rijk/ministeriele-regeling/kanalisatieregeling-diergeneesmiddelen-en-gemedicineerde-voeders/BWBR0004033
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders BWBR0004033 ministeriele-regeling geldend 2004-01-21 https://wetten.overheid.nl/BWBR0004033 Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders

Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

2. Deze regeling berust op de artikelen 29, eerste lid, 30, tweede en vierde lid, 31, eerste en tweede lid, en 35, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet.

Paragraaf 2. Kanalisatieregime

Artikel 2

1.

Als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn worden aangewezen:

a. a. antimicrobiële diergeneesmiddelen; b. b. resistentie-inducerende diergeneesmiddelen; c. c. hormoonpreparaten; d. d. sera en entstoffen en biologische diagnostica; e. e. diergeneesmiddelen die kunnen worden toegediend door middel van injectie of implantatie, tenzij uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening is toegestaan; f. f. diergeneesmiddelen bestemd voor algehele verdoving, alsmede per injectie toe te dienen middelen voor plaatselijke verdoving; g. g. spierrelaxantia; h. h. de diergeneesmiddelen, genoemd in bijlage I, bij deze regeling; i. i. diergeneesmiddelen, die een werkzaam bestanddeel bevatten dat niet gedurende ten minste 5 jaar in een geregistreerd diergeneesmiddel of in een onder de Vrijstellingsregeling ectoparasiticiden vallend ectoparasiticum is verwerkt.

2. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met g gegeven aanwijzing is niet van toepassing op de diergeneesmiddelen die zijn genoemd in bijlage II bij deze regeling.

Artikel 3

1.

Van de diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 2 die ingevolge artikel 30, vierde lid, van de wet, niet aan apothekers of houders van dieren mogen worden afgeleverd worden aangewezen:

a. a. hormoonpreparaten met een gestagene, oestrogene of androgene werking; b. b. sera, entstoffen en biologische diagnostica; c. c. diergeneesmiddelen die kunnen worden toegediend door middel van injectie of implantatie, tenzij uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening is toegestaan; d. d. diergeneesmiddelen voor algehele verdoving, alsmede per injectie toe te dienen middelen voor plaatselijke verdoving; e. e. spierrelaxantia; f. f. diergeneesmiddelen genoemd in bijlage III bij de regeling.

2. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, gegeven aanwijzing is niet van toepassing op de diergeneesmiddelen, die zijn genoemd in bijlage IV bij deze regeling.

3.

De aanwijzing van entstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op een entstof die is bestemd om te worden toegepast bij varkens ter voorkoming van influenza, vlekziekte, porcine reproductive and respiratory syndrome, atrofische rhinitis of een besmetting met escherichia coli, clostridium perfringens, mycoplasma hyopneumoniae, actinobacillus pleuropneumoniae, parvovirus of rotavirus, voorzover:

a. a. de entstof aan een houder van varkens wordt afgeleverd:

        1°.
         door een dierenarts op grond van een overeenkomst tot begeleiding bij het gebruik van entstoffen, of
      
      
        2°.
         door een apotheker op recept van een dierenarts die een overeenkomst als bedoeld onder 1° met de houder heeft gesloten, en

1°. 1°. door een dierenarts op grond van een overeenkomst tot begeleiding bij het gebruik van entstoffen, of 2°. 2°. door een apotheker op recept van een dierenarts die een overeenkomst als bedoeld onder 1° met de houder heeft gesloten, en b. b. is voldaan aan elk van de voorwaarden, opgenomen in de punten 2 tot en met 5 van bijlage V bij deze regeling.

Artikel 4

Het is verboden andere gemedicineerde voeders dan die waarin slechts diergeneesmiddelen voorkomen in hoeveelheden die in overeenstemming zijn met de overeenkomstige bijlage I van de Verordening diervoeder 1986 van het Produktschap voor Veevoeder (Verordening van 28 mei 1986, Vb. Bo. 1986, afl. 35) voor dat voeder toegestane hoeveelheden aan houders van dieren af te leveren zonder recept van een dierenarts.

Artikel 5

1. Als groepen, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, van de wet worden aangewezen dierverloskundigen en castreurs die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst (Stb. 1954, 372).

2.

Als diergeneesmiddelen, die aan personen behorende tot de in het eerste lid bedoelde groep der dierverloskundigen mogen worden afgeleverd, worden aangewezen:

a. a. diergeneesmiddelen uitsluitend bestemd voor intra-uterine toediening, welke als werkzaam bestanddeel uitsluitend oxytetracycline, chloortetracycline of tetracycline hycrochloride bevatten; b. b. hormoonpreparaten die geen andere werking hebben dan de beïnvloeding van de contractiliteit van de uterus; c. c. diergeneesmiddelen uitsluitend geschikt voor orale of nasale toediening, die als werkzaam bestanddeel uitsluitend prethcamide bevatten; d. d. vloeistof voor intraveneuze toediening, welke vloeistof als werkzame bestanddelen slechts calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 500 ml; e. e. diergeneesmiddelen die als werkzaam bestanddeel lidocaïne bevatten bestemd voor epiduraalanesthesie bij embryotomie; f. f. diergeneesmiddelen die behoren tot de groep prostaglandinen.

3.

Als diergeneesmiddelen, die aan personen behorende tot de in het eerste lid bedoelde groepen mogen worden afgeleverd, worden aangewezen:

a. a. antimicrobiële- en resistentie inducerende diergeneesmiddelen, voor zover deze geschikt zijn voor en dienen ten behoeve van wondbehandeling ten gevolge van castratie of verlossing met uitzondering van die welke chlooramphenicol bevatten; b. b. penicilline-G, streptomycines en tetracyclines uitsluitend geschikt voor intramusculaire toediening.

4.

Als diergeneesmiddelen, die aan personen behorende tot de in het eerste lid bedoelde groep castreurs mogen worden afgeleverd, worden aangewezen:

a. a. lokale anesthetica voor injectie voor zover deze geschikt zijn voor en dienen om een castratie pijnloos te laten verlopen; b. b. diergeneesmiddelen die uitsluitend als werkzaam bestanddeel xylazine bevatten voor zover deze geschikt zijn voor en dienen om een castratie goed te laten verlopen.

Paragraaf 3. Aanwijzing instellingen

Artikel 5a

Als diergeneeskundige instellingen, onderscheidenlijk instellingen van wetenschap of onderzoek als bedoeld in de artikelen 30, tweede lid, onderdeel e, en 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen de in bijlage VI bij de regeling opgenomen instellingen.

Artikel 5b

Als diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen de diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Artikel 6

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop artikel 29 van de wet in werking treedt met uitzondering van artikel 4, hetwelk in werking treedt met ingang van het tijdstip waarop artikel 35 van de wet in werking treedt.

2. Deze regeling kan worden aangehaald als Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders.

Bijlage I. Diergeneesmiddelen, bedoeld in

Bijlage II. Diergeneesmiddelen, waarop het kanalisatieregime niet van toepassing is

Bijlage III. Diergeneesmiddelen, bedoeld in

  1. Diergeneesmiddelen die ß-agonisten bevatten.

Bijlage IV. Bijlage bedoeld in onderdeel B van de onderhavige regeling

Diergeneesmiddelen, waarop het UDD-regime niet van toepassing is

Bijlage V. Voorwaarden, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Kanalisatieregeling, waaronder het UDD-regime niet van toepassing is op entstoffen

  1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

  2. De entstof is geregistreerd overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 3 van de wet.

  3. De overeenkomst:

  4. De dierenarts:

  5. De houder:

Bijlage VI. Instellingen als bedoeld in