rijk/ministeriele-regeling/organisatie-en-mandaatbesluit-ocw-2008/BWBR0023543
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 BWBR0023543 ministeriele-regeling geldend 2015-03-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0023543 Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. a.

    *Ministerie:* Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. b.

    *bewindspersoon:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Minister zonder portefeuille, ondergebracht bij het Ministerie, of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

c. c.

    *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

d. d.

    *staatssecretaris:* Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

e. e.

    *secretaris-generaal:* secretaris-generaal van het Ministerie,

f. f.

    *plaatsvervangend secretaris-generaal: * plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie,

g. g.

    *directeur-generaal:* directeur-generaal van het Ministerie,

h. h.

    *hoofd van een inspectie:* inspecteur-generaal van het onderwijs of de directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed,

i. i.

    *directeur:* degene die aan het hoofd staat van een beleidsdirectie, een ondersteunende directie, of een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage bij dit besluit,

j. j.

    *budgethouder:* functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten,

k. k.

    *direct-leidinggevende:* degene die binnen het Ministerie belast is met de dagelijkse leiding van medewerkers en ten aanzien van die medewerkers personeelsbevoegdheden heeft,

l. l.

    *bestuursraad:* bestuursraad van het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het Onderwijs,

m. m.

    *budget:* aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van een deel van de begroting,

n. n.

    *bestedingsplan:* plan ter uitvoering van de begroting, opgesteld ten behoeve van het aangaan van verplichtingen anders dan in het kader van:
  
    
      
      de reguliere of aanvullende bekostiging van onderwijs en onderzoek,
    
    
      
      de verstrekking van subsidies als bedoeld in de artikelen 4a en 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en
    
    
      
      de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de Erfgoedwet,

de reguliere of aanvullende bekostiging van onderwijs en onderzoek, de verstrekking van subsidies als bedoeld in de artikelen 4a en 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de Erfgoedwet, o. o.

    *managementafspraak:* afspraak omtrent de vertaling van beleidsdoelen in de begroting en de doelstellingen voor de interne bedrijfsvoering naar concrete acties en activiteiten, benodigde middelen en bevoegdheden of de prestatie- en kwaliteitsnormen ten aanzien van de te leveren producten of diensten, dan wel beide, met inbegrip van het bestedingsplan,

p. p.

    *personeelsreglement:* verzameling van decentraal gemaakte collectieve afspraken en instructies ten behoeve van de ambtenaren die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn bij de Staat der Nederlanden en werkzaam zijn bij OCW.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

a. a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en b. b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 3

1.

Het Ministerie bestaat uit:

a. a. ondersteunende directies, b. b. directoraten-generaal, c. c. inspecties, d. d. Nationaal Archief, en e. e. bureaus.

2. De Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief zijn baten-lastendienst.

3. De organisatie van het Ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage.

4. Wijziging van de bijlage geschiedt door de secretaris-generaal.

5. De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van de bijlage door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 4

1.

Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

a. a. gericht aan de Koning, b. b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges, c. c. gericht aan ministers en staatssecretarissen, d. d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of Staatssecretaris, e. e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies, f. f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State, g. g. gericht aan de Algemene Rekenkamer, h. h. houdende algemeen verbindende voorschriften, i. i. betreffende het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, en j. j. betreffende het uitoefenen van de bevoegdheid, genoemd in artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995, voor zover het archiefbescheiden betreft die zijn overgebracht door de zorgdragers als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995 en die betrekking hebben op het Koninklijk Huis.

2. Aan de minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst.

3. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 5

1. De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het Ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.

2. De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de hoofden van de volgens de bijlage onder de secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen.

3. Voor zover de secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

1. De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op hun werkterrein.

2. De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de hoofden van volgens de bijlage onder hen ressorterende dienstonderdelen.

3. De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal kennen aan de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.

Artikel 7

1. De inspecteur-generaal van het onderwijs heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2. De directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

3. De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

4.

Onverminderd het eerste lid heeft de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat om:

a. a. de bekostiging voor ten hoogste vijftien procent in te houden of geheel of gedeeltelijk op te schorten, op grond van artikel 155 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 123 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 133 van de Wet op de expertisecentra, artikel 10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 38 van de Wet medezeggenschap op scholen, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht, c. c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging; d. d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te nemen; e. e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969, artikel 39 van de Leerplichtwet BES, artikel 15.7, derde lid, en artikel 15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 11.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 4.3 van de Wet NLQF, of f. f. in afwijking van artikel 14b te beslissen op een aan de Inspectie van het Onderwijs gericht verzoek om informatie in de zin van de Wet open overheid, alsmede op een tegen een dergelijk besluit of een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift.

Artikel 8

1. Het hoofd van het Nationaal Archief heeft, onverminderd artikel 4, eerste lid, onderdeel l, en de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2. Het hoofd van het Nationaal Archief is budgethouder voor de hem door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 9

1. De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2. De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal, plaatsvervangend secretaris-generaal of directeur-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 10

1. De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en met de volgens de bijlage onder de secretaris-generaal ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

2. De plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal maken managementafspraken met de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

3. De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voor zover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 11

1. Ondermandaat van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden is mogelijk, tenzij in dit besluit anders is bepaald. Bij het verlenen van ondermandaat wordt aangegeven in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.

2. Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur is de goedkeuring vereist door de desbetreffende leidinggevende functionaris. Voor machtiging om op te treden in gerechtelijke procedures en ondermandaat inzake het passeren van notariële akten is de goedkeuring niet vereist.

3. Krachtens dit besluit verleende algemene ondermandaten worden gepubliceerd in de Staatscourant en geplaatst op het intranet en de internetsite van het Ministerie of het betreffende dienstonderdeel.

Artikel 12

1.

De secretaris-generaal is met uitsluiting van anderen gemandateerd met betrekking tot:

a. a. Koninklijke onderscheidingen, b. b. voorstellen voor het vergezellen van een bewindspersoon bij buitenlandse dienstreizen, c. c. stukken gericht aan de Nationale ombudsman, d. d. het verlenen van mandaat inzake een bevoegdheid, bedoeld in artikel 13, e. e. de afwikkeling van een gemeld vermoeden van een misstand, f. f. voorstellen tot verzelfstandiging van een organisatieonderdeel, g. g. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, een en ander voor een bedrag van meer dan € 500.000 voor de duur van de overeenkomst, en h. h. het starten van projecten met betrekking tot informatiebeleid voor een bedrag van meer dan € 20.000.000,.

2. Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden in dit artikel is niet mogelijk, met uitzondering van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid onder c.

Artikel 13

1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal, directeuren-generaal, de hoofden van inspecties en het hoofd van het Nationaal Archief zijn met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:

a. a. het instellen van bezwaar tegen besluiten van andere bestuursorganen, b. b. vaststelling of wijziging van het organisatie- en capaciteitsplan van een onder hem ressorterend dienstonderdeel, c. c. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden, het kwijtschelden van vorderingen op derden, het deelnemen in een NV of BV met een financieel belang en het sluiten van huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten, een en ander voor een bedrag tot € 500.000 voor de duur van de overeenkomst.

2. De directeur-generaal DUO is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaar- en beroepschriften onverminderd artikel 7, vierde lid, onderdeel f.

3. De directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie, de directeur-generaal Funderend Onderwijs en de directeur-generaal Cultuur en Media zijn met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot het geven van toestemming voor schatkistbankieren.

4. Met uitzondering van de bevoegdheid bedoeld in het tweede lid is ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel niet mogelijk.

Artikel 14

1.

De secretaris-generaal heeft bij uitsluiting van anderen mandaat ten aanzien van:

a. a. het vaststellen van het personeelsreglement b. b. de toekenning van financiële tegemoetkomingen als onderdeel van het Van Werk naar Werkbeleid.

2. Onverminderd het eerste lid hebben de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat ten aanzien van alle personele aangelegenheden betreffende onder hen ressorterende medewerkers tenzij bij wettelijk voorschrift anders is of wordt bepaald, met dien verstande dat ten aanzien van ontslag, waaronder de keuze van de ontslaggrond, de strafmaat bij straffen, ordemaatregelen en vaststellingsovereenkomsten, te voren een toetsing zal plaats vinden door een arbeidsjuridisch deskundige.

3. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs kunnen ondermandaat verlenen aan functionarissen binnen hun organisatieonderdeel ten aanzien van personele aangelegenheden als bedoeld in het tweede lid.

4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid hebben direct-leidinggevenden binnen het kader van de managementafspraak en de daarbij gegeven instructies, mandaat ten aanzien van de personele aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein voor zover deze worden afgehandeld via het P-direktportaal.

5. Het bepaalde in artikel 16 is niet van toepassing op de in het vorige lid genoemde personele aangelegenheden die via het P-direktportaal worden afgehandeld.

Artikel 14a

1. De directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is gemandateerd om, namens de secretaris-generaal, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en d, van het Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten. Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

2. De directeur-generaal DUO is gemandateerd om, namens de secretaris-generaal, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten. De directeur-generaal DUO kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

Artikel 14b

De directeur Wetgeving en Juridische Zaken is gemandateerd te beslissen over een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid en tot de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie. Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen. Als hij ondermandaat verleent aan een functionaris die niet onder hem ressorteert, behoeft deze instemming van de gemandateerde en diens direct-leidinggevende.

Artikel 14c

1. Aan de minister is voorbehouden het vaststellen van het departementale bestedingsplan.

2. Aan de secretaris-generaal is voorbehouden het opstellen van het departementale bestedingsplan op basis van de bestedingsplannen van de directeuren-generaal.

3. De secretaris-generaal heeft mandaat tot het aangaan van verplichtingen bij wijzigingen van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tussen € 2.000.000 en € 5.000.000.

4. Aan de directeuren-generaal is voorbehouden het opstellen van het bestedingsplan voor hun directoraat-generaal op basis van de bestedingsplannen van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen. Aan de plaatsvervangend secretaris-generaal is voorbehouden het bestedingsplan voor de onder diens verantwoordelijkheid ressorterende organisatietonderdelen vast te stellen, op basis van de bestedingsplannen van die onderdelen.

5. De plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen bij wijzigingen van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tussen € 500.000 en € 2.000.000.

6. Aan de directeuren is voorbehouden het opstellen van het bestedingsplan voor hun directie.

7.

De directeuren hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan met dien verstande dat indien een verplichting zou leiden tot een verschuiving tussen de budgetten voor de verschillende thema's van het departementale bestedingsplan dit:

a. a. wordt voorgelegd aan de desbetreffende directeur-generaal, respectievelijk de plaatsvervangend secretaris-generaal, indien deze verschuiving groter is dan € 500.000, b. b. wordt voorgelegd aan de secretaris-generaal indien deze verschuiving groter is dan € 2.000.000, c. c. wordt voorgelegd aan de minister indien deze verschuiving groter is dan € 5.000.000.

Artikel 14d

1. De Coördinerend Directeur Inkoop (CDI) is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het CDI/CPO-stelsel binnen het Ministerie. De CDI wordt betrokken bij alle grote en/of risicovolle inkooptrajecten en wordt in de gelegenheid gesteld deze vooraf te beoordelen, conform de interdepartementale afspraken die dienaangaande gemaakt zijn in het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst en binnen het CDI/CPO-stelsel.

2. De directeur-generaal DUO is gemandateerd tot het verrichten van aankopen ten behoeve van alle budgethouders van het Ministerie.

Artikel 15

1. De plaatsvervangend secretaris-generaal kan de secretaris-generaal vervangen in alle gevallen waarin de secretaris-generaal dat geboden acht. De secretaris-generaal voorziet voorts in zijn (verdere) vervanging bij afwezigheid of verhindering, de vervanging bij afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal en van een directeur-generaal, met uitzondering van de directeur-generaal DUO. Bij afwezigheid of verhindering van de plaatsvervangend secretaris-generaal of een directeur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger en bij diens afwezigheid door de tweede plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de eerste vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat en dat het mandaat van de tweede plaatsvervanger is beperkt tot het ondertekenen van stukken.

2. De directeur-generaal DUO, de hoofden van inspecties, het hoofd van het Nationaal Archief en de directeuren voorzien in de vervanging bij hun afwezigheid of verhindering. Bij afwezigheid of verhindering wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.

3. De direct-leidinggevenden wijzen een plaatsvervanger aan door in het P-direktportaal twee leidinggevende medewerkers te registreren als plaatsvervanger.

4. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het eerste lid, door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie. De directeur-generaal DUO, de hoofden van de inspecties, het hoofd van het Nationaal Archief en de directeuren dragen zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het tweede lid, door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie of het betreffende dienstonderdeel.

Artikel 16

1.

De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

2.

De gevolmachtigde is gehouden in de ondertekening van stukken inzake personele aangelegenheden als bedoeld in artikel 14 zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De Staat der Nederlanden,

vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gevolmachtigde,

handtekening van de gevolmachtigde,

naam van de gevolmachtigde

3.

De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken als bedoeld in artikel 14a zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

namens dezen, functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

4. Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding b/a is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.

5. Indien het mandaat, bedoeld in het eerste lid, berust op een bevoegdheid van een andere bewindspersoon dan de Minister, dan wordt dit in de in het eerste lid bedoelde formule dienovereenkomstig tot uitdrukking gebracht. In het geval dat de in het eerste lid bedoelde gemandateerde ondertekent namens meerdere bewindspersonen, worden alle betrokken bewindspersonen in de eerder bedoelde formule opgenomen.

Artikel 17

1. Het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 (Regeling van 2 juni 2005, Stcrt. 2005, nr. 113) wordt ingetrokken.

2. Tot 1 mei 2008 blijft het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 van toepassing op besluiten door ambtenaren werkzaam bij Centrale Financiën Instellingen.

3. Mandaten die zijn verleend op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor de verleende ondermandaten.

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2008.

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Bijlage . Organisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De bewindspersonen van het ministerie zijn:

De bestuursraad van het ministerie bestaat uit:

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid. Als hoogste ambtenaar is de SG ook voorzitter van het Decentraal georganiseerd overleg (DGO), en kan zich daarin laten vervangen door de pSG. De SG is voorzitter van de bestuursraad.

De SG is met het oog op de Comptabiliteitswet 2016 en de Aanwijzingen inzake Rijksinspecties beheersmatig verantwoordelijk voor:

De pSG is beheersmatig verantwoordelijk voor de directies:

De SG wordt in zijn taak bijgestaan door de directeuren-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie (DGHBWE), de directeur-generaal Funderend Onderwijs (DGFO), de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM) en de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DGDUO). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij kunnen daarnaast ambtelijk verantwoordelijk zijn voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend.

DGDUO en de IGO hebben zitting in de Bestuursraad, om zo te waarborgen dat deze betrokken zijn bij OCW-brede organisatorische vraagstukken en de besluitvorming daarover. Ook kunnen zij op deze wijze op grond van hun deskundigheid inbreng hebben in beleidsinhoudelijke gedachtevorming, en de randvoorwaarden voor uitvoering en toezicht in beleidsontwikkeling bevorderen.

De SG, de pSG, de DGHBWE, de DGFO en de DGCM worden ondersteund door stafbureaus. Deze stafbureaus zijn verantwoordelijk voor de secretariële ondersteuning en/of persoonlijke ambtelijke ondersteuning aan de SG, de pSG, de DGHBWE, de DGFO onderscheidenlijk de DGCM.

Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

De ondersteunende directies hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties. Verder is de directie verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van veiligheid voor alle sectoren van het Ministerie.

De directie COM is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De Directie Organisatie & Bedrijfsvoering opereert vanuit de kaders die in SGO5-verband de afgelopen jaren zijn ontwikkeld voor een nieuwe inrichting van de hoofdtaken van de departementale bedrijfsvoering op de verschillende bedrijfsvoeringsdomeinen: strategisch advies en control, afnemer van generieke dienstverlening SSO, liaisonfunctie bij maatwerk en bedieningsgebied Hoftoren.

De directie is verantwoordelijk voor:

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie Kennis adviseert gevraagd en ongevraagd de ambtelijke en politieke top en de beleidsdirecties bij beleidsvorming voor de domeinen kennis, strategie, data, informatisering, projectmatig en programmatisch werken.

Kennis maakt analyses en verkenningen, ontsluit nationaal en internationaal onderzoek, data, en beleidsinformatie. De directie verbindt strategische vragen met beleidsopgaven, en bevordert via de Projectenpool goed projectmatig en programmatisch werken binnen OCW. Bovendien is Kennis verantwoordelijk voor advies over en het opstellen van strategisch informatiebeleid en controleert op de naleving daarvan.

De CIO-office ondersteunt de directeur Kennis in zijn rol als CIO OCW.

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De beleidsdirecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

Elk talent telt en elk kind heeft recht op onderwijs om zo een goede start in het leven te maken. Vanuit deze opgave werkt de directie OPO aan verschillende onderwerpen. Zo is de directie OPO verantwoordelijk voor de brede opgave rondom onderwijspersoneel en voor de beleidsontwikkeling op een aantal andere terreinen voor het funderend onderwijs. Zoals nieuwkomersonderwijs, digitalisering in en van het onderwijs (en digitale geletterdheid) en de burgerschapsopgave. Verder gaat de directie over de deugdelijkheidseisen, het stichten, opheffen en in stand houden van scholen in het funderend onderwijs en coördineert de directie de inzet op Caribisch Nederland voor de DG kolom. Er wordt onder meer gewerkt met regio-coördinatoren voor het nieuwkomersonderwijs en er wordt nauw samengewerkt met de Realisatie Eenheid op het terrein van de aanpak van de tekorten van schoolleiders en leraren.

Daarnaast is in directie OPO de stelselkennis over het primair onderwijs opgenomen, waaronder de bekostiging, het curriculum en doorstroomtoets in het primair onderwijs. En het beleid ten aanzien van het Jonge Kind en de Voor- en Vroegschoolse educatie (VVE).

Daarnaast is de directie verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan de wet op het primair onderwijs, waaronder de scholen voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs.

De directie OVO is verantwoordelijk voor de brede opgave rondom het verbeteren van de onderwijsprestaties in het funderend onderwijs. Dit gebeurt onder andere via het Masterplan Basisvaardigheden, het stimuleren van evidence-informed werken in het onderwijs, het verbeteren van onderwijshuisvesting en het onderwijstoezicht op scholen. Via o.a. onderwijs coördinatoren op het terrein van taal, rekenen, burgerschap & digitale geletterdheid en regio coördinatoren wordt hier ook direct met scholen actief aan gewerkt. Daarnaast is in de directie OVO de stelselkennis over het voortgezet onderwijs opgenomen, waaronder de bekostiging, het curriculum en examens in het voortgezet onderwijs.

Daarnaast is de directie verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan de wet op voortgezet onderwijs, waaronder de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De directie KO is verantwoordelijk voor de brede opgave rondom kansengelijkheid in het funderend onderwijs. De directie heeft de volgende missie: ieder kind kan zich, ondanks omstandigheden, optimaal ontwikkelen passend bij wat die wil, kan en is zodat die mee kan doen in de maatschappij. Ook als daar (extra) ondersteuning voor nodig is. In deze directie zijn dan ook de onderwerpen kansengelijkheid, Gelijke Kansen Alliantie, speciaal onderwijs, inclusief onderwijs, pro, residentieel onderwijs, passend onderwijs en onderwijs en zorg belegd.

De programmadirectie MDT is opgericht naar aanleiding van het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte IV waarbij het programma is overgegaan van VWS naar OCW. Het programma beoogt jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving door het invoeren van een vrijwillige maatschappelijke diensttijd (van maximaal 6 maanden). Het programma realiseert onder meer beleid dat gericht is op het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid en maatschappelijke kansen van jongeren.

De beleidsdirecties van het DGHBWE hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie MBO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, en coördineert het beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

De directie HO&S is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van hoger onderwijs, academische ziekenhuizen en studiefinanciering. De directie draagt zorg voor het hoger onderwijsstelsel en beheert wet- en regelgeving omtrent hoger onderwijs en studiefinanciering.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

DE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De beleidsdirecties van het DGCM hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie E&K is verantwoordelijk voor beleidsontwikkeling op het terrein van erfgoed en kunsten en voert beleid ten aanzien van instellingen waarmee een subsidierelatie wordt onderhouden. Het beleid omvat de volgende disciplines: monumentenzorg, archeologie, musea, beeldende kunst, dans, muziek, muziektheater en theater.

De directie M&C is verantwoordelijk voor het beleid op terrein van media, bibliotheken, archieven en creatieve industrie. Doel van de directie is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-en informatieaanbod, dat toegankelijk is en blijft voor alle lagen van de bevolking. Daarnaast is de directie verantwoordelijk voor de ondersteuning van de ontwikkeling van de creatieve industrie via fondsen, kennisborging en netwerkvorming. M&C coördineert het topsectorenbeleid creatieve industrie in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het ministerie en via hen van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De RCE voert, namens de minister, de wet- en regelgeving op het terrein van de erfgoedzorg uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het archeologische, gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning.

De dienst is (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert op dat terrein als kenniscentrum.

De dienst draagt in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zorg voor de kunstcollectie van het Rijk voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea en streeft ernaar deze optimaal toegankelijk te maken.

De dienst ontwikkelt en verspreidt kennis die het beheer en behoud van de erfgoedcollectie ondersteunt en verbetert en die de betekenis daarvan duidt en kenbaar maakt.

DUO is de hoofduitvoerder van OCW en voert de volgende kerntaken uit:

Hiernaast voert DUO aanvullende werkzaamheden uit voor tweeden en derden. De omvang werken voor tweeden en derden wordt jaarlijks in de MA tussen SG en DG DUO overeengekomen. De basis voor afspraken hierover wordt gevormd door het kader werken voor tweeden en derden.

Voor de uitvoering van de activiteiten beschikt DG DUO over een eigen bedrijfsvoering binnen de OCW- en rijkskaders. DG DUO komt in afstemming met de MT OCW leden tot een ondernemingsplan. Dit plan wordt tweejaarlijks herijkt. Tevens brengt DUO een publicitair jaarverslag uit.

De inspecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft als taak toe te zien op de naleving van:

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed verleent vergunningen voor uitvoer van cultuurgoederen die uit de EU worden uitgevoerd (artikel 4.23 Erfgoedwet, Verordening (EG) 116/2009), en is aangewezen als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2014/60/EU.

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed beschikt over een aantal inspecteurs dat is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Zij zijn op grond van artikel 8.4 van de Erfgoedwet belast met de opsporing van bepaalde strafbare feiten met betrekking tot cultureel erfgoed.

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed voert haar toezichtstaken uit overeenkomstig de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties. Zij informeert de beleidsonderdelen van het ministerie en uitvoeringsdiensten over de uitvoering van bestaande regels en de werking van beleid in de praktijk, en informeert de beleidsinhoudelijk verantwoordelijke minister, zo nodig rechtstreeks, over haar bevindingen, oordelen, adviezen en andere relevante gegevens.

Op grond van genoemde Aanwijzingen en artikel 25b, tweede lid, van de Archiefwet biedt de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed jaarlijks een verslag aan over de wijze waarop toezicht is gehouden en over de resultaten van het toezicht.

De inspectie heeft de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Voor alle onderwijssectoren geldt voorts dat de inspectie jaarlijks het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet, vaststelt.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Er zijn de volgende bureaus die onafhankelijke of zelfstandige organisaties ondersteunen: