rijk/ministeriele-regeling/regeling-beperking-geluidhinder-militaire-onbemande-luchtvaartuigen/BWBR0011105
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling beperking geluidhinder militaire onbemande luchtvaartuigen BWBR0011105 ministeriele-regeling geldend 2000-02-11 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011105 Regeling beperking geluidhinder militaire onbemande luchtvaartuigen

Regeling beperking geluidhinder militaire onbemande luchtvaartuigen

Artikel 1

Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met door de Minister van Defensie ingevolge de Wet luchtvaart aangewezen onbemande luchtvaartuigen voor observatiedoeleinden vanuit de lucht, gelden ten aanzien van onbemande luchtvaartuigen die zijn voorzien van een verbrandingsmotor de volgende regels ter beperking van de geluidhinder:

a. a. vluchten worden slechts in de volgende gebieden uitgevoerd:

      1°.
      in het gebied met de aanduiding EHR 3 (Oldebroek);
    
    
      2°.
      in militaire plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden;
    
    
      3°.
      in een ten hoogste vier keer per jaar door de Minister van Defensie, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, ten behoeve van oefening voor rampen- en terrorismebestrijding dan wel militaire oefeningen in te stellen bijzonder luchtverkeersgebied;
    
    
      4°.
      in een door de Minister van Defensie, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, aangewezen corridor tussen de gebieden genoemd onder 1°, 2° en 3°;

1°. 1°. in het gebied met de aanduiding EHR 3 (Oldebroek); 2°. 2°. in militaire plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden; 3°. 3°. in een ten hoogste vier keer per jaar door de Minister van Defensie, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, ten behoeve van oefening voor rampen- en terrorismebestrijding dan wel militaire oefeningen in te stellen bijzonder luchtverkeersgebied; 4°. 4°. in een door de Minister van Defensie, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, aangewezen corridor tussen de gebieden genoemd onder 1°, 2° en 3°; b. b. vluchten worden niet uitgevoerd:

      1°.
      in het gebied genoemd in onderdeel a, onder 1°, tussen 0.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode;
    
    
      2°.
      in de gebieden genoemd in onderdeel a, onder 2°, 3° en 4°, tussen 20.00 uur en 08.00 uur, en
    
    
      3°.
      op vrijdagen na 16.00 uur, op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen;

1°. 1°. in het gebied genoemd in onderdeel a, onder 1°, tussen 0.00 uur lokale tijd en het aanbreken van de uniforme daglichtperiode; 2°. 2°. in de gebieden genoemd in onderdeel a, onder 2°, 3° en 4°, tussen 20.00 uur en 08.00 uur, en 3°. 3°. op vrijdagen na 16.00 uur, op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen; c. c. de locatie van het startpunt ligt binnen het oefengebied op minimaal 350 m van woonbebouwing en wordt zodanig gekozen dat ten alle tijde binnen de grenzen van het oefengebied de minimum vlieghoogte kan worden bereikt; d. d. de startrichting wordt zodanig gekozen dat tot aan het bereiken van de minimum vlieghoogte niet boven woonbebouwing wordt gevlogen; e. e. met uitzondering van de start en de landing en onverminderd het overige in deze regeling bepaalde, bedraagt de minimum vlieghoogte 300 m (1000 voet); boven bebouwing bedraagt de minimum vlieghoogte ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 600 m van het onbemande luchtvaartuig; f. f. vanaf de start wordt zo snel mogelijk naar de minimum vlieghoogte geklommen, waarna, zo mogelijk met verminderd klimvermogen, wordt doorgeklommen naar de operationele vlieghoogte; g. g. de standaard operationele vlieghoogte bedraagt 3000 m (9000 voet); h. h. het onbemande luchtvaartuig vliegt in de gebieden genoemd in onderdeel a, onder 1° en 2°, circuitpatronen, bestaande uit rechte lijnstukken en bochten; de bochtstraal bedraagt minimaal 500 m; i. i. beëindiging van de vlucht vindt plaats door een landing aan een parachute bij uitgeschakelde motor; de landing wordt ingezet op een hoogte van minimaal 300 m en zodanig dat op een veilige wijze binnen de begrenzing van het oefengebied wordt geland; daarbij worden woonbebouwingen vermeden; j. j. in de gebieden genoemd in onderdeel a, onder 2°, 3° en 4°, bedraagt de duur van een vlucht maximaal 4 uur; k. k. in het gebied genoemd in onderdeel a, onder 4°, wordt in het kader van oefeningen het vliegen boven aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen vermeden.

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit van 1 december 1998, houdende enige voorzieningen met betrekking tot onbemande luchtvaartuigen (Stb. 1998, 674) in werking treedt.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beperking geluidhinder militaire onbemande luchtvaartuigen.