rijk/ministeriele-regeling/investeringsregeling-markt-en-concurrentiekracht/BWBR0008830
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Investeringsregeling markt en concurrentiekracht BWBR0008830 ministeriele-regeling geldend 1997-07-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0008830 Investeringsregeling markt en concurrentiekracht

Investeringsregeling markt en concurrentiekracht

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

Artikel 1.2

De minister kan op grond van de volgende bepalingen ter stimulering van de verbetering van de structuur van de productie, de verwerking en de afzet van landbouw-, visserij- en bosbouwproducten subsidie verlenen voor vernieuwende investeringsprojecten.

Artikel 1.3

1. De minister stelt ieder begrotingsjaar of per aanvraagperiode een subsidieplafond vast voor op grond van deze regeling te verlenen subsidies. Hij geeft hiervan kennis in de Staatscourant.

2. De minister stelt ieder begrotingsjaar of per aanvraagperiode de wijze van verdeling van het subsidieplafond vast.

3. Indien het subsidieplafond wordt overschreden, kan de minister besluiten dat geen aanvragen tot subsidieverlening meer kunnen worden ingediend. De minister geeft kennis van dit besluit in de Staatscourant.

Paragraaf 2. Investeringsprojecten primaire landbouw

Artikel 2.1

Een subsidie voor een investeringsproject op een landbouwbedrijf kan uitsluitend worden verleend indien het is gericht op:

  • verbetering van de kwaliteit en omschakeling van de productie op basis van de eisen van de markt en, in voorkomend geval, tot het voldoen aan de communautaire kwaliteitseisen,
  • diversificatie van de bedrijfsactiviteiten, met name door toeristische en ambachtelijke activiteiten of de productie en de verkoop op het bedrijf van producten van het bedrijf,
  • aanpassing van het bedrijf om de productiekosten te drukken,
  • verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden,
  • aanpassing van het bedrijf om energie te besparen,
  • verbetering van de hygiëne in de veehouderijen,
  • verbetering van het welzijn van dieren of
  • bescherming en verbetering van het milieu.

Artikel 2.2

1.

In afwijking van artikel 2.1 wordt de subsidieverlening geweigerd voor een investeringsproject in:

  • de sector melkproductie indien het investeringsproject tot gevolg heeft dat:

          de ten aanzien van het bedrijf van de aanvrager toegewezen referentiehoeveelheid wordt overschreden en
    
    
          het aantal melkkoeien stijgt tot meer dan 50 per volle arbeidskracht en tot meer dan 80 per bedrijf of, indien het bedrijf over meer dan 1,6 volle arbeidskrachten beschikt, het aantal melkkoeien meer dan 15% stijgt,
    
  • de ten aanzien van het bedrijf van de aanvrager toegewezen referentiehoeveelheid wordt overschreden en

  • het aantal melkkoeien stijgt tot meer dan 50 per volle arbeidskracht en tot meer dan 80 per bedrijf of, indien het bedrijf over meer dan 1,6 volle arbeidskrachten beschikt, het aantal melkkoeien meer dan 15% stijgt,

  • de varkenshouderij indien het investeringsproject tot gevolg heeft dat het aantal varkensplaatsen stijgt, waarbij een plaats voor een fokzeug overeenkomt met 6,5 plaatsen voor mestvarkens,

  • de rundvleessector indien:

           voorzover het investeringen als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a tot en met e betreft, na de uitvoering van het investeringsproject meer dan 2,0 of, indien het totale aantal grootvee-eenheden op het landbouwbedrijf niet groter is dan 15, meer dan 3,0 grootvee-eenheden aan vleesrunderen per hectare voederareaal aanwezig zijn, en
    
    
          voorzover het investeringen als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen f tot en met h betreft, het investeringsproject een vergroting van de productiecapaciteit, gerekend in grootvee-eenheden, van de productierichting rundvlees tot gevolg heeft,
    
  • voorzover het investeringen als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a tot en met e betreft, na de uitvoering van het investeringsproject meer dan 2,0 of, indien het totale aantal grootvee-eenheden op het landbouwbedrijf niet groter is dan 15, meer dan 3,0 grootvee-eenheden aan vleesrunderen per hectare voederareaal aanwezig zijn, en

  • voorzover het investeringen als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen f tot en met h betreft, het investeringsproject een vergroting van de productiecapaciteit, gerekend in grootvee-eenheden, van de productierichting rundvlees tot gevolg heeft,

  • de sector pluimvee en eieren indien:

           het gaat om andere investeringen dan die ter bescherming en verbetering van het milieu, ter verbetering van de hygiëne in veehouderijen en ter verbetering van het welzijn van dieren en
    
    
          voorzover het gaat om investeringen ter bescherming en verbetering van het milieu, ter verbetering van de hygiëne in veehouderijen en ter verbetering van het welzijn van dieren, deze investeringen een vergroting van de productiecapaciteit, uitgedrukt in Nederlandse grootte-eenheden zoals die gelden op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening, van de productierichting pluimvee en eieren tot gevolg hebben.
    
