40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling impuls beroepsonderwijs voor instellingen 2001 | BWBR0012589 | ministeriele-regeling | geldend | 2001-06-30 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0012589 | Regeling impuls beroepsonderwijs voor instellingen 2001 |
Regeling impuls beroepsonderwijs voor instellingen 2001
Artikel 1
Artikel 2
1.
Doel van de regeling is het realiseren van kwalificatiewinst in het beroepsonderwijs, door het verbeteren van:
a. a. de aansluiting binnen de beroepskolom, b. b. de aansluiting tussen educatie en bo, en c. c. de aansluiting tussen de basisberoepsopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, en de vakopleidingen, middenkaderopleidingen en specialistenopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met e, van de wet.
2. Om het doel, bedoeld in het eerste lid, te bereiken verleent de minister op verzoek van het bevoegd gezag van een instelling een aanvullende vergoeding aan instellingen ten behoeve van projecten.
Artikel 3
1. De aanvullende vergoeding bedraagt een voor de instelling evenredig gedeelte van het voor het jaar 2001 voor de instellingen beschikbare budget van f 39.000.000,–.
2.
De hoogte van de aanvullende vergoeding voor een instelling die een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft ingediend, wordt berekend;
a. a. voor een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet naar rato van de omvang van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs berekend op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid, 2.4.1, eerste lid, en 6.1.3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB, die de instelling over 2001 ontvangt, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste f 25.000,- bedraagt; b. b. voor een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs die de instelling over 2001 ontvangt op grond van artikel 2.1.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste f 25.000,- bedraagt; c. c. voor een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs die de instelling over 2001 ontvangt op grond van artikel 2.2.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste f 25.000,- bedraagt.
De minister maakt de hoogte van de aanvullende vergoeding uiterlijk 15 oktober 2001 aan de instelling bekend.
Artikel 4
1. De minister verleent de aanspraak op een aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts indien het bevoegd gezag van de instelling uiterlijk op 14 september 2001 een verzoek indient bij de minister. Een verzoek dat na 14 september wordt ingediend wordt afgewezen.
2.
In het verzoek is opgenomen:
a. a. de naam van de contactpersoon bij de instelling voor het project; b. b. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed; c. c. met welke partijen, bedoeld in het derde lid onder b, wordt samengewerkt; d. d. een verklaring dat de instelling voor 15 november 2001 met samenwerkingspartners kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vaststelt die bijdragen aan het realiseren van de beoogde kwalificatiewinst, volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld; e. e. een verklaring dat de instelling voor 1 februari 2002 een tussentijdse effectrapportage en voor 1 oktober 2002 een afsluitende effectrapportage aan de minister zendt; volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld; f. f. een verklaring dat het bevoegd gezag de producten ter beschikking stelt aan de productenbank van de Bve Raad.
3.
In de effectrapportages, bedoeld in het tweede lid onder e, wordt tenminste aangegeven:
a. a. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed; b. b. de wijze waarop met scholen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs die vmbo verzorgen in de regio, hogescholen als bedoeld in artikel 1.8 van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die hbo verzorgen in de regio en landelijke organen en bedrijfsleven wordt samengewerkt; c. c. . welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren; d. d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren en een analyse van eventuele verschillen.
4. Het project wordt voor 1 juli 2002 afgerond.
Artikel 5
Het bevoegd gezag verantwoordt de aanvullende vergoeding door middel van:
a. a. een inhoudelijke verantwoording bestaande uit de afsluitende effectrapportage, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder e, die uiterlijk 1 oktober 2002 aan de minister wordt gezonden; b. b. een financiële verantwoording over de jaren 2001 en 2002 op de wijze zoals omschreven in de Regeling Financieel jaarverslag (jaarrekening) voor instellingen/organen in de bve-sector met ingang van het verslagjaar 2000.
Artikel 6
De instellingen werken mee aan een onafhankelijke monitoring naar de effecten van de regeling.
Artikel 7
De aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van een aanvrager, indien:
a. a. er uiterlijk 15 november 2001 geen kwantitatieve en kwalitatieve doelen zijn vastgesteld die bijdragen aan het realiseren van de beoogde kwalificatiewinst; b. b. er uiterlijk 1 oktober 2002 geen afsluitende effectrapportage die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, is ingediend bij de minister; c. c. de aanvrager onjuiste, niet tijdige of voor de beoordeling van de uitvoering van de regeling onvolledige gegevens heeft verstrekt; d. d. het project niet is gestart, aanzienlijk is vertraagd of voortijdig wordt beëindigd; e. e. de ontvanger van de aanvullende vergoeding heeft gehandeld in strijd met de verplichtingen die aan de aanvullende vergoeding zijn verbonden, of f. f. de ontvanger van de aanvullende vergoeding kennelijk in strijd met het doel van de aanvullende vergoeding heeft gehandeld.
Artikel 8
Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na dagtekening van Uitleg OCenW-Regelingen waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling impuls beroepsonderwijs voor instellingen 2001.