rijk/ministeriele-regeling/regeling-beheer-politie/BWBR0032673
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling beheer politie BWBR0032673 ministeriele-regeling geldend 2013-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0032673 Regeling beheer politie

Regeling beheer politie

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *de minister:* de Minister van Veiligheid en Justitie;

b. b.

    *aandachtsgebieden:* het geheel van delictsoorten of clusters van delictsoorten, dadergroepen, aanpakstrategieën of geografische gebieden waarop de activiteiten van de politie kunnen worden gericht;

c. c.

    *horizontale fraude:* fraude in het particuliere geld- en goederenverkeer, met een particuliere partij als benadeelde;

d. d.

    *taakaccent:* gebied binnen de horizontale fraude, waarop expertise is ontwikkeld;

e. e.

    *beheersplan:* het beheersplan, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Politiewet 2012;

f. f.

    *jaarverslag:* het jaarverslag, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Politiewet 2012;

g. g.

    *jaaraanschrijving:* jaaraanschrijving van de minister waarin aanwijzingen worden gegeven aan de korpschef;

h. h.

    *managementrapportage:* rapportage van de korpschef aan de minister waarin wordt ingegaan op de uitvoering van het beheersplan;

i. i.

    *commissies van toezicht op de arrestantenzorg:* de commissie, bedoeld in artikel 26;

j. j.

    *arrestantenzorg:* zorg voor de huisvesting, veiligheid, verzorging en bejegening van ingeslotenen;

k. k.

    *ingeslotene:* de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, alsmede de persoon die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op een politiebureau is ondergebracht;

l. l.

    *politiecellen:* ruimten die door de politie worden gebruikt voor het insluiten van personen;

m. m.

    *politiecellencomplex:* een in een gebouw te onderscheiden ruimte waarin één of meer gangen met daaraan grenzend één of meer ruimten liggen die door de politie worden gebruikt voor het insluiten van personen.

Hoofdstuk 2. Hoofdlijnen organisatie landelijk korps

Artikel 2

1. Er is één landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b van de Politiewet 2012, genaamd: Landelijke eenheid.

2. Er zijn twee ondersteunende diensten als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder c van de Politiewet 2012, genaamd: Politiedienstencentrum en Staf korpsleiding.

Artikel 3

1.

Naast de korpschef bestaat de leiding van de politie, bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Politiewet 2012 uit de volgende leden:

a. a. drie directeuren, van wie er één tevens plaatsvervangend korpschef is; b. b. een chief information officer (CIO).

2.

De leiding van de regionale en landelijke eenheden bestaat uit:

a. a. de politiechef; b. b. een hoofd Operatiën, tevens plaatsvervangend politiechef; c. c. een hoofd Operatiën; d. d. een hoofd Bedrijfsvoering.

Artikel 4

1.

De regionale eenheden worden als volgt aangeduid:

a. a. de regionale eenheid in het arrondissement Noord-Nederland als: de regionale eenheid Noord-Nederland;. b. b. de regionale eenheid in de arrondissementen Overijssel en Gelderland als: de regionale eenheid Oost-Nederland; c. c. de regionale eenheid in het arrondissement Midden-Nederland als: de regionale eenheid Midden-Nederland; d. d. de regionale eenheid in het arrondissement Noord-Holland als: de regionale eenheid Noord-Holland; e. e. de regionale eenheid in het arrondissement Amsterdam als: de regionale eenheid Amsterdam; f. f. de regionale eenheid in het arrondissement Den Haag als: de regionale eenheid Den Haag; g. g. de regionale eenheid in het arrondissement Rotterdam als: de regionale eenheid Rotterdam; h. h. de regionale eenheid in het arrondissement Zeeland-West-Brabant als: de regionale eenheid Zeeland-West-Brabant; i. i. de regionale eenheid in het arrondissement Oost-Brabant als: de regionale eenheid Oost-Brabant; j. j. de regionale eenheid in het arrondissement Limburg als: de regionale eenheid Limburg.

2. De regionale eenheden zijn onderverdeeld in districten en functionele onderdelen. De districten zijn onderverdeeld in basisteams.

Hoofdstuk 3. Hoofdlijnen organisatie landelijke eenheid

Artikel 5

1.

De Landelijke eenheid bestaat uit de volgende diensten:

a. a. de dienst Nationale recherche; b. b. de dienst IPOL; c. c. de dienst Specialistische recherche toepassingen; d. d. de dienst Speciale interventies; e. e. de dienst Verkeerspolitie; f. f. de dienst Waterpolitie; g. g. de dienst Spoorwegpolitie; h. h. de dienst Operationele samenwerking; i. i. de dienst Koninklijke en diplomatieke beveiliging.

Artikel 6

De dienst Nationale recherche heeft tot taak:

a. a. het binnen vooraf door het bevoegd gezag vastgestelde aandachtsgebieden verrichten van onderzoeken naar zware en georganiseerde criminaliteit die naar aard of organisatie een landelijk of internationaal karakter hebben en die de rechtsstaat in ernstige mate bedreigen; b. b. het afhandelen van gecompliceerde internationale rechtshulpverzoeken op de door het bevoegd gezag aangewezen aandachtsgebieden van de dienst Nationale recherche en van gecompliceerde rechtshulpverzoeken die niet zijn terug te brengen op een specifieke regionale eenheid of opsporingsinstantie; c. c. het verrichten van onderzoeken van nationaal belang zoals die door het bevoegd gezag als zodanig zijn aangewezen en die naar aard of methodiek aansluiten bij de dienst; d. d. het leveren van capaciteit ten behoeve van internationale samenwerkingsverbanden; e. e. het vervullen van een landelijke expertisefunctie op de voor de dienst Nationale recherche door het bevoegd gezag vastgestelde aandachtsgebieden, ten behoeve van het opstellen van criminaliteitsbeeldanalyses en het nationaal dreigingsbeeld alsmede het vervullen van deze functie ter ondersteuning van de bestrijding en voorkoming van zware en georganiseerde criminaliteit en van de operationele onderzoeken van de dienst en andere opsporingseenheden; f. f. de bestrijding van de productie en verspreiding van XTC, de bestrijding van terrorisme en het verrichten van onderzoeken naar oorlogsmisdrijven.

Artikel 7

De dienst IPOL stelt in opdracht van het College van procureurs-generaal vierjaarlijks een nationaal dreigingsbeeld op ten behoeve van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Artikel 8

1. Bij de dienst IPOL is een landelijk internationaal rechtshulpcentrum ondergebracht.

2.

Het landelijk internationaal rechtshulpcentrum heeft in ieder geval tot taak:

a. a. de registratie van rechtshulpverzoeken ten behoeve van de Landelijke eenheid en de bijzondere opsporingsdiensten; b. b. de uitvoering van eenvoudige rechtshulpverzoeken ten behoeve van de Landelijke eenheid, alsmede de coördinatie van de uitvoering en het toezicht op de kwaliteit van de afhandeling van overige rechtshulpverzoeken ten behoeve van de Landelijke eenheid; c. c. de uitvoering van eenvoudige rechtshulpverzoeken ten behoeve van de bijzondere opsporingsdiensten; d. d. het zijn van kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationale rechtshulp; e. e. het beheer van de informatiekanalen, genoemd in bijlage 1.

Artikel 9

Bij de dienst IPOL is een onderdeel ondergebracht dat is belast met het, ten behoeve van de recherchefunctie, verwerken van gegevens die noodzakelijk zijn voor de opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens.

Artikel 10

1. Bij de dienst Specialistische recherche toepassingen zijn infiltratieteams en een team operationele ondersteuning ondergebracht.

2. De infiltratieteams zijn belast met de uitvoering van een bevel tot infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, artikel 126p, eerste lid, of artikel 126ze, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en met de begeleiding van personen die op grond van artikel 126w, eerste lid, 126x, eerste lid, of artikel 126zu, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bijstand verlenen aan de opsporing.

3.

De infiltratieteams kunnen worden belast met:

a. a. de uitvoering van een bevel tot pseudo-koop of pseudo-dienstverlening als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, of artikel 126q, eerste lid, 126zd, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafvordering en met de begeleiding van personen die op grond van artikel 126ij, eerste lid, artikel 126z, eerste lid, of artikel 126zt, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering bijstand verlenen aan de opsporing; b. b. de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, of artikel 126qa, eerste lid, of artikel 126zd, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering en met de begeleiding van personen die op grond van artikel 126v, eerste lid, en artikel 126zt, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering bijstand verlenen aan de opsporing.

4.

Het team operationele ondersteuning heeft tot taak:

a. a. de selectie en de opleiding van kandidaat-leden van een infiltratieteam; b. b. algemene en bijzondere ondersteuning in het kader van de taakuitvoering van infiltratieteams, waaronder het verzorgen van tijdelijke identiteiten en fictieve rechtspersonen; c. c. de coördinatie van internationale rechtshulpverzoeken tot infiltratie, pseudokoop of pseudodienstverlening of stelselmatige inwinning van informatie; d. d. de registratie van leden van een infiltratieteam alsmede de registratie van bevelen tot infiltratie.

Artikel 11

1.

De dienst Speciale interventies heeft, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen, onder meer tot taak:

a. a. het verrichten van planmatige aanhoudingen; b. b. het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten; c. c. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden; d. d. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten; e. e. andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van de minister.

Artikel 12

1.

Het landelijk team forensische opsporing is ondergebracht bij de dienst Operationele samenwerking. Dit team verricht de volgende werkzaamheden:

a. a. het verlenen van assistentie bij grootschalig of bijzonder forensisch onderzoek; b. b. het verlenen van assistentie bij berging en identificatie van slachtoffers bij rampen of in die gevallen waarin identificatie van slachtoffers technisch bijzondere moeilijkheden oplevert.

2. De korpschef houdt ambtenaren van politie beschikbaar ten behoeve van het landelijk team forensische opsporing. Zij zijn direct inzetbaar.

3. De ambtenaren van politie, bedoeld in het tweede lid, worden door de korpschef aangewezen, waarbij wordt aangegeven welke functie de betrokken ambtenaar in het landelijk team forensische opsporing zal vervullen.

4. In het beheersplan wordt opgenomen welke functies zijn opgenomen in het landelijk team forensische opsporing.

Hoofdstuk 4. Hoofdlijnen organisatie regionale eenheden

Artikel 13

De regionale eenheden beschikken ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie over voorzieningen op het gebied van:

a. a. tactische recherche; b. b. technische recherche; c. c. financiële recherche; d. d. digitale recherche; e. e. informatievoorziening.

Artikel 14

1. De regionale eenheden beschikken elk ten minste over een onderdeel dat is belast met het, ten behoeve van de recherchefunctie, verwerken van gegevens die noodzakelijk zijn voor de opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens.

2. De onderdelen, bedoeld in het eerste lid, houden, zelfstandig of samen met andere onderdelen, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de recherchefunctie een gegevensbestand voor de verwerking van politiegegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet politiegegevens.

3. De regionale eenheden beschikken zelfstandig of samen met één of meer andere regionale eenheden over één of meer eenheden die zijn belast met de uitvoering van een bevel tot observatie als bedoeld in de artikelen 126g en 126o van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 15

De regionale eenheden beschikken ieder over een organisatie van mobiele eenheden ten behoeve van de volgende werkzaamheden:

a. a. het optreden ter handhaving van de openbare orde en hulpverlening in het bijzonder bij grootschalige manifestaties en evenementen; b. b. het uitvoeren van evacuaties; c. c. het bewaken en beveiligen van objecten; d. d. het optreden bij crises en rampen; e. e. het uitvoeren van zoekacties; f. f. het aanhouden van ordeverstoorders.

Artikel 16

De regionale eenheden beschikken ieder over een staf die ten behoeve van het bevoegd gezag zorg draagt voor de coördinatie van grootschalig politieoptreden.

Artikel 17

De regionale eenheden beschikken zelfstandig of samen met één of meer andere regionale eenheden over één of meerdere onderdelen die uitsluitend tot taak hebben, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen, de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. a. het verrichten van planmatige aanhoudingen; b. b. het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten; c. c. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden; d. d. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten; e. e. andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van de minister.

Artikel 18

1.

De volgende regionale eenheden beschikken zelfstandig over een team bestrijding middencriminaliteit:

a. a. De regionale eenheid Midden-Nederland; b. b. De regionale eenheid Noord-Holland; c. c. De regionale eenheid Amsterdam; d. d. De regionale eenheid Den Haag; e. e. De regionale eenheid Rotterdam.

2.

De volgende regionale eenheden beschikken tezamen over een team bestrijding middencriminaliteit:

a. a. De regionale eenheden Noord-Nederland en Oost-Nederland b. b. De regionale eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg.

3.

Met uitzondering van het team in De regionale eenheid Midden-Nederland bestaat een team bestrijding middencriminaliteit in ieder geval uit een onderdeel dat zich richt op het taakveld:

a. a. fraude; b. b. milieu.

4. Het team middencriminaliteit Midden-Nederland bestaat in ieder geval uit een onderdeel dat zich richt op het taakveld fraude.

5.

De teams bestrijding middencriminaliteit hebben tot taak:

a. a. het verrichten van tactische en financiële opsporingsonderzoeken, alsmede het afhandelen van internationale rechtshulpverzoeken, naar vormen van middencriminaliteit; b. b. het verrichten van zware en middelzware opsporingsonderzoeken, alsmede het afhandelen van internationale rechtshulpverzoeken, naar horizontale fraude binnen het taakaccent; c. c. het vervullen van een expertisefunctie op het gebied van horizontale fraude en financieel rechercheren; d. d. het in stand houden van een fraudemeldpunt op het taakaccent; e. e. het onderdeel dat zich richt op het taakveld milieu heeft als taak het verrichten van tactische opsporingsonderzoeken naar complexe en ketengerelateerde milieudelicten.

Artikel 19

1.

De volgende regionale eenheden beschikken zelfstandig over een internationaal rechtshulpcentrum:

a. a. De regionale eenheid Noord-Holland; b. b. De regionale eenheid Amsterdam; c. c. De regionale eenheid Den Haag; d. d. De regionale eenheid Rotterdam.

2.

De volgende regionale eenheden beschikken tezamen over een internationaal rechtshulpcentrum:

a. a. de regionale eenheden Noord-Nederland en Oost-Nederland; b. b. de regionale eenheden Zeeland-West-Brabant, Oost-Brabant en Limburg.

3.

Een internationaal rechtshulpcentrum heeft in ieder geval tot taak:

a. a. de registratie van rechtshulpverzoeken; b. b. de uitvoering van eenvoudige rechtshulpverzoeken; c. c. de coördinatie van de uitvoering en het toezicht op de kwaliteit van de afhandeling van overige rechtshulpverzoeken; d. d. het zijn van een kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationale rechtshulp.

Hoofdstuk 5. Jaaraanschrijving, beheersplan, managementrapportages, jaarverslag en informatieverstrekking

Artikel 20

De minister zendt de korpschef jaarlijks vóór 1 december een jaaraanschrijving. De jaaraanschrijving heeft betrekking op de managementrapportages, bedoeld in artikel 22, eerste lid, alsmede op de voorbereidende werkzaamheden door de korpschef ten behoeve van het beheersplan en het jaarverslag en de daarvoor nodige informatie.

Artikel 21

1.

In het beheersplan zijn, naast de indeling van de eenheden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder a, van de Politiewet 2012, in districten en basisteams, ten minste opgenomen:

a. a. het sterktebeleid waaronder de sterkteverdeling, de organisatie en formatie en de bezetting; b. b. het personeelsbeleid waaronder de meerjarige strategische personeelsplanning, het beleid op het terrein van leiderschap, loopbaanbeleid, het mobiliteitsbeleid, een divers samengesteld personeelsbestand, het integriteitbeleid en de maatregelen die voortvloeien uit de uitvoering van de vastgestelde CAO; c. c. het ICT-beleid waaronder het beleid op het terrein van het onderhoud en vernieuwing en de informatieorganisatie; d. d. het beleid op het gebied van materieel, waaronder inkoop en huisvesting.

2. De minister stelt voor de derde dinsdag van september het ontwerpbeheersplan voor het komende begrotingsjaar op.

3. Het ontwerpbeheersplan wordt als bijlage bij de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Staten-Generaal gezonden.

4. De minister stelt het beheersplan vast na goedkeuring van de begroting voor hetzelfde jaar van zijn ministerie door de Staten-Generaal.

5. De korpschef meldt een voorgenomen wijziging van de organisatie of formatie, waarvan de gevolgen nog niet in het beheersplan zijn opgenomen en die wijzigingen in de verdeling van de operationele sterkte tot gevolg zal hebben, zo spoedig mogelijk aan de minister.

Artikel 22

1. De korpschef verstrekt aan de minister een 3-maandsmanagementrapportage over de maanden januari tot en met maart, een 6-maandsmanagementrapportage over de maanden januari tot en met juni, een 9-maandsmanagementrapportage over de maanden januari tot en met september en een 12-maandsmanagementrapportage over de maanden januari tot en met december over de uitvoering van het beheersplan. Deze managementrapportages worden telkens uiterlijk op respectievelijk 1 mei, 1 augustus, 1 november en 1 februari verstrekt aan de minister.

2.

De in het eerste lid bedoelde rapportages en het jaarverslag bevatten in ieder geval de onderstaande informatie:

a. a. de omvang van de operationele sterkte, bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit verdeling sterkte en middelen politie, en de niet-operationele sterkte alsmede de verdeling van de operationele en de niet-operationele sterkte over de onderdelen van de politie; b. b. het aantal aspiranten alsmede de verdeling van de aspiranten over de onderdelen van de politie.

3. De minister stelt jaarlijks voor 15 mei het jaarverslag over het voorafgaande jaar vast.

4. Het vastgestelde jaarverslag wordt als bijlage bij het jaarverslag van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ter informatie aan de Staten-Generaal gezonden.

5. De korpschef toetst in periodieke audits de mate waarin de door hem verwerkte gegevens eenduidig, consistent en volledig zijn.

Artikel 23

1. De korpschef verstrekt jaarlijks voor 1 februari aan de minister de in de bij deze regeling behorende bijlage 2 genoemde gegevens met betrekking tot het voorafgaande jaar.

2. De korpschef verstrekt jaarlijks voor 1 augustus aan de minister de in onderdeel 1 en onderdeel 1.1 bij deze regeling behorende bijlage 2 genoemde gegevens met betrekking tot het voorafgaande halve jaar.

Hoofdstuk 6. Ingeslotenen

Artikel 24

1. De korpschef wijst de ambtenaren van politie aan die worden belast met de leiding van de politiecellencomplexen en het toezicht op de ingeslotenen.

2. Met inachtneming van de artikelen 26, 27 en 32 tot en met 36 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren stelt de korpschef een instructie vast voor het personeel, niet zijnde ambtenaren van politie, dat is belast met de zorg voor ingeslotenen.

Artikel 25

1. De korpschef stelt ten behoeve van de toezicht op de arrestantenzorg voor iedere regionale eenheid een commissie van toezicht op de arrestantenzorg in, bestaande uit ten minste vijf onafhankelijke leden.

2.

De commissies van toezicht op de arrestantenzorg hebben in ieder geval tot taak:

a. a. toezicht te houden op de arrestantenzorg in de politiecellen en politiecellencomplexen in de regionale eenheid, waaronder tevens begrepen de politiecellen en politiecellencomplexen van de Landelijke eenheid gelegen in het gebied van de regionale eenheid; b. b. jaarlijks rapport uit te brengen aan de korpschef over haar werkzaamheden; c. c. gevraagd en ongevraagd aan de korpschef advies uit te brengen en inlichtingen te geven omtrent aangelegenheden betreffende de arrestantenzorg.

3. De korpschef stelt regels vast over de voor een adequate taakvervulling benodigde bevoegdheden, de samenstelling, de werkwijze van en de jaarlijkse verslaglegging door de commissies van toezicht op de arrestantenzorg alsook over de benoeming, het ontslag en de vergoeding van haar leden.

4. Bij de samenstelling van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg wordt rekening gehouden met de benodigde maatschappelijke en bestuurlijke deskundigheid en ervaring van de leden.

5. De korpschef rapporteert, mede op basis van de door de commissies van toezicht op de arrestantenzorg jaarlijks aan hem gezonden rapporten, jaarlijks aan de minister over de samenstelling van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg en over hun werkzaamheden.

Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen

Artikel 26

In afwijking van artikel 22, het eerste lid, tweede volzin, kan de minister, op voorstel van de korpschef, tot 1 januari 2015 andere data vaststellen voor het verstrekken van de 3-maands-, de 6-maands-, de 9-maands- en de 12-maandsmanagementrapportage over 2014.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 27

Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 22, derde lid, en artikel 23, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2013. De artikelen 22, derde lid, en 23, eerste lid, treden in werking met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 28

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beheer politie.

Artikel 29

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

Bijlage 1. Als bedoeld in

Internationale politiële informatie-uitwisseling vindt plaats:

Bijlage 2. Als bedoeld in

Beheersgegevens per 31 december van jaar t-1