  • het gaat om andere investeringen dan die ter bescherming en verbetering van het milieu, ter verbetering van de hygiëne in veehouderijen en ter verbetering van het welzijn van dieren en

  • voorzover het gaat om investeringen ter bescherming en verbetering van het milieu, ter verbetering van de hygiëne in veehouderijen en ter verbetering van het welzijn van dieren, deze investeringen een vergroting van de productiecapaciteit, uitgedrukt in Nederlandse grootte-eenheden zoals die gelden op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening, van de productierichting pluimvee en eieren tot gevolg hebben.

2. Indien op het bedrijf van de aanvrager na afloop van het investeringsproject meer dan 40 varkenseenheden per ha cultuurgrond aanwezig zijn, wordt in afwijking van artikel 2.1 de subsidieverlening geweigerd.

3. Subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen f tot en met h, die wordt aangevraagd door een landbouwbedrijf waarvan het arbeidsinkomen per volle arbeidskracht op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening 120% of meer bedraagt van het overeenkomstig artikel 6.5, tweede lid, vastgestelde referentie-inkomen, wordt slechts verleend indien deze investeringsprojecten niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit.

Artikel 2.3

1.

Een natuurlijke persoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1, indien:

  • hij als bedrijfshoofd voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, exploiteert,

  • zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt,

  • zijn onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend,

  • hij over voldoende vakbekwaamheid beschikt; te dien einde bezit hij ten minste een getuigschrift van een landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau of is hij ten minste drie jaren op een landbouwbedrijf werkzaam geweest en

  • hij een boekhouding voert die ten minste voldoet aan de volgende voorwaarden:

          het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en 
    
    
           het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
    
  • het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en

  • het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.

2. Indien op het landbouwbedrijf van de natuurlijke persoon waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend minder dan drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag landbouwactiviteiten zijn verricht, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, het onzuiver inkomen van de natuurlijke persoon berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Indien er nog geen gegevens voorhanden zijn, wordt het onzuiver inkomen berekend op basis van de gegevens van het volledige kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 2.4

1.

Een rechtspersoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1, indien:

  • hij blijkens de op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening van kracht zijnde statuten de exploitatie van een landbouwbedrijf ten doel heeft,

  • de arbeidsduur van het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt,

  • zijn winst gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en

  • het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd over voldoende vakbekwaamheid beschikt; te dien einde bezit hij ten minste een getuigschrift van een landbouwkundige opleiding of van een opleiding van een hiermee gelijkwaardig niveau of is hij ten minste drie jaren op een landbouwbedrijf werkzaam geweest.

  • hij een boekhouding voert die ten minste voldoet aan de volgende voorwaarden:

          het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en 
    
    
          het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
    
  • het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken, en

  • het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.

2. Indien op het landbouwbedrijf van de rechtspersoon waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend minder dan drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag landbouwactiviteiten zijn verricht, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, de winst van de rechtspersoon berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Indien er nog geen gegevens voorhanden zijn, wordt de winst berekend op basis van de gegevens van het volledige kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 2.5

1.

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, en artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon eveneens voor subsidie in aanmerking komen indien:

  • ten minste 25% van het onzuiver inkomen van de natuurlijke persoon of de winst van de rechtspersoon gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening afkomstig is van de landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en
  • ten minste 50% van het onzuiver inkomen of de winst afkomstig is uit activiteiten op het gebied van landbouw, bosbouw, toerisme, ambachtsnijverheid of door de overheid gesubsidieerde activiteiten voor landschapsinstandhouding die op het landbouwbedrijf worden verricht.

2. Artikel 2.3, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2.4, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6

1.

Een samenwerkingsverband van uitsluitend natuurlijke personen kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1, indien:

  • zij voor gezamenlijke rekening en risico een landbouwbedrijf exploiteren,
  • zij gezamenlijk voldoen aan artikel 2.3, onderdeel e, en
  • ten minste één van hen voldoet aan artikel 2.3, eerste lid, onderdelen b en d alsmede aan artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c of, in voorkomend geval, artikel 2.5.

2. Een samenwerkingsverband van uitsluitend rechtspersonen of van natuurlijke personen en rechtspersonen kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.1, indien alle aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke personen onderscheidenlijk rechtspersonen voldoen aan de criteria van artikel 2.3, onderscheidenlijk artikel 2.4 alsmede, in voorkomend geval, artikel 2.5.

Paragraaf 3. Investeringsprojecten verwerking en afzet landbouwproducten

Artikel 3.1

Een subsidie voor een investeringsproject in een onderneming werkzaam in de verwerking en afzet van landbouwproducten kan worden verleend indien het is gericht op:

  • rationalisatie en ontwikkeling van het verkoopklaar maken, de verduurzaming, de behandeling en de verwerking van landbouwproducten of het hergebruik van bijproducten of fabricageresiduen en de verwijdering of zuivering van afval,
  • verbetering van de afzet op de markt, met inbegrip van verbetering van de doorzichtigheid van de prijsvorming,
  • toepassing van nieuwe verwerkingstechnieken, waaronder de ontwikkeling van nieuwe producten en bijproducten en het openen van nieuwe markten, alsmede innoverende investeringen,
  • verbetering van de kwaliteit van de producten of
  • vergemakkelijking van de toepassing van nieuwe op milieubescherming gerichte technieken.

