rijk/ministeriele-regeling/openstellingsbesluit-innovatie-groen-onderwijs-2010/BWBR0026465
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Openstellingsbesluit innovatie groen onderwijs 2010 BWBR0026465 ministeriele-regeling geldend 2010-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026465 Openstellingsbesluit innovatie groen onderwijs 2010

Openstellingsbesluit innovatie groen onderwijs 2010

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *regeling:*
    Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs;

b. b.

    *project:* geheel van activiteiten gericht op concrete resultaten ter verwezenlijking van de subsidiedoelstellingen, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de regeling;

c. c.

    *programma:* programma, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de regeling;

d. d.

    *programmaonderdeel:* project, passend binnen één van de programmas, waarvoor de Minister, op grond van artikel 14 van de regeling, subsidie heeft verleend.

Artikel 2

De instellingen, genoemd in artikel 1, onderdeel b, van de regeling, kunnen met ingang van 4 januari 2010 tot en met 15 februari 2010 een aanvraag als bedoeld in artikel 7 of 8 van de regeling indienen.

Artikel 3

1. Subsidie kan worden verleend voor programmas en programmaonderdelen, ingediend in de periode, bedoeld in artikel 2, voor de categorieën en de themas, genoemd in de bijlage bij dit openstellingsbesluit.

2. Subsidie voor een project, niet zijnde een programmaonderdeel, wordt uitsluitend verleend voor de categorie kenniscirculatie, genoemd in de bijlage bij dit openstellingsbesluit.

3. Onverminderd artikel 9 en 10 van de regeling beoordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een aanvraag als bedoeld in artikel 7 en 8 van de regeling in voorkomend geval op de mate waarin de activiteiten gericht zijn op de doelgroepen, genoemd in de bijlage bij dit openstellingsbesluit, behorende bij het thema, waarop de aanvraag is gericht.

4. De themas, bedoeld in het eerste lid, zijn gerangschikt binnen de hoofdthemas, genoemd in de bijlage bij dit openstellingsbesluit.

Artikel 4

De aanvraag voor een programma omvat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de aanleiding, van het doel en van de doelgroep of doelgroepen van het programma in relatie tot het doel van de regeling, en in relatie tot één of meer van de themas, bedoeld in artikel 3, eerste lid; b. b. een beschrijving van de doelstellingen van het programma, gedetailleerd voor de komende twee jaren en op hoofdlijnen voor de lange termijn; c. c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten binnen het aangevraagde programma gedurende de looptijd van dat programma en van de relatie van die activiteiten met activiteiten bij doelgroepen en binnen het landbouwonderwijs en het landbouwkundige onderzoek; d. d. een activiteitenplan, gedetailleerd voor het komende jaar en opgesteld op hoofdlijnen voor de overige jaren, inclusief samenvattingen van uitvoeringsplannen van lopende en voorgenomen programmaonderdelen; e. e. een beschrijving van de programmaorganisatie, waarbij in ieder geval de personele inzet van de penvoerder, deelnemende instellingen, ondersteunende organisaties en onderzoeksinstellingen worden vermeld; f. f. een sluitende en onderbouwde begroting, in voorkomend geval gespecificeerd naar de verschillende samenwerkende instellingen en gespecificeerd naar de verschillende subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5 van de regeling; g. g. en beschrijving van de wijze waarop de resultaten van het programma gedurende en na afloop van de looptijd daarvan beschikbaar worden gesteld en de wijze waarop die resultaten worden verspreid; h. h. een beschrijving van de wijze waarop relevantie en succes van het programma worden gemeten; i. i. de looptijd van het programma, inclusief de start- en einddatum; j. j. een beschrijving van de wijze waarop de kwaliteit van de activiteiten binnen het programma wordt geborgd, en k. k. in voorkomend geval, een beschrijving van het samenwerkingsverband, dat aantoonbaar tot uitdrukking komt in de activiteiten en financiering van het programma en vastgelegd is in één door alle partners getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin de personele en financiële bijdragen van de partners zijn vermeld.

Artikel 5

1.

De aanvraag tot subsidieverlening voor een project omvat in ieder geval:

a) a) een beschrijving van het doel en van de doelgroepen van het project in relatie tot de doelstelling van de regeling; b) b) een beschrijving van de beoogde resultaten van het project, waaruit in ieder geval blijkt op welke wijze het project bijdraagt aan de ontwikkeling van landelijke activiteiten op het gebied van landbouwonderwijs en landbouwkundig onderzoek; c) c) een beschrijving van de aard van het project en de positionering van dat project ten opzichte van activiteiten bij doelgroepen en binnen het onderwijs, die op het moment van indienen van de aanvraag worden uitgevoerd; d) d) een beschrijving van de redenen voor het uitvoeren van het project, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de problematiek die het project aanspreekt en de relatie van die problematiek tot het thema of de themas, waarbinnen het beoogde project valt; e) e) een beschrijving van de begrenzing van de reikwijdte van het project en een beschrijving van de randvoorwaarden van het project; f) f) een uitgewerkt activiteitenplan waarin in ieder geval de producten waartoe het project leidt worden beschreven; g) g) de looptijd van het project, inclusief de start- en einddatum; h) h) een beschrijving van de projectorganisatie, waarbij in ieder geval de instellingen die deel uitmaken van een eventueel samenwerkingsverband, de projectleider en de contactpersoon worden vermeld; i) i) een sluitende en onderbouwde begroting, in voorkomend geval gespecificeerd naar de verschillende samenwerkende instellingen en gespecificeerd naar de verschillende subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5 van de regeling; j) j) in voorkomend geval, een beschrijving van het samenwerkingsverband, dat aantoonbaar tot uitdrukking komt in de activiteiten en financiering van het project en vastgelegd is in één door alle partners getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin de personele en financiële bijdrage van de partners zijn vermeld; k) k) een beschrijving van de beoogde wijze van beschikbaar stellen en verspreiden van de resultaten van het project tijdens en na afloop van dat project, en l) l) een beschrijving van de wijze waarop relevantie en succes van het project worden gemeten.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, een aanvraag tot subsidieverlening voor een programmaonderdeel, alleen in behandeling genomen indien de relatie met het programma als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, waarbinnen het beoogde programmaonderdeel valt, duidelijk is beschreven.

3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt, in een aanvraag tot subsidieverlening voor een project, niet zijnde een programmaonderdeel, de wijze waarop de kwaliteit van dat project wordt geborgd, beschreven.

Artikel 6

1.

Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de regeling voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 2, is € 8.000.000,, waarvan

€ 7.500.000, beschikbaar is voor programmas en programmaonderdelen, en € 500.000, beschikbaar is voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen.

2.

De beschikbare subsidie voor programmas en programmaonderdelen wordt als volgt verdeeld:

€ 4.000.000, voor hoofdthemas Groene economie en Gezonde voeding, genoemd in de bijlage bij deze regeling; € 2.000.000, voor hoofdthema Natuur, Landschap en een Vitaal platteland, genoemd in de bijlage bij deze regeling, en € 1.500.000, voor de hoofdthemas Systeemontwikkeling en Onderwijsvernieuwing, genoemd in de bijlage bij deze regeling.

3. Bij onderuitputting van het budget voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen, wordt het restant van dat budget op basis van de verhouding, genoemd in het tweede lid, toegevoegd aan de budgetten, bedoeld in dat lid.

4. Bij onderuitputting van het budget dat beschikbaar is voor programmaonderdelen binnen een hoofdthema kan de minister besluiten het resterende budget beschikbaar te stellen voor één van de andere hoofdthemas.

Artikel 7

1.

De hoogte van het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de regeling, is:

a. a. voor programmas maximaal € 200.000, per jaar voor één jaar en maximaal € 100.000, per jaar voor andere jaren, waarbij voor het totaal van opeenvolgende programmas per thema, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de regeling, het subsidiebedrag maximaal € 500.000, is; b. b. voor programmaonderdelen minimaal € 50.000, en maximaal € 300.000,, en c. c. voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen minimaal € 50.000, en maximaal € 100.000,;

2.

De uurtarieven, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de regeling zijn:

a. a. € 58,, voor medewerkers, waarvan de hoogte van het salaris valt binnen één van de schalen 1 tot en met 9, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984; b. b. € 73,, voor medewerkers, waarvan de hoogte van het salaris valt binnen één van de schalen 10 tot en met 12, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, en c. c. € 96,, voor medewerkers, waarvan de hoogte van het salaris valt binnen één van de schalen 13 tot en met 18, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984.

Artikel 8

1. De hoogte van het subsidiepercentage met betrekking tot de vergoeding van de subsidiabele kosten voor programmas is maximaal 100% voor kosten, genoemd in artikel 5 van de regeling.

2. De hoogte van het subsidiepercentage met betrekking tot de vergoeding van de subsidiabele kosten voor projecten is maximaal 50% voor kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de regeling, met uitzondering van de kosten voor de projectleider van een programmaonderdeel waarvoor overeenkomstig het eerste lid deze tot maximaal 100% worden gesubsidieerd.

3. De hoogte van het subsidiepercentage met betrekking tot de vergoeding van de subsidiabele kosten voor projecten is maximaal 75% voor kosten genoemd in artikel 5, onderdeel b tot en met d, van de regeling.

4. De vergoeding van de kosten bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de regeling voor projecten is maximaal 20% van de totale opgevoerde kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de regeling.

5. De vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de regeling is voor projecten maximaal 5% van de totale opgevoerde kosten, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de regeling.

Artikel 9

De duur van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de regeling, is maximaal:

a. a. twee jaar en zes maanden voor programmaonderdelen; b. b. één jaar en zes maanden voor projecten, niet zijnde programmaonderdelen.

Artikel 10

De hoogte van de voorschotten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de regeling, bedraagt:

a) a) bij subsidieverlening voor een programma maximaal 60% van het toegekende subsidiebedrag, gedeeld door de beoogde looptijd van dat programma in jaren, en b) b) bij subsidieverlening voor een project maximaal 60% van het toegekende subsidiebedrag.

Artikel 11

De overheidsbijdragen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de regeling, zijn:

a) a) subsidies, verstrekt op grond van de Regeling Innovatiebox beroepsonderwijs, de Regeling Innovatiearrangement 2003/2004/2005/20062009, de Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken 2007, de Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs en de Subsidieregeling ondernemerschap en onderwijs 2007; b) b) bijdrage, verstrekt door de Stichting Innovatie Alliantie; c) c) bijdrage, verstrekt door de minister in het kader van School als kenniscentrum; d) d) bijdragen ten behoeve van het groene onderwijs, verstrekt door het Deltapunt Beta/techniek.

Artikel 12

Wijzigt de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit innovatie groen onderwijs 2010.

Bijlage