rijk/ministeriele-regeling/ijkregeling-vloeistofhoogtemeters/BWBR0009113
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
IJkregeling vloeistofhoogtemeters BWBR0009113 ministeriele-regeling geldend 1998-01-24 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009113 IJkregeling vloeistofhoogtemeters

IJkregeling vloeistofhoogtemeters

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

In deze regeling wordt mede verstaan onder:

Artikel 3

De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft vloeistofhoogtemeters in acht worden genomen bij:

a. a. het onderzoek tot toelating van een model; b. b. de keuring; c. c. de herkeuring; d. d. het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet; e. e. het toezicht.

Artikel 3a

Met de vloeistofhoogtemeters die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld vloeistofhoogtemeters die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Titel 1. Technische Voorschriften

Paragraaf 1. Algemene voorschriften

Artikel 4

1. Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn samengesteld, dat de onveranderlijkheid van de meting zowel door het materiaal, waaruit zij vervaardigd is, als door een goede bewerking voldoende is gewaarborgd.

2. De samenstelling moet tevens zekerheid bieden tegen verandering van de meeteigenschappen.

Artikel 5

Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn samengesteld, dat bij een verandering van:

a. a. de volumieke massa van de vloeistof, waarvan de hoogte van de vloeistofspiegel wordt gemeten, wordt voldaan aan artikel 35; b. b. de temperatuur van de vloeistofhoogtemeter en de voedingsspanning, indien de vloeistofhoogtemeter elektrisch wordt gevoed, wordt voldaan aan artikel 29.

Artikel 6

De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, moet zodanig geschieden, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd.

Artikel 7

1. Een vloeistofhoogtemeter moet een vaste positie ten opzichte van de wand van het meetreservoir innemen.

2. Indien daartoe aanleiding bestaat, moet de vloeistofhoogtemeter in de stand, bedoeld in het eerste lid, zodanig verzegeld kunnen worden, dat verplaatsing van de vloeistofhoogtemeter ten opzichte van het meetreservoir niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen.

Artikel 8

Het meetreservoir moet voorzien zijn van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 9

Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden.

Artikel 10

Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter moet kunnen worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet.

Artikel 11

Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden.

Paragraaf 2. Bijzondere voorschriften voor aanwijsinrichtingen

Artikel 12

Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel 13

1. Bij een vloeistofhoogtemeter kunnen meerdere verre-aanwijsinrichtingen behoren.

2. Een verre-aanwijsinrichting kan bij meerdere vloeistofhoogtemeters behoren, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel 14

De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn.

Artikel 15

1. Bij een aanwijsinrichting met continue aanwijzing moet de onderlinge afstand tussen de verdeelstrepen ten minste 1 mm zijn.

2. Bij een aanwijsinrichting met discontinue aanwijzing moet de hoogte van de cijfers van de aanwijzingen ten minste 4 mm zijn.

Artikel 16

Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, moet de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaatsvinden, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen.

Artikel 17

1. De aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter moet, indien zij ten gevolge van een storing in de voedingsspanning foutief zou kunnen aanwijzen, van een inrichting zijn voorzien, die bij een zodanige storing een duidelijke indicatie geeft dat de aanwijzing foutief is, hetzij door blokkering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal.

2. Verre-aanwijzing dient bij storing in de transmissie of in het instrument zelf niet tot stand te komen dan wel een duidelijke indicatie te bevatten, dat een dergelijke storing is opgetreden.

Artikel 18

1. Een vloeistofhoogtemeter moet zodanig zijn opgesteld, dat de hoogten van alle niveaustanden in het meetreservoir die redelijkerwijs moeten kunnen worden gemeten, kunnen worden aangewezen.

2. Indien de maximale niveaustand in het meetreservoir hoger is dan de hoogst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd dat de aanwijzing foutief kan zijn.

3. Indien de minimale niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing van de vloeistofhoogtemeter, moet, hetzij door blindering van de aanwijzing, hetzij door een alarmsignaal, worden geïndiceerd, dat de aanwijzing foutief kan zijn of moet bij de aanwijzing een opschrift de minimumaanwijzing vermelden.