Artikel 3.2

1.

Een subsidie als bedoeld artikel 3.1, kan uitsluitend worden verleend indien het investeringsproject:

  • is gericht op de verwerking of afzet, met uitzondering van de detailhandelsfase, van landbouwproducten,
  • in overeenstemming is met de selectiecriteria,
  • in overeenstemming is met de criteria, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling,
  • voldoende rentabiliteitsgaranties biedt en
  • leidt tot een verbetering van de situatie in de betrokken sectoren van de landbouw.

2.

De subsidieverlening wordt geweigerd voor een investeringsproject:

  • waarvoor in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening subsidie is verstrekt en die zonder gegronde reden niet zijn uitgevoerd of waarbij onregelmatigheden zijn ontdekt die tot intrekking van de subsidieverlening of -vaststelling hebben geleid, en
  • dat uitsluitend is bestemd voor de verwerking of afzet van landbouwproducten uit derde landen; indien een investeringsproject gedeeltelijk is bestemd voor de verwerking of afzet van landbouwproducten uit derde landen, wordt de subsidie verstrekt naar rato van het aandeel van de verwerking of afzet van landbouwproducten afkomstig uit landen die lid zijn van de Europese Unie.

Artikel 3.3

1.

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.1, indien hij:

  • voor eigen rekening en risico een onderneming drijft die uitsluitend of onder meer is gericht op de verwerking of afzet van landbouwproducten,
  • is aangesloten bij de Stichting Skal of een aanvraag daartoe heeft gedaan, voorzover het investeringsproject de verwerking of afzet van biologische producten betreft, en c. voldoet aan de criteria, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling.

2. Een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.1 indien alle aan het samenwerkingsverband deelnemende personen voldoen aan het eerste lid, onderdelen a tot en met c.

Paragraaf 4. Investeringsprojecten verwerking en afzet visserijproducten

Artikel 4.1

Een subsidie voor een investeringsproject in een onderneming werkzaam in de verwerking en afzet van visserijproducten kan worden verleend indien het investeringsproject is gericht op:

  • verbetering van de omstandigheden met betrekking tot de hygiëne of de gezondheid van mens of dier,
  • verbetering van de kwaliteit van de visserijproducten,
  • vermindering van milieuhinder,
  • behandeling, verwerking of afzet van afval van visserijproducten,
  • toepassing van nieuwe technologieën die met name gericht zijn op verbetering van het concurrentievermogen en op verhoging van de toegevoegde waarde of
  • verbetering van de afzet op de markt, met inbegrip van verbetering van de doorzichtigheid van de prijsvorming.

Artikel 4.2

Een subsidie als bedoeld in artikel 4.1, kan uitsluitend worden verleend indien het investeringsproject:

  • is gericht op de verwerking of afzet, met uitzondering van de detailhandelsfase, van visserij-producten,
  • in overeenstemming is met de criteria, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling,
  • voldoende rentabiliteitsgaranties biedt en
  • een bijdrage levert aan een duurzame, structurele verbetering van de betrokken sector.

De subsidieverlening wordt geweigerd voor een investeringsproject:

  • dat betrekking heeft op de verwerking of afzet van visserijproducten bestemd om voor andere doeleinden dan menselijke consumptie te worden gebruikt of verwerkt, behoudens het geval waarin een investeringsproject is gericht op de doelstelling, genoemd in artikel 4.1, onderdeel d; indien een investeringsproject gedeeltelijk betrekking heeft op dergelijke investeringen wordt de subsidie verleend naar rato van het aandeel van de verwerking of afzet van visserijproducten bestemd voor menselijke consumptie;

  • dat wordt uitgevoerd in een regio met doelstelling 1, als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financierings-instrumenten (PbEG 1988, L185).

Artikel 4.3

1. Een natuurlijke of rechtspersoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.1, indien hij voor eigen rekening en risico een onderneming drijft die uitsluitend of onder meer is gericht op de verwerking of afzet van visserijproducten.

2. Een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.1 indien alle aan het samenwerkingsverband deelnemende personen voldoen aan het eerste lid.

Paragraaf 5. Investeringsprojecten verwerking en afzet bosbouwproducten

Artikel 5.1

1.

Een subsidie voor een investeringsproject in een onderneming werkzaam in de verwerking en afzet van bosbouwproducten kan worden verleend indien het investeringsproject is gericht op:

  • verhoging van de productiviteit in de exploitatie van bossen;
  • verhoging van de kwaliteit van de producten;
  • verlaging van de productiekosten;
  • verhoging van de efficiëntie binnen de bedrijfskolom;
  • verlaging van de transportkosten van rondhout vanuit het bos naar de verwerker;
  • verbetering van de toegankelijkheid van afzetmarkten voor de eindproducten van de verwerkende sector;
  • verbetering van de communicatie en onderlinge afstemming tussen de schakels van de productie-, handels- en verwerkingskolom of
  • uitbreidingsinvesteringen die voortvloeien uit fusies of samenwerking van bedrijven binnen de sector.

