rijk/ministeriele-regeling/inkomensbesluit-aow-1996/BWBR0008136
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Inkomensbesluit AOW 1996 BWBR0008136 ministeriele-regeling geldend 1996-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0008136 Inkomensbesluit AOW 1996

Inkomensbesluit AOW 1996

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Inkomen uit arbeid

Artikel 2

Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11 van de wet wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan:

a. a. opbrengst van arbeid; b. b. winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep.

Artikel 3

1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover deze arbeid door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt verricht, verstaan het loon in de zin van die wet.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:

a. a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer; b. b. een loondervingsuitkering; c. c. een aanvulling op een loondervingsuitkering; d. d. vakantie-uitkering.

3. In afwijking van het tweede lid, onderdelen b en c, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, alsmede aanvullingen op die uitkeringen als opbrengst van arbeid beschouwd.

Artikel 4

1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voor zover deze arbeid in dienstbetrekking wordt verricht doch niet door een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen, verstaan de gelden en alle andere voordelen die als beloning voor die arbeid worden genoten.

2. Ten aanzien van de gelden en alle andere voordelen uit de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde bij artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:

a. a. een uitkering, die naar aard en strekking met een loondervingsuitkering overeenkomt; b. b. een aanvulling daarop; c. c. vakantie-uitkering.

4. In afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, worden voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, uitkeringen terzake van werkloosheid alsmede aanvullingen daarop als opbrengst van arbeid beschouwd.

Artikel 5

1. Onder opbrengst van arbeid, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt, voorzover deze arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht, verstaan het belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet.

2. Het bij of krachtens artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde is met betrekking tot het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3. Voorzover over de opbrengst van arbeid, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt van dit inkomen slechts een deel in aanmerking genomen. Dit deel is gelijk aan het quotiënt van 100 en de som van 100 en het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6

1. Onder winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot die winst.

2. Indien de berekening van de in het eerste lid bedoelde winst leidt tot een negatief bedrag, wordt die winst op nihil gesteld.

3. Van de winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals vastgesteld op grond van het eerste en tweede lid, wordt slechts een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en de echtgenoot dan wel de pensioengerechtigde geen vergoeding ontvangt ter zake van de in de onderneming verrichte arbeid, wordt ter vaststelling van het deel van de met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid berekende winst, dat de echtgenoot toekomt, de winst vermenigvuldigd met de factor a/b, waarbij:

a. a. het loon voorstelt van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot en b. b. de som voorstelt van het onder a bedoelde loon en het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de pensioengerechtigde.

Paragraaf 3. Inkomen in verband met arbeid

Artikel 7

1.

Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 11 van de wet wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:

a. a. een loondervingsuitkering alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmee overeenkomen, met uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, en artikel 4, vierde lid, als opbrengst van arbeid worden beschouwd; b. b. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, die ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten; c. c. een uitkering op grond van een pensioenregeling, voorzover niet begrepen onder a; d. d. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; e. e. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag of op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen; f. f. loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voorzover niet begrepen onder a, b, c, d, e, j en k; g. g. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 alsmede een beurs, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; h. h. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf; i. i. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de Landbouw; j. j. een uitkering ingevolge de wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba, een volkenrechtelijke organisatie of een of meer andere Mogendheden, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in dit lid, voorzover niet al begrepen onder a, of met een nabestaandenuitkering, met uitzondering van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of met zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; k. k. het bedrag van de uitkering bedoeld in onderdeel j, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan; l. l. een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd:

a. a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen te ontvangen, voor zover deze niet worden gedekt door stortingen van degene die het desbetreffende inkomen geniet; b. b. een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald; c. c. het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd met toepassing van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of 63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een combinatie van deze artikelen; d. d. vakantie-uitkering, over de in het eerste lid genoemde inkomensbestanddelen; e. e. een vakantie-bon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder d; f. f. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder, die niet als werknemer in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt beschouwd; g. g. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.

4. Voorzover over een inkomen als genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantieuitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. De laatste volzin van artikel 5, derde lid is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.

5. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, gekort of geweigerd is op grond van een bestuurlijke boete of maatregel, wordt voor de toepassing van dit besluit als inkomen beschouwd de uitkering zonder deze korting of weigering.

Paragraaf 4. Bepaling van het inkomen

Artikel 8

1. Het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de maand gesteld op 21,75 dagen.

3. Bij per maand wisselende inkomsten kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per maand worden bepaald, waarna per periode van zes maanden een herberekening plaatsvindt.

Artikel 9

1. De noodzakelijke omrekening van het in een buitenlandse munteenheid uitgedrukte inkomen uit of in verband met arbeid in de Nederlandse munteenheid geschiedt voor zover het een inkomen betreft dat is uitgedrukt in de munteenheid van een lid-staat van de Europese Gemeenschap volgens de op basis van artikel 107 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 maart 1972 (Pb EG L74) tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 vastgestelde kwartaalkoersen, en voor zover het een inkomen betreft dat niet is uitgedrukt in de munteenheid van een lid-staat met behulp van de door De Nederlandsche Bank NV geadviseerde wisselkoersen.

2.

Een wijziging van de in het eerste lid bedoelde koers beïnvloedt het op grond van artikel 8 vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:

1e bij wijziging van het inkomen uit of in verband met arbeid, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en 2e tenminste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.

Artikel 10

Indien de toepassing van dit besluit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, bepaalt de Sociale verzekeringsbank het inkomen op andere wijze.

Artikel 11

Vervallen.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 12

Het Inkomensbesluit AOW wordt ingetrokken.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1996.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit AOW 1996.