Artikel 19

1. Indien bij een vloeistofhoogtemeter gegevens handmatig kunnen worden ingebracht, moet aan de presentatie van de parameter op de aanwijsinrichting worden toegevoegd het symbool H voor handinvoer of M voor manual input dan wel een tekst die duidelijk maakt dat het een handmatig ingevoerde parameter betreft.

2. Aan de presentatie van een waarde, welke wordt berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter, moet op de aanwijsinrichting worden toegevoegd het symbool B voor berekend of C voor calculated dan wel een tekst die duidelijk maakt dat de waarde is berekend met gebruikmaking van een handmatig ingevoerde parameter.

Artikel 20

1. In de nabijheid van de aanwijzing moet een verklaring van de verschillende symbolen zijn aangebracht of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan deze verklaring kan komen.

2. Alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen, moeten oproepbaar zijn.

Artikel 21

Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting, moeten in afwijking van artikel 20 op het afdrukpapier zijn vermeld:

a. a. een verklaring van de verschillende symbolen of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan een verklaring kan komen; b. b. alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen.

Artikel 22

De artikelen 19, 20 en 21 zijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting.

Artikel 23

Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, moet dit door middel van een symbool kenbaar worden gemaakt.

Artikel 24

Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte.

Artikel 25

Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, moeten de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt zijn, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden.

Paragraaf 3. Bijzondere voorschriften voor meetwaarde-opnemers

Artikel 26

1. In de directe nabijheid van de meetkoker, die gebruikt wordt voor nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte, moet een meetwaarde-opnemer aanwezig zijn.

2. Bij verticale, cilindrische meetreservoirs mag de meetwaarde-opnemer niet binnen een afstand van 500 mm van de reservoirwand zijn gesitueerd.

Artikel 27

Een meetwaarde-opnemer moet zodanig zijn gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen.

Artikel 28

Een meetwaarde-opnemer moet op een zodanige wijze worden beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven.

Titel 2. Metrologische voorschriften

Paragraaf 1. Maximaal toelaatbare fouten

Artikel 29

1.

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoogte is:

a. a. bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring: plus of min ((0,1 + 0,1L) + 2) mm, b. b. bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht: plus of min ((0,2 + 0,2L) + 2) mm, waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte in meters aangeeft.

2.

De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet kleiner te zijn dan:

a. a. bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring: plus of min 2,6 mm; b. b. bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht: plus of min 3,2 mm.

Artikel 30

1. Als eis van gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter geldt, dat verandering van de hoogte van een vloeistofspiegel van 2,6 mm een verandering in de aanwijzing van die hoogte van ten minste 1 mm veroorzaakt.

2. Indien de gevoeligheid van een vloeistofhoogtemeter afhankelijk is van de volumieke massa van de vloeistof waarvan de hoogte wordt gemeten, wordt die volumieke massa niet kleiner dan 500 kg/m

Artikel 31

De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig artikel 29.

Artikel 32

Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft.

Artikel 33

Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Paragraaf 2. Verandering van omstandigheden

Artikel 34

Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel 35

Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/m^3 en 1000 kg/m^3, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/m^3 naar 600 kg/m^3 geen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel 36

Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in artikel 35, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel 37

Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a.

Artikel 38

1. Indien de voortplantingssnelheid van de elektromagnetische golven door de dampsamenstelling wordt beïnvloed, mag bij een verandering van de dampsamenstelling dan wel van de dampconcentratie in de lege ruimte van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan 1,6 mm x (referentiehoogte - L) / referentiehoogte, waarbij L het hele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde nominale waarde van de gemeten hoogte aangeeft en de referentiehoogte gelijk is aan de waarde, bedoeld in artikel 39, onder e.

2. De referentiehoogte en de waarde L moeten in gelijke eenheden worden weergegeven.

Titel 3. Opschriften

Artikel 39

Op iedere vloeistofhoogtemeter moeten, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, zijn vermeld:

a. a. de naam en de woonplaats van degene die de vloeistofhoogtemeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk; b. b. het jaar waarin de vloeistofhoogtemeter is vervaardigd en het fabrieksnummer; c. c. het nummer van de betrokken verklaring van toelating; d. d. de identificatie van het meetreservoir, waarop de vloeistofhoogtemeter is bevestigd; e. e. het opschrift het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt; f. f. elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de vloeistofhoogtemeter door de ijkinstelling noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Artikel 40

Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, moet op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat zijn aangebracht, waarop zijn vermeld:

a. a. het identificatienummer van de inrichting; b. b. een identificatie van het meetreservoir waarop de aanwijzing betrekking heeft.