2. Onder verwerking en afzet van bosbouwproducten wordt in deze paragraaf verstaan vellen, uitslepen, ontschorsen, stamverdeling, opslag, beschermingsbehandeling, drogen van inlands hout en exploitatiebewerkingen die voorafgaan aan het zagen van hout in industriële zagerijen.

Artikel 5.2

1.

Een subsidie als bedoeld in artikel 5.1, kan uitsluitend worden verleend indien het investeringsproject:

  • is gericht op de verwerking of afzet, met uitzondering van de detailhandelsfase, van bosbouwproducten,
  • in overeenstemming is met de selectiecriteria,
  • in overeenstemming is met de criteria, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling,
  • voldoende rentabiliteitsgaranties biedt en
  • leidt tot een verbetering van de situatie in de bosbouw.

2.

De subsidieverlening wordt geweigerd voor een investeringsproject:

  • waarvoor in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening subsidie is verstrekt en die zonder gegronde reden niet zijn uitgevoerd of waarbij onregelmatigheden zijn ontdekt die tot intrekking van de subsidieverlening of -vaststelling hebben geleid, en
  • dat uitsluitend is bestemd voor de verwerking of afzet van bosbouwproducten uit derde landen; indien een investeringsproject gedeeltelijk is bestemd voor de verwerking of afzet van bosbouwproducten uit derde landen, wordt de subsidie verstrekt naar rato van het aandeel van de verwerking of afzet van bosbouwproducten afkomstig uit landen die lid zijn van de Europese Unie.

Artikel 5.3

1. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.1, indien hij voor eigen rekening en risico een onderneming drijft die uitsluitend of onder meer is gericht op de verwerking of afzet van bosbouwproducten.

2. Een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen kan in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.1 indien alle aan het samenwerkingsverband deelnemende personen voldoen aan het eerste lid.

Paragraaf 6. Subsidie

Artikel 6.1

1.

De subsidie wordt verleend voor investeringen in productiemiddelen:

  • waarvan de aanvrager de eerste gebruiker is,
  • die geheel of nagenoeg geheel binnen het bedrijf van de aanvrager worden benut of, indien de aanvrager een samenwerkingsverband is als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, 3.3, tweede lid of 4.3, tweede lid, die geheel of nagenoeg geheel binnen de bedrijven van de aan het samenwerkingsverband deelnemende personen worden benut en
  • die op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling eigendom zijn van de aanvrager.

2.

De subsidieverlening wordt geweigerd:

  • voor investeringsprojecten met de uitvoering waarvan een aanvang is gemaakt alvorens de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd,
  • aan ondernemingen die zijn gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding of
  • voor investeringen die dienen ter vervanging van productiemiddelen die reeds eigendom zijn van de aanvrager.

Artikel 6.2

1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende, door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onderdelen van het investeringsproject waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft:

  • de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op de historische aanschafprijzen, of de aan het investeringsproject toe te rekenen leasetermijnen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep,
  • de kosten van de bouw van onroerende zaken en
  • de algemene kosten, met name de kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs en installatiekosten, tot een maximum van 12% van de onder a en b bedoelde kosten.

2. In afwijking van het eerste lid kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bepalen dat bepaalde in het eerste lid bedoelde kosten niet subsidiabel zijn. Hij maakt dit besluit bekend in de Staatscourant.

Artikel 6.3

1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende, door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onderdelen van het investeringsproject waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft:

  • de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op de historische aanschafprijzen, of de aan het investeringsproject toe te rekenen leasetermijnen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties binnen een groep,
  • de kosten van de bouw van onroerende zaken en
  • de algemene kosten, met name de kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs en installatiekosten, tot een maximum van 12% van de onder a en b bedoelde kosten.

2. Op grond van deze regeling wordt, onverminderd het eerste lid, onderdeel b, per landbouwbedrijf ten hoogste driemaal een subsidie verleend in een periode van zes jaar, welke periode aanvangt op de datum van de beschikking tot subsidieverlening op de eerste aanvraag.

3. Subsidies die zijn verkregen op grond van andere regelingen die strekken ter uitvoering van de artikelen 5 tot en met 9 en 11 van Verordening (EEG) nr. 2328/91 worden bij de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid meegerekend.

4.

Met inachtneming van de artikelen 7 en 12 van verordening (EEG) nr. 2328/91 is cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met andere subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, toegestaan tot een maximum van:

  • 35 % van de subsidiabele kosten voor onroerende zaken en
  • 20 % van de subsidiabele kosten voor overige zaken.

Artikel 6.4

De subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, bedraagt 20 % van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.5

1. Indien een investeringsproject dat is gericht op de verwezenlijking van een of meer van de doelstellingen, genoemd in artikel 2.1, onderdelen a tot en met d, wordt verricht op een landbouwbedrijf waarvan het arbeidsinkomen per volle arbeidskracht op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening 120 % of meer bedraagt van het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde referentie-inkomen, bedraagt de subsidie in afwijking van artikel 6.4 15 % van de subsidiabele kosten.

