40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling buitenlandse verbindingsofficieren | BWBR0013501 | ministeriele-regeling | geldend | 2002-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0013501 | Regeling buitenlandse verbindingsofficieren |
Regeling buitenlandse verbindingsofficieren
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder buitenlandse verbindingsofficier: een in Nederland door een andere staat aangemelde opsporingsambtenaar voor de politiële en justitiële strafrechtelijke samenwerking die zijn werkzaamheden op Nederlands grondgebied uitoefent.
2. Deze regeling laat onverlet de samenwerking tussen buitenlandse verbindingsofficieren en de douane op basis van de bestaande internationale douaneregelingen op het gebied van de wederzijdse bijstand en de communautaire regelingen ter zake.
Artikel 2
1. Als centrale Nederlandse autoriteit, bedoeld in deze regeling, wordt aangewezen de dienst Internationale Netwerken van het Korps landelijke politiediensten.
2. Het gezag ten aanzien van de taakuitvoering van de centrale Nederlandse autoriteit, bedoeld in deze regeling, wordt uitgeoefend door de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket.
Artikel 3
De Minister van Buitenlandse Zaken zendt de staat die een buitenlandse verbindingsofficier in Nederland heeft aangemeld, onverwijld een afschrift van deze regeling onder verwijzing naar de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 41, eerste lid, van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101).
Artikel 4
1. Conform artikel 41, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, vervult een buitenlandse verbindingsofficier zijn taken binnen het raam van zijn bevoegdheden met inachtneming van de bepalingen van de Nederlandse wet- en regelgeving. Daarbij worden, voorzover van toepassing, tevens de voor Nederland en de zendstaat geldende en relevante verdragen in acht genomen.
2. Hij werkt samen met de Nederlandse politie en de overige diensten en bevoegde autoriteiten belast met de opsporing van strafbare feiten, conform de bepalingen van deze regeling en de praktische uitwerking daarvan door de centrale Nederlandse autoriteit.
Paragraaf 2. Taakomschrijving
Artikel 5
1.
Een buitenlandse verbindingsofficier heeft primair tot taak bijstand te verlenen bij:
a. a. de informatie-uitwisseling ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten; b. b. het verzoeken tot de uitvoering van rechtshulp in strafzaken; c. c. de informatie-uitwisseling ten behoeve van het voorkomen of tegengaan van verstoringen van de openbare orde.
2.
Onder deze taak wordt begrepen:
a. a. het verstrekken van informatie uit de zendstaat aan de Nederlandse politie en justitie en overige opsporingsdiensten, voorzover verenigbaar met de wetten en regelingen van de zendstaat; b. b. het begeleiden van door de zendstaat bij Nederland ingediende rechtshulpverzoeken en het bemiddelen ter bevordering van de uitvoering ervan (inkomende rechtshulpverzoeken).
3.
Onder deze taak wordt mede begrepen:
a. a. het in ontvangst nemen en doorgeleiden van Nederlandse informatie aan opsporingsdiensten en -autoriteiten in de zendstaat; b. b. het begeleiden van Nederlandse rechtshulpverzoeken aan de zendstaat en het bemiddelen ter bevordering van de uitvoering ervan (uitgaande rechtshulpverzoeken).
4. Is in de zendstaat een Nederlandse verbindingsofficier gestationeerd, dan kunnen de taken, bedoeld in het derde lid, tevens geheel of gedeeltelijk door deze persoon worden uitgeoefend.
Paragraaf 3. Taakuitvoering
Artikel 6
1. Een buitenlandse verbindingsofficier onthoudt zich bij zijn taakuitvoering van het zelfstandig verrichten van onderzoeks- en opsporingshandelingen als onder meer bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, daaronder begrepen het onderhouden van contacten met burgerinformanten en infiltranten.
2. Indien ten behoeve van de zendstaat in Nederland informatie moet worden ingewonnen of verzameld of een andere opsporingshandeling is vereist, vindt dit slechts plaats na overleg met en onder het gezag van het Nederlandse openbaar ministerie door Nederlandse opsporingsambtenaren. Indien het onderzoek en de omstandigheden dit vereisen, kunnen deze opsporingsambtenaren zo nodig worden bijgestaan door speciaal voor dat doel uit het buitenland overgekomen opsporingsambtenaren, echter nimmer door de buitenlandse verbindingsofficier.
Artikel 7
1. De buitenlandse verbindingsofficier onderhoudt zijn contacten met de Nederlandse politie, overige opsporingsdiensten en justitie door tussenkomst van de centrale Nederlandse autoriteit.
2. Slechts indien hierover afspraken zijn gemaakt met de centrale Nederlandse autoriteit mag de buitenlandse verbindingsofficier directe contacten onderhouden met de Nederlandse diensten, bedoeld in het voorgaande lid.
Artikel 8
De buitenlandse verbindingsofficier kan door tussenkomst van de centrale Nederlandse autoriteit een beroep doen op de officier van justitie van het landelijk parket verantwoordelijk voor internationale samenwerking indien zulks voor zijn taakuitvoering gewenst is, in het bijzonder in geval van gewenste bemiddeling door of afstemming met justitiële autoriteiten.
Artikel 9
1. Wanneer door tussenkomst van de buitenlandse verbindingsofficier gegevens anders dan in het kader van de toepasselijke uitleverings- en rechtshulpverdragen tussen Nederland en de zendstaat worden uitgewisseld, bepaalt de staat waaruit de gegevens afkomstig zijn de voorwaarden waaronder van deze gegevens gebruik mag worden gemaakt.
2. De buitenlandse verbindingsofficier draagt er zorg voor dat de ontvangende staat over deze voorwaarden wordt geïnformeerd.
3. Gebruik van de hiervoor genoemde gegevens in strafzaken is slechts mogelijk indien een daartoe strekkend rechtshulpverzoek, gebaseerd op het toepasselijke rechtshulpverdrag, door de staat waaruit de gegevens afkomstig zijn, is ingewilligd.
4. Informatie uit Nederlandse politieregisters mag in beginsel slechts aan de zendstaat, respectievelijk de buitenlandse verbindingsofficier worden verstrekt door tussenkomst van de centrale Nederlandse autoriteit.
5. Tussen Nederland en de zendstaat kunnen door de daartoe bevoegde autoriteiten nadere afspraken worden gemaakt over de verstrekking en het gebruik van gegevens uit politieregisters.
Paragraaf 4. Gezag en toezicht
Artikel 10
1. De centrale Nederlandse autoriteit is belast met het begeleiden van en het zicht houden op de werkzaamheden van de buitenlandse verbindingsofficier in het kader van deze regeling, alsmede met de coördinatie van de daarmee verband houdende informatiestromen van en naar het buitenland.
2. De in lid 1 bedoelde taakuitoefening door de centrale Nederlandse autoriteit geschiedt onder verantwoordelijkheid van het gezag.
Artikel 11
De verbindingsofficier voert in het belang van een goede samenwerking op nader af te spreken tijdstippen overleg met de centrale Nederlandse autoriteit en het bevoegde gezag. Hij informeert daarnaast periodiek de centrale Nederlandse autoriteit over zijn werkzaamheden.
Artikel 12
1.
De centrale Nederlandse autoriteit ondersteunt de buitenlandse verbindingsofficier bij zijn taakvervulling en neemt de nodige maatregelen teneinde:
a) a) de buitenlandse verbindingsofficier bij aanvang van zijn tewerkstelling in Nederland te instrueren omtrent de voor zijn taakuitvoering van belang zijnde Nederlandse wettelijke voorschriften, in het bijzonder die op het gebied van gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer; b) b) gehoor te geven aan zijn verzoeken om raad en hem, indien mogelijk de nodige bijstand te verlenen; c) c) daar waar mogelijk, oplossingen te vinden voor de problemen die zich bij het verrichten van zijn taken plegen voor te doen.
2. De centrale Nederlandse autoriteit kan met de individuele buitenlandse verbindingsofficier nadere afspraken maken over de uitvoering van de onderhavige regeling.
Artikel 13
De centrale Nederlandse autoriteit houdt de buitenlandse verbindingsofficier op de hoogte van ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor zijn zendstaat of zijn taakuitvoering.
Artikel 14
Ten behoeve van een goede internationale strafrechtelijke samenwerking zal de buitenlandse verbindingsofficier bij gerechtelijke procedures en eventuele onderzoeken naar opsporingsactiviteiten zijn medewerking verlenen aan Nederlandse autoriteiten. Dit laat onverlet de mogelijkheid om op basis van artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer een beroep te doen op diplomatieke onschendbaarheid.
Artikel 15
Alvorens de buitenlandse verbindingsofficier met betrekking tot zijn taakuitoefening als omschreven in artikel 5 informatie aan de media verstrekt, informeert hij de centrale Nederlandse autoriteit met het oog op de eerbiediging van Nederlandse belangen.
Artikel 16
Bij handelen in strijd met deze regeling kan, als uiterste consequentie, worden besloten tot het nemen van maatregelen, waaronder die als bedoeld in artikel 9 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 17
De richtlijn met betrekking tot de stationering van liaison officers in Nederland van 21 maart 1994 wordt ingetrokken.
Artikel 18
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2002.
Artikel 19
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling buitenlandse verbindingsofficieren.