Artikel 41

1.

Indien een verre-aanwijsinrichting behoort bij meerdere vloeistofhoogtemeters, moet op of in de onmiddellijke nabijheid van die inrichting een plaat zijn aangebracht, waarop zijn vermeld:

a. a. het identificatienummer van de inrichting; b. b. met het opschrift De ijkmerken hebben betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ....

2. De in het eerste lid bedoelde plaat kan achterwege blijven, indien op andere wijze ondubbelzinnig wordt aangegeven of de aangewezen meetwaarde al of niet is verkregen met behulp van goedgekeurde vloeistofhoogtemeters of meetreservoirs.

Artikel 42

1. Indien twee of meer verre-aanwijsinrichtingen, behorende bij twee of meer vloeistofhoogtemeters, tezamen in één behuizing zijn ondergebracht, is artikel 40 van toepassing op elke inrichting afzonderlijk.

2. In de onmiddellijke nabijheid van de verre-aanwijsinrichting mag daarnaast een plaat zijn aangebracht met het opschrift De ijkmerken hebben betrekking op de aanwijzing van de vloeistofhoogte in de meetreservoirs met nummers ....

Artikel 43

Inrichtingen als bedoeld in artikel 11, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen moeten zijn voorzien van het opschrift niet geijkte hulpinrichting.

Artikel 44

Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, moeten de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift dragen waaruit die beperkte bestemming blijkt.

Titel 4. IJkmerken

Artikel 45

1. Bij een vloeistofhoogtemeter waarbij de inrichtingen in één behuizing zijn ondergebracht, moet op de behuizing, in de nabijheid van de opschriften, een duidelijk zichtbare voorziening aanwezig zijn voor het aanbrengen van ijkmerken.

2. Indien de opschriften op een afzonderlijke plaat zijn vermeld, moeten de ijkmerken zodanig worden aangebracht, dat verwijdering van de opschriftenplaat niet mogelijk is zonder de ijkmerken te beschadigen.

Artikel 46

1. Bij een vloeistofhoogtemeter waarvan één of meer inrichtingen gescheiden zijn opgesteld, moet een zegelmerk worden aangebracht op elke gescheiden opgestelde inrichting.

2. Bij een verre-aanwijsinrichting moet het zegelmerk zodanig worden aangebracht, dat verwijdering of verandering van de bij die inrichting vermelde opschriften niet mogelijk is zonder het zegelmerk te beschadigen.

Artikel 47

Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, moeten de ijkmerken worden aangebracht als aangegeven in artikel 45.

Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen voor vloeistofhoogtemeters met elektronische componenten

Artikel 48

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 49

1. Bij het onderzoek tot toelating van een model moeten elektronische inrichtingen tijdens blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de artikelen 51, 52 en 54, correct functioneren dan wel elk niet correct functioneren op adequate wijze signaleren.

2. Tijdens de blootstelling aan de omgevingscondities, omschreven in de artikelen 51, 52 en 54, moeten de elektronische inrichtingen worden gemonteerd en in werking gesteld in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant.

Artikel 50

1. Tijdens een proef wordt in beginsel slechts één invloedsfactor gevarieerd, waarbij iedere andere invloedsfactor op de nominale waarde wordt gehouden.

2. Gedurende de proef moet de elektronische inrichting normaal in werking zijn.

Artikel 51

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit:

a. a. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 38% gedurende 2 uur; b. b. een stabiele omgevingstemperatuur van 5 °C gedurende 2 uur.

Artikel 52

1.

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in de vrije atmosfeer, bestaat uit:

a. a. een stabiele omgevingstemperatuur van +55 °C en een relatieve vochtigheid van 19% gedurende 2 uur; b. b. een stabiele omgevingstemperatuur van 25 °C gedurende 2 uur; c. c. een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 93% gedurende een periode van 4 dagen; d. d. plaatsing van de elektronische inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C en een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, gevolgd door twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens:

        1°.
         in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd tot 55 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 93% bedraagt;
      
      
        2°.
         de temperatuur van 55 °C ± 2 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93% ± 3%;
      
      
        3°.
         in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C ± 3 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt;
      
      
        4°.
         de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.

1°. 1°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd tot 55 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 93% bedraagt; 2°. 2°. de temperatuur van 55 °C ± 2 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93% ± 3%; 3°. 3°. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C ± 3 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt; 4°. 4°. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.

2. De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.

Artikel 53

De omgevingstemperaturen, bedoeld in de artikelen 51 en 52, worden als stabiel beschouwd, indien:

a. a. het verschil tussen de tijdens de blootstelling optredende hoogste en laagste temperatuur niet meer bedraagt dan 5 °C, en b. b. de verandering van de temperatuur tijdens de blootstelling niet meer bedraagt dan 1 °C/min.

Artikel 54

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit:

a. a. een voedingsspanning, variërend tussen -15% en +10% van de nominale voedingsspanning; b. b. 10 onderbrekingen en reducties van de voedingsspanning, waarbij, uitgaande van een netfrequentie van 50 Hz en een nominale spanning met een effectieve waarde van 220 V, de amplitude wordt teruggebracht tot:

      1°.
       0 V gedurende een halve periode,
    
    
      2°.
       110 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt;

1°. 1°. 0 V gedurende een halve periode, 2°. 2°. 110 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt; c. c. pulsvormige netverontreiniging, waarbij op de voedingsspanning een burst wordt gesuperponeerd, die voldoet aan onderstaande specificaties, zowel in common mode als in differential mode:

      piekwaarde (V): 1000
    
    
      stijgtijd (ns): 5
    
    
      tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50
    
    
      totale burstlengte (ms): 15
    
    
      herhalingsinterval (ms): 300,
    
    
      waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht;
  • piekwaarde (V): 1000
  • stijgtijd (ns): 5
  • tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50
  • totale burstlengte (ms): 15
  • herhalingsinterval (ms): 300,
  • waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht; d. d. ten minste 10 ontladingen via de elektronische inrichting, die tot stand komen, nadat een capaciteit van 150 pF door een gelijkspanningsbron tot 8 kV is opgeladen, door de capaciteit met een elektrostatische lading van 1,2 mC te ontladen door een aansluiting met het geaarde chassis te verbinden en de andere aansluiting via een weerstand van 150 W naar een vlak van de elektronische inrichting, waarbij het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende ontladingen ten minste 10 seconden bedraagt, met dien verstande dat elektronische inrichtingen die niet met een geaard chassis zijn uitgevoerd, op een geaarde plaat worden gezet, welke ten minste 0,1 m uitsteekt aan alle zijden van de inrichting; e. e. een veldsterkte van 10 V/m, 50% AM-gemoduleerd met een blokgolf welke een frequentie heeft van 1 kHz, die wordt aangebracht in het frequentiegebied van 0,1 MHz tot 1 GHz, waarbij ten minste 1 m van de horizontaal vanaf de elektronische inrichting weglopende externe bekabeling tijdens de proef aan het veld wordt blootgesteld.

Artikel 55

1. Indien een vloeistofhoogtemeter met controlefaciliteiten is uitgerust, moeten de actuele werking en de correcte werking van deze faciliteiten bepaald kunnen worden.

2. Indien geen significante fouten optreden als de vloeistofhoogtemeter aan verstoringen wordt blootgesteld, is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 56

Toetsing aan de voorschriften van dit hoofdstuk vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 57

In afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2 en 3 geldt dat vloeistofhoogtemeters, die

a. a. zijn vervaardigd overeenkomstig een toegelaten model dat is onderzocht overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989, of b. b. voor 1 mei 1989 zijn aangewezen krachtens artikel 11, derde lid, van de wet en zijn goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989, bij de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht moeten voldoen aan de bepalingen van de IJkbeschikking, zoals deze luidden tot 1 mei 1989.

Artikel 58

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) vastgestelde besluiten op deze regeling.

Artikel 59

De IJkregeling vloeistofhoogtemeters (Stcrt. 1989, 81) wordt ingetrokken.

Artikel 60

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 61

Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling vloeistofhoogtemeters.