2. De minister stelt de hoogte van het referentie-inkomen vast. Dit referentie-inkomen is niet hoger dan het gemiddelde brutoloon van de niet-agrarische werknemers. Hij geeft kennis van de vaststelling in de Staatscourant.

3. Het arbeidsinkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op basis van de boekhoudverslagen van de drie aan het tijdstip van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande afgesloten boekjaren of, indien het boekhoudverslag van het laatste afgesloten boekjaar nog niet voorhanden is, op basis van de boekhoudverslagen van de drie daaraan voorafgaande afgesloten boekjaren.

4. Indien op het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend minder dan drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening tot subsidieverlening landbouwactiviteiten zijn verricht, wordt in afwijking van het eerste lid, het arbeidsinkomen berekend op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Indien er nog geen gegevens voorhanden zijn, wordt het arbeidsinkomen berekend op basis van de gegevens van het volledige kalenderjaar van de aanvraag tot subsidieverlening.

5. Bij de berekening van het arbeidsinkomen worden incidentele baten en lasten buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6.6

1. In afwijking van artikel 6.4, en met inachtneming van de artikelen 7 en 12 van verordening (EEG) nr. 2328/91, kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bepalen dat de subsidie voor bepaalde categorieën investeringsprojecten 30 % bedraagt. De minister maakt dit besluit bekend in de Staatscourant.

2.

Het subsidiepercentage, bedoeld in artikel 6.4, in voorkomend geval verhoogd ingevolge het eerste lid, wordt met vijf procentpunten verhoogd indien:

  • het landbouwbedrijf van de aanvrager geheel of gedeeltelijk is gelegen in een probleemgebied,

  • de aanvrager voor ten minste vier hectaren van de in het probleemgebied gelegen gronden van het landbouwbedrijf:

           een beheersovereenkomst heeft gesloten,
    
    
           een pachtovereenkomst heeft gesloten met een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie of
    
    
           beschikt over een beheersplan als bedoeld in artikel 14 van de Natuurbeschermingswet, en
    
  • een beheersovereenkomst heeft gesloten,

  • een pachtovereenkomst heeft gesloten met een particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie of

  • beschikt over een beheersplan als bedoeld in artikel 14 van de Natuurbeschermingswet, en

  • de investeringen waarvoor de subsidie wordt aangevraagd betrekking hebben op de in het probleemgebied gelegen grond.

3.

Het subsidiepercentage, bedoeld in artikel 6.4, in voorkomend geval verhoogd ingevolge het eerste lid, wordt met vijf procentpunten verhoogd indien de aanvrager:

  • op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening jonger is dan 35 jaar,
  • zich minder dan vijf jaar voor het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening tot subsidieverlening heeft gevestigd op het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend en
  • niet eerder een landbouwbedrijf heeft geëxploiteerd.

4. Als vestiging als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt mede beschouwd een bedrijfsovername na ontbinding van een maatschap indien de aanvrager maat is geweest in de ontbonden maatschap en bij de ontbinding van de maatschap ten minste 50 % van de in de maatschap ingebrachte kapitaalgoederen in eigendom op de aanvrager is overgegaan.

5. In geval van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.6, eerste of tweede lid, wordt de verhoging van de subsidie, bedoeld in het derde lid, verleend indien elke aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke persoon of elk bedrijfshoofd van de aan het samenwerkingsverband deelnemende rechtspersonen aan de in het derde lid, onderdeel a en c, gestelde voorwaarden voldoet en zij gezamenlijk voldoen aan de voorwaarde, genoemd in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 6.7

1.

De subsidieverlening wordt geweigerd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 3.1, indien de subsidiabele kosten minder bedragen dan:

  • € 68.067,03, voorzover het de sector biologische producten betreft,
  • € 113.445,05, voorzover het de andere sectoren betreft.

2.

Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met subsidie van decentrale overheden voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1, is toegestaan tot een maximum van:

  • 75 % van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en
  • 55 % van de subsidiabele kosten, voor overige investeringsprojecten.

3. Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met subsidie van Rijkswege voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1, is toegestaan tot een maximum van 30 % van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.8

1. De subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 3.1, bedraagt 20 % van de subsidiabele kosten.

2.

  1. In afwijking van het eerste lid kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit bepalen dat de subsidie 30 % bedraagt voor investeringsprojecten die:
  • plaatsvinden op bepaalde ondernemingen of bedrijven,
  • een bepaalde omvang aan subsidiabele kosten hebben of c. zijn gericht op een bepaald doel.

Artikel 6.9

1. Een subsidie wordt geweigerd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 5.1, indien de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 68.067,03.

2.

Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met decentrale overheden voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1, is toegestaan tot een maximum van:

  • 75% van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en
  • 55% van de subsidiabele kosten, voor overige investeringsprojecten.

3. Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met subsidie van Rijkswege voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1, is toegestaan tot een maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.10

1. De subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 5.1, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit bepalen dat de subsidie 30% bedraagt voor investeringsprojecten die:

  • plaatsvinden op bepaalde ondernemingen of bedrijven,
  • een bepaalde omvang aan subsidiabele kosten hebben of c. zijn gericht op een bepaald doel.

