het schip en het langsschot van ten minste 800 mm hebben; d) d) beschikken over een meerschroefsaandrijving met ten minste twee van elkaar onafhankelijke aandrijfmotoren met eenzelfde vermogen en een vanuit het stuurhuis bedienbare boegschroefinstallatie die zowel in de lengte- als dwarsrichting werkt; e) e) de hekankers van uit het stuurhuis direct kunnen presenteren;
Hoofdstuk 29. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
Artikel 29.01
-
- Snelle schepen mogen niet gebouwd zijn als hotelschepen.
-
-
De volgende inrichtingen zijn op snelle schepen verboden:
a) met pitbranders uitgeruste inrichtingen, bedoeld in artikel 16.02; b) oliekachels met verdampingsbranders, bedoeld in de artikelen 16.03 en 16.04; c) verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 16.07; d) vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 17.
-
a) a) met pitbranders uitgeruste inrichtingen, bedoeld in artikel 16.02; b) b) oliekachels met verdampingsbranders, bedoeld in de artikelen 16.03 en 16.04; c) c) verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 16.07; d) d) vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 17. 3. 3. Snelle schepen moeten worden gebouwd onder toezicht en volgens de toepasselijke voorschriften van een erkend classificatiebureau, dat beschikt over bijzondere regels voor snelle schepen, en door dat bureau geclassificeerd zijn. De klasse moet worden gehandhaafd.
Artikel 29.02
-
-
Onverminderd het tweede lid, gelden voor snelle schepen de hoofdstukken 3 tot en met 19 met uitzondering van:
a) artikel 3.04, zesde lid, tweede alinea; b) artikel 8.08, tweede lid, tweede zin; c) artikel 14.02, vierde lid, tweede en derde zin; d) artikel 15.02, vierde lid, tweede zin; e) artikel 19.06, derde lid, onderdeel a, tweede zin.
-
a) a)
artikel 3.04, zesde lid, tweede alinea;
b) b)
artikel 8.08, tweede lid, tweede zin;
c) c)
artikel 14.02, vierde lid, tweede en derde zin;
d) d)
artikel 15.02, vierde lid, tweede zin;
e) e)
artikel 19.06, derde lid, onderdeel a, tweede zin.
-
- In afwijking van artikel 19.02, negende lid, en artikel 19.15, zevende lid, moeten alle deuren in waterdichte schotten op afstand kunnen worden bediend.
-
- In afwijking van artikel 6.02, eerste lid, moet bij uitvallen of storing van de aandrijving van de stuurmachine onverwijld een tweede onafhankelijke aandrijving van de stuurmachine dan wel een handaandrijving in werking worden gesteld.
-
- Behalve de eisen van het eerste tot en met derde lid gelden voor snelle schepen de artikelen 29.03 tot en met 29.10.
Artikel 29.03
Voor het ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers moeten zitplaatsen beschikbaar zijn. Zitplaatsen moeten van veiligheidsgordels voorzien zijn. Veiligheidsgordels kunnen achterwege blijven indien een geschikte bescherming tegen stoten aanwezig is, dan wel wanneer zij volgens de HSC Code 2000, hoofdstuk 4, deel 6, niet vereist zijn.
Artikel 29.04
In afwijking van de artikelen 4.02 en 4.03 moet het vrijboord ten minste 500 mm bedragen.
Artikel 29.05
In het geval van snelle schepen moet de aanwezigheid van:
a) a) eigenschappen wat betreft drijfvermogen en stabiliteit, de veiligheid van het schip tijdens het varen met waterverplaatsing zowel in onbeschadigde toestand als in lekke toestand waarborgen; b) b) stabiliteitseigenschappen en stabiliseringssystemen, de veiligheid van het schip tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase waarborgen; c) c) stabiliteitseigenschappen tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase, het voor het schip mogelijk maken op veilige wijze de overgang te maken naar het varen met waterverplaatsing bij een eventueel niet functioneren van het systeem, in voldoende mate worden aangetoond.
Artikel 29.06
-
-
Inrichting
a) In afwijking van artikel 7.01, eerste lid, moet het stuurhuis zo worden ingericht, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning tijdens de vaart steeds hun taken kunnen uitvoeren. b) De stuurstelling moet zo worden ingericht, dat de onderdeel a genoemde personen daar hun werkplek hebben. De inrichtingen voor de navigatie, het manoeuvreren, de controle, het uitwisselen van berichten en de overige apparaten die voor het bedrijf van belang zijn moeten zo dicht bij elkaar zijn opgesteld, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning over alle noodzakelijke informatie kan beschikken om indien nodig zittend alle uitrustings- en bedieningsinrichtingen te kunnen bedienen. In ieder geval moet: aa) de stuurstelling van de roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar; bb) het tweede lid van de bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten en in de aandrijving van het schip. c) De onderdeel a vermelde personen moeten, ook indien de veiligheidsgordels normaal zijn gesloten, in staat zijn de inrichtingen, bedoeld onderdeel b, zonder belemmering te bedienen.
-
a) a) In afwijking van artikel 7.01, eerste lid, moet het stuurhuis zo worden ingericht, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning tijdens de vaart steeds hun taken kunnen uitvoeren. b) b) De stuurstelling moet zo worden ingericht, dat de onderdeel a genoemde personen daar hun werkplek hebben. De inrichtingen voor de navigatie, het manoeuvreren, de controle, het uitwisselen van berichten en de overige apparaten die voor het bedrijf van belang zijn moeten zo dicht bij elkaar zijn opgesteld, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning over alle noodzakelijke informatie kan beschikken om indien nodig zittend alle uitrustings- en bedieningsinrichtingen te kunnen bedienen. In ieder geval moet:
aa)
de stuurstelling van de roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar;
bb)
het tweede lid van de bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten en in de aandrijving van het schip.
aa) aa) de stuurstelling van de roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar; bb) bb) het tweede lid van de bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten en in de aandrijving van het schip. c) c) De onderdeel a vermelde personen moeten, ook indien de veiligheidsgordels normaal zijn gesloten, in staat zijn de inrichtingen, bedoeld onderdeel b, zonder belemmering te bedienen. 2. 2. Vrij zicht
a)
In afwijking van artikel 7.02, tweede lid, mag de dode hoek vanaf een zittende positie en bij elke beladingstoestand niet meer bedragen dan één scheepslengte voor de boeg.
b)
In afwijking van artikel 7.02, derde lid, mag de som van de sectoren zonder vrij gezichtsveld van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars aan iedere zijde niet meer dan 20° bedragen. Iedere afzonderlijke sector zonder vrij gezichtsveld mag niet meer bedragen dan 5°. De sector met vrij zicht tussen twee sectoren zonder vrij gezichtsveld mag niet minder bedragen dan 10°.
a) a) In afwijking van artikel 7.02, tweede lid, mag de dode hoek vanaf een zittende positie en bij elke beladingstoestand niet meer bedragen dan één scheepslengte voor de boeg. b) b) In afwijking van artikel 7.02, derde lid, mag de som van de sectoren zonder vrij gezichtsveld van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars aan iedere zijde niet meer dan 20° bedragen. Iedere afzonderlijke sector zonder vrij gezichtsveld mag niet meer bedragen dan 5°. De sector met vrij zicht tussen twee sectoren zonder vrij gezichtsveld mag niet minder bedragen dan 10°. 3. 3. Instrumenten De instrumentenpanelen voor de bediening en de controle van de in artikel 29.10 genoemde installaties moeten gescheiden op een duidelijk herkenbare plaats binnen het stuurhuis zijn aangebracht. Dit geldt in voorkomend geval ook voor inrichtingen voor het te water laten van gemeenschappelijke reddingsmiddelen. 4. 4. Verlichting In zones of bij onderdelen van de uitrusting, die tijdens het bedrijf verlicht moeten zijn, moet rood licht worden toegepast. 5. 5. Vensters Reflecties moeten vermeden worden. Er moeten inrichtingen ter vermijding van verblinding door zonlicht aanwezig zijn. 6. 6. Oppervlaktematerialen In het stuurhuis moeten reflecties door oppervlaktematerialen vermeden worden.
Artikel 29.07
Snelle schepen moeten zijn uitgerust met:
a) a) een navigatieradarinstallatie en een bochtaanwijzer, bedoeld in artikel 7.06, eerste lid, en b) b) individuele reddingsmiddelen, die direct bereikbaar zijn ondergebracht, overeenkomstig artikel 19.09, vierde lid, voor het ten hoogste toegelaten aantal personen aan boord.
Artikel 29.08
-
- Algemeen Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de uitrusting daarvan moeten zo zijn uitgevoerd dat personen bij normaal gebruik niet kunnen worden verwond bij een normale start of stop, dan wel bij een noodstart of noodstop, noch bij manoeuvreren onder normale vaaromstandigheden dan wel bij motoruitval of een stuurfout.
-
-
Communicatie
a) Passagiersschepen moeten, ten behoeve van informatieverstrekking over veiligheidsmaatregelen, zijn uitgerust met optische en akoestische inrichtingen, die door alle passagiers gezien en gehoord kunnen worden. b) De schipper moet in staat zijn om met behulp van de onderdeel a bedoelde inrichtingen aanwijzingen aan de passagiers te geven. c) Voor iedere passagier moeten in de nabijheid van zijn zitplaats aanwijzingen voor noodsituaties voorhanden zijn, met inbegrip van een overzichtsschets van het schip waarop alle uitgangen, evacuatieroutes, nooduitrusting, reddingsmiddelen alsmede het gebruik van de zwemvesten duidelijk zijn aangegeven.
-
a) a) Passagiersschepen moeten, ten behoeve van informatieverstrekking over veiligheidsmaatregelen, zijn uitgerust met optische en akoestische inrichtingen, die door alle passagiers gezien en gehoord kunnen worden. b) b) De schipper moet in staat zijn om met behulp van de onderdeel a bedoelde inrichtingen aanwijzingen aan de passagiers te geven. c) c) Voor iedere passagier moeten in de nabijheid van zijn zitplaats aanwijzingen voor noodsituaties voorhanden zijn, met inbegrip van een overzichtsschets van het schip waarop alle uitgangen, evacuatieroutes, nooduitrusting, reddingsmiddelen alsmede het gebruik van de zwemvesten duidelijk zijn aangegeven.
Artikel 29.09
Uitgangen en vluchtwegen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a) a) Een gemakkelijke, veilige en snelle toegang vanuit de stuurstelling naar de voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven moet zijn gegarandeerd. b) b) De vluchtwegen naar de nooduitgangen moeten duidelijk en duurzaam zijn gemarkeerd. c) c) Alle uitgangen moeten voldoende gemarkeerd zijn. Het functioneren van het openingsmechanisme moet van buiten en van binnen duidelijk zijn te herkennen. d) d) De vluchtwegen en nooduitgangen moeten over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem beschikken. e) e) Naast de uitgangen moet voldoende ruimte voor een lid van de bemanning aanwezig zijn.
Artikel 29.10
-
- Gangen, voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven, alsmede keukens en machinekamers moeten zijn aangesloten op een doelmatige brandmeldinstallatie. De aanwezigheid van een brand en de plaats daarvan moeten automatisch op een permanent door het scheepspersoneel bezette plaats worden aangegeven.
-
- Machinekamers moeten zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 13.05.
-
- Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de daarbij horende vluchtwegen moeten zijn uitgerust met een automatisch werkende vaste brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 13.04 Bluswater moet snel en direct naar buiten kunnen worden afgevoerd
Hoofdstuk 30. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 °c of minder
Artikel 30.01
-
-
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘voortstuwings- en hulpsystemen’ elk systeem dat brandstof gebruikt, met inbegrip van:
a) brandstoftanks en tankaansluitingen, b) gasverwerkingssystemen, c) leidingen en afsluiters, d) motoren en turbines, e) besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen.
-
a) a) brandstoftanks en tankaansluitingen, b) b) gasverwerkingssystemen, c) c) leidingen en afsluiters, d) d) motoren en turbines, e) e) besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen. 2. 2. In afwijking van de artikelen 8.01, derde lid, en artikel 8.05 eerste, zesde, negende, elfde en twaalfde lid en de bepalingen van hoofdstuk 9 mogen voortstuwings- en hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 °C of minder op een vaartuig worden geïnstalleerd, mits aan de in dit hoofdstuk en bijlage 8 vermelde eisen is voldaan. 3. 3. Voortstuwings- en hulpsystemen als bedoeld in het tweede lid moeten onder toezicht van de Commissie van deskundigen worden gebouwd en geïnstalleerd. 4. 4. Voor het verrichten van taken uit hoofde van dit hoofdstuk kan de Commissie van deskundigen een beroep doen op een technische dienst als bedoeld in artikel 30.07. 5. 5. Vóór de eerste ingebruikstelling van een voortstuwings- of hulpsysteem als bedoeld in het tweede lid moeten de volgende bescheiden aan de Commissie van deskundigen worden voorgelegd:
a)
een risicobeoordeling overeenkomstig bijlage 8,
b)
een beschrijving van het voortstuwings- of hulpsysteem,
c)
bouwtekeningen van het voortstuwings- of hulpsysteem,
d)
een diagram van de druk en temperatuur in het systeem,
e)
een gebruiksaanwijzing met alle procedures voor het gebruik van het systeem in de praktijk,
f)
een veiligheidsrol overeenkomstig artikel 30.03,
g)
een kopie van de verklaring van keuring als bedoeld in artikel 30.02, vierde lid.
a) a) een risicobeoordeling overeenkomstig bijlage 8, b) b) een beschrijving van het voortstuwings- of hulpsysteem, c) c) bouwtekeningen van het voortstuwings- of hulpsysteem, d) d) een diagram van de druk en temperatuur in het systeem, e) e) een gebruiksaanwijzing met alle procedures voor het gebruik van het systeem in de praktijk, f) f) een veiligheidsrol overeenkomstig artikel 30.03, g) g) een kopie van de verklaring van keuring als bedoeld in artikel 30.02, vierde lid. 6. 6. Er moet een kopie van de in het vijfde lid genoemde bescheiden aan boord voorhanden zijn.
Artikel 30.02
-
-
Voortstuwings- en hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 °C of minder moeten
a) vóór de eerste ingebruikstelling, b) na een verandering of reparatie, c) met regelmaat en ten minste eenmaal per jaardoor een Commissie van deskundigen worden gekeurd. Daarbij moeten de relevante instructies van de fabrikanten in acht worden genomen. a) a) vóór de eerste ingebruikstelling, b) b) na een verandering of reparatie, c) c) met regelmaat en ten minste eenmaal per jaar
-
-
-
De keuringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, moeten ten minste bestaan uit:
a) controle op het overeenstemmen van het voortstuwings- en hulpsysteem met de goedgekeurde bouwtekeningen, en bij een hernieuwde test, of er veranderingen in het voortstuwings- of hulpsysteem hebben plaatsgevonden, b) indien noodzakelijk, controle op de goede werking van het voortstuwings- en hulpsysteem met alle bedrijfsmogelijkheden, c) visuele controle en controle op de dichtheid van alle onderdelen van het systeem, in het bijzonder kleppen, pijpleidingen, slangen, cilinders, pompen en filters, d) visuele controle van de elektrische en elektronische delen van de installatie, e) controle van de besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen.
-
a) a) controle op het overeenstemmen van het voortstuwings- en hulpsysteem met de goedgekeurde bouwtekeningen, en bij een hernieuwde test, of er veranderingen in het voortstuwings- of hulpsysteem hebben plaatsgevonden, b) b) indien noodzakelijk, controle op de goede werking van het voortstuwings- en hulpsysteem met alle bedrijfsmogelijkheden, c) c) visuele controle en controle op de dichtheid van alle onderdelen van het systeem, in het bijzonder kleppen, pijpleidingen, slangen, cilinders, pompen en filters, d) d) visuele controle van de elektrische en elektronische delen van de installatie, e) e) controle van de besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen. 3. 3. De keuringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, moeten de desbetreffende aspecten van het tweede lid bevatten. 4. 4. Bij elke keuring als bedoeld in het eerste lid, moet een verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
Artikel 30.03
-
- Op vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 °C of lager moet een veiligheidsrol aanwezig zijn. De veiligheidsrol moet instructies als bedoeld in het tweede lid en een veiligheidsplan als bedoeld in het derde lid van het vaartuig bevatten.
-
-
Deze veiligheidsinstructies moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:
a) de noodstop van het systeem, b) maatregelen in geval van onopzettelijk vrijkomen van vloeibare of gasvormige brandstof, bij voorbeeld bij het bunkeren, c) maatregelen in geval van brand of andere incidenten aan boord, d) maatregelen in geval van aanvaring, e) gebruik van de veiligheidsuitrusting, f) activering van de alarminstallatie, g) evacuatieprocedures.
-
a) a) de noodstop van het systeem, b) b) maatregelen in geval van onopzettelijk vrijkomen van vloeibare of gasvormige brandstof, bij voorbeeld bij het bunkeren, c) c) maatregelen in geval van brand of andere incidenten aan boord, d) d) maatregelen in geval van aanvaring, e) e) gebruik van de veiligheidsuitrusting, f) f) activering van de alarminstallatie, g) g) evacuatieprocedures. 3. 3. Het veiligheidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
a)
gevaarlijke zones,
b)
vluchtwegen, nooduitgangen en gasdichte ruimten,
c)
reddingsmiddelen en bijboten,
d)
blustoestellen, brandblusinstallaties en sprinklerinstallaties,
e)
alarmsystemen,
f)
bedieningsapparatuur van noodstopschakelaars,
g)
brandkleppen,
h)
noodstroominstallatie,
i)
schakelaars van ventilatiesystemen,
j)
bedieningsapparatuur voor brandstoftoevoerleidingen,
k)
veiligheidsuitrusting.
a) a) gevaarlijke zones, b) b) vluchtwegen, nooduitgangen en gasdichte ruimten, c) c) reddingsmiddelen en bijboten, d) d) blustoestellen, brandblusinstallaties en sprinklerinstallaties, e) e) alarmsystemen, f) f) bedieningsapparatuur van noodstopschakelaars, g) g) brandkleppen, h) h) noodstroominstallatie, i) i) schakelaars van ventilatiesystemen, j) j) bedieningsapparatuur voor brandstoftoevoerleidingen, k) k) veiligheidsuitrusting. 4. 4. De veiligheidsrol moet:
a)
door de Commissie van deskundigen zijn gewaarmerkt, en
b)
duidelijk zichtbaar op één of meer daarvoor geëigende plaatsen aan boord zijn aangebracht.
a) a) door de Commissie van deskundigen zijn gewaarmerkt, en b) b) duidelijk zichtbaar op één of meer daarvoor geëigende plaatsen aan boord zijn aangebracht.
Artikel 30.04
(zonder inhoud)
Artikel 30.05
Bedrijfsruimten en systeemonderdelen moeten dusdanig gekenmerkt zijn dat duidelijk is voor welke brandstoffen zij worden gebruikt.
Artikel 30.06
In geval van een automatische uitschakeling van het voortstuwingssysteem of delen daarvan, moet het vaartuig op eigen kracht kunnen blijven voortbewegen.
Artikel 30.07
-
- De technische diensten moeten voldoen aan de Europese norm EN ISO 17020 : 2012).
-
- De fabrikanten en leveranciers van voortstuwings- en hulpsystemen of van delen van een dergelijke installatie kunnen niet als technische dienst worden erkend.
-
- De technische dienst moet beschikken over de kennis van zaken die nodig is op grond van de in bijlage 8 genoemde vereisten.
-
- De controles en tests als bedoeld in artikel 30.01 en 30.02 mogen door verschillende technische diensten worden verricht, op voorwaarde dat de in het derde lid bedoelde kennis hierbij voorhanden is.
Hoofdstuk 31. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een minimum bemanning
Artikel 31.01
Voor motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen wordt het al dan niet voldoen aan de voorschriften van artikel 31.02 of artikel 31.03 door de Commissie van deskundigen in het binnenschipcertificaat onder nummer 47 gewaarmerkt.
Artikel 31.02
-
- De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
-
-
Het kritieke peil
– van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, – van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, – van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven, – van het bilgewater in de hoofdmachinekamermoet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen. – – van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, – – van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, – – van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven, – – van het bilgewater in de hoofdmachinekamer
-
-
- De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden.
-
- De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
-
- De overeenkomstig de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten voorgeschreven optische of akoestische tekens van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
-
- Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
-
- De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen.
-
- De in het binnenschipcertificaat van onderzoek vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
-
- De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
-
-
Artikel 31.03
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met
-
- Voor alleenvarende motorschepen: een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
-
- Voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen: een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
-
- Voor motorschepen, die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurstelling van het duwende motorschip te bedienen is;
-
- Voor duwboten, die een duwstel voortbewegen: hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurstelling van het duwende duwboot te bedienen is;
-
- Voor passagiersschepen: een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
Deel IV. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 32. Overgangsbepalingen voor vaartuigen die op de rijn (zone r) varen
Artikel 32.01
-
-
De artikelen 32.02 tot en met 32.04 zijn slechts van toepassing op vaartuigen voorzien van een geldig certificaat van onderzoek voor Rijnschepen,
a) dat voor de eerste maal overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn werd afgegeven, of b) dat ten minste eenmaal werd vernieuwd voor 31 december 1994, of c) die op 31 december 1994 in aanbouw waren dan wel verbouwd werden.
-
a) a) dat voor de eerste maal overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn werd afgegeven, of b) b) dat ten minste eenmaal werd vernieuwd voor 31 december 1994, of c) c) die op 31 december 1994 in aanbouw waren dan wel verbouwd werden. 2. 2. Op vaartuigen die niet onder het eerste lid vallen, is artikel 32.05 van toepassing.
Artikel 32.02
-
-
Vaartuigen die niet volledig aan de voorschriften van deze Standaard voldoen, moeten
a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en b) totdat deze aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn.In geval van afgifte van een nieuw binnenschipcertificaat voor een vaartuig als bedoeld in artikel 32.01, eerste lid, moet het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen als bewijs worden voorgelegd, het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen worden ingetrokken en onder nummer 52 in het nieuwe binnenschipcertificaat de datum van de afgifte van het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn als volgt worden ingeschreven: ‘Een certificaat van onderzoek voor Rijnschepen werd overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn afgegeven op: …’ a) a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en b) b) totdat deze aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
-
-
-
In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum.
Artikel en lid Inhoud Termijn en voorwaarden **HOOFDSTUK 3** 3.03 lid 1, onder a Plaats van het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 1, onder b Plaats van het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 2 Verblijven vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 Verblijven achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 Noodzakelijke voorzieningen vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 Noodzakelijke voorzieningen achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 4 Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 5, 2^e alinea Bewaking op afstand van deuren in het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 7 Voorschip met ankernissen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2041 3.04 lid 6 Uitgangen van machinekamers Machinekamers die vóór 1995 overeenkomstig artikel 1.01 niet onder het begrip ‘machinekamer’ waren te rangschikken, behoeven pas van een tweede uitgang te worden voorzien bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 5** 5.06 lid 1, 1^e zin Minimumsnelheid Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 6** 6.01 lid 1 Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 3 Helling en omgevingstemperatuur N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 7 Doorvoering van roerkoningen Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 6.02 lid 1 Aanwezig zijn van afzonderlijke hydraulische tank N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 Verdubbeling van stuurventielen bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 Gescheiden pijpleidingsysteem voor de tweede voortstuwingsinstallatie bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 2 In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 3 Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 6.03 lid 1 Aansluiten andere verbruiksapparaten op hydraulische aandrijfinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 6.05 lid 1 Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 6.06 lid 1 Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 6.07 lid 2, onder a Niveaualarm van de hydraulische tanks en alarm van de systeemdruk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 6.08 lid 1 Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 10.20 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 **HOOFDSTUK 7** 7.02 lid 3, 2^e alinea Vrij gezichtsveld in de zichtas van de roerganger N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 6 Minimale lichtdoorlatendheid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 N.V.O. voor vaartuigen met getinte ruiten die aan de volgende eisen voldoen: - de ruiten zijn groen getint en hebben een minimale lichtdoorlatendheid van 60%; - het plafond van het stuurhuis is zodanig uitgevoerd dat reflecties op de ruiten worden voorkomen; - lichtbronnen in het stuurhuis moeten traploos regelbaar zijn of moeten kunnen worden uitgeschakeld; - alle redelijke maatregelen ter vermijding van andere reflecties zijn getroffen. lid 6 Uitvoering in veiligheidsglas N.V.O. 7.03 lid 7 Buiten werking stellen van alarmen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is. lid 8 Andere stroombron N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 7.04 lid 2 Bediening van elke aandrijvingsmotor Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 in het geval van direct omkeerbare machines 1.1.2010 in het geval van overige machines lid 3 Signalering Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 9, 3^e zin Bediening door middel van een hefboom N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 9, 4^e zin Duidelijke indicatie van de stuwrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 7.05 lid 1 Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van de lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van de navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt. 7.06 lid 1 Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het binnenschipcertificaat op en na 1 januari 2015 ingebouwd zijn en gebruikt worden indien een geldige inbouwverklaring conform Richtlijn 2006/87/EG^1 of Besluit 1989-II-35 van de CCR voorhanden is. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard, Richtlijn 2006/87/EG of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Richtlijn 2006/87/EG zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Richtlijn 2006/87/EG geldige inbouwverklaring voorhanden is. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Besluit 2008-II-11 van de CCR zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Besluit 2008-II-11 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. lid 3 Inland AIS-apparatuur Inland AIS-apparaten, waarvan de typegoedkeuring op editie 1.0 en 1.01 van de Teststandaard Inland AIS is gebaseerd en die vóór 1 december 2015 zijn ingebouwd, mogen verder worden gebruikt. Inland AIS-apparaten die vanaf 19 oktober 2012 zijn goedgekeurd op grond van de voorschriften van de Teststandaard voor Inland AIS, editie 2.0, die bij Besluit 2012-II-20 van de CCR is aangenomen, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. 7.09 Alarminstallatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 7.12 lid 4, 2^e zin Indicaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 5 Stoppen en vergrendeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 6 Automatische uitschakeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 7, 1^e en 2^e zin Bouwkundige maatregelen en beschermende voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 7 3^e zin Optisch signaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 8 Neerlaatsysteem voor noodgevallen Indien hydraulisch neerlaten niet mogelijk is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2040 lid 12, onder c keuring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. De Commissie van Deskundigen kan een ander geëigend bewijs als gelijkwaardig erkennen indien het rekenkundig bewijs niet geleverd kan worden. **HOOFDSTUK 8** 8.01 lid 3 Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 8.02 lid 1 Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke in bedrijf stelling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 4 Afscherming van verbindingen van leidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 8.03 lid 2 Aangeven van het kritieke peil N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 4 Aangeven en buiten bedrijf stellen van de automatische reductie van het toerental N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 5 Doorvoering van assen van voortstuwingsinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 8.05 lid 1 Brandstoftanks van staal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 3 Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 Geen brandstoftanks achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 4 Geen brandstoftanks en hun appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 Tot aan die datum moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uilopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd. lid 6, 3^e t/m 5^e zin Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 7, 1^e zin Bediening vanaf het dek van snelsluitkleppen van de tank, ook wanneer de betrokken ruimten gesloten zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 9, 2^e zin Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 13 Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 8.06 Smeerolietanks, -leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 8.07 Tanks voor olie, die in de krachtoverbrengingssystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 8.08 lid 8 Een enkele afsluiter is onvoldoende als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 9 Peilmogelijkheden voor vullingen van laadruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 8.09 lid 2 Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 8.10 lid 3^2 Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 **HOOFDSTUK 9** Voor motoren die al aan boord zijn ingebouwd, maar nog geen typegoedkeuring hebben, is alleen artikel 9.02 van toepassing. 9.01 lid 1 tot en met 4 Algemene bepalingen Voor motoren die voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de montage en de typegoedkeuring die van kracht waren op de datum van montage: N.V. 9.06 Inbouwkeuring **HOOFDSTUK 10** 10.01 lid 1, 2^e zin Benodigde documenten voorleggen aan de Commissie van deskundigen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 lid 2, onder b Aan boord moeten zich schema’s van de hoofdschakelbord, noodschakelbord en verdeelschakelborden bevinden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 lid 2, onder e Schema’s van de schakelborden en documentatie van de elektrische aandrijvingsmotoren N.V.O. lid 2, onder f Schema’s voor elektronische systemen N.V.O. lid 2, onder g Schema’s van de stuurstroomkringen N.V.O. lid 3 Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.02 Systemen voor de energieverzorging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.03 Beschermingsgraad in functie van de standplaats N.V.O. 10.04 Bescherming tegen explosie N.V.O. 10.05 lid 4 Doorsnede van de aardleiding N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.06 lid 1, tabel Draaistroom N.V.O. 10.08 lid 1 Naleving van de Europese normen EN 15869-1, EN 15869-3 en EN 16840 N.V.O. 10.10 lid 2 Plaatsing van transformatoren N.V.O. lid 3 Gescheiden primaire en secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. lid 4 Stroomvoorziening door secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. lid 5 Type- en vermogensplaatje van motoren, generatoren, transformatoren N.V.O. 10.11 lid 3 Ventilatie van bedrijfsruimten en kasten naar het open dek N.V.O. lid 7 Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 12 Dimensionering van de laadinrichtingen N.V.O. lid 13 Automatische laadinrichtingen N.V.O. lid 14 Maximale laadspanning N.V.O. lid 15 Europese Normen EN 62619 en EN 62620 voor secundaire lithium-ionen-accumulatoren N.V.O. lid 16 Accumulatormanagementsystemen N.V.O. 10.12 lid 2 onder d Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 lid 3 onder b Aardfoutbewakingsinrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.13 Nooduitschakeltoestellen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.14 lid 3, tweede zin Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.15 lid 2 Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm^2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 10 Kabels naar in hoogte verstelbare stuurhuizen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 11 Doorvoeringen van kabelbundels N.V.O. lid 12 Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden N.V.O. lid 13 Kabels in zones met verhoogde omgevingstemperatuur N.V.O. lid 14 Leggen van hoofd- en noodstroomverzorgingskabels N.V.O. 10.16 lid 3, tweede zin Tweede stroomkring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.18 lid 1 Mogelijke afkoppeling van het stroomnet N.V.O. lid 2 Toegankelijkheid N.V.O. lid 3 Galvanische scheiding van sturings- en stroomvoorziening N.V.O. lid 4 Spannings- en frequentieafwijkingen N.V.O. lid 5 Ontladingsduur bij loskoppeling van het net N.V.O. lid 6 Maatregelen bij het uitvallen van externe sturingssignalen N.V.O. lid 7 Maatregelen bij het uitvallen van sturingsspanning N.V.O. lid 8 Detectie van storingen en voorkomen van verborgen fouten N.V.O. lid 9 Bewaking N.V.O. lid 10 Typegoedkeuring N.V.O. 10.19 Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.20 Testvoorwaarden voor elektronische installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 10.21 Elektromagnetische compatibiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 13** 13.01 Ankeruitrusting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 13.02 lid 2, onder b Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met ten minste 10 Liter inhoud N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 13.03 lid 1 Europese norm N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 2 Geschiktheid voor brandklasse A, B en C N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 lid 4 Hoeveelheid CO_2 en inhoud van de ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 13.04 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 13.05 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers a) Vóór 1 oktober 1980 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, in de versie van protocol 1975-I-23 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. b) Tussen 1 april 1992 en 31 december 1994 vast ingebouwde CO_2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn. c) Tussen 1 april 1992 en 31 december 1994 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 geldig. d) Artikel 13.05, tweede lid onder a, geldt uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 alleen dan, wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd ná 1 oktober 1992. 13.07 ^3 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 13.08 lid 2 Opblaasbare zwemvesten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 **HOOFDSTUK 14** 14.02 lid 4 Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken N.V.O.^4 14.04 lid 1 Vrije breedte van de gangboorden Voor schepen met *B* > 7,30 *m*, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035^5 lid 2 Relingen van gangboorden N.V.O. 14.05 lid 1 Toegang tot de werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 4 Trappen bij permanent bezette werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 14.06 lid 2 Uitgangen en nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 14.07 lid 1, 2^e zin Klimvoorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 14.10 Luiken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 14.11 Lieren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 14.12 lid 2 Fabriekslabel N.V.O. lid 4, eerste zin Beschermende voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 4, tweede zin Veiligheidsafstand N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 Indien de toepassing van deze bepaling na afloop van die datum in de praktijk niet uitvoerbaar is, moeten, binnen de gebieden waar gewerkt en gelopen wordt, de plaatsen waar de veiligheidsafstand tot de buitenste delen van de kraan minder dan 0,50 m bedraagt als zodanig duidelijk gemarkeerd zijn. lid 5 Veiligheid tijdens het bedrijf N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 9 Gebruiksaanwijzing N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 Indien een gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de kraan na die datum niet meer kan worden verkregen, wordt de gebruiksaanwijzing opgesteld door een deskundige. Deze gebruiksaanwijzing wordt vervolgens bij de eerste keuring conform artikel 14.12, zesde lid, onderdeel c, voorzien van de goedkeuring van de erkend deskundige die deze keuring uitvoert. **HOOFDSTUK 15** 15.01 lid 1 Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 15.02 lid 3 Positie van de vloer N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 4 Woon- en slaapruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 6 Stahoogte in verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 8 Vloeroppervlak in woonruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 9 Inhoud van ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 10 Luchtvolume per persoon N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 11 Afmetingen van deuren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 12, onder a en b Aanbrengen van trappen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 13 Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 15.03 Sanitaire voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 15.04 Keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 15.06 Verwarming en ventilatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 15.07 lid 1, 2^e zin Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 18** 18.01 lid 2, tabel 1 en 2, en lid 5 Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen N.V.O. voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van fase II met niet meer dan de factor 2 overschrijden; b) de boordzuiveringsinstallatie over een certificaat van de fabrikant of een erkend deskundige beschikt, waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het schip kenmerkende belasting aankan, en c) een zuiveringsslibmanagement beschikbaar is, dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersschip voldoet. Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 1 december 2011 overeenkomstig de voorschriften van Besluit 2010-II-27 van de CCR (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 10 januari 2013 overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2012/49/EU (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. **HOOFDSTUK 19** 19.01 lid 2, onder d Verbod van verwarmingen met vaste brandstoffen bedoeld in art. 16.07 Het voorschrift geldt niet voor vaartuigen met voortstuwingsinstallaties die werken met vaste brandstoffen (stoommachines). lid 2, onder e Verbod van vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 17 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 De overgangsbepaling geldt uitsluitend indien alarminstallaties overeenkomstig art. 19.15, achtste lid, aanwezig zijn. lid 5 en 6 De dode hoek voor de boeg niet meer dan tweemaal de scheepslengte of 250 m Voldoende zicht naar achteren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.02 lid 2 Aantal en plaats van de schotten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3 Plaats van het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 Het voorschrift geldt niet voor passagiersschepen die, op grond van het voldoen aan de eisen voor de 2-compartimentenstatus als bedoeld in artikel 19.03, negende lid, of aan de eisen van artikel 19.07, qua veiligheid en manoeuvreerbaarheid een gelijkwaardig niveau bereiken. lid 5, 2^e zin Indompelingsgrenslijn indien er geen schottendek is Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder c Duur van het sluiten door afstandsbediening N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 15 Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.03 lid 1 tot en met 6 Stabiliteit van het onbeschadigde schip N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 7 en 8 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 9 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 Omvang recht omhoog van het lek in de bodem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 Voor schepen met een waterdicht dek op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, aan welke voor het eerst een binnenschipcertificaat vóór 31.12.2005 werd afgegeven, geldt N.V.O. 2-compartimentenstatus N.V.O. lid 10 tot en met 13 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.05 lid 2, onder a Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in art. 19.06, lid 8, is aangetoond N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 2, onder b Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in art. 19.03 is uitgevoerd N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.06 lid 1, 1^e zin Passagiersverblijven op alle dekken achter het aanvaringsschot en, voor zover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3, onder c eerste zin Vrije hoogte van uitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3, onder c, 2^e zin Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3, onder f, 1^e zin Afmeting van de nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3, onder g Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 4, onder d Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 5 Eisen aan verbindingsgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 6, onder b Vluchtwegen naar verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 6, onder c^6 Vluchtwegen niet door keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 6, onder d Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 7 Geschikt veiligheidsgeleidesysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 8 Eisen aan verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 9 Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder a, 1^e zin Reling volgens de Europese norm N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder a, 2^e zin Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 10, onder b, 2^e zin Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 13 Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 14, 1^e zin Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden en vensterruiten van doorgangsruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 15 Eisen aan opbouwen (of hun dak) die volledig uit panoramaruiten bestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 17, 2^e zin Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 18 Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 19 Eisen van artikel 15.06 aan ruimten waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.07 ^7 Eisen aan het voortstuwingssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 19.08 lid 3, onder a^8 Eisen aan de alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 lid 6 Vast geïnstalleerd lenssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 19.10 lid 2 Art. 10.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 3 Voldoende noodverlichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 4 Noodstroominstallatie Voor schepen voor dagtochten met *LWL* van 25 m of minder, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 4, onder f Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in art. 13.02, lid 2, onder i N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 4, onder i Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in art. 19.06, lid 9, 2^e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 6, 1^e zin Scheidingsvlakken bedoeld in art. 19.11, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 6, 2^e en 3^e zin Inbouw van de kabels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 6, 4^e zin Noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 19.11 lid 1 Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 Voor de materialen en onderdelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Internationale Code voor brandtestprocedures (FTP-Code) aangenomen bij resolutie MSC.61(67)^9: N.V.O. lid 2 Uitvoering van scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 3 In ruimten, met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste oppervlakbehandeling en bedekking van dekken, evenals in volzin 2 bedoelde voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 lid 4 Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 5 Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 6 Brandtestmethode volgens de Code N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 7 Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 9 Eisen aan deuren in scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 11 Scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 12 Tochtkleppen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 13 Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 14 Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden als bedoeld in het tweede lid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 15 Ventilatie- en airconditioningsystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 16 Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 17 Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.12 lid 8, onder d Plaatsing van de brandbluspompen Beide pompen: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 9 Brandblusinstallatie in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 19.14 lid 1 Verzameltanks voor afvalwater of zuiveringsinstallaties Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 2 Eisen aan verzameltanks voor afvalwater Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten met ten hoogste 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.15 lid 1 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 **HOOFDSTUK 21** 21.01 lid 2 Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig Het voorschrift geldt voor schepen die vóór 1.1.1995 zijn toegelaten om te duwen zonder eigen inrichting voor het spannen van kabels bij: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 3, laatste zin Eisen met betrekking tot aandrijvingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 22** 22.02 lid 3 Aanvullende bepalingen Dezelfde overgangsbepalingen zijn van kracht als de in de desbetreffende artikelen genoemde. **HOOFDSTUK 25** 25.01 Toepassing van artikelen 7.01, lid 2, 8.05, lid 13, en 8.10 Voor zeeschepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen in de zin van het ADN en waarvan de kiel is gelegd vóór 1.10.1987: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 Toepassing van artikel 8.09, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 **HOOFDSTUK 26** 26.01 Deze voorschriften gelden voor pleziervaartuigen die zijn gebouwd vóór 1.1.1995 pas bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035^1 2006/87/EG Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (OJ L 389, 30.12.2006).
^2 De overgangsbepaling juncto artikel 8.10, derde lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘8.10 lid 3 / Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen/ N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^3 De overgangsbepaling juncto artikel 13.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke bepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: “13.07 / Toepassing Europese norm op bijboten / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015“.
^4 De vaartuigen moeten echter uiterlijk bij verlenging van het binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 aan de volgende eisen voldoen:
- Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. - Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.^5 Dit artikel geldt voor schepen waarvan de kiel is gelegd ná 31.12.1994 en voor in bedrijf zijnde schepen met in acht name van het volgende:
Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd: a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd; b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.^6 De overgangsbepaling juncto artikel 19.06, zesde lid, onderdeel c, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.06 lid 6 onder c / Vluchtwegen niet door keukens / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^7 De overgangsbepaling juncto artikel 19.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.07 / Eisen aan het voortstuwingssysteem / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^8 De overgangsbepaling juncto artikel 19.08, derde lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.08 lid 3 / Eisen aan de alarminstallatie / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’ evenals ‘19.08 lid 3 onder c / Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding / Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2007’.
^9 MSC.61(67) aangenomen op 5 december 1996 – Internationale Code voor brandtestprocedures.
-
-
- Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst.
-
- Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
- Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd:
- a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd;
- b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.
Artikel 32.03
-
- Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór mogen, aanvullend aan de overgangsbepalingen van artikel 32.02, de hierna genoemde bepalingen, worden toegepast.
-
-
In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘V.O.’: Het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum.
Artikel en lid Inhoud Termijn en voorwaarden **HOOFDSTUK 3** 3.04 lid 2 Gemeenschappelijke scheidingsvlakken V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 lid 7^1 Ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 **HOOFDSTUK 4** 4.01 lid 1 Veiligheidsafstand Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 4.02 Vrijboord Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 4.03 Kleinste vrijboord Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 **HOOFDSTUK 7** 7.01 lid 2^2 Niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 **HOOFDSTUK 8** 8.08 lid 3 en 4 Minimale capaciteit en diameter van de lensleidingen Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 8.10 lid 2^3 Door een varend schip voortgebracht geluid V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 **HOOFDSTUK 10** 10.01 ^4 lid 1, 1^e zin, lid 2 to lid 4 Eisen aan elektrische installaties V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 10.03 Bescherming tegen aanraken, binnendringen van vreemde voorwerpen en water V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.06 Ten hoogste toegelaten spanningen V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.10 Generatoren, motoren en transformatoren V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.11 lid 2 Opstelling van accumulatoren V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.12 Schakelinrichtingen V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.14 Installatiemateriaal V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.15 Kabels V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 10.17 Navigatielantaarns V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 **HOOFDSTUK 15** 15.02 lid 5^5 Geluidshinder en trillingen in verblijven Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 **HOOFDSTUK 19** 19.02 lid 3 Plaats van het aanvarings- en achterpiekschot V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 5 en lid 6, 1^e zin, leden 7 tot en met 11 en 13 Indompelingsgrenslijn indien er geen schottendek is V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 lid 16 Waterdichte vensters V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.04 Veiligheidsafstand, vrijboord, inzinkingsmerken V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.05 Aantal passagiers Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 19.10 leden 4, 6, 7, 8 en 11 Noodstroominstallatie V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045^1 De overgangsbepaling juncto artikel 3.04, zevende lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘3.04 lid 7 / Ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk / V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’
^2 De overgangsbepaling juncto artikel 7.01, tweede lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘7.01 lid 2 / Niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip / V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^3 De overgangsbepaling juncto artikel 8.10, tweede lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘8.10 lid 2 / Door een varend schip voortgebracht geluid / V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^4 De overgangsbepaling juncto artikel 10.01 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘10.01 / Eisen aan elektrische installaties / V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’.
^5 “15.02 lid 5 / Geluidshinder en trillingen in verblijven / Verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015“.
-
-
Artikel 19.11, derde lid, eerste volzin en zesde lid, is op schepen voor dagtochten, waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór, tot aan de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat ná 1 januari 2045 slechts met dien verstande van toepassing dat slechts de verven, lakken en andere behandelingsmiddelen voor interieurs, gebruikt voor de naar de vluchtwegen toegekeerde oppervlakken, moeilijk ontvlambaar moeten zijn en rook en andere giftige gassen niet in gevaarlijke mate kunnen ontstaan.
Artikel 19.11, twaalfde lid, is op schepen voor dagtochten, waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór, tot aan de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat ná 1 januari 2045 slechts met dien verstande van toepassing dat het voldoende is wanneer, in plaats van de dragende constructie vervaardigd van staal van trappen die als vluchtweg dienen, deze trappen zo zijn uitgevoerd dat zij in geval van brand ongeveer even lang bruikbaar blijven als trappen met een dragende constructie van staal.
Artikel 32.04
-
- De bepalingen van dit artikel gelden aanvullend op de overgangsbepalingen van de artikelen 32.02 en 32.03.
-
- Voor vaartuigen, waarvan het minste vrijboord overeenkomstig artikel 4.04 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften is vastgesteld, kan de Commissie van deskundigen op verzoek van de eigenaar het vrijboord vaststellen op grond van artikel 4.03 van de op 1 januari 1995 geldende voorschriften.
-
- Vaartuigen, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 juli 1983, behoeven niet te voldoen aan hoofdstuk 10 van deze standaard. Deze vaartuigen moeten echter ten minste voldoen aan hoofdstuk 6 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften.
-
Artikel 19.06, derde lid, onder a tot en met e, en artikel 19.12, derde lid, onder a, met betrekking tot de bepaling over de enige slanglengte, zijn slechts van toepassing op passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd ná 30 september 1984, alsmede in geval van ombouw van de betreffende delen, uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen na 1 januari 2045.
-
-
Indien dit voorschrift bij de vereisten aan de hoedanigheid
a) van mobiele uitrustingsstukken verwijst naar een Europese of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die norm de betreffende uitrustingsstukken nog maximaal 20 jaar na de nieuwe formulering of bewerking van de norm verder worden gebruikt, b) van permanent geïnstalleerde uitrustingsstukken verwijst naar een Europese of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die norm de betreffende uitrustingsstukken nog verder worden gebruikt tot de vervanging of de ombouw van de betreffende sector.
-
a) a) van mobiele uitrustingsstukken verwijst naar een Europese of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die norm de betreffende uitrustingsstukken nog maximaal 20 jaar na de nieuwe formulering of bewerking van de norm verder worden gebruikt, b) b) van permanent geïnstalleerde uitrustingsstukken verwijst naar een Europese of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die norm de betreffende uitrustingsstukken nog verder worden gebruikt tot de vervanging of de ombouw van de betreffende sector. 6. 6. Voor snelle schepen, die beschickten over een geldig certificaat van onderzoek voor Rijnschepen, op 31 maart 2003, moeten de bepalingen van artikelen 29.01 derde lid, 29.02, 29.04, 29.05, 29.06, tweede lid, 29.10, tweede en derde lid vanaf 1 januari 2023 worden toegepast.
Artikel 32.05
-
-
De onderstaande bepalingen gelden voor:
a) vaartuigen waarvoor vanaf 1 januari 1995 voor de eerste maal een certificaat van onderzoek voor Rijnschepen overeenkomstig het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is afgegeven voorzover die op 31 december 1994 niet in aanbouw dan wel in verbouw waren, b) vaartuigen waarvoor tussen 1 januari 1995 en 30 december 2008 een andere vergunning voor het in de vaart brengen is afgegeven, c) vaartuigen waarvoor tussen 30 december 2008 en 6 october 2018 voor de eerste maal een communautair certificaat geldig voor zone R overeenkomstig richtlijn 2006/87/EG werd afgegeven, d) vaartuigen waarvoor vanaf 7 october 2018 voor de eerste maal een Uniecertificaat geldig voor zone R overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/1629 is afgegeven.
-
a) a) vaartuigen waarvoor vanaf 1 januari 1995 voor de eerste maal een certificaat van onderzoek voor Rijnschepen overeenkomstig het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is afgegeven voorzover die op 31 december 1994 niet in aanbouw dan wel in verbouw waren, b) b) vaartuigen waarvoor tussen 1 januari 1995 en 30 december 2008 een andere vergunning voor het in de vaart brengen is afgegeven, c) c) vaartuigen waarvoor tussen 30 december 2008 en 6 october 2018 voor de eerste maal een communautair certificaat geldig voor zone R overeenkomstig richtlijn 2006/87/EG werd afgegeven, d) d) vaartuigen waarvoor vanaf 7 october 2018 voor de eerste maal een Uniecertificaat geldig voor zone R overeenkomstig richtlijn (EU) 2016/1629 is afgegeven. 2. 2. Voor deze vaartuigen moet worden aangetoond
a)
dat zij voldoen aan de versie van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn die van kracht is op de datum waarop het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of een andere vergunning voor het in de vaart brengen of
b)
dat zij voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 2006/87/EG van toepassing voor zone R, zoals van toepassing op de datum van de uitgifte van het communautair certificaat, of
c)
dat zij voldoen aan de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing voor zone R, zoals van toepassing op de datum van de uitgifte van het Uniecertificaat
is afgegeven.
a) a) dat zij voldoen aan de versie van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn die van kracht is op de datum waarop het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of een andere vergunning voor het in de vaart brengen of b) b) dat zij voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 2006/87/EG van toepassing voor zone R, zoals van toepassing op de datum van de uitgifte van het communautair certificaat, of c) c) dat zij voldoen aan de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing voor zone R, zoals van toepassing op de datum van de uitgifte van het Uniecertificaat 3. 3. Deze vaartuigen moeten aan deze Standaard volgens de in onderstaande tabel vermelde overgangsbepalingen worden aangepast. 4. 4.
Artikel 32.04, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
-
In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum.
Artikel en lid Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht **HOOFDSTUK 3** 3.03 lid 1, onder b Plaats van het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 7.10.2018 lid 2 Verblijven achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 7.10.2018 Noodzakelijke voorzieningen achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 7.10.2018 lid 7 Voorschip met ankernissen Het voorschrift geldt vanaf 1.1.2001: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2041 7.10.2018 **HOOFDSTUK 6** 6.02 lid 1 Verdubbeling van stuurventielen bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.4.2007 Gescheiden pijpleidingsysteem voor de tweede voortstuwingsinstallatie bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.4.2007 6.07 lid 2, onder a Niveau-alarm van de hydraulische tanks en alarm van de systeemdruk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2007 **HOOFDSTUK 7** 7.02 lid 6 Uitvoering in veiligheidsglas N.V.O. 7.10.2018 7.04 lid 3 Signalering Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2007 lid 9, 3^e zin Bediening door middel van een hefboom N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2007 lid 9, 4^e zin Duidelijke indicatie van de stuwrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2007 7.05 lid 1 Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt. 1.12.2009 7.06 lid 1 Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het binnenschipcertificaat op en na 1 januari 2015 ingebouwd zijn en gebruikt worden indien een geldige inbouwverklaring overeenkomstig Richtlijn 2006/87/EG^1 of Besluit 1989-II-35 van de CCR voorhanden is. 1.12.2009 Installatie en gebruik van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een geldige inbouwverklaring overeenkomstig deze standaard, Richtlijn 2006/87/EG of Besluit 1989-II-35 van de CCR voorhanden is. 1.12.2009 Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Richtlijn 2006/87/EG zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Richtlijn 2006/87/EG geldige inbouwverklaring voorhanden is. 7.10.2018 Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Besluit 2008-II-11 van de CCR zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Besluit 2008-II-11 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. 7.10.2018 lid 3 Inland AIS-apparatuur Inland AIS-apparaten, waarvan de typegoedkeuring op editie 1.0 en 1.01 van de Teststandaard Inland AIS is gebaseerd en die vóór 1 december 2015 zijn ingebouwd, mogen verder worden gebruikt. 1.12.2013 Inland AIS-apparaten die vanaf 19 oktober 2012 zijn goedgekeurd op grond van de voorschriften van de Teststandaard voor Inland AIS, editie 2.0, die bij Besluit 2012-II-20 van de CCR is aangenomen, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. 7.10.2018 7.12 lid 4, tweede zin Indicaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 1.1.2018 lid 5 Stoppen en vergrendeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.1.2018 lid 6 Automatische uitschakeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.1.2018 lid 7 eerste en tweede zin Bouwkundige maatregelen en beschermende voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.1.2018 lid 7 derde zin Optisch signaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 1.1.2018 lid 8 Neerlaatsysteem voor noodgevallen Indien hydraulisch neerlaten niet mogelijk is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2040 1.1.2018 lid 12 onder c keuring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 1.1.2018 De Commissie van Deskundigen kan een ander geëigend bewijs als gelijkwaardig erkennen indien het rekenkundig bewijs niet geleverd kan worden. **HOOFDSTUK 8** 8.02 lid 4 Onderzoek van pijpleidingverbindingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.4.2007 lid 5 Dubbelwandig leidingsysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.4.2007 8.03 lid 4 Aangeven en buiten bedrijf stellen van de automatische reductie van het toerental N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2004 8.05 lid 3 Geen brandstoftanks achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 7.10.2018 lid 7, 1^e zin Bediening vanaf het dek van snelsluitkleppen van de tank, ook wanneer de betrokken ruimten gesloten zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.4.2008 lid 9, 2^e zin Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.1999 lid 13 Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.4.1999 8.06 Smeerolietanks, -leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.4.2007 8.07 Tanks voor olie, die in de krachtoverbrengingssystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.4.2007 **HOOFDSTUK 9** Voor motoren die al aan boord zijn ingebouwd, maar nog geen typegoedkeuring hebben, is alleen artikel 9.02 van toepassing. 7.10.2018 9.01 lid 1 tot en met 4 Algemene bepalingen Voor motoren die voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de montage en de typegoedkeuring die van kracht waren op de datum van montage: N.V. 9.06 Inbouwkeuring **HOOFDSTUK 10** 10.01 lid 2, onder e Schema’s van de schakelborden en documentatie van de elektrische aandrijvingsmotoren N.V.O. 7.10.2018 lid 2, onder f Schema’s voor elektronische systemen N.V.O. 7.10.2018 lid 2, onder g Schema’s van de stuurstroomkringen N.V.O. 7.10.2018 10.03 Beschermingsgraad in functie van de standplaats N.V.O. 7.10.2018 10.04 Bescherming tegen explosie N.V.O. 7.10.2018 10.06 lid 1 tabel Draaistroom N.V.O. 7.10.2018 10.08 lid 1 Naleving van de Europese normen EN 15869-1, EN 15869-3 en EN 16840 N.V.O. 7.10.2018 10.10 lid 2 Plaatsing van transformatoren N.V.O. 7.10.2018 lid 3 Gescheiden primaire en secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. 7.10.2018 lid 4 Stroomvoorziening door secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. 7.10.2018 lid 5 Type- en vermogensplaatje van motoren, generatoren, transformatoren N.V.O. 7.10.2018 10.11 lid 3 Ventilatie van bedrijfsruimten en kasten naar het open dek N.V.O. 7.10.2018 lid 12 Dimensionering van de laadinrichtingen N.V.O. 7.10.2018 lid 13 Automatische laadinrichtingen N.V.O. 7.10.2018 lid 14 Maximale laadspanning N.V.O. 7.10.2018 lid 15 Europese Normen EN 62619 en EN 62620 voor secundaire lithium-ionen-accumulatoren N.V.O. 7.10.2018 lid 16 Accumulatormanagementsystemen N.V.O. 7.10.2018 10.15 lid 11 Doorvoeringen van kabelbundels N.V.O. 7.10.2018 lid 12 Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden N.V.O. 7.10.2018 lid 13 Kabels in zones met verhoogde omgevingstemperatuur N.V.O. 7.10.2018 lid 14 Leggen van hoofd- en noodstroomverzorgingskabels N.V.O. 7.10.2018 10.18 lid 1 Mogelijke afkoppeling van het stroomnet N.V.O. 7.10.2018 lid 2 Toegankelijkheid N.V.O. 7.10.2018 lid 3 Galvanische scheiding van sturings- en stroomvoorziening N.V.O. 7.10.2018 lid 4 Spannings- en frequentieafwijkingen N.V.O. 7.10.2018 lid 5 Ontladingsduur bij loskoppeling van het net N.V.O. 7.10.2018 lid 6 Maatregelen bij het uitvallen van externe sturingssignalen N.V.O. 7.10.2018 lid 7 Maatregelen bij het uitvallen van sturingsspanning N.V.O. 7.10.2018 lid 8 Detectie van storingen en voorkomen van verborgen fouten N.V.O. 7.10.2018 lid 9 Bewaking N.V.O. 7.10.2018 lid 10 Typegoedkeuring N.V.O. 7.10.2018 **HOOFDSTUK 13** 13.02 lid 2, onder b Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met ten minste 10 liter inhoud N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 1.12.2011 13.03 lid 1 Europese norm N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2002 lid 2 Geschiktheid voor brandklasse A, B en C N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.4.2002 13.04 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 1.4.2002 13.05 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers ^2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.4.2002 13.07 ^3 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.10.2003 13.08 lid 2 Opblaasbare zwemvesten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.10.2003 Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2010 1.10.2003 **HOOFDSTUK 14** 14.02 lid 4 Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken N.V.O. 7.10.2018 14.04 lid 2 Relingen van gangboorden N.V.O. 7.10.2018 14.12 lid 2, 4, 5 en 9 Fabriekslabel, beveiliging, bescheiden aan boord N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.12.2011 **HOOFDSTUK 18** 18.01 lid 2, tabel 1 en 2, en lid 5 Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen N.V.O. voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van fase II met niet meer dan de factor 2 overschrijden; b) de boordzuiveringsinstallatie over een certificaat van de fabrikant of een erkend deskundige beschikt, waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het schip kenmerkende belasting aankan, en c) een zuiveringsslibmanagement beschikbaar is, dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersschip voldoet. 1.12.2011 Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 1 december 2011 overeenkomstig de voorschriften van Besluit 2010-II-27 van de CCR (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. 7.10.2018 Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 10 januari 2013 overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2012/49/EU (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. 7.10.2018 **HOOFDSTUK 19** 19.01 lid 2, onder e Verbod van vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 17 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 De overgangsbepaling geldt uitsluitend indien alarminstallaties overeenkomstig art. 19.15, achtste lid, aanwezig zijn. 1.1.2006 lid 5 en 6 De dode hoek voor de boeg niet meer dan tweemaal de scheepslengte of 250 m Voldoende zicht naar achteren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 7.10.2018 19.02 lid 2 Aantal en plaats van de schotten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 3 Plaats van het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 7.10.2018 Het voorschrift geldt niet voor passagiersschepen die, op grond van het voldoen aan de eisen voor de 2-compartimentenstatus als bedoeld in artikel 19.03, negende lid, of aan de eisen van artikel 19.07, qua veiligheid en manoeuvreerbaarheid een gelijkwaardig niveau bereiken. 7.10.2018 lid 5, 2^e zin Indompelingsgrenslijn indien er geen schottendek is Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 15 Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.03 lid 1 tot en met 6 Stabiliteit van het onbeschadigde schip N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 7 en 8 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 9 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 Omvang recht omhoog van het lek in de bodem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 Voor schepen met een waterdicht dek op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, aan welke voor het eerst een binnenschipcertificaat vóór 31.12.2005 werd afgegeven, geldt N.V.O. 1.12.2011 2-compartimentenstatus N.V.O. 1.1.2006 lid 10 tot en met 13 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.05 lid 2, onder a Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in art. 19.06, lid 8, is aangetoond N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 2, onder b Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in art. 19.03 is uitgevoerd N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.06 lid 1, 1^e zin Passagiersverblijven op alle dekken achter het aanvaringsschot en, voor zover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 7.10.2018 lid 1, 2^e zin Eisen aan dekzones die overdekt zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 1.12.2011 lid 3, onder c, 1^e zin Vrije hoogte van uitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 3, onder c, 2^e zin Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 3, onder f, 1^e zin Afmeting van de nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 3, onder g Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 4, onder d Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 5 Eisen aan verbindingsgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 6, onder b Vluchtwegen naar verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 6, onder c^4 Vluchtwegen niet door keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.1.2006 lid 6, onder d Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 7 Geschikt veiligheidsgeleidesysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 8 Eisen aan verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 9, onder a, b, c, e, en laatste zin Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 10, onder a, 1^e zin Reling volgens de Europese norm N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 10, onder a, 2^e zin Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 10, onder b, 2^e zin Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 13 Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 14 1^e zin Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden en vensterruiten van doorgangsruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 15 Eisen aan opbouwen (of hun dak) die volledig uit panoramaruiten bestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 17, 2^e zin Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 18 Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.07 ^5 Eisen aan het voortstuwingssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.1.2006 19.08 lid 3, onder a^6 Eisen aan de alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 1.1.2006 lid 6 Vast geïnstalleerd lenssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 19.10 lid 2 Art. 10.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 3 Voldoende noodverlichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 4 Noodstroominstallatie Voor schepen voor dagtochten met *LWL* van 25 m of minder, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 4, onder f Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in art. 13.02, lid 2, onder i N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 4, onder i Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in art. 19.06, lid 9, 2^e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 6, 1^e zin Scheidingsvlakken bedoeld in art. 19.11, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 6, 2^e en 3^e zin Inbouw van de kabels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 6, 4^e zin Noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 19.11 lid 1 Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 Voor de materialen en onderdelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Internationale Code voor brandtestprocedures (FTP-Code) aangenomen bij resolutie MSC.61(67)^7: N.V.O. 7.10.2018 lid 2 Uitvoering van scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 3 In ruimten, met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste oppervlakbehandeling en bedekking van dekken, evenals in volzin 2 bedoelde voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 lid 4 Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 5 Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 6 Brandtestmethode volgens de Code N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 7 Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 9, onder a, b, c, 2^e zin, en d Eisen aan deuren in scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 11 Scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 13 Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 14 Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden als bedoeld in het tweede lid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 15 Ventilatie- en airconditioningsystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 16 Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 17 Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.12 lid 8, onder d Plaatsing van de brandbluspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2020 7.10.2018 lid 9 Brandblusinstallatie in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 1.1.2006 De overgangsbepaling geldt niet voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd na 31.12.1995 en waarvan de scheepsromp bestaat uit hout, alumi-nium of kunststoffen en waarvan de machinekamers niet zijn vervaardigd van materiaal als bedoeld in art. 3.04, lid 3 en lid 4. 19.14 lid 1 Verzameltanks voor afvalwater of zuiveringsinstallaties Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 lid 2 Eisen aan verzameltanks voor afvalwater Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten met ten hoogste 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 19.15 lid 1 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2045 1.1.2006 **HOOFDSTUK 29** 29.02 lid 3 Inwerkingtreding van de tweede onafhankelijke aandrijving of de handaandrijving N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 1.4.2005^1 2006/87/EG Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (OJ L 389, 30.12.2006).
^2 a) Tussen 1 januari 1995 en 31 maart 2003 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 10.03, vijfde lid, van het op 31 maart 2002 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn. b) Tussen 1 januari 1995 en 31 maart 2002 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 10.03, vijfde lid, van het op 31 maart 2002 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 geldig. c) Artikel 13.05, tweede lid, onder a, geldt uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 alleen dan, wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd ná 1 oktober 1992.
^3 De overgangsbepaling juncto artikel 13.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘13.07 / Toepassing Europese norm op bijboten / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 / 1.10.2003’.
^4 De overgangsbepaling juncto artikel 19.06, zesde lid, onderdeel c, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.06 lid 6 onder c / Vluchtwegen niet door keukens / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 / 1.1.2006’.
^5 De overgangsbepaling juncto artikel 19.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.07 / Eisen aan het voortstuwingssysteem / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 / 1.1.2006’.
^6 De overgangsbepaling juncto artikel 19.08, derde lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.08 lid 3 / Eisen aan de alarminstallatie / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015 / 1.1.2006’ evenals ‘19.08 lid 3 onder c / Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding / Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2007 / 1.1.2006’.
^7 MSC.61(67) aangenomen op 5 december 1996 – Internationale Code voor brandtestprocedures.
-
Hoofdstuk 33. Overgangsbepalingen voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen buiten de rijn (zone r) bevaren
Artikel 33.01
-
-
De bepalingen in artikel 33.02 tot en met 33.03 gelden voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen buiten de Rijn (zone R) bevaren:
a) waarvoor voor de eerste maal vóór 30 december 2008 een communautair certificaat, b) waarvoor vóór 30 december 2008 een andere vergunning voor het in de vaart brengen is afgegeven.
-
a) a) waarvoor voor de eerste maal vóór 30 december 2008 een communautair certificaat, b) b) waarvoor vóór 30 december 2008 een andere vergunning voor het in de vaart brengen is afgegeven. 2. 2. Voor vaartuigen moet worden bewezen dat ze op de datum van afgifte van hun communautair certificaat of van de andere vergunning voor het in de vaart brengen voldoen aan de technische voorschriften van de hoofdstukken 1 tot en met 12 van bijlage II van Richtlijn nr. 82/714/EEG. 3. 3. De communautaire certificaten die vóór 30 december 2008 afgegeven zijn, blijven tot de op het certificaat aangegeven datum geldig.
Artikel 33.02
-
-
Vaartuigen die niet volledig aan de bepalingen van deze Standaard voldoen, moeten:
a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en b) totdat de aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan de voorschriften van hoofdstukken 1 tot en met 12 van bijlage II van Richtlijn 82/714/EEG.In geval van afgifte van een nieuw binnenschipcertificaat voor een vaartuig als bedoeld in artikel 33.01, eerste lid, moet het communautair certificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen als bewijs worden voorgelegd, het communautair certificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen worden ingetrokken en onder nummer 52 in het nieuwe binnenschipcertificaat de datum van de afgifte van het dienovereenkomstige communautair certificaat of de andere vergunning voor het in de vaart brengen als volgt worden ingeschreven: ‘Een communautair certificaat werd overeenkomstig richtlijn 82/714/EEG werd afgegeven op: …’ / ‘Een vergunning voor het in de vaart brengen overeenkomstig … werd afgegeven op: …’ a) a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en b) b) totdat de aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan de voorschriften van hoofdstukken 1 tot en met 12 van bijlage II van Richtlijn 82/714/EEG.
-
-
-
In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum.
Artikel en lid Inhoud Termijn en voorwaarden **HOOFDSTUK 3** 3.03 lid 1, onder a Plaats van het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 1, onder b Plaats van het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 2 Verblijven vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 Verblijven achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2059 Noodzakelijke voorzieningen vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 Noodzakelijke voorzieningen achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 4 Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 5, 2^e alinea Bewaking op afstand van deuren in het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 7 Voorschip met ankernissen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 3.04 lid 3, 2^e zin Isolaties in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 3, 3^e en 4^e zin Openingen en afsluitinrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 6 Uitgangen van machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 **HOOFDSTUK 4** 4.04 Inzinkingsmerken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 **HOOFDSTUK 5** 5.06 lid 1, 1^e zin Minimumsnelheid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 **HOOFDSTUK 6** 6.01 lid 1 Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 3 Helling en omgevingstemperatuur N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 7 Doorvoering van roerkoningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 6.02 lid 1 Aanwezig zijn van afzonderlijke hydraulische tank N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 Verdubbeling van stuurventielen bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 Gescheiden pijpleidingsysteem voor de tweede voortstuwingsinstallatie bij hydraulisch aangedreven installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 lid 2 In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 lid 3 Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 6.03 lid 1 Aansluiten andere verbruiksapparaten op hydraulische aandrijfinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 6.05 lid 1 Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 6.06 lid 1 Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 6.07 lid 2, onder a Niveaualarm van de hydraulische tanks en alarm van de systeemdruk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2026 lid 2, onder e Bewaking van het buffersysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 6.08 lid 1 Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 10.20 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 **HOOFDSTUK 7** 7.02 lid 2 tot en met 6 Vrij gezichtsveld vanuit het stuurhuis met uitzondering van de volgende leden: N.V.O., uiterlijk bij toekenning of verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2049 lid 3, 2^e alinea Vrij gezichtsveld in de zichtas van de roerganger N.V.O., uiterlijk bij toekenning of verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 lid 6 Minimale lichtdoorlaatbaarheid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2024 N.V.O. voor vaartuigen met getinte ruiten die aan de volgende eisen voldoen: – de ruiten zijn groen getint en hebben een minimale lichtdoorlatendheid van 60%; – het plafond van het stuurhuis is zodanig uitgevoerd dat reflecties op de ruiten worden voorkomen; – lichtbronnen in het stuurhuis moeten traploos regelbaar zijn of moeten kunnen worden uitgeschakeld; – alle redelijke maatregelen ter vermijding van andere reflecties zijn getroffen. lid 6 Uitvoering in veiligheidsglas N.V.O. 7.03 lid 7 Buiten werking stellen van alarmen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 8 Andere stroombron N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 7.04 lid 1 Bediening aandrijfwerktuigen en stuurinrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 2 Bediening van elke aandrijvingsmotor Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 in het geval van direct omkeerbare machines 30.12.2024 in het geval van overige machines. lid 3 Signalering Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 9, 3^e zin Bediening door middel van een hefboom N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 9, 4^e zin Duidelijke indicatie van de stuwrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 7.05 lid 1 Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan – de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van de lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van de navigatielantaarns in de Rijnvaart, – de respectieve eisen van een lidstaat op 30 november 2009, kunnen nog steeds worden gebruikt. 7.06 lid 1 Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vóór 31 december 2012 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vóór 31 december 2012 overeenkomstig de regelgeving van een lidstaat waren toegelaten en werden ingebouwd, mogen ingebouwd zijn en gebruikt worden tot de verlenging van het binnenschipcertificaat na 31.12.2018 Deze installaties moeten worden vermeld onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard, Richtlijn 2006/87/EG of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Richtlijn 2006/87/EG zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Richtlijn 2006/87/EG geldige inbouwverklaring voorhanden is. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 zijn toegelaten Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Besluit 2008-II-11 van de CCR zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Besluit 2008-II-11 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is. lid 3 Inland AIS-apparatuur N.V.O. Inland AIS-apparaten die vanaf 19 oktober 2012 zijn goedgekeurd op grond van de voorschriften van de Teststandaard voor Inland AIS, editie 2.0, die bij Besluit 2012-II-20 van de CCR is aangenomen, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. 7.10.2018 7.09 Alarminstallatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 7.12 lid 4, 2^e zin Indicaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 5 Stoppen en vergrendeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 6 Automatische uitschakeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 7, 1^e en 2^e zin Bouwkundige maatregelen en beschermende voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2025 lid 7, 3^e zin Optisch signaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 8 Neerlaatsysteem voor noodgevallen Indien hydraulisch neerlaten niet mogelijk is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2040 lid 12, onder c keuring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. De Commissie van Deskundigen kan een ander geëigend bewijs als gelijkwaardig erkennen indien het rekenkundig bewijs niet geleverd kan worden. **HOOFDSTUK 8** 8.01 lid 3 Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 8.02 lid 1 Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke in bedrijf stelling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 4 Afscherming van verbindingen van leidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 5 Dubbelwandig leidingsysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 6 Isolatie van machineonderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 8.03 lid 2 Aangeven van het kritieke peil N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 4 Aangeven en buiten bedrijf stellen van de automatische reductie van het toerental N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 5 Doorvoering van assen van voortstuwingsinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 8.05 lid 1 Brandstoftanks van staal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 lid 2 Zelfsluitende afsluitinrichting voor het ontnemen van water N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 3 Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 Geen brandstoftanks achter het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 4 Geen brandstoftanks en hun appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 Tot aan die datum moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uilopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd. lid 6, 3^e tot en met 5^e zin Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 7, 1^e zin Bediening vanaf het dek van snelsluitkleppen van de tank, ook wanneer de betrokken ruimten gesloten zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2029 lid 9, 2^e zin Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 lid 13 Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 8.06 Smeerolietanks, -leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 8.07 Tanks voor olie, die in de krachtoverbrengingssystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 8.08 lid 8 Een enkele afsluiter is onvoldoende als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 9 Peilmogelijkheden voor vullingen van laadruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 8.09 lid 2 Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 8.10 lid 3 Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 **HOOFDSTUK 9** Voor motoren die al aan boord zijn ingebouwd, maar nog geen typegoedkeuring hebben, is alleen artikel 9.02 van toepassing. 9.01 lid 1 tot en met 4 Algemene bepalingen Voor motoren die voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de montage en de typegoedkeuring die van kracht waren op de datum van montage: N.V. 9.06 Inbouwkeuring **HOOFDSTUK 10** 10.01 lid 1, 2^e zin Benodigde documenten voorleggen aan de Commissie van deskundigen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 lid 2, onder b Aan boord moeten zich schema’s van de hoofdschakelbord, noodschakelbord en verdeelschakelborden bevinden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 lid 2, onder e Schema’s van de schakelborden en documentatie van de elektrische aandrijvingsmotoren N.V.O. lid 2, onder f Schema’s voor elektronische systemen N.V.O. lid 2, onder g Schema’s van de stuurstroomkringen N.V.O. lid 3 Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.02 Systemen voor de energieverzorging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.03 Beschermingsgraad in functie van de standplaats N.V.O. 10.04 Bescherming tegen explosie N.V.O. 10.05 lid 4 Doorsnede van de aardleiding N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.06 lid 1, tabel Draaistroom N.V.O. 10.08 lid 1 Naleving van de Europese normen EN 15869-1, EN 15869-3 en EN 16840 N.V.O. 10.10 lid 2 Plaatsing van transformatoren N.V.O. lid 3 Gescheiden primaire en secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. lid 4 Stroomvoorziening door secundaire spoelen van transformatoren N.V.O. lid 5 Type- en vermogensplaatje van motoren, generatoren, transformatoren N.V.O. 10.11 lid 3 Ventilatie van bedrijfsruimten en kasten naar het open dek N.V.O. lid 7 Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 12 Dimensionering van de laadinrichtingen N.V.O. lid 13 Automatische laadinrichtingen N.V.O. lid 14 Maximale laadspanning N.V.O. lid 15 Europese Normen EN 62619 en EN 62620 voor secundaire lithium-ionen-accumulatoren N.V.O. lid 16 Accumulatormanagementsystemen N.V.O. 10.12 lid 2 onder d Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 lid 3 onder b Aardfoutbewakingsinrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.13 Nooduitschakeltoestellen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.14 lid 3, tweede zin Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 10.15 lid 2 Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm^2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 10 Kabels naar in hoogte verstelbare stuurhuizen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. lid 11 Doorvoeringen van kabelbundels N.V.O. lid 12 Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden N.V.O. lid 13 Kabels in zones met verhoogde omgevingstemperatuur N.V.O. lid 14 Leggen van hoofd- en noodstroomverzorgingskabels N.V.O. 10.16 lid 3, tweede zin Tweede stroomkring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.18 lid 1 Mogelijke afkoppeling van het stroomnet N.V.O. lid 2 Toegankelijkheid N.V.O. lid 3 Galvanische scheiding van sturings- en stroomvoorziening N.V.O. lid 4 Spannings- en frequentieafwijkingen N.V.O. lid 5 Ontladingsduur bij loskoppeling van het net N.V.O. lid 6 Maatregelen bij het uitvallen van externe sturingssignalen N.V.O. lid 7 Maatregelen bij het uitvallen van sturingsspanning N.V.O. lid 8 Detectie van storingen en voorkomen van verborgen fouten N.V.O. lid 9 Bewaking N.V.O. lid 10 Typegoedkeuring N.V.O. 10.19 Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 10.20 Testvoorwaarden voor elektronische installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 10.21 Elektromagnetische compatibiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 **HOOFDSTUK 13** 13.01 Ankeruitrusting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 13.02 lid 3, onder a Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk na 30.12.2024 Voor de tweede en derde tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk na 30.12.2029 13.03 lid 1 Europese norm N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 2 Geschiktheid voor brandklasse A, B en C N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 lid 4 Hoeveelheid CO_2 en inhoud van de ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 13.04 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 13.05 Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers Vóór 1 oktober 1985 vast ingebouwde CO_2-brandblusinstallaties mogen, wanneer zij voldoen aan artikel 16.03 van deze standaard, worden gebruikt tot de verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 13.07 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 13.08 lid 2 Opblaasbare zwemvesten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 Zwemvesten die op 29.12.2008 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 **HOOFDSTUK 14** 14.02 lid 4 Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken N.V.O.^1 14.04 lid 1 Vrije breedte van de gangboorden Voor schepen met *B* > 7,30 *m*, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035^2 lid 2 Relingen van gangboorden N.V.O. 14.05 lid 1 Toegang tot de werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 2 en 3 Deuren, in- en uitgangen en gangen die hoogteverschillen van meer dan 0,50 m hebben N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. lid 4 Trappen bij permanent bezette werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 14.06 lid 2 Uitgangen en nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 14.07 lid 1, 2^e zin Klimvoorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 2 en 3 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 14.10 Luiken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 14.11 Lieren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2024 14.12 lid 2 tot en met 6 en lid 8 tot en met 10 Kranen: fabriekslabel, maximaal toelaatbare bedrijfslast, beveiliging, rekenkundig bewijs, controle door deskundige, documenten aan boord N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 14.13 Opslag van brandbare vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. **HOOFDSTUK 15** 15.01 lid 1 Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 15.02 lid 3 Positie van de vloer N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 4 Woon- en slaapruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 5 Geluidshinder en trillingen in verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029 lid 6 Stahoogte in verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 8 Vloeroppervlak in woonruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 9 Inhoud van ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 10 Luchtvolume per persoon N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 11 Afmetingen van deuren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 12, onder a en b Aanbrengen van trappen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 13 Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 15.03 Sanitaire voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 15.04 Keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 15.05 Drinkwaterinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 15.06 Verwarming en ventilatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 15.07 lid 1, 2^e zin Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 **HOOFDSTUK 18** 18.01 lid 2, tabel 1 en 2, en lid 5 Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen N.V.O. voor zover a) de grens- en controlewaarden de waarden van fase II met niet meer dan de factor 2 overschrijden; b) de boordzuiveringsinstallatie over een certificaat van de fabrikant of een erkend deskundige beschikt, waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het schip kenmerkende belasting aankan, en c) een zuiveringsslibmanagement beschikbaar is, dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersschip voldoet. Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 1 december 2011 overeenkomstig de voorschriften van Besluit 2010-II-27 van de CCR (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 10 januari 2013 overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2012/49/EU (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt. **HOOFDSTUK 19** Passagiersschepen Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’. Geldt voor alle bepalingen van hoofdstuk 19 met uitzondering van de navolgend vermelde bepalingen. 19.01 lid 5 en 6 De dode hoek voor de boeg niet meer dan tweemaal de scheepslengte of 250 m Voldoende zicht naar achteren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2049 19.11 lid 1 Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen Voor de materialen en onderdelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Internationale Code voor brandtestprocedures (FTP-Code) aangenomen bij resolutie MSC.61(67)^3: N.V.O. **HOOFDSTUK 20** Zeilende passagiersschepen Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’. **HOOFDSTUK 21** 21.01 lid 2 Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 lid 3, laatste zin Eisen met betrekking tot aandrijvingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2049 **HOOFDSTUK 22** Drijvende werktuigen Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’. **HOOFDSTUK 26** Pleziervaartuigen Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’. **HOOFDSTUK 29** 29.02 lid 3 Tweede aandrijfinstallatie voor stuurmachines N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2029^1 De vaartuigen moeten echter uiterlijk bij verlenging van het binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 aan de volgende eisen voldoen:
– Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. - Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.^2 Dit artikel geldt voor schepen waarvan de kiel is gelegd ná 31.12.1994 en voor in bedrijf zijnde schepen met in acht name van het volgende:
Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd: a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd; b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.^3 MSC.61(67) aangenomen op 5 december 1996 – Internationale Code voor brandtestprocedures.
-
- – Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst.
-
- Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
- Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd:
- a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd;
- b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.
Artikel 33.03
-
- Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1985 mogen, aanvullend aan de overgangsbepalingen van artikel 33.02, de hierna genoemde overgangsbepalingen worden toegepast, mits de veiligheid van het vaartuig en de bemanning op passende wijze is gewaarborgd.
-
-
In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum.
Artikel en lid Inhoud Termijn en voorwaarden **HOOFDSTUK 3** 3.03 lid 1 Waterdichte schotten N.V.O. lid 2 Verblijven, veiligheidsinstallaties N.V.O. lid 5 Openingen in schotten N.V.O. 3.04 lid 2 Gemeenschappelijke scheidingsvlakken N.V.O. lid 7 Ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk N.V.O. **HOOFDSTUK 4** 4.01 lid 1 Veiligheidsafstand N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 30.12.2019 4.02 Vrijboord N.V.O. **HOOFDSTUK 6** 6.01 lid 3 Uitvoering van de stuurinrichting N.V.O. **HOOFDSTUK 7** 7.01 lid 2 Niveau van de geluidsdruk N.V.O. 7.05 lid 2 Controle van de navigatielantaarns Verlenging van het binnenschipcertificaat. 7.12 In de hoogte verstelbare stuurhuizen N.V.O. **HOOFDSTUK 8** 8.01 lid 3 Verbod op bepaalde brandstoffen N.V.O. 8.04 Uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat. 8.05 lid 13 Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn N.V.O. 8.08 lid 2 Aanwezigheid van lenspompen N.V.O. 8.08 lid 3 en 4 Minimale capaciteit en diameter van de lensleidingen N.V.O. 8.08 lid 5 Zelfaanzuigende lenspompen N.V.O. 8.08 lid 6 Zuigkorf N.V.O. 8.08 lid 7 Zelfsluitende aftapinrichting N.V.O. 8.10 lid 2 Door een varend schip voortgebracht geluid N.V.O. **HOOFDSTUK 10** 10.01 lid 2 Documenten voor de elektrische installaties N.V.O. 10.01 lid 3 Ontwerp van elektrische installaties N.V.O. 10.06 Ten hoogste toegelaten spanningen N.V.O. 10.10 Generatoren, motoren en transformatoren N.V.O. 10.11 lid 2 Opstelling van accumulatoren N.V.O. 10.12 lid 2 Schakelaars, beveiligingen N.V.O. 10.14 lid 3 Gelijktijdige schakeling N.V.O. 10.15 Kabels N.V.O. 10.16 lid 3 Verlichting machinekamer N.V.O. 10.17 lid 1 Schakelborden voor navigatielantaarns N.V.O. 10.17 lid 2 Voeding van navigatielantaarns N.V.O. **HOOFDSTUK 13** 13.01 lid 9 Lieren voor ankers van meer dan 50 kg N.V.O. 13.07 lid 1 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O. 13.08 lid 1 Reddingsboeien overeenkomstig norm N.V.O. 13.08 lid 2 Reddingsvesten overeenkomstig norm N.V.O. **HOOFDSTUK 14** 14.11 lid 2 Borging van de lieren N.V.O. **HOOFDSTUK 15** 15.02 lid 3 Leidingen van gevaarlijke gassen en gevaarlijke vloeistoffen N.V.O.
-