40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen | BWBR0024253 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-07-27 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0024253 | Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen |
Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. wet: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; b. b. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; c. c. aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt; d. d. dienstverrichter: dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de wet.
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op:
a. a. de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot of uitoefening van de volgende gereglementeerde beroepen: algemene rijksarchivaris, rijksarchivaris, provinciearchivaris, gemeentearchivaris en waterschapsarchivaris als bedoeld in de Archiefwet 1995; b. b. de verklaring vooraf, bedoeld in artikel 23 van de wet, van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld onder a wenst uit te oefenen.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
1.
De aanvrager verstrekt aan de Minister bij de aanvraag de volgende documenten, bedoeld in artikel 13 van de wet:
a. a. een bewijs van de nationaliteit alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in de wet onder 2° van toepassing is, een door Nederland afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016), of een door een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven zodanige EG-verblijfsvergunning en een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in de wet onder 3° van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229); b.1°. b.1°. een kopie van de bekwaamheidsattesten of de opleidingstitels, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst, op grond waarvan de aanvrager in die betrokken staat recht heeft op toegang tot en uitoefening van hetzelfde beroep als dat waarvoor de aanvrager erkenning van beroepskwalificaties wenst, of b.2°. b.2°. een kopie van de opleidingstitel die door het in een derde land bevoegde gezag is afgegeven, gewaarmerkt door dat bevoegde gezag, en een bewijsstuk, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat dit bevoegde gezag de opleidingstitel heeft erkend alsmede dat de aanvrager ten minste drie jaar beroepservaring in het betrokken beroep heeft opgedaan op het grondgebied van die betrokken staat; c. c. in voorkomend geval een overzicht van de relevante opleidingsgegevens, in ieder geval bevattende de totale cursusduur, de bestudeerde vakken, en zo mogelijk een door de onderwijsinstelling opgestelde globale leerstofomschrijving van deze vakgebieden met de daarbij behorende studietijd; d. d. in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring; e. e. voor het gereglementeerde beroep, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of een met die verklaring overeenkomend document als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, of een attest waaruit blijkt van een verklaring onder ede of plechtige verklaring als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet; f. f. indien de aanvraag en de onder b tot en met e bedoelde stukken in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigd tolk/vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.
2. Bij toepassing van artikel 11, derde lid, van de wet verstrekt de aanvrager de Minister bij de aanvraag een bewijs van kennis, vaardigheden en competenties in het kader van een leven lang leren als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de wet.
Artikel 5
1.
Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de wet een proeve van bekwaamheid moet afleggen, draagt de Minister ervoor zorg dat:
a. a. de aanvrager schriftelijk wordt geïnformeerd over de vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft, over de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen en over de kosten van die proeve; b. b. de aanvrager de gelegenheid wordt geboden de proeve van bekwaamheid af te leggen bij een door de Minister aan te wijzen opleidingsinstituut; c. c. het opleidingsinstituut de criteria vaststelt voor de beoordeling van de proeve van bekwaamheid en aan de aanvrager opgave doet van het vereiste studiemateriaal; d. d. het opleidingsinstituut de aanvrager binnen twee maanden nadat de aanvrager te kennen heeft gegeven de proeve van bekwaamheid te willen afleggen de gelegenheid biedt tot het afleggen van die proeve; e. e. het opleidingsinstituut het resultaat van de proeve van bekwaamheid binnen twee weken schriftelijk mededeelt aan de aanvrager en aan de Minister.
2. De aanvrager voldoet de kosten van de proeve van bekwaamheid.
Artikel 6
1.
Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de wet een aanpassingsstage moet doorlopen, deelt de Minister de aanvrager schriftelijk mede:
a. a. de vakken waarop de aanpassingsstage betrekking heeft; b. b. de duur van de aanpassingsstage; c. c. in voorkomend geval de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage.
2. De aanpassingsstage duurt maximaal een jaar.
3. Voor een aanpassingsstage wendt de aanvrager zich tot de leiding van een relevante organisatie met het verzoek hem in de gelegenheid te stellen een aanpassingsstage te volgen.
4. De aanvrager wordt gedurende de aanpassingsstage begeleid door een gekwalificeerde beoefenaar van het betrokken beroep, aangewezen door de leiding van de organisatie waarbinnen deze begeleider werkzaam is.
5. De aanpassingsstage wordt beoordeeld op de vraag of de aanvrager de vakken, bedoeld in het eerste lid, onder a, in voldoende mate beheerst.
6. De leiding van de betrokken organisatie deelt het resultaat van de aanpassingsstage zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een maand na het doorlopen van de aanpassingsstage mee aan de aanvrager en de Minister.
Artikel 7
Indien het resultaat van de proeve van bekwaamheid of de aanpassingsstage onvoldoende is, heeft de aanvrager het recht nogmaals een proeve van bekwaamheid af te leggen of een aanpassingsstage te volbrengen.
Artikel 8
Een dienstverrichter verstrekt aan de Minister de volgende documenten, bedoeld in artikel 23 van de wet:
a. a. een schriftelijke verklaring waaruit blijkt welk gereglementeerd beroep de dienstverrichter tijdelijk en incidenteel in Nederland komt verrichten en waarin gegevens zijn opgenomen betreffende verzekering of soortgelijke bescherming tegen de financiële risico’s van beroepsaansprakelijkheid; b. b. een bewijs van nationaliteit, alsmede, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in de wet onder 2° van toepassing is, een door Nederland afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 8 van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016) of een door een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven zodanige EG-verblijfsvergunning en een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, of, indien de definitie van migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in de wet onder 3° van toepassing is, een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie of een duurzame verblijfskaart of een ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat de dienstverrichter het verblijfsrecht of het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in hoofdstuk III, respectievelijk hoofdstuk IV van richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158 en L 229); c. c. een attest dat de dienstverrichter gerechtigd is om in een andere betrokken staat dan Nederland de betrokken beroepswerkzaamheden uit te oefenen; d. d. bewijs van beroepskwalificaties; e. e. voor gevallen als bedoeld in artikel 22, onder b, van de wet een bewijs van de daar omschreven beroepservaring.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties cultuurberoepen.