40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 | BWBR0026543 | ministeriele-regeling | geldend | 2010-05-10 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0026543 | Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 |
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
– –
*regeling:*
Regeling LNV-subsidies;
– –
*verordening (EG) nr. 2200/96:*
verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
– – verordening 73/2009: Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30).
Artikel 2
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
– –
titel 1, 2, 3, 4;
– –
titel 5, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1, 4a en 5;
– –
titel 6.
Hoofdstuk 2. Concurrerende landbouw
Titel 1. Beroepsopleiding en voorlichting
Artikel 3
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, die in omschakeling zijn of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode.
2. Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die in liquiditeitsproblemen verkeren.
3. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 30 november 2010.
4. De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 7 juli 2010.
Artikel 4
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a. a. de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode; b. b. de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode; c. c. de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering; d. d. de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode; e. e. de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen; f. f. het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of g. g. het verwerven van technische kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
2. In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
3. De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid kunnen uitsluitend tot subsidievaststelling leiden, indien de ingeschakelde adviseur of instelling voldoet aan artikel 2:8, tweede lid, onderdeel e, van de regeling.
Artikel 5
1. Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3, eerste lid of artikel 3, tweede lid.
2. Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden afgewezen, indien aan de aanvrager reeds in 2009, op grond van artikel 3, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 een subsidie is verleend.
Artikel 5a
1.
De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid:
a. a. kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, c en d, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten en voor zover deze ten minste betrekking hebben op:
a.
een beschrijving van de moeilijkheden waarin het bedrijf verkeert met een kwantificering daarvan;
b.
de stappen die de onderneming kan nemen die leiden tot verbetering en de financiële aspecten die daarbij aan de orde komen.
a. a. een beschrijving van de moeilijkheden waarin het bedrijf verkeert met een kwantificering daarvan; b. b. de stappen die de onderneming kan nemen die leiden tot verbetering en de financiële aspecten die daarbij aan de orde komen.
2.
De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
a. a. kunnen uitsluitend tot subsidieverlening leiden, indien de aanvrager een bankverklaring overlegt waaruit volgt dat de onderneming liquiditeitsproblemen ondervindt en daardoor volgens normaal bankgebruik geen financiering kan krijgen; b. b. kunnen uitsluitend tot subsidievaststelling leiden, indien de ingeschakelde adviseur of instelling voldoet aan artikel 2:8, tweede lid, onderdeel e, van de regeling.
3. Op de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, is artikel 2:1a, aanhef en onderdeel a, van de regeling niet van toepassing.
Artikel 6
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 7
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
Artikel 8
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. € 450.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid; b. b. € 191.500 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Titel 2. Bedrijfsadviesdiensten
Artikel 9
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 ontvangen.
2. Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB inkomenssteun 2006.
3. De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
4.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 4 januari tot en met 26 februari 2010, of b. b. in de periode van 2 augustus tot en met 30 september 2010.
5. Artikel 2:10, derde lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen die worden ingediend in de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b.
Artikel 10
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 11
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies en ten minste € 250.
Artikel 12
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt:
a. a. € 300.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a; b. b. € 300.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b.
Titel 3. Kennisverspreiding (praktijknetwerken)
Artikel 13
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal twee deelnemers bestaat.
2. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
3. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste twee jaar.
4. De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste drie jaar.
5. De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
Artikel 14
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a. a. het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn; b. b. het project een meer duurzaam karakter heeft; c. c. de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project; d. d. de kennis en ervaring effectiever worden verspreid.
Artikel 15
1. De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
2. De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000.
Artikel 16
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, € 1.200.000; b. b. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, € 3.600.000.
Titel 4. Onderzoek en ontwikkeling (samenwerking bij innovatieprojecten)
Artikel 17
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-. paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2. Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de bijenhouderij, glastuinbouw, paddenstoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
3. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
4. De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 26 februari 2010.
5. De aanvragen, bedoeld in het derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2010.
Artikel 18
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 17, eerste, tweede of derde lid, advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking.
2. Projecten als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
3. Projecten als bedoeld in artikel 17, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer bijdraagt aan de uitwerking van de zes speerpunten van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij.
Artikel 19
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Artikel 20
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Artikel 21
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, € 3.250.000; b. b. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, € 3.750.000; c. c. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, derde lid, € 5.600.000.
Titel 5. Bedrijfsmodernisering
Paragraaf 1. Investeringen op het terrein van energiebesparing
Artikel 22
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
a. a. een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling; b. b. een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling; c. c. een klimaatcomputer als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B, van de regeling; d. d. een kasdek met antireflectie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B, van de regeling; e. e. een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling; f. f. energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling; g. g. een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling; h. h. een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling, of i. i. een energiebesparend ventilatiesysteem met warmte terugwinning en/of voorverwarming als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling; j. j. diffuus glas als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk1, paragraaf 11, onderdeel A van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel B van de regeling.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april tot en met 14 mei 2010.
3. De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Artikel 23
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 24
1. De subsidie voor de in artikel 22, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2. De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Artikel 25
Het subsidieplafond bedraagt € 2.100.000.
Paragraaf 2. Marktintroductie energieinnovaties
Artikel 26
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van artikelen 3.2 of 4.2 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
2.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 februari tot en met 12 maart 2010, of b. b. in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
Artikel 27
De subsidie voor de in artikel 26, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Artikel 28
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, bedraagt:
a. a. € 8.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel a; b. b. € 8.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 29
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van de artikelen 3.2 of 4.2 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
2.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 februari tot en met 12 maart 2010, of b. b. in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
Artikel 30
De subsidie voor de in artikel 29, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m^2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale opverlak semi-gesloten kas.
Artikel 31
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt:
a. a. € 5.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a; b. b. € 5.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 32
In afwijking van artikel 26, eerste lid, en artikel 29, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel 33
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 27 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel 34
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en 29, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
– – meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO_2-uitstoot; – – meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of – – een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economische inpasbare systemen.
Paragraaf 3. Gecombineerde luchtwassystemen
Artikel 35
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2010.
Artikel 36
1.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
a. a. de landbouwonderneming ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en b. b. de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
2. Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel 37
1. Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2012.
2. Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 38
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Artikel 39
1. Het subsidieplafond bedraagt € 5.750.000.
2.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a. a. € 1.387.500 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Overijssel; b. b. € 1.156.250 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Noord-Brabant.
Paragraaf 4. Jonge landbouwers
Artikel 40
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 13 augustus 2010.
2. Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel 41
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2012.
Artikel 42
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 43
1. Het subsidieplafond bedraagt € 7.200.000.
2.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a. a. € 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Friesland; b. b. € 159.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe; c. c. € 291.125 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel; d. d. € 679.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland; e. e. € 51.163 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht; f. f. € 232.558 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Holland; g. g. € 55.814 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland; h. h. € 279.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant; i. i. € 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Limburg.
3. Bij overschrijding van een of meerdere van de subsidieplafonds, bedoeld in het eerste en tweede lid, is een additioneel subsidieplafond beschikbaar ten bedrage van € 4.000.000.
Artikel 43a
a. a. De subsidiabele kosten bedragen nooit meer dan € 100.000. b. b. De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.
Artikel 43b
1.
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 40, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan jonge landbouwers die op grond van de regeling ook in 2008 of 2009 aanvragen hebben ingediend en:
a. a. vanwege overschrijding van de subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in aanmerking kwamen en in 2010 opnieuw voor subsidie in aanmerking willen komen op grond van de regeling, en b. b. voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
2. Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt, voor zover van toepassing, de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
Paragraaf 4a. Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen
Artikel 43c
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 15 oktober 2010.
Artikel 43d
1. De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 43c, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2.
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naar mate:
a. a. de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert; b. b. de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft; c. c. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en d. d. er voor de investering in de intergraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
Artikel 43e
1. De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
2. Een op de liquiditeitsbehoefte afgestemd voorschot kan worden verleend, mits de aanvraag tot voorschotverlening vergezeld gaat van het overzicht van de liquiditeitsbehoefte.
3. Het tweede lid is, in zoverre in afwijking van artikel 65 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009, van overeenkomstige toepassing op subsidies die zijn verleend op grond van aanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 59 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009.
Artikel 43f
Het subsidieplafond bedraagt: € 15.000.000.
Artikel 44
De extra kosten, bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Paragraaf 5. Investeringen in technieken ter vermindering van de uitstoot fijn stof
Artikel 44a
1. Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in een techniek ter vermindering van de uitstoot fijn stof als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt B, van de regeling.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari 2010 tot en met 31 december 2010.
3. De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
4. Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
Artikel 44b
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 44c
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot een jaar na subsidieverlening.
Artikel 44d
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 44e
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.
Artikel 44f
Het subsidieplafond bedraagt € 20.000.000.
Paragraaf 6. Investeringen in toegang tot breedbandinternet
Artikel 44g
1. Aanvragen tot subsidievaststelling voor een investering als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 6, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 6, punt B, van de regeling.
2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2010 tot en met 10 juni 2010.
3. Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per landbouwonderneming.
Artikel 44h
Voor de rangschikking van de aanvragen is artikel 1:5 van de regeling van toepassing, met dien verstande dat onder het tweede lid het woord ‘subsidieverlening’ wordt gelezen als: subsidievaststelling.
Artikel 44i
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel 44j
Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie.
Artikel 44k
In afwijking van artikel 2:41 van de regeling bedraagt de subsidie € 200, met dien verstande dat de subsidiabele kosten minimaal € 400 bedragen.
Artikel 44l
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.
Paragraaf 7. Verdergaande verduurzaming land- en tuinbouw in het kader van nieuwe uitdagingen (POP NU)
Artikel 44m
1. Aanvraag tot verlening van een subsidie voor een investering in een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling kan worden ingediend in de periode van 18 oktober tot en met 15 november 2010.
2. Per landbouwonderneming kan één aanvraag worden ingediend, welke betrekking kan hebben op één of meerdere van de in de categorieën 1 tot en met 5, bedoeld in Bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling, onderscheiden machines of installaties.
3. Op de rangschikking van de aanvragen is artikel 1:6 van de regeling van toepassing.
4. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, categorie 5, van de regeling kunnen uitsluitend worden ingediend door landbouwbedrijven die zijn gelegen in Noord-Brabant.
Artikel 44n
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel 44o
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 29 september 2012 en per landbouwonderneming kan in die periode slechts één aanvraag worden ingediend.
Artikel 44p
De subsidie voor een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt per categorie:
a. a. voor zover het een investering uit categorieën 1, 2, 4 of 5 betreft 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie per hiervoor genoemde categorie ten hoogste € 100.000 bedraagt; b. b. voor zover het een investering of investeringen uit categorie 3 betreft en de subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming waarvoor een minimumopslagcapaciteit is voorgeschreven krachtens Hoofdstuk V van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet:
1.
25% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000, ingeval de investering of investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van niet meer dan drie maanden;
2.
40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 100.000, ingeval de investering of de investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van meer dan drie maanden;
-
-
25% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000, ingeval de investering of investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van niet meer dan drie maanden;
-
-
-
40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 100.000, ingeval de investering of de investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van meer dan drie maanden;
-
c. c. voor zover het een investering of investeringen uit categorie 3 betreft en de subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming waarvoor geen minimumopslagcapaciteit is voorgeschreven krachtens Hoofdstuk V van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, 25% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000; d. d. ten minste € 5000.
Artikel 44q
1.
Het subsidieplafond voor investeringen in machines of installaties als bedoeld in Bijlage 2. Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt:
a. a. € 6.400.000 voor de categorieën 1, 2, 3 en 4; b. b. € 1.600.000 voor categorie 5.
2.
Voor investeringen in machines of installaties als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, categorie 3, van de regeling, is het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd met € 1.600.000, met dien verstande dat de verhoging uitsluitend bestemd is voor:
a. a. landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkveehouderij en gelegen zijn binnen het gebied, zoals vastgesteld krachtens de Waterschapswet, van het waterschap de Dommel of het waterschap de Brabantse Delta, en b. b. de investeringen leiden tot een opslagcapaciteitverhoging van meer dan drie maanden.
Titel 6. Voedselkwaliteitsregelingen
Artikel 45
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2010.
Artikel 46
Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.
Artikel 47
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Titel 6a. Herstructureringssteun Q-koorts 2010
Artikel 47a
1. Aanvragen tot verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 30 november 2010.
2. Aanvragen kunnen worden ingediend door ondernemingen die zodanig ernstig zijn getroffen door maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan zijn aan te merken als onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies.
Artikel 47b
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000,–.
Artikel 47c
Onverminderd artikel 2:69p van de Regeling LNV-subsidies is de rente op de lening, bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies marktconform en niet hoger dan de wettelijke rente voor handelstransacties.
Artikel 47d
Artikel 1:13, tweede lid, van de Regeling LNV-subsidies, is niet van toepassing.
Artikel 47e
1. De subsidieontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 2:69k van de Regeling LNV-subsidies, voert het herstructureringsplan, bedoeld in artikel 2:69n, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies, zo spoedig als mogelijk uit, maar in ieder geval binnen twee jaar nadat bedoelde subsidie is verstrekt.
2.
Binnen vier maanden na afronding van de maatregelen in het herstructureringsplan, bedoeld in artikel 2:69n van de Regeling LNV-subsidies, dient de subsidieontvanger een eindverslag in dat ten minste bevat:
a. a. een kopie van de overeenkomst voor de lening, bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies, zoals afgesloten; b. b. het bewijs dat de aanvrager bedoelde lening volledig heeft opgenomen.
Titel 7. Garantstelling
Artikel 49
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. € 50.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:79 van de regeling; b. b. € 80.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:80 van de regeling.
Artikel 49a
Aanvragen tot garantstellingen als bedoeld in Hoofdstuk 2, Titel 12, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met het tijdstip dat de Commissie van de Europese Unie verstrekking van steun in de vorm van garanties aan landbouwondernemingen op grond van punt 4.2.2 van de Mededeling van de Commissie – Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16), na aanmelding als bedoeld in punt 5.2 van dat kader, aan de Nederlandse autoriteiten heeft toegestaan.
Artikel 49b
1. Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel 2:82 van de regeling bedraagt € 100.000.000.
2. Het in het eerste lid bedoelde plafond is tevens van toepassing op aanvragen die in 2009 zijn ingediend.
Titel 7a. Overige bepalingen
Artikel 49c
Het subsidieplafond bedoeld in artikel 62, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 3.500.000.
Artikel 49d
Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 40, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 10.376.000.
Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie
Titel 1. Draagvlak natuur
Artikel 49e
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.
Artikel 49f
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 49e, bedraagt het subsidieplafond:
a. a. voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 800.000; b. b. voor programma’s als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.700.000.
Artikel 49g
1. Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b.
2. Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a.
Titel 2. Draagvlak duurzaam voedsel
Artikel 49h
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.
Artikel 49i
Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling bedraagt: € 561.000,–.
Titel 3. Behoud van historische buitenplaatsen
Artikel 50
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2010.
Artikel 51
Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling: € 2.200.000.
Titel 4. Nationale en grensoverschrijdende parken
Artikel 52
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 31 december 2010.
Artikel 53
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
a. a. de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.478.444,09; b. b. Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Titel 5. Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel 54
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling in de periode van 4 januari tot en met 1 maart 2010.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 230.000.
Titel 6. Behoud zeldzame landbouwhuisdierrassen
Artikel 55
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 28 februari 2010.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Hoofdstuk 4. Visserij
Titel 1. Maatregelen van gemeenschappelijk belang
Paragraaf 1. Innovatieprojecten
Artikel 56
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.
2. De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 350.000.
3. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Artikel 57
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
Paragraaf 2. Collectieve acties
Artikel 58
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.
Artikel 59
De subsidie bedraagt:
a. a. 80% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 350.000 bedraagt; b. b. 100% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 350.000 bedraagt.
Artikel 60
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Artikel 60a
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
Paragraaf 3. Kwaliteit, rendement en nieuwe markten
Artikel 60aa
1.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor het volledig doorlopen van een beoordeling door onafhankelijke deskundigen in het kader van een traject ter certificering van visserijproducten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden, voor zover die beoordeling van gemeenschappelijk belang is voor een unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdier- en viskweek, gedefinieerd aan de hand van:
a. a. de doelsoort; b. b. de vis- of kweekmethode, en c. c. het vis- of kweekgebied.
2.
Een traject ter certificering als bedoeld in het eerste lid, voldoet naar het oordeel van de Minister, voor binnenvisserij en schelpdier- en viskweek voorzover van toepassing, aan de ‘Guidelines for the ecolabelling of fish and fishery products from marine capture fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties, waarbij de volgende thema’s van belang zijn:
a. a. structuur en procedures voor het opstellen van de standaard voor certificering; b. b. participatie van belanghebbenden bij het opstellen van de standaard voor certificering; c. c. accreditatie en certiferingsstructuren, en d. d. accreditatie en certiferingsprocedures.
3. Op verzoek van de Minister maakt een aanvrager aannemelijk dat het traject ter certificering, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de guidelines, bedoeld in het tweede lid.
4. Het gemeenschappelijke belang, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het voor de eerste maal doorlopen van de beoordeling door onafhankelijke deskundigen, bedoeld in het eerste lid, dat een toegevoegde waarde heeft voor de desbetreffende unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdierkweek en aquacultuur.
5.
Onder vismethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan de vismethoden, bedoeld in:
a. a. de internationale statistische standaardindeling van vistuig (ISSCFG); b. b. bijlage I van Verordening (EU) nr. 1342/2008 van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (Pb L 348), of c. c.
artikel 1 van het Reglement voor de binnenvisserij.
6.
onder kweekmethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b wordt verstaan:
a. a. een open aquacultuurvoorziening, of b. b. een gesloten aquacultuurvoorziening.
7.
Het vis- of kweekgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan bestaan uit:
a. a. het IJsselmeer, bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van de Uitvoeringsregeling visserij; b. b. de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling visserij, met uitzondering van het IJsselmeer; c. c. één van de kustwateren, bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, of d. d. een deelgebied of sectorgebied van een internationaal vastgesteld statistisch zeevisserijgebied.
8. In afwijking van artikel 4:27, tweede lid, van de regeling komen een erkende beroepsorganisatie, een samenwerkingsverband van visserijondernemingen of een combinatie daarvan in aanmerking voor de subsidie.
Artikel 60ab
1. Aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 30 september 2010.
2. Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot zee- en kustvisserij en schelpdierkweek bedraagt € 800.000.
3. Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot binnenvisserij en viskweek bedraagt € 200.000.
Artikel 60ac
1. Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, derde lid.
2. Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, derde lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid.
Artikel 60ad
In afwijking van artikel 4:29 van de regeling is artikel 1:5 van de regeling van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid.
Artikel 60ae
1.
In afwijking van artikel 4:31 van de regeling komen de volgende kosten in aanmerking voor de subsidie:
a. a. kosten voor een procesbegeleider voor het certificeringstraject; b. b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van noodzakelijke studies en onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het certificeringstraject; c. c. de overige kosten van het certificeringstraject, zoals overeengekomen met en in rekening gebracht door de certificeerder.
2. De kosten van offertes en voorstudies komen niet in aanmerking voor subsidie.
3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen loonkosten of kosten van eigen arbeid omvatten.
4. Een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
5. Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.
Artikel 60af
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Paragraaf 4. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden
Artikel 61
1. Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:33c van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2010.
2.
Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:
a. a.
bijlage 5, onderdeel a, onder 1, van de regeling € 600.000;
b. b.
bijlage 5, onderdeel a, onder 3, van de regeling € 1.223.390;
c. c.
bijlage 5, onderdeel a, onder 5, van de regeling € 800.000,–.
3. Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel 61a
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 61 met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Artikel 62
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.
Titel 2. Investeringen
Paragraaf 1. Investeringen in verwerking en afzet
Artikel 62aa
1. Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 30 juli 2010.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Artikel 62ab
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.
Paragraaf 2. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur
Artikel 62a
1.
Aanvragen voor de vaststelling van subsidie voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend:
a. a. in de periode van 1 november tot en met 1 december 2010 voor zover de subsidievaststelling betrekking heeft op een vaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a, van de regeling; b. b. in de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2010 voor zover de subsidievaststelling betrekking heeft op een vaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
2. Aanvragen voor de vaststelling van subsidie die betrekking hebben op een vaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, die na 26 februari 2010, doch uiterlijk 1 december 2010 zijn ingediend, worden beschouwd als aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode.
3. Het subsidieplafond bedraagt € 1.800.000,–.
Artikel 62b
In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de regeling kan subsidie worden verleend voor activiteiten die zijn aangevangen voor de subsidievaststelling op voorwaarde dat de activiteiten zijn aangevangen na 1 januari 2009.
Titel 3. Maatregelen voor de kust- en binnenvisserij
Paragraaf 1. Tegemoetkoming tijdelijk aalvisverbod 2010
Artikel 62ba
1. Aanvragen tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:68 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober tot en met 1 november 2010.
2. Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel 4.69 bedraagt € 1.000.000.
Artikel 62bb
Er worden geen voorschotten verleend.
Hoofdstuk 4a. Onderwijs
Titel 1. Groene plus lectoraten
Artikel 62bc
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 1 juli 2010 tot 15 september 2010.
Artikel 62bd
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.
Artikel 62be
De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.
Artikel 62bf
Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen en slotbepalingen
Artikel 62c
1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 van de Subsidieregeling energie en innovatie kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 maart 2010, 17:00.
2.
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. voor aanvragen tot verlening van subsidie voor demonstratieprojecten als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, onderdeel a en c, van de Subsidieregeling energie en innovatie, €8.000.000; b. b. voor aanvragen tot verlening van subsidie voor pilotprojecten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b en c, van de Subsidieregeling energie en innovatie, €2.000.000.
Artikel 63
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:
a. a. de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 25, 28, onderdeel a, en 31, onderdeel a, met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van deze subsidieplafonds; b. b. de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 28, onderdeel b, en 31, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds of met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van de in onderdeel a bedoelde subsidieplafonds; c. c. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 21, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; d. d. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 12, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; e. e. de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 62c, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds; f. f. de subsidieplafonds bedoeld in artikel 44q, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds.
Artikel 64
1. Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 14, 18, 34 en 43d wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
2. De beoordelingscommissie, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Artikel 65
1. Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 wordt ingetrokken.
2. De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel 66
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.
Artikel 67
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010.
Bijlage 1. Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in
*Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen * (artikel 22, eerste lid, onderdeel a):
*Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen *(artikel 22,eerste lid, onderdeel b):
*Klimaatcomputer * (artikel 22, eerste lid, onderdeel c):
*Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof *(artikel 22, onderdeel d):
*Warmtebuffersysteem * (artikel 22, eerste lid, onderdeel e):
*Energieclusters *(artikel 22, eerste lid, onderdeel f):
*Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling *(artikel 22, eerste lid, onderdeel g):
*Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm *(artikel 22, eerste lid, onderdeel h):
*Energiebesparend ventilatiesysteem met warmte terugwinning en/of voorverwarming * (artikel 22, eerste lid, onderdeel i):
Meerinvestering diffuus glas (artikel 22, eerste lid, onderdeel j):
Bijlage 2. Rekenmodel als bedoeld in
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO_2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO_2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO_2-emissiereductie ........... bedraagt.
Bijlage 3. Gebied als bedoeld in
^1 Bron: H.F. van Dobben & A. van Hinsberg (2008): Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1654.