Artikel 6.11

1. De subsidieverlening wordt geweigerd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 4.1, indien de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 113.445,05.

2. Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met subsidie van decentrale overheden voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 4.1, is toegestaan tot een maximum van 50% van de subsidiabele kosten.

3. Cumulatie van subsidie op grond van deze regeling met subsidie van Rijkswege voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 4.1, is toegestaan tot een maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.12

1. De subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 4.1, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit bepalen dat de subsidie 30% bedraagt voor investeringsprojecten die:

  • plaatsvinden op bepaalde ondernemingen of bedrijven,
  • een bepaalde omvang aan subsidiabele kosten hebben of
  • zijn gericht op een bepaald doel.

Paragraaf 7. Subsidieverlening

Artikel 7.1

1. De minister kan per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vaststellen.

2.

De minister kan per kalenderjaar of per aanvraagperiode de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidieverlening beperken tot investeringsprojecten die:

a. a. plaatsvinden op bepaalde ondernemingen of bedrijven, b. b. een bepaalde omvang aan subsidiabele kosten hebben, c. c. zijn gericht op een bepaald doel of d. d. voorkomen op een door de minister vastgestelde investeringslijst.

3. Onverminderd de in bijlage 1 genoemde prioriteiten, kan de minister bepalen dat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, nader prioriteit wordt gegeven aan bepaalde in het tweede lid bedoelde investeringsprojecten.

4. De minister maakt de besluiten, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, bekend in de Staatscourant.

Artikel 7.2

1. De aanvraag tot subsidieverlening voor investeringsprojecten wordt ingediend bij Dienst Regelingen, op een daartoe vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

  • in voorkomend geval, het aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende samenwerkingscontract, met daarin in elk geval een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende ondernemingen alsmede van de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen de verschillende ondernemingen,
  • een investeringsprojectplan, inhoudende een beschrijving van de begintoestand, de doelstellingen en achtergronden van het investeringsproject, de toestand na voltooiing van het investeringsprojectplan, de activiteiten, een tijdsplanning van de activiteiten en de wijze van uitvoering,
  • een begroting van de kosten en een opgave van de financieringswijze van het investeringsproject,
  • in voorkomend geval, de statuten van de rechtspersoon, en
  • in voorkomend geval, het getuigschrift van de landbouwkundige opleiding.

Artikel 7.3

Vervallen

Artikel 7.4

1. Er zijn Beoordelingscommissies investeringsprojecten, die tot taak hebben de hen daartoe voorgelegde aanvragen tot subsidieverlening overeenkomstig artikel 7.5 te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de minister.

2. Elke beoordelingscommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste drie doch ten hoogste twaalf leden.

3. De minister benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de beoordelingscommissies voor een termijn van drie jaar. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

4. De beoordelingscommissies stellen hun werkwijze vast.

5. Het secretariaat wordt gevoerd door door de minister aan te wijzen ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 7.5

1. De beoordelingscommissie beoordeelt in welke mate het investeringsproject bijdraagt aan de doelstellingen, genoemd in de artikelen 2.1, 3.1, 4.1 en 5.1.

2. De beoordelingscommissie kan de minister adviseren een aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

3.

De beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de investeringsprojecten advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen waarover de commissie ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseert, waarbij aanvragen:

  • hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de beoordelingscommissie meer bijdragen aan de in het eerste lid bedoelde doelstellingen, of, indien de minister van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, onderdeel c, gebruik heeft gemaakt, aan de door hem vastgestelde doelstellingen, en
  • die in gelijke mate aan de in het eerste lid bedoelde doelstellingen bijdragen, hoger worden gerangschikt indien ze voldoen aan de in bijlage 1 opgenomen prioriteiten en, in voorkomend geval aan door de minister ingevolge artikel 7.1, derde lid, vastgestelde prioriteiten.

Artikel 7.6

1. De minister voorziet, gezien het advies van de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 7.4, in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.

2. De minister geeft de beschikking tot subsidieverlening tot subsidieverlening binnen vier maanden na afloop van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend. Indien deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tot subsidieverlening tegemoet kan worden gezien.

Artikel 7.7

Vervallen

Artikel 7.8

De subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van het investeringsproject niet toereikend zal zijn.

Paragraaf 8. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 8.1

1.

De subsidieontvanger voert het investeringsproject uit:

  • overeenkomstig het investeringsprojectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft,
  • in Nederland, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland,
  • binnen achttien maanden, voorzover het om investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1 gaat, te rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening, en
  • binnen drie jaar, voorzover het om investeringsprojecten als bedoeld in de artikelen 3.1, 4.1 en 5.1 gaat, te rekenen vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidieontvanger maakt binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een aanvang met de uitvoering van het investeringsproject, bedoeld in de artikelen 3.1, 4.1 en 5.1.

3. Wijzigingen in het investeringsprojectplan gedurende de looptijd van het investeringsproject zijn verboden. De minister kan echter aan Dienst Regelingen gemelde wijzigingen van het investeringsprojectplan goedkeuren. Deze goedkeuring wordt niet verleend voorzover het wijzigingen ten aanzien van de doelstelling betreft. De minister deelt de subsidieontvanger mede of en in welke mate de wijziging van het investeringsprojectplan gevolgen heeft voor de verleende subsidie of voor de bij de verlening van de subsidie vastgestelde verplichtingen. De wijziging kan geen gevolgen hebben voor het maximumsubsidiebedrag.

4. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle investeringsprojectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 6.2 onderscheiden kostensoorten.

5.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister per kalenderjaar of per aanvraagperiode bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit bepalen dat de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen worden verkort voor investeringsprojecten die:

  • plaatsvinden op bepaalde ondernemingen of bedrijven,
  • een bepaalde omvang aan subsidiabele kosten hebben, of
  • zijn gericht op een bepaald doel.

Artikel 8.2

1. Met het toezicht op deze regeling zijn belast bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Paragraaf 9. Subsidievaststelling

Artikel 9.1

1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt binnen vier maanden na afloop van het investeringsproject ingediend bij Dienst Regelingen, op een daartoe vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

  • een verklaring van een accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en verplichtingen, indien het een investeringsproject als bedoeld in artikel 2.1, 4.1 en 5.1 betreft, alsmede artikel 3.1 in geval de minister dit met betrekking tot de betreffende aanvraagperiode heeft bepaald, en
  • in voorkomend geval, een verklaring van de gemeente waar het landbouwbedrijf van de subsidieontvanger is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken investering een investering is waaraan het keurmerk Groen Label is toegekend.

3. De accountant of accountant-administratieconsulent, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, controleert met inachtneming van het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen controleprotocol.

Artikel 9.2

De minister geeft een beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 9.3

Vervallen

Paragraaf 10. Intrekking en wijziging subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 10.1

Vervallen

Artikel 10.2

Vervallen

Paragraaf 11. Betaling en terugvordering

Artikel 11.1

1.

Het subsidiebedrag voor investeringsprojecten als bedoeld in de artikelen 3.1 en 5.1 wordt::

  • in ten hoogste twee gedeelten uitbetaald, indien de subsidiabele kosten niet meer bedragen dan € 453.780,22 en
  • in ten hoogste drie gedeelten uitbetaald, indien de subsidiabele kosten meer bedragen dan € 453.780,22.

2. Het laatste gedeelte van de betaling, bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste 20% van de subsidie.

Artikel 11.2

Vervallen

Artikel 11.3

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies kunnen terug te vorderen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente over de periode vanaf de terugvordering tot aan het moment van algehele voldoening.

Paragraaf 12. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.1

Vervallen

Artikel 12.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 12.2a

Deze regeling berust op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

Artikel 12.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Investeringsregeling markt en concurrentiekracht.

Bijlage 1. Criteria en prioriteiten als bedoeld in de

Bijlage 2. Controleprotocol als bedoeld in

Toelichting

Artikel 2.2 vaststellen:

Artikel 2.3: vaststellen dat, indien de subsidie is verleend aan een natuurlijk persoon, deze als bedrijfshoofd voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf exploiteert, zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt en zijn onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend; vaststellen dat de aanvrager een boekhouding voert die voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 2.3, lid 1, onderdeel e; vaststellen dat, indien op het landbouwbedrijf van de aanvrager, op het tijdstip van het indienen van de aanvraag, minder dan drie jaar landbouwactiviteiten zijn verricht, hij voldoet aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid.

Artikel 2.4: vaststellen, dat, indien de subsidie is verleend aan een rechtspersoon, deze blijkens de statuten de exploitatie van een landbouwbedrijf ten doel heeft, de arbeidsduur van het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt en zijn winst gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend; vaststellen dat de aanvrager een boekhouding voert die voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 2.4, lid 1, onderdeel e.

Artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat indien de subsidie zoals bedoeld in artikel 4.1 is verleend aan een investeringsproject gericht op de verwerking of afzet van visserijproducten deze geen betrekking heeft op de detailhandelfase.

Artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a: vaststellen dat, behoudens het geval waarin het investeringsproject is gericht op de behandeling, verwerking of afzet van afval van visserijproducten, het investeringsproject niet uitsluitend is gericht op de verwerking of afzet van visserijproducten bestemd om voor andere doeleinden dan menselijke consumptie te worden gebruikt of verwerkt.

Artikel 4.2, tweede lid, onderdeel b: vaststellen dat het investeringsproject niet wordt uitgevoerd in een regio met doelstelling 1, als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PbEG 1988, L185).

Artikel 4.3: vaststellen dat:

Artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat indien de subsidie zoals bedoeld in artikel 5.1 is verleend aan een investeringsproject gericht op de verwerking of afzet van bosbouwproducten deze geen betrekking heeft op de detailhandelfase.

Artikel 5.2, tweede lid: vaststellen:

Artikel 5.3: vaststellen dat:

Artikel 6.1, eerste lid: vaststellen dat de aanvrager de eerste gebruiker is van de productiemiddelen waarvoor de subsidie wordt verstrekt, dat deze geheel of nagenoeg geheel op het bedrijf van de aanvrager, of op de landbouwbedrijven van de aan een samenwerkingsverband deelnemende personen worden benut en op het moment van het indien van de aanvraag tot subsidievaststelling eigendom zijn van de aanvrager.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a: vaststellen dat geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van het project voordat de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk is bevestigd.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel b: vaststellen dat de subsidieontvanger geen onderneming is gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel c: vaststellen dat niet wordt geïnvesteerd in productiemiddelen die dienen ter vervanging van productiemiddelen die reeds eigendom zijn van de aanvrager.

Artikel 6.3, vierde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 2.1 geen cumulatie plaatsvindt met andere subsidie van overheidswege boven het maximum van 35 % van de subsidiabele kosten voor onroerende zaken en van 20 % voor overige zaken.

Artikel 6.6, derde lid: vaststellen, bij een investeringsproject in primaire landbouw, of de aanvrager op het tijdstip van het indienen van de aanvraag jonger is dan 35 jaar, zich minder dan vijf jaar voor het tijdstip van het indienen van de aanvraag heeft gevestigd op het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend en niet eerder een landbouwbedrijf heeft geëxploiteerd.

Artikel 6.6, vijfde lid: vaststellen of er sprake is van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.4, eerste of tweede lid, en of elke aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijk persoon of elke bedrijfshoofd van de aan het samenwerkingsverband deelnemende rechtspersonen aan de in het derde lid, onderdeel a en c, gestelde voorwaarden voldoet en zij gezamenlijk voldoen aan de voorwaarde genoemd in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 6.7, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 75% van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en boven het maximum van 55% voor overige investeringsprojecten.

Artikel 6.7, derde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van Rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.9, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 75% van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en boven het maximum van 55% voor overige investeringsprojecten.

Artikel 6.9, derde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.11, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject zoals bedoeld in artikel 4.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 50% van de subsidiabele kosten

Artikel 6.11, derde lid: vaststellen dat voor een investeringsproject zoals bedoeld in artikel 4.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van Rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat de subsidieontvanger het investeringsproject overeenkomstig het investeringsprojectplan heeft uitgevoerd, behoudens door de minister goedgekeurde wijzigingen van het project.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b: vaststellen dat het investeringsproject in Nederland is uitgevoerd, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel c en d: vaststellen dat de uitvoering van het investeringsproject in ieder geval is uitgevoerd binnen achttien maanden, voorzover het gaat om investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, en binnen drie jaar, voorzover het gaat om investeringsprojecten als bedoeld in artikel 3.1, 4.1 en 5.1 of, in voorkomend geval, binnen de verkorte termijnen die de minister met toepassing van artikel 8.1, vijfde lid dienaangaande heeft vastgesteld.

Artikel 8.1, tweede lid: vaststellen dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een aanvang met de uitvoering van het investeringsproject, zoals bedoeld in artikel 3.1, 4.1 en 5.1, heeft gemaakt of, in voorkomend geval, binnen de verkorte termijn die de minister met toepassing van artikel 8.1, vijfde lid dienaangaande heeft vastgesteld.

Artikel 8.1, vierde lid: vaststellen dat de subsidieontvanger een zodanig ingerichte administratie voert dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle investeringsprojectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 6.2 onderscheiden kostensoorten.

Artikel 9.1, tweede lid, onderdeel a: vaststellen of de financiële verantwoording van het investeringsproject voldoet aan de voor dit doel eraan te stellen eisen.

Onder normale aandacht wordt verstaan: controle met een diepgang die gebruikelijk is voor het afgeven van een accountantsverklaring bij een verantwoording.

Onder speciale aandacht wordt verstaan: controle waarbij nadrukkelijk wordt bezien of de desbetreffende voorschriften zijn nageleefd. In dit geval moet dus verder worden gegaan dan normaal bij een controle van een verantwoording.

Aan de niet genoemde artikelen behoeft bij de controle geen aandacht te worden besteed, met dien verstande dat, teneinde de controle op de hierboven genoemde artikelen goed te kunnen verrichten, kennisneming van deze overige artikelen noodzakelijk is.

De minister behoudt zich het recht voor om de Auditdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een review te laten uitvoeren op de door de accountant van de aanvrager, aan wie de subsidie ingevolge deze regeling is verleend, verrichte werkzaamheden.

Bijlage . Tekst accountantsverklaring, als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, onderdeel a

Wij hebben de bijgevoegde financiële verantwoording met betrekking tot de beschikking tot subsidieverlening in het kader van de Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, kenmerk ......... van ............ (naam + zetel) gecontroleerd. Dit onderzoek is verricht in overeenstemming met algemeen aanvaarde controlegrondslagen en met de aanwijzingen die de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het controleprotocol, behorende bij vorenbedoelde ministeriële regeling, heeft gegeven met betrekking tot de controle op de naleving van de subsidiebepalingen.

Op grond van dit onderzoek zijn wij van oordeel dat deze verantwoording voldoet aan de voor dit doel eraan te stellen eisen.

Tevens delen wij mede dat de in het controleprotocol genoemde subsidiebepalingen zijn nageleefd.

Plaats en datum:

Handtekening:

Naam accountant:

Naam accountantskantoor:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Telefoon: