40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016 | BWBR0038330 | ministeriele-regeling | geldend | 2016-09-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0038330 | Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016 |
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*algemene uitvoeringsregeling:*
Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;
– –
*allesvergisting:* biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom tenminste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;
– –
*besluit:*
Besluit stimulering duurzame energieproductie;
– –
*biosyngas;* mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;
– –
*doublet:* combinatie die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;
– –
*hernieuwbaar gas hub:* verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie, met uitzondering van de productie-installatie, wordt ingevoed;
– –
*minister:* Minister van Economische Zaken;
– –
*netto P50-waarde vollasturen:* aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
– –
*nominaal elektrisch rendement:* quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:
a.
de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en
b.
het nominaal warmtevermogen van de ketel of de geothermische bron in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;
a. a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en b. b. het nominaal warmtevermogen van de ketel of de geothermische bron in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus; – –
*nominaal vermogen:* maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. In het geval van geothermische productie-installaties dient het nominaal vermogen te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;
– –
*NTA 8003:* 2008: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;
– –
*nuttig aangewende hernieuwbare warmte:* nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;
– –
*richtlijn hernieuwbare energie:*
richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);
– –
*thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa:* omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:
1°.
verbranding,
2°.
een andere thermische behandeling dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand of
3°.
de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;
1°. 1°. verbranding, 2°. 2°. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand of 3°. 3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling; – –
*valhoogte:* verschil in waterpeil voor en achter de installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van waterkracht waarbij het maximaal elektrisch ontwerpvermogen van de turbine of de generator wordt gerealiseerd;
– –
*vergisting en co-vergisting van dierlijke mest:* biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, al dan niet aangevuld met een of meer producten genoemd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij het restant na vergisting als meststof mag worden verhandeld;
– –
*vergisting van meer dan 95% dierlijke mest:* biologische afbraakreacties van verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, waarbij minder dan 5% van de massa toegevoegde stoffen per kalenderjaar een andere stof, genoemd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, is dan verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, waarbij het restant na vergisting als meststof mag worden verhandeld.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Artikel 2
1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, 20, 22, 24, eerste lid, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, 36, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50 en 52, die is aangevraagd in de periode van 27 september 2016, 09:00 uur, tot 27 oktober 2016, 17:00 uur, bedraagt € 5.000.000.000.
2. De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
3. Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.
4. De minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de productie-installatie.
5. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998 en op een productie-installatie als bedoeld in artikel 32, eerste lid.
7. Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 15 of 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.
Artikel 3
1. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 32, eerste lid, onderdeel a, 44, eerste lid, 46, eerste lid, en 48, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het besluit.
2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.
3. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, en 48, eerste lid, worden, indien subsidie is verstrekt op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.
4. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.
5. Productie-installaties als bedoeld in artikel 34, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.
6. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel b, 6, 20, 22, 24, eerste lid, 32, eerste lid, 34, onderdelen b en c, 38, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50 en 52, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.
7. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16 en 18 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
8. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 20, 22, 24, eerste lid, en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
9. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 20 en 24, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.
10. Productie-installaties als bedoeld in artikel 50 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.
11. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, 30, eerste lid, 34, 36, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, en 52 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
12. Productie-installaties als bedoeld in artikel 32, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal kWh dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, derde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt zonder het daarbij opgetelde verschil in kWh vanwege minder geproduceerde kWh in voorgaande jaren. Het verschil in kWh dat bij het aantal kWh dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt kan worden opgeteld, kan alleen in dit volgende jaar worden benut en kan pas worden benut als het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt volledig is benut.
13. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, 36, 40, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 50, en 52 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.
14. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 20, 24, eerste lid, 44, eerste lid, 48, eerste lid, en 50 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, eerste lid, tweede volzin, van het besluit.
Hoofdstuk 3. Categorieën
Paragraaf 3.1. Hernieuwbare elektriciteit
Paragraaf 3.1.1. Waterkracht
Artikel 4
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:
a. a. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter of b. b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.
Artikel 5
1. Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.2. Afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 6
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit gas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, gebruik makende van thermische drukhydrolyse, waarbij ten minste het deel van de productie-installatie, dat bedoeld is voor thermische drukhydrolyse nieuw is.
Artikel 7
1. Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.3. Wind op land
Artikel 8
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10 of 12, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 1 januari 2015, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
a. a. ≥ 8,0 m/s; b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, of d. d. < 7,0 m/s.
2. De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
3.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt, of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 9
1. Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.4. Wind op primaire waterkering
Artikel 10
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen de beschermingszones van een verbindende waterkering als bedoeld in paragraaf 2.7 van bijlage 1 van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen dan wel binnen de kernzone of binnen de beschermingszone aan de waterkant van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 1 januari 2015, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:
a. a. ≥ 8,0 m/s; b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, of d. d. < 7,0 m/s.
2.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt, of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 11
1. Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.5. Wind in meer
Artikel 12
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.
2.
Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:
a. a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt, of b. b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.
Artikel 13
1. Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.6. Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 14
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A.
Artikel 15
1. Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.7. Osmose
Artikel 16
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.
Artikel 17
1. Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.8. Vrije stromingsenergie en golfenergie
Artikel 18
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter.
Artikel 19
1. Subsidie als bedoeld in artikel 18 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2. Hernieuwbaar gas
Paragraaf 3.2.1. Biomassavergisting
Artikel 20
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is; b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is, of c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
Artikel 21
1. Subsidie als bedoeld in artikel 20 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2.2. Afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 22
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.
Artikel 23
1. Subsidie als bedoeld in artikel 22 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2.3. Verlengde levensduur bestaande installaties
Artikel 24
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van de MEP of OV-MEP ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, of b. b. waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest.
2. Indien de aanvrager, in aanvulling op de subsidie, bedoeld in het eerste lid, op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 of artikel 44 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 25
1. Subsidie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt. De periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.2.4. Biomassavergassing
Artikel 26
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008, door middel van vergassing.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Artikel 27
1. Subsidie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Paragraaf 3.3.1. Ketel vaste of vloeibare biomassa warmte
Artikel 28
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 in een ketel:
a. a. met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en kleiner dan 5 MW, of b. b. met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 29
1. Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.2. Ketel industriële stoom uit houtpellets
Artikel 30
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van industriële stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MW waarin:
1°. 1°. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand, en 2°. 2°. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2008 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder 1°.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 31
1. Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 8 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.3. Bij- en meestook van biomassa in kolencentrales
Artikel 32
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van elektriciteit door middel van kolen en die voldoet aan het netto elektrische rendement, bedoeld in artikel 5.12a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer,
a. a. waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaande installatie waarvoor op grond van de MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen, waarin:
1°.
biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt of biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 en 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 wordt vergast, en
2°.
biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 100, 101, 150, 170 tot en met 179, wordt meegestookt of vergast voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder 1°;
1°. 1°. biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt of biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 en 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 wordt vergast, en 2°. 2°. biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 100, 101, 150, 170 tot en met 179, wordt meegestookt of vergast voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder 1°; b. b. waarbij de delen van de productie-installatie die uitsluitend gebruikt worden voor de meestook van biomassa nieuw zijn waarin:
1°.
biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt, en
2°.
biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 100, 101, 150, 170 tot en met 179, wordt meegestookt voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder 1°.
1°. 1°. biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt, en 2°. 2°. biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 100, 101, 150, 170 tot en met 179, wordt meegestookt voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder 1°.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa, niet zijnde vloeibare biomassa, voldoet aan artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
4. Indien sprake is van productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte verstrekt de minister subsidie voor de geproduceerde hernieuwbare elektriciteit en 15% van de geproduceerde en nuttig aangewende hernieuwbare warmte.
5. De maximale productie, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van het eerste lid, bedraagt 55.555.555.555 kWh, waarbij op dit bedrag de productie waarvoor op basis van artikel 32, eerste lid van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2016 subsidie is verleend in mindering wordt gebracht.
Artikel 33
1. Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 8 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik of opnieuw in gebruik voor de meestook van biomassa.
Paragraaf 3.3.4. Geothermie warmte
Artikel 34
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van minimaal 500 meter; b. b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 500 meter; c. c. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, of b, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 500 meter, of d. d. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van minimaal 3500 meter.
Artikel 35
1. Subsidie als bedoeld in artikel 34 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.5. Geothermie gecombineerde opwekking
Artikel 36
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van een of meer geothermische bronnen met een diepte van minimaal 500 meter, waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 5% bedraagt.
Artikel 37
1. Subsidie als bedoeld in artikel 36 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.6. Ketel vloeibare biomassa warmte
Artikel 38
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 500, 550 tot en met 573, 587, 592, 594, 596 en 802 van de NTA 8003: 2008 in een ketel.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 39
1. Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.7. Thermische conversie biomassa gecombineerde opwekking
Artikel 40
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008, met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 10% bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 41
1. Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.8. Zonthermie
Artikel 42
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren voorzien van een transparante isolerende laag, met een totale apertuuroppervlakte groter dan of gelijk aan 200 m² of met een totaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 140 kW.
2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.
Artikel 43
1. Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.9. Verlengde levensduur vergisting van biomassa gecombineerde opwekking
Artikel 44
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van de MEP of OV-MEP ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt, of b. b. waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.
2. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 45
1. Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt, de periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan, en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.3.10. Verlengde levensduur thermische conversie van biomassa
Artikel 46
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP-subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 50 MW en voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 6% bedraagt, en waarvoor op het moment van de start van de subsidieperiode van de subsidie, de resterende subsidieperiode op grond van de MEP:
a. a. minder dan 1 volledig jaar bedraagt of nihil is, of b. b. tenminste 1 volledig jaar bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 47
1. Subsidie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt. De subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP eindigt op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanvangt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.3.11. Verlengde levensduur biomassa warmte
Artikel 48
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van de MEP of OV-MEP ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, of b. b. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest.
2. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 49
1. Subsidie als bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt, de periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan, en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 48, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.12. Biomassavergisting hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit
Artikel 50
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is; b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is; c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt; d. d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt; e. e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is, of f. f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
Artikel 51
1. Subsidie als bedoeld in artikel 50 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 50, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.13. Rioolwaterzuiveringsinstallaties thermofiele gisting van secundair slib
Artikel 52
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de thermofiele gisting van zuiveringsslib dat voor ten minste 50% bestaat uit secundair slib, waarbij sprake is van een centrale productie-installatie waarvoor het slib grotendeels extern wordt aangevoerd van een of meer andere rioolwaterzuiveringsinstallaties en waarbij ten minste de vergister zelf nieuw is.
Artikel 53
1. Subsidie als bedoeld in artikel 52 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 52, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Hoofdstuk 4. Fasebedragen
Artikel 54
1.
Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:
a. a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de vierde fase sluit op 27 oktober 2016, 17:00 uur; b. b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 43a, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; c. c. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de vierde kolom genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 | 4 |
|---|---|---|---|
| fase | datum openstelling | fasebedrag | fasebedrag hernieuwbaar gas |
| 1 | 27 september, 9:00 uur | € 0,090/kWh | € 0,064/kWh |
| 2 | 3 oktober, 17:00 uur | € 0,110/kWh | € 0,078/kWh |
| 3 | 10 oktober, 17:00 uur | € 0,130/kWh | € 0,092/kWh |
| 4 | 17 oktober, 17:00 uur | € 0,150/kWh | € 0,106/kWh |
2. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, 36, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50 en 52, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
3. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 20, 22, 24, eerste lid en 26, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
4. Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag voor de productie van hernieuwbaar gas het fasebedrag gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen, tenzij het fasebedrag gelijk is aan het fasebedrag in de vierde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel, in welk geval het fasebedrag van de derde kolom geldt.
Hoofdstuk 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen
Paragraaf 5.1. Hernieuwbare elektriciteit
Artikel 55
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag, b. b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren, c. c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2016 vastgesteld op:
1°.
voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
2°.
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
1°. 1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
Paragraaf 5.2. Hernieuwbaar gas
Artikel 56
1.
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; b. b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2016 vastgesteld op:
1°.
voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
2°.
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.
1°. 1°. voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basis-bedrag in eur/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in eur/kWh | Voorlopig correctie-bedrag 2016 in eur/kWh |
| Artikel 20, onderdeel a | Allesvergisting (hernieuwbaar gas) | 0,060 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 20, onderdeel b | Vergisting en covergisting van dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | 0,076 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 20, onderdeel c | Vergisting van meer dan 95% dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | 0,106 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 22 | Afval- of rioolwaterzuiveringsinstallatie (hernieuwbaar gas) | 0,032 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 24, eerste lid, onderdeel a | Verlengde levensduur allesvergisting (hernieuwbaar gas) | 0,059 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 24, eerste lid, onderdeel b | Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | 0,067 | 8.000 | 0,020 | 0,022 |
| Artikel 26, eerste lid | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,106 | 7.500 | 0,020 | 0,022 |
2. Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 20, 22, 24, eerste lid, en 26, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen.
Paragraaf 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Artikel 57
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; b. b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. c. de basisenergie- of basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, of artikel 12, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2016 vastgesteld op:
1°.
voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, of 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
2°.
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, of 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
1
2
3
4
5
6
Artikel regeling
Categorie
Basis-bedrag in eur/kWh
Vollasturen
Basisprijs in eur/kWh
Voorlopig correctie-bedrag 2016 in eur/kWh
Artikel 28, eerste lid, onderdeel a
Ketel op vaste of vloeibare biomassa, ≥ 0,5 en < 5 MWth
0,052
4.000
0,025
0,031
Artikel 28, eerste lid, onderdeel b
Ketel op vaste of vloeibare biomassa, ≥ 5 MWth
0,043
7.000
0,014
0,017
Artikel 30, eerste lid
Warmte, Industriële stoomproductie uit houtpellets
0,057
7.000
0,014
0,017
Artikel 32, eerste lid onderdeel a
Bestaande capaciteit voor bij- en meestook
0,107
5.839
0,039
0,042
Artikel 32, eerste lid, onderdeel b
Nieuwe capaciteit voor meestook
0,114
7.000
0,039
0,042
Artikel 34, onderdelen, a, b en c
Geothermie warmte, diepte ≥ 500 meter
0,056
5.500
0,014
0,017
Artikel 34, onderdeel d
Geothermie warmte, diepte ≥ 3.500 meter
0,062
7.000
0,014
0,017
Artikel 36
Geothermie, gecombineerde opwekking
0,112
4.091
0,017
0,020
Artikel 38, eerste lid
Ketel op vloeibare biomassa
0,071
7.000
0,025
0,031
Artikel 40, eerste lid
Thermische conversie van biomassa, ≤ 100 MWe
0,077
7.500
0,020
0,023
Artikel 42, eerste lid
Zonthermie
0,103
700
0,025
0,031
Artikel 44, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur allesvergisting (WKK)
0,086
5.855
0,030
0,033
Artikel 44, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (WKK)
0,101
5.855
0,030
0,033
Artikel 46, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur thermische conversie biomassa ≤ 50 MW
0,063
4.429
0,023
0,026
Artikel 46, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur thermische conversie biomassa ≤ 50 MW, 1 jaar MEP compensatie
0,066
4.429
0,023
0,026
Artikel 48, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur allesvergisting (warmte)
0,056
7.000
0,014
0,017
Artikel 48, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (warmte)
0,066
7.000
0,014
0,017
Artikel 50,
onderdeel a
Warmte allesvergisting
0,060
7.000
0,025
0,031
Artikel 50,
onderdeel c
Gecombineerde opwekking allesvergisting
0,087
5.742
0,029
0,032
Artikel 50,
onderdeel b
Warmte vergisting en covergisting van dierlijke mest
0,078
7.000
0,025
0,031
Artikel 50,
onderdeel d
Gecombineerde opwekking vergisting en covergisting van dierlijke mest
0,114
5.732
0,029
0,032
Artikel 50,
onderdeel e
Gecombineerde opwekking vergisting van meer dan 95% dierlijke mest
0,150
8.000
0,039
0,042
Artikel 50,
onderdeel f
Warmte vergisting van meer dan 95% dierlijke mest
0,109
7.000
0,025
0,031
Artikel 52
Rioolwaterzuiveringsinstallatie (Thermofiele gisting van secundair slib)
0,060
5.729
0,029
0,032
1°. 1°. voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, of 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en 2°. 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, of 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
1
2
3
4
5
6
Artikel regeling
Categorie
Basis-bedrag in eur/kWh
Vollasturen
Basisprijs in eur/kWh
Voorlopig correctie-bedrag 2016 in eur/kWh
Artikel 28, eerste lid, onderdeel a
Ketel op vaste of vloeibare biomassa, ≥ 0,5 en < 5 MWth
0,052
4.000
0,025
0,031
Artikel 28, eerste lid, onderdeel b
Ketel op vaste of vloeibare biomassa, ≥ 5 MWth
0,043
7.000
0,014
0,017
Artikel 30, eerste lid
Warmte, Industriële stoomproductie uit houtpellets
0,057
7.000
0,014
0,017
Artikel 32, eerste lid onderdeel a
Bestaande capaciteit voor bij- en meestook
0,107
5.839
0,039
0,042
Artikel 32, eerste lid, onderdeel b
Nieuwe capaciteit voor meestook
0,114
7.000
0,039
0,042
Artikel 34, onderdelen, a, b en c
Geothermie warmte, diepte ≥ 500 meter
0,056
5.500
0,014
0,017
Artikel 34, onderdeel d
Geothermie warmte, diepte ≥ 3.500 meter
0,062
7.000
0,014
0,017
Artikel 36
Geothermie, gecombineerde opwekking
0,112
4.091
0,017
0,020
Artikel 38, eerste lid
Ketel op vloeibare biomassa
0,071
7.000
0,025
0,031
Artikel 40, eerste lid
Thermische conversie van biomassa, ≤ 100 MWe
0,077
7.500
0,020
0,023
Artikel 42, eerste lid
Zonthermie
0,103
700
0,025
0,031
Artikel 44, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur allesvergisting (WKK)
0,086
5.855
0,030
0,033
Artikel 44, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (WKK)
0,101
5.855
0,030
0,033
Artikel 46, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur thermische conversie biomassa ≤ 50 MW
0,063
4.429
0,023
0,026
Artikel 46, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur thermische conversie biomassa ≤ 50 MW, 1 jaar MEP compensatie
0,066
4.429
0,023
0,026
Artikel 48, eerste lid, onderdeel a
Verlengde levensduur allesvergisting (warmte)
0,056
7.000
0,014
0,017
Artikel 48, eerste lid, onderdeel b
Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (warmte)
0,066
7.000
0,014
0,017
Artikel 50,
onderdeel a
Warmte allesvergisting
0,060
7.000
0,025
0,031
Artikel 50,
onderdeel c
Gecombineerde opwekking allesvergisting
0,087
5.742
0,029
0,032
Artikel 50,
onderdeel b
Warmte vergisting en covergisting van dierlijke mest
0,078
7.000
0,025
0,031
Artikel 50,
onderdeel d
Gecombineerde opwekking vergisting en covergisting van dierlijke mest
0,114
5.732
0,029
0,032
Artikel 50,
onderdeel e
Gecombineerde opwekking vergisting van meer dan 95% dierlijke mest
0,150
8.000
0,039
0,042
Artikel 50,
onderdeel f
Warmte vergisting van meer dan 95% dierlijke mest
0,109
7.000
0,025
0,031
Artikel 52
Rioolwaterzuiveringsinstallatie (Thermofiele gisting van secundair slib)
0,060
5.729
0,029
0,032
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 58
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2016 met uitzondering van artikel 3, twaalfde lid.
Artikel 59
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2016.
Bijlage 1. behorende bij
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend
te .....
Ondernemer
te 's-Gravenhage op .....
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp
DE ONDERGETEKENDE,
....., gevestigd te ....., hierna te noemen de ‘Bank’,
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
VERKLAART ALS VOLGT
Getekend te
op
De Bank
Bijlage 2. behorende bij de
Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 1 januari 2015