40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 | BWBR0022892 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-04-13 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0022892 | Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 |
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
– – regeling: Regeling LNV-subsidies; – –
richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (PbEG L 206);
– –
verordening (EG) nr. 2200/96: verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
– –
verordening (EG) nr. 1782/2003: verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;
– – Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Artikel 2
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
– –
titel 1, 2, 3,
– –
titel 4, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1,
– –
titel 5, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1 en 5, en
– –
titel 6.
Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw
Titel 1. Beroepsopleiding en voorlichting
Artikel 3
1.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
a. a. landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode; b. b. landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of konijnenhouderij.
2.
De aanvragen worden ingediend:
– – voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 1 mei tot en met 15 juni 2008; – – voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel 4
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a. a. de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode; b. b. de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode; c. c. de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering; d. d. de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode; e. e. de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen; f. f. het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of g. g. het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel 5
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kunnen, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van bedrijfsconsulten, uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten.
Artikel 6
1.
Onverminderd artikel 3 kunnen aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de regeling worden ingediend door landbouwondernemingen voor zover die activiteiten:
a. a. betrekking hebben op het voldoen aan beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006; b. b. betrekking hebben op kennisoverdracht over artikel 8, onderdeel b, van de Meststoffenwet, aan akkerbouwondernemingen die zijn gevestigd op gronden, aangewezen bij artikel 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 1 december 2008.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008.
5. In afwijking van artikel 2:4 van de regeling is artikel 1:6 van de regeling van toepassing op de in dit artikel bedoelde aanvragen.
Artikel 7
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b, of artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b.
Artikel 8
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 9
1. De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
2. De aanvraag tot subsidievaststelling op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, bevat de namen van de deelnemende ondernemingen.
Artikel 10
Het subsidieplafond bedraagt:
– – € 455.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a; – – € 2.175.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b; – – € 325.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a; – – € 325.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Titel 2. Bedrijfsadviesdiensten
Artikel 11
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen in de periode van 1 mei tot en met 1 juni 2008 worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
2. Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
3. De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
Artikel 12
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag per drie jaar worden ingediend.
Artikel 13
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 14
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 250 bedraagt.
Artikel 15
Het subsidieplafond bedraagt: € 1.300.000.
Titel 3. Kennisverspreiding
Paragraaf 1. Praktijknetwerken
Artikel 16
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de veehouderijsector.
2. De aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en welke een duur hebben van ten hoogste twee jaar.
3. De aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel 17
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 16 advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
-
- het gekozen thema en de gekozen aanpak zowel inhoudelijk als procesmatig meer perspectief bieden;
-
- de probleemstelling concreter is;
-
- er meer gebruik wordt gemaakt van een vernieuwende aanpak, zowel inhoudelijk als procesmatig;
-
- het aangetoonde gezamenlijk belang van de deelnemers groter is;
-
- de verhouding tussen de kosten en de kwaliteit van het project beter is ten opzichte van andere projecten;
-
- de kennis en ervaring effectiever worden verspreid, of
-
- het netwerk breder is samengesteld.
Artikel 18
De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 25.000 bedraagt.
Artikel 19
Het subsidieplafond bedraagt: € 1.000.000.
Paragraaf 2. Demonstratieprojecten
Artikel 20
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
– – landbouwondernemingen; – – samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen; – – samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming met een of meerdere van de in artikel 2:14, tweede lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de regeling genoemde ondernemingen.
Artikel 21
1.
De aanvragen kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling en voor zover de projecten gericht zijn op:
a. a. demonstratie van de biologische bedrijfsvoering of elementen hieruit voor gangbare ondernemers waarbij ervaringen over innovaties in de biologische en gangbare landbouw worden uitgewisseld met als doel verduurzaming van de landbouw; b. b. demonstratie van wijzen van communicatie met en verkoop aan de eindconsument; c. c. demonstratie van productie, verwerking of verkoop van biologische producten waarbij kostprijsverlaging of verbetering van de kwaliteit van het eindproduct wordt bereikt, of d. d. het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
2.
De aanvragen kunnen tevens worden ingediend voor projecten die:
a. a. betrekking hebben op het in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g, van de regeling genoemde thema, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden werkzaam in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw; b. b. betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, werkzaam in de varkens-, de konijnen- of de pluimveehouderij, inclusief de eenden- en kalkoenenhouderij, of, c. c. betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen werkzaam in de melkveehouderij.
Artikel 22
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, eerste lid; b. b. in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel a; c. c. in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel b; d. d. in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel c.
Artikel 23
1.
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate:
a. a. het project in potentie tot een grotere energiebesparing leidt; b. b. de energiebesparing toepasbaar is op een groter aantal bedrijven of een groter aantal hectares; c. c. voor zover het een project betreft aangevraagd door een glastuinbouwonderneming, het project relevant is voor meerdere gewassen of gewasgroepen, of, d. d. het project beter aansluit bij de doelstellingen van het werkprogramma Schoon en Zuinig.
2.
Aanvragen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdelen b en c, hebben een groter draagvlak als bedoeld in artikel 2:16, onderdeel a, onder 3°, van de regeling naarmate het project:
a. a. meer aansluit bij de programmalijnen van de sectorale innovatieagenda’s, of b. b. meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Artikel 24
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 21, eerste lid en artikel 21, tweede lid, onderdeel a, b, en c, advies uit.
Artikel 25
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
Artikel 26
Het subsidieplafond bedraagt:
-
- € 495.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
-
- € 1.452.500 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a;
-
- € 600.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, en
-
- € 550.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel c.
Titel 4. Onderzoek en ontwikkeling
Paragraaf 1. Innovatieprojecten
Artikel 27
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door landbouwondernemingen:
-
- werkzaam in de melkveehouderij of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het tweede lid;
-
- werkzaam in de varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het eerste lid.
Artikel 28
1. Aanvragen als bedoeld in artikel 27 hebben meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:28, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
2. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 27, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Artikel 29
1. Het subsidieplafond bedraagt € 900.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 1.200.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, tweede lid.
Artikel 30
Per landbouwonderneming kan slechts een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend
Paragraaf 2. Samenwerking bij Innovatieprojecten
Artikel 31
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: melkvee-, varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij.
2. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw, biologische landbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
Artikel 32
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2. Projecten als bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
3. Projecten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Artikel 33
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Artikel 34
De subsidie bedraagt 35% van de subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Artikel 35
1.
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. € 1.200.000 voor subsidieaanvragen uit de melkveehouderij; b. b. € 2.200.000 voor subsidieaanvragen uit de varkens-, de konijnen-, de pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij; c. c. € 3.000.000 voor subsidieaanvragen van glastuinbouwondernemingen en ondernemingen die zich richten op paddestoelenteelt, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen; d. d. € 1.200.000 voor subsidieaanvragen van akkerbouw- of opengrondtuinbouwondernemingen, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen, en voor subsidieaanvragen uit de bijenhouderij; e. e. € 420.000 voor subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op biologische landbouw.
2. Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in het eerste lid bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over in dat lid genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
Titel 5. Bedrijfsmodernisering
Paragraaf 1. Investeringen op het terrein van energiebesparing
Artikel 36
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
a. a. een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling; b. b. een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling; c. c. een klimaatcomputer als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B, van de regeling; d. d. een temperatuurintegratiesoftwarepakket als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B, van de regeling; e. e. een kasdek met antireflectie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling; f. f. een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel B, van de regeling; g. g. een condensor als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling, of h. h. energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling; i. i. een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling; j. j. een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling; k. k. verticale ventilatoren als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel B, van de regeling.
2. De aanvragen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 21 mei 2008.
3. De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Artikel 37
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 38
1. De subsidie voor de in artikel 36, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2. De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Artikel 39
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt: € 5.500.000.
Paragraaf 2. Marktintroductie energieinnovaties
Artikel 40
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten worden gesubsidieerd.
2.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 en, b. b. in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel 41
De subsidie voor de in artikel 40, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 2.000.000.
Artikel 42
1. Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, bedraagt: € 3.500.000.
2. Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, bedraagt: € 3.500.000.
Artikel 43
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten worden gesubsidieerd.
2.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 b. b. In de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Artikel 44
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of -ondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 41 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel 45
1. De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt ten hoogste € 2.000.000 per aanvraag.
Artikel 46
In zoverre in afwijking van artikel 40, eerste lid, en artikel 43, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel 47
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, en 43, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
– – meer bijdraagt aan energieneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen en een zolaag mogelijke CO_2-uitstoot; – – meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of – – een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economisch inpasbare systemen.
Artikel 48
1. Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 43, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, bedraagt bedraagt: € 10.000.000.
2. Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 43, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, bedraagt: € 10.000.000.
Artikel 49
Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in de artikelen 39, 42 of 48 bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over de in die artikelen genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
Paragraaf 3. Gecombineerde luchtwassystemen
Artikel 50
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 26 september 2008.
Artikel 51
1.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
a. a. bij de landbouwonderneming een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) op of na het bijbehorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden en, deze onderneming als prioritaire landbouwonderneming is genoemd of aangeduid in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van die wet (4 punten); b. b. de landbouwonderneming waarin veehouderij wordt beoefend ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en c. c. de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
2. Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel 52
1. Er worden geen voorschotten verleend.
2. Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
Artikel 53
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 54
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Artikel 55
1. Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 50 bedraagt: € 4.000.000.
2.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a. a. € 1.500.000,– voor landbouwondernemingen gevestigd in Noord-Brabant; b. b. € 555.000,– voor landbouwondernemingen gevestigd in Limburg.
Paragraaf 4. Jonge landbouwers
Artikel 56
1. Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot 26 september 2008.
2. Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel 57
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 26 september 2010.
Artikel 58
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 59
In aanvulling op artikel 1:15, derde lid, en artikel 2:40, tweede lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 60
1. Het subsidieplafond bedraagt: € 8.800.000.
2.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a. a. € 167.442 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe; b. b. € 558.140 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland; c. c. € 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel; d. d. € 95.433 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht; e. e. € 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Holland; f. f. € 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland; g. g. € 465.116 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant; h. h. € 46.512 voor jonge landbouwers gevestigd in Limburg.
Artikel 61
1.
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 56, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan aanvragen die ingediend zijn op grond van de Subsidieregeling jonge agrariërs in 2006, of artikel 59 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies en:
a. a. vanwege overschrijding van de subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in aanmerking kwamen en opnieuw voor subsidie in aanmerking willen komen op grond van de regeling, en b. b. voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
2. Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
Paragraaf 5. Investeringen op het terrein van integraal duurzame stallen en houderijsystemen
Artikel 62
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft landbouwondernemingen op het gebied van de varkenshouderij, pluimveehouderij of melkveehouderij.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008.
Artikel 63
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 62, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2.
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate:
a. a. het project meer economisch of technisch perspectief heeft; b. b. er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en c. c. er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
Artikel 64
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 200.000 bedraagt.
Artikel 65
Het subsidieplafond bedraagt: € 2.500.000.
Artikel 66
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Artikel 67
Uit de informatie, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, onderdeel b, van de regeling blijkt in hoeverre een stal of houderijsysteem voldoet aan de definitie van integraal duurzame stal of houderijsysteem, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling.
Artikel 68
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel 6. Voedselkwaliteitsregelingen
Artikel 69
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 1 december 2008.
2. De beschikking omtrent subsidieverlening wordt gegeven binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag doch niet eerder dan 10 november 2008.
Artikel 70
Het subsidieplafond bedraagt: € 500.000.
Artikel 71
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Titel 7. Tegemoetkoming vorstschade fruitteeltsector 2005
Artikel 71a
1. Aanvragen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:68, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 mei 2008.
2. In afwijking van artikel 1:7, tweede lid, onderdeel a, van de regeling, worden aanvragen niet gerangschikt.
3. Het subsidieplafond bedraagt € 5.625.000.
Titel 8. Tegemoetkoming premie regenschadeverzekering 2007
Artikel 71b
1. Aanvragen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:69 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 april 2008 tot en met 29 april 2008.
2. In afwijking van artikel 1:4 van de regeling, worden aanvragen niet gerangschikt.
3. Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.
Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie
Titel 1. Draagvlak natuur
Artikel 72
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2008.
Artikel 73
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 72, bedraagt het subsidieplafond:
a. a. voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 1.250.000; b. b. voor programma’s, als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.250.000,–
Titel 2. Effectgerichte maatregelen
Artikel 74
Aanvragen tot verleningen van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 9 februari 2008.
Artikel 75
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 74, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
a. a. de Unie van Bosgroepen: € 1.869.772,80; b. b. de Landschappen: € 1.640.224,80; c. c. de Vereniging natuurmonumenten: € 1.335.552,–; d. d. overige aanvragers: € 371.450,40.
Titel 3. Historische buitenplaatsen
Artikel 76
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 december 2007.
Artikel 77
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 76, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000,–.
Artikel 78
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen worden ingediend van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2008.
Artikel 79
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 78, bedraagt het subsidieplafond € 215.000,–.
Titel 4. Nationale en grensoverschrijdende parken
Artikel 80
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 5, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 1 januari 2008.
Artikel 81
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 80, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
a. a. de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.347.710,23; b. b. Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000,–.
Titel 5. Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel 82
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 8, kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2008.
Artikel 83
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 82, bedraagt het subsidieplafond:
a. a. voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a: € 220.000,–; b. b. voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub c: € 167.000,–.
Titel 6. Behoud zeldzame landbouwhuisdierrassen
Artikel 84
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 10, kunnen worden ingediend van 1 februari tot en met 1 maart 2008.
Artikel 85
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 84, bedraagt het subsidieplafond: € 200.000,–
Hoofdstuk 4. Visserij
Titel 1. Capaciteit visserijvloot
Paragraaf 1. Beëindigen visserijactiviteiten
Artikel 86
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
– – segment: segment als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Regeling visvergunning; – – lengte over alles: lengte als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274); – – dag: aaneengesloten tijdvak van 24 uur waarin een vissersvaartuig niet in de haven ligt;
Artikel 87
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onderdeel a, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 26 november tot en met 10 december 2007.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 29.000.000,–.
3. Na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, kan het aangevraagde subsidiebedrag als bedoeld in artikel 4:3 van de regeling niet worden gewijzigd.
Artikel 88
De aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend voor de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onderdeel a, van de regeling, voor zover:
a. a. het vissersvaartuig behoort tot het segment MFL 1 en hiervoor een contingent schol of tong is toegekend; b. b. het vissersvaartuig een lengte over alles van meer dan 15 meter heeft en een tonnage van minder dan 1.200 BT; c. c. het vissersvaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening meer dan tien jaar oud is; d. d. het vissersvaartuig in elk van de twee aan de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande perioden van twaalf maanden ten minste 75 dagen is gebruikt voor een visserijactiviteit, en e. e. ten aanzien van het vissersvaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 2a, eerste en tweede lid, van de Regeling visvergunning een visvergunning is toegekend.
Artikel 89
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 90
1.
Het forfaitaire subsidiebedrag per brutoton en het aanvullende bedrag, bedoeld in artikel 4:7 van de regeling, zijn:
a. a. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van minder dan 10 BT: € 11.121,– per brutoton en € 2.022,–; b. b. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 10 BT of meer, en minder dan 25 BT: € 5.055,– per brutoton en € 62.682,–; c. c. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 25 BT of meer, en minder dan 100 BT: € 4.246,– per brutoton en € 82.902,–; d. d. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 100 BT of meer, en minder dan 300 BT: € 2.730,– per brutoton en € 234.552,–; e. e. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 300 BT of meer, en minder dan 500 BT: € 2.224,– per brutoton en € 386.202,–, of f. f. indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 500 BT of meer: € 1.213,– per brutoton en € 891.702,–.
2. Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, tussen 16 en 29 jaar oud is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 1,5% per jaar dat het vaartuig ouder is dan 15 jaar.
3. Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, 30 jaar of ouder is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 22,5%.
4. Voor de toepassing van dit artikel is de leeftijd van een vissersvaartuig een geheel getal dat het verschil aangeeft tussen het jaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend en het jaar van inbedrijfstelling in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274).
5. Voor de toepassing van dit artikel is het aantal brutoton dat een vissersvaartuig meet, het aantal brutoton dat het vaartuig meet volgens de opgave in de meetbrief.
Artikel 91
1.
De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien de aanvrager de aan het vissersvaartuig verleende garnalenvergunning, de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde of, geheel of gedeeltelijk, een aan het vissersvaartuig toegekend contingent in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis of de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren:
a. a. heeft overgedragen, of b. b. binnen zijn onderneming heeft toegewezen aan een ander vissersvaartuig.
2. De subsidieverlening wordt tevens in ieder geval geweigerd indien de aanvrager in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis een verzoek heeft gedaan tot aanhouding van de toekenning van een contingent, een garnalenvergunning, een vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde.
Artikel 92
1. Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. De beslissing tot verlening van subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of het uitblijven daarvan.
Paragraaf 2. Sociaal-economische maatregelen
Artikel 92a
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdelen a en d, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 8 april 2008 tot en met 5 mei 2008.
Artikel 92b
1.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door een aanvrager die:
a. a. geen bijdrage als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, heeft verkregen; b. b. ten minste een jaar zijn beroepsactiviteit als visser heeft uitgeoefend; c. c. een cursus volgt of gaat volgen die gericht is op verbetering van zijn beroepsvaardigheden als visser, en d. d. binnen twaalf maanden na de aanvraag tot verlening van de subsidie aanvangt met de cursus.
2.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, van de regeling kunnen worden ingediend door een aanvrager:
a. a. van wie de arbeids- of maatschapsovereenkomst is geëindigd of zal eindigen, of van wie de tijdelijke overeenkomst niet is verlengd of verlengd zal worden, op een datum gelegen na 26 november 2007; b. b. die op 1 januari 2008 de leeftijd van 58 jaar maar nog niet van 65 jaar heeft bereikt; c. c. die ten minste tien jaar zijn beroepsactiviteit als visser heeft uitgeoefend; d. d. die ten minste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in onderdeel a, zonder onderbreking werkzaam is geweest op een vissersvaartuig dat wordt gebruikt voor de zeevisserij; e. e. die met de in onderdeel d bedoelde werkzaamheden in de betrokken periode de helft van zijn in artikel 3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde inkomen uit werk en woning heeft verdiend; f. f. die zijn beroepsactiviteit als visser definitief heeft beëindigd of zal beëindigen, en g. g. in voorkomend geval,
1°
ten aanzien van wie de maatschapsovereenkomst bepaalt dat de eigenaar van het vissersvaartuig niet gehouden is een bijdrage aan de visser te verstrekken wanneer hij het vissersvaartuig uit de maatschap terugtrekt, of
2°
ten aanzien van wie uit de maatschapsovereenkomst voortvloeit dat de visser geen invloed heeft op de beslissing van de eigenaar van het vissersvaartuig dit uit de maatschap terug te trekken.
1° 1° ten aanzien van wie de maatschapsovereenkomst bepaalt dat de eigenaar van het vissersvaartuig niet gehouden is een bijdrage aan de visser te verstrekken wanneer hij het vissersvaartuig uit de maatschap terugtrekt, of 2° 2° ten aanzien van wie uit de maatschapsovereenkomst voortvloeit dat de visser geen invloed heeft op de beslissing van de eigenaar van het vissersvaartuig dit uit de maatschap terug te trekken.
Artikel 92c
1.
De subsidie bedraagt:
a. a. voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, onderdeel a, van de regeling: 100% van de totale kosten van deelname aan de cursus, tot een maximum van € 7.500,–; b. b. voor de activiteit, bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, van de regeling: € 500,– voor iedere kalendermaand gedurende de periode die aanvangt op de eerste dag van de maand waarin de arbeids- of maatschapsovereenkomst is beëindigd en die eindigt op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
2. De totale kosten van deelname aan de cursus, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, omvatten uitsluitend de kosten van inschrijving van de cursus en de kosten van het lesmateriaal dat verplicht is voorgeschreven door de instelling die de cursus aanbiedt.
Artikel 92d
1. Het subsidieplafond voor aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel a, van de regeling bedraagt € 250.000,–.
2. Het subsidieplafond voor aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de regeling bedraagt € 750.000,–.
Artikel 92e
1.
De aanvraag tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel a, van de regeling gaat vergezeld van:
a. a. een kopie van een arbeids- of maatschapsovereenkomst, waaruit in elk geval blijkt de naam van de werkgever onderscheidenlijk de maat-eigenaar en het letterteken en nummer van het vissersvaartuig waarop de aanvrager werkzaam is of werkzaam is geweest, b. b. bescheiden waaruit de kosten van de cursus blijken, en c. c. bescheiden waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 92b, eerste lid, onderdelen b en c.
2.
De aanvraag tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:9, onderdeel d, van de regeling gaat vergezeld van:
a. a. een kopie van de arbeids- of maatschapsovereenkomst, waaruit in elk geval blijkt de naam van de werkgever onderscheidenlijk de maat-eigenaar en het letterteken en nummer van het vissersvaartuig waarop de aanvrager werkzaam is of was, en b. b. bescheiden waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 92b, tweede lid, onderdelen b tot en met e en g.
3. De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in 4:9, onderdeel a, van de regeling gaat vergezeld van facturen en betaalbewijzen van de kosten, bedoeld in artikel 92c, tweede lid.
Artikel 92f
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel a en d, van de regeling overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling, met dien verstande dat voorrang wordt gegeven aan aanvragen van vissers die:
a. a. werkzaam waren op een vaartuig waarvan de visserijactiviteiten definitief zijn beëindigd en de eigenaar voor deze definitieve beëindiging, naar aanleiding van een aanvraag, ingediend in de periode van 26 november 2007 tot en met 10 december 2007, een beschikking tot subsidieverlening heeft verkregen op grond van artikel 4:2 van de regeling, en b. b. op het moment van de aanvraag, bedoeld in onderdeel a, hun beroepsactiviteit als visser op dat vissersvaartuig uitoefenden.
Artikel 92g
De begunstigde van subsidie als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de regeling verstrekt de Minister jaarlijks voor 31 maart op een daartoe door de Minister vastgesteld formulier een overzicht van zijn inkomsten uit werk en woning of sociale zekerheidsuitkeringen.
Artikel 92h
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel 2. Investeringen
Paragraaf 1. Garantstelling
Artikel 93
1. Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.
2. Het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4:57, eerste lid, van de regeling, wordt voor 2008 vastgesteld op € 8.000.000,–.
Paragraaf 2. Investeringen in vissersvaartuigen
Artikel 93a
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig ten behoeve van de visserij met een pulskorvistuig.
2.
Een pulskorvistuig als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. a. de maximale elektrische stroom in kW bedraagt voor elke boomkor niet meer dan de lengte in meter vermenigvuldigd met 1,25; b. b. het werkelijke voltage tussen de elektroden bedraagt ten hoogste 15 Volt; c. c. een computergestuurd beheerssysteem aan boord van het vaartuig registreert de maximale stroom per boom en het werkelijke voltage tussen de elektroden van ten minste de laatste 100 trekken. d. d. alleen de kapitein van het vaartuig of diens gemachtigde heeft toegang tot het computergestuurde systeem om er wijzigingen in aan te brengen; e. e. aan het vistuig zijn geen wekkerkettingen bevestigd.
3. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen tevens worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig ten behoeve van de omschakeling naar een meer selectieve visserijmethode.
Artikel 93b
1.
De aanvragen, bedoeld in artikel 93a, eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen indien:
a. a. het vaartuig geregistreerd staat in het visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Besluit Registratie vissersvaartuigen 1998; b. b. het motorvermogen van het vaartuig meer dan 735 kW is; c. c. het vaartuig in de periode van twaalf maanden voor het moment van indienen van de aanvraag gedurende ten minste de helft van het maximumaantal dagen dat het vaartuig op grond van Europese wetgeving aanwezig mag zijn in het Skagerrak, Kattegat en in ICES-zone IV, VIa, VIIa, VIId en de EG-wateren van ICES-zone IIa, de platvisvisserij heeft uitgeoefend met een boomkor, en e. e. voor het vaartuig contingenten tong en schol zijn toegekend.
2.
De aanvragen, bedoeld in artikel 93a, derde lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen, indien:
a. a. het vaartuig geregistreerd staat in het visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Besluit Registratie vissersvaartuigen 1998; b. b. met het vaartuig volgens bij de Minister bekende gegevens in het jaar 2002 meer dan 80.000 kg van de vissoorten kabeljauw, wijting of schelvis is gevangen en aangeland; c. c. voor het vaartuig contingenten kabeljauw of wijting waren toegekend in het jaar 2002; d. d. met het vaartuig in het jaar 2002 niet met de boomkor is gevist.
Artikel 93c
1. Aanvragen als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 17 april 2008 tot en met 2 mei 2008.
2. Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt € 880.000,–.
3. Aanvragen als bedoeld in artikel 93a, derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
4. Het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt € 400.000,–.
Artikel 93d
1.
De aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 93b, eerste lid, gaat vergezeld van:
a. a. een financieringsplan voor de investering; b. b. offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie en de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig; c. c. een ondernemingsplan, waarin de visie van de subsidieaanvrager op de huidige en toekomstige wijze van exploitatie van zijn visserijbedrijf is opgenomen; d. d. een opgave van de visserijgebieden waar met het vaartuig doorgaans de visserij wordt uitgeoefend.
2.
De aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 93b, derde lid, gaat vergezeld van:
a. a. een financieringsplan voor de investering; b. b. offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie of de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig; c. c. een beschrijving van hoe de subsidieaanvrager in de toekomst met zijn vissersvaartuig de visserij uit zal oefenen, waarin ten minste het type visserij en de doelsoorten zijn opgenomen.
Artikel 93e
1. Bij de behandeling van aanvragen als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, selecteert de Minister, in afwijking van artikel 4:36 van de regeling, de aanvragen voor subsidieverlening zodanig, dat de pulskorvistuigen waarvoor subsidie wordt verleend, in zo veel mogelijk verschillende praktijksituaties worden gebruikt.
2.
De selectie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd op basis van:
a. a. het motorvermogen van het vissersvaartuig van de aanvrager, en b. b. de visserijgebieden waar de aanvrager de visserij uitoefent.
3. Indien de selectie van aanvragen op basis van het eerste lid zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond, maakt de Minister overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling een rangschikking van de aanvragen die in gelijke mate voldoen aan de in het tweede lid bedoelde selectiecriteria.
4.
De Minister rangschikt een aanvraag als bedoeld in het derde lid hoger, naarmate naar het oordeel van de Minister:
a. a. het bedrijf van de aanvrager meer gericht is op duurzame en economisch rendabele visserij, blijkens het door de aanvrager ingediende ondernemingsplan; b. b. de aanvrager meer visserijervaring met relevante vistuigen en visserijmethodes heeft , blijkens de bij het ministerie ter beschikking staande gegevens inzake de uitoefening van de visserij.
5. De Minister kan een beoordelingscommissie instellen die advies geeft over de selectie en rangschikking van aanvragen als bedoeld in het eerste en derde lid.
Artikel 93f
1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 176.000,–.
3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt 30% van de subsidiabele kosten.
4. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93a, derde lid, bedraagt ten hoogste € 120.000,–.
Artikel 93g
1. In elk van de twee opeenvolgende perioden van twaalf maanden na het moment van subsidievaststelling, oefent de ontvanger van subsidie, als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, de visserij uit met het pulskorvistuig gedurende ten minste de helft van het maximumaantal dagen dat het vaartuig op grond van Europese wetgeving aanwezig mag zijn in het Skagerrak, Kattegat en in ICES-zone IV, VIa, VIIa, VIId en de EG-wateren van ICES-zone IIa.
2. Tijdens de perioden, bedoeld in het eerste lid, neemt de subsidieontvanger of de schipper van het vaartuig waarop het pulskorvistuig is geïnstalleerd overeenkomstig de in dat kader gestelde voorwaarden deel aan een door de Minister opgerichte kennis- en demonstratiekring van vissers die de visserij uitoefenen met een pulskorvistuig, teneinde de opgedane kennis over de visserij met het pulskorvistuig zo veel mogelijk te delen en toegankelijk te maken voor andere vissers.
Artikel 93h
1.
De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 93a, eerste lid, gaat vergezeld van:
a. a. facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten; b. b. een bewijs van toestemming van de Minister om met het pulskorvistuig te mogen vissen, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling technische maatregelen 2000; c. c. een bewijs van deelname aan de kennis- en demonstratiekring, bedoeld in artikel 93g, tweede lid.
2. De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 93a, derde lid, gaat vergezeld van facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten.
Artikel 93i
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Artikel 93j
1. De subsidie op grond van artikel 93a, eerste lid, wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
2. De beslissing tot verlening van subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of het uitblijven daarvan.
Paragraaf 3. Investeringen in aquacultuur
Artikel 93k
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:40, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 26 september 2008.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 4.000.000,–.
Artikel 93l
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Titel 3. Maatregelen van gemeenschappelijk belang
Paragraaf 1. Innovatieprojecten
Artikel 93m
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000,–.
Artikel 93n
1. De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 350.000,–.
Artikel 93o
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Paragraaf 2. Collectieve acties
Artikel 93p
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2008 tot en met 30 augustus 2008.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000,–.
Artikel 93q
In aanvulling op artikel 4:23 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 93p, eerste lid, hoger gerangschikt naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft, naar het oordeel van de Minister:
a. a. meer bijdraagt aan de verbetering van kwaliteit van visserijproducten en de toevoeging van waarde aan een visserijproduct in de keten, en b. b. meer bijdraagt aan de traceerbaarheid van visserijproducten.
Artikel 93r
1. De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling.
2. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 93p, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 350.000.
Artikel 93s
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Hoofdstuk 5. Beoordelingscommissies
Artikel 94
Als beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 17, 24, 28, 32, eerste en tweede lid, 47 en 63 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
Artikel 95
De beoordelingscommissie bedoeld in artikel 94, bestaat uit:
De heer drs. J.P.J. Lokker, en
De heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Hoofdstuk 5a. Formulieren
Artikel 95a
Als formulier waarmee aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 6, eerste lid, 11, eerste lid, 27, 31, 36, eerste lid, 40, eerste lid, 43, eerste lid, 62, eerste lid, 92a, 93a, eerste en derde lid, 93k, eerste lid, 93m, eerste lid, en 93p, eerste lid, worden ingediend, zijn vastgesteld de formulieren die overeenkomen met de desbetreffende modellen die zijn opgenomen in Bijlage 4 bij dit besluit.
Artikel 95b
Als formulier waarmee aanvragen tot subsidievaststelling als bedoeld in de artikelen 71a, eerste lid, en 71b, eerste lid, worden ingediend, zijn vastgesteld de formulieren die overeenkomen met de desbetreffende modellen die zijn opgenomen in Bijlage 5 bij dit besluit.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 96
Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies wordt ingetrokken.
Artikel 97
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 96 in werking treedt met ingang van 18 januari 2008.
Artikel 98
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008.
Bijlage 1
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij Investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 36, eerste lid.
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel a):
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel b):
Klimaatcomputer (artikel 36, onderdeel c):
Temperatuurintegratiesoftwarepakket (artikel 36, onderdeel d):
Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 36, onderdeel e):
Warmtebuffersysteem (artikel 36, onderdeel f):
Condensor op retour (artikel 36, onderdeel g):
Energieclusters (artikel 36, onderdeel h):
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 39, onderdeel i):
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 39, onderdeel j):
Verticale ventilatoren voor vochtregulatie (artikel 39, onderdeel k):
Bijlage 2
Rekenmodel als bedoeld in bijlage 2, Hoofdstuk 2, Punt A, onderdeel b, van de regeling. Marktintroductie Energie-innovaties: beperking van CO_2-emissie door toepassing van een semi-gesloten kas
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO_2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO_2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO_2-emissiereductie ........... bedraagt.
Bijlage 3
Gebied als bedoeld in artikel 51, eerste lid, waarvan de kritische depositiewaarde kleiner is dan 2.400 mol N per hectare per jaar.
Bijlage 4
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag.
Bijlage 5
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag.