rijk/ministeriele-regeling/regeling-indicatiecriteria-leerlinggebonden-financiering-en-aanmeldingsgegevens/BWBR0014788
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering en aanmeldingsgegevens leerlinggebonden financiering BWBR0014788 ministeriele-regeling geldend 2003-07-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0014788 Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering en aanmeldingsgegevens leerlinggebonden financiering

Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering en aanmeldingsgegevens leerlinggebonden financiering

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

• • Commissie voor de indicatiestelling: een commissie als bedoeld in artikel 28b, zesde lid, onder a, van de Wet op de expertisecentra; • • Regionaal expertisecentrum: een expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra; • • Wet: Wet op de expertisecentra; • • Cluster: een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet; • • Landelijke commissie toezicht indicatiestelling: de commissie, bedoeld in artikel 28e, eerste lid, van de wet; • • Onze minister: onze minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen; • • DSM-IV: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 4th Edition (American Psychiatric Association, 1997), classificatiesysteem voor psychische stoornissen; • • ICD-10: classificatie van ziekten en met gezondheid verbandhoudende problemen; tiende revisie (WHO, Genève, 1992); • • ICF: Internationale classificatie van het menselijk functioneren (WHO, Genève, 2001).

Artikel 2

Een leerling komt in aanmerking voor een leerlinggebonden budget en is toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4, in de zin van artikel 28c, eerste lid, van de wet indien wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11.

Hoofdstuk 2. Indicatiecriteria

Paragraaf 1. Cluster 2

Artikel 3

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan dove kinderen, onverminderd artikel 6, indien op basis van audiologisch onderzoek zo nodig aangevuld met logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek, is vastgesteld:

a. a. een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel of b. b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.

Artikel 4

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, onverminderd artikel 6, indien:

a. a. op basis van audiologisch, logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis tussen 35 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel, niet zijnde een gehoorstoornis als bedoeld in artikel 3, onder b.; b. b. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

      1°
      een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.;
    
    
       2°
      het ontbreken van algemene leervoorwaarden, bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, of 
    
    
      3°
      een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder c. en

1° 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.; 2° 2° het ontbreken van algemene leervoorwaarden, bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, of 3° 3° een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder c. en c. c. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel 5

1.

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, indien:

a. a. op basis van logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek, zo nodig aangevuld met audiologisch onderzoek, is vastgesteld voor kinderen tot en met 7 jaar een spraak- of taalstoornis op het gebied van spraakproductie, bij welke stoornis uit tests een achterstand in spraakontwikkeling van meer dan twee standaarddeviaties blijkt; en op het gebied van spraakperceptie, grammaticale kennisontwikkeling, of lexicale en semantische kennisontwikkeling, bij welke stoornis uit tests op tenminste een van de drie genoemde gebieden een achterstand in spraak-taalontwikkeling van meer dan anderhalve standaarddeviatie blijkt; voor kinderen van 8 jaar of ouder een spraak- of taalstoornis op het gebied van spraakperceptie, grammaticale kennisontwikkeling, en lexicale en semantische kennisontwikkeling, bij welke stoornis uit tests op tenminste twee van de drie genoemde gebieden een achterstand in spraak-taalontwikkeling van meer dan anderhalve standaarddeviatie blijkt; b. b. gerichte spraak- of taaltherapie van een half jaar geen vooruitgang heeft opgeleverd, ofwel een ernstige stoornis volgens het classificatiesysteem ICF, DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld die de beperking, bedoeld onder c, negatief beïnvloedt; c. c. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

        1°
        een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a. 1°; 
      
      
        2°
        het ontbreken van algemene leervoorwaarden, bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, of 
      
      
        3°
        een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder c. en

1° 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a. 1°; 2° 2° het ontbreken van algemene leervoorwaarden, bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, of 3° 3° een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder c. en d. d. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

2.

Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:

a. a. op basis van logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek, zo nodig aangevuld met audiologisch onderzoek, is vastgesteld een ernstige communicatieve incompetentie die tot uitdrukking komt in sociaal inadequaat taalgebruik in samenhang met een stoornis op lexicaal-semantisch gebied; b. b. sprake is van een ernstige structurele beperking als bedoeld in het eerste lid, onder c. en c. c. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel 6

1.

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte dove kinderen binnen cluster 2 indien:

a. a. op basis van audiologisch en logopedisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis van meer dan 70 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel en b. b. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een non-verbale intelligentiequotiënt lager dan 70.

2.

Een leerling is tevens toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte slechthorende kinderen binnen cluster 2 indien:

a. a. op basis van audiologisch en logopedisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis tussen 35 decibel en 71 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel en b. b. wordt voldaan aan het eerste lid, onder b.

Paragraaf 2. Cluster 3

Artikel 7

1.

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, onverminderd artikel 10, indien:

a. a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 60, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en b. b. sprake is van een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d.

2.

Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:

a. a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt tussen 59 en 70; b. b. een ernstige stoornis volgens het classificatiesysteem ICF, DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld die de beperking, bedoeld onder c, negatief beïnvloedt; c. c. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

        1°
        een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en 
      
      
        2°
        een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en

1° 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a., ofwel het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, en 2° 2° een zeer geringe sociale redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder d., en d. d. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel 8

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen, onverminderd artikel 10, indien:

a. a. op basis van medisch en psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een of meer stoornissen in structuur of in functie die gepaard gaan met stoornissen in de motorische functies; b. b. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

      1° 
      een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.; 
    
    
      2°
      het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°; 
    
    
      3°
      schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of 
    
    
      4°
      een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en

1° 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.; 2° 2° het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°; 3° 3° schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of 4° 4° een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en c. c. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel 9

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap indien:

a. a. op basis van psychodiagnostisch en medisch onderzoek is vastgesteld:

      1°
      een chronische somatische stoornis; 
    
    
      2° 
      een chronische centrale of chronische perifere neurologische stoornis of 
    
    
      3°
      een chronische psychosomatische stoornis; die niet in hoofdzaak leiden tot een stoornis in motorische functies;

1° 1° een chronische somatische stoornis; 2° 2° een chronische centrale of chronische perifere neurologische stoornis of 3° 3° een chronische psychosomatische stoornis; die niet in hoofdzaak leiden tot een stoornis in motorische functies; b. b. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

      1°
      een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.; 
    
    
      2°
      het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°; 
    
    
      3°
      structureel schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of 
    
    
      4°
      een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en

1° 1° een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.; 2° 2° het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°; 3° 3° structureel schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of 4° 4° een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en c. c. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel 10

1. Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen binnen cluster 3 indien op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een diepe stoornis in de intellectuele ontwikkeling, of een ernstige stoornis in de intellectuele ontwikkeling met bijbehorend zeer beperkt gedragsrepertoir en bijkomende medische of gedragsproblematiek.

2.

Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien:

a. a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 70 en b. b. de leerling tevens toelaatbaar zou zijn tot het onderwijs, bedoeld in artikel 8.

Paragraaf 3. Indicatiecriteria cluster 4

Artikel 11

Een leerling is toelaatbaar tot cluster 4 indien:

a. a. op basis van psychodiagnostisch, orthopedagogisch of psychiatrisch onderzoek in combinatie met onderzoekgegevens van het maatschappelijk werk is vastgesteld een ernstige psychische stoornis of een ontwikkelingspsychopathologie volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10 voor zover het betreft:

      1°
      een emotionele stoornis; 
    
    
      2°
      een gedragsstoornis of 
    
    
      3°
      een ontwikkelingsstoornis, die zich manifesteert op school, en hetzij thuis hetzij bij vrije tijdsbesteding;

1° 1° een emotionele stoornis; 2° 2° een gedragsstoornis of 3° 3° een ontwikkelingsstoornis, die zich manifesteert op school, en hetzij thuis hetzij bij vrije tijdsbesteding; b. b. sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

      1°
      het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 2°, of
    
    
       2°
      de leerling een gevaar is voor zichzelf of voor anderen als bedoeld in artikel 12, onder g.;

1° 1° het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 2°, of 2° 2° de leerling een gevaar is voor zichzelf of voor anderen als bedoeld in artikel 12, onder g.; c. c. gerichte hulpverlening verleend wordt/is door een voorzieningen als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ, of hulp van een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming, en d. d. de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Artikel 12

Onder beperkingen in de onderwijsparticipatie in de zin van deze regeling worden verstaan:

a. a. een leerachterstand in het basis- of het voortgezet onderwijs, blijkend uit resultaten zoals gerapporteerd in het onderwijskundig rapport, zodanig dat de prestaties van de leerling

      1°
      in het basisonderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen van de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep, behoren tot de 10 procent zwakst presterende leerlingen of een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: voor groep 1 en 2 voorbereidend lezen, spellen en rekenen en voor groep 3 en hoger rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen; 
    
    
      2°
      in het voortgezet onderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen in de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep die bij instroom voor de leerling is geadviseerd, een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: spreekvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen, schrijfvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen en vaardigheden op het gebied van de exacte vakken. Indien de vaststelling van het prestatieniveau uit het basisonderwijs niet ouder is dan 6 maanden, dan kan a. ten eerste worden toegepast;

1° 1° in het basisonderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen van de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep, behoren tot de 10 procent zwakst presterende leerlingen of een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: voor groep 1 en 2 voorbereidend lezen, spellen en rekenen en voor groep 3 en hoger rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen; 2° 2° in het voortgezet onderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen in de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep die bij instroom voor de leerling is geadviseerd, een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: spreekvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen, schrijfvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen en vaardigheden op het gebied van de exacte vakken. Indien de vaststelling van het prestatieniveau uit het basisonderwijs niet ouder is dan 6 maanden, dan kan a. ten eerste worden toegepast; b. b. het ontbreken van algemene leervoorwaarden, blijkend uit gegevens van zorg- of hulpverleningsinstanties of het onderwijskundig rapport zodanig dat sprake is van:

      1°
      ernstige tekortkomingen op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid bij de leerling die nog niet eerder het regulier onderwijs volgde, en welke eigenschappen noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan dat onderwijs en 
    
    
      2°
      ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid of ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel of ernstig storend gedrag ten aanzien van het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde gedragsproblemen manifest zijn gedurende een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie, weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, en niet te verklaren zijn uit de omstandigheden van de leerling;

1° 1° ernstige tekortkomingen op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid bij de leerling die nog niet eerder het regulier onderwijs volgde, en welke eigenschappen noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan dat onderwijs en 2° 2° ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid of ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel of ernstig storend gedrag ten aanzien van het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde gedragsproblemen manifest zijn gedurende een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie, weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, en niet te verklaren zijn uit de omstandigheden van de leerling; c. c. een zeer geringe communicatieve redzaamheid, blijkend uit resultaten zoals gerapporteerd in het onderwijskundig rapport of die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, zodanig dat de leerling een zeer beperkt vermogen heeft om wederkerig te communiceren met behulp van woord en gebaar en dit beperkte vermogen zich manifesteert in gesprekken in alle situaties vanaf de periode dat de leerling leerde spreken en niet is te verklaren uit de omstandigheden van de leerling; d. d. een zeer geringe sociale redzaamheid, die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, waarbij de resultaten van de leerling in verband met een verstandelijke beperking op het gebied van zelfredzaamheid, verbale communicatie en sociale omgang meer dan twee standaarddeviaties onder het gemiddelde ligt; e. e. een zeer geringe zelfredzaamheid, die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, waarbij de leerling ook met gebruikmaking van technische hulpmiddelen voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen afhankelijk is van een ander; f. f. structureel verzuim, blijkend uit het onderwijskundig rapport, waarbij de leerling 25 procent van de verplichte onderwijstijd verzuimt door de stoornis of in verband met de benodigde zorg terzake van de stoornis; g. g. extreem gedrag waarbij, op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is, de leerling zelfverwondend of suïcidaal gedrag vertoont, lijdt aan ernstige depressie, extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken.

Artikel 13

1.

Onder zorg in de zin van deze regeling wordt verstaan de extra zorg vanuit de zorgstructuur van het regulier onderwijs, afgestemd op de behoeften van de leerling van tenminste een half jaar, blijkend uit het onderwijskundig rapport,

1° 1° voor die leerling die was ingeschreven op een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en voor zover voor de leerling geen leerlinggebonden budget beschikbaar was; 2° 2° voor die leerling die was ingeschreven op een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en voor zover voor de leerling geen leerlinggebonden budget beschikbaar was.

2. Onder ondersteuning in de zin van deze regeling wordt verstaan de ondersteuning van zorg- en hulpverleningsinstanties, die redelijkerwijs voor de desbetreffende stoornis beschikbaar is voor diegene die niet beschikt over een leerlinggebonden budget.

Artikel 14

1. Indien een leerling op grond van de artikelen 3, 4, 5, 7 tot en met 11 toelaatbaar zou zijn tot meer dan een onderwijssoort of toelaatbaar zou zijn tot zowel een onderwijssoort als tot cluster 4, dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot de onderwijssoort of het cluster, bedoeld in het tweede lid en het derde lid.

2.

Indien de samenloop in de zin van het eerste lid, in ieder geval betreft:

a. a. het onderwijs aan dove kinderen dan wel het onderwijs aan slechthorende kinderen: het onderwijs aan dove, respectievelijk het onderwijs aan slechthorende kinderen; b. b. het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen: het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen en c. c. cluster 4, niet betreffende een samenloop als bedoeld onder a en b: cluster 4.

3. Bij samenloop anders dan bedoeld in het tweede lid, beoordeelt de commissie voor de indicatiestelling op basis van de handicaps of de leerling toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten of tot cluster 4.

Artikel 15

1. Een leerling bij wie een stoornis is vastgesteld die gepaard gaat met een structurele beperking in de onderwijsparticipatie die niet leidt tot toelaatbaarheid op grond van de artikelen 3 tot en met 13, is eveneens toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4 indien de ernst van de stoornis en de beperking in de onderwijsparticipatie vergelijkbaar zijn met die van de op grond van artikel 3 tot en met 11 toelaatbare leerlingen. De aard van de stoornis(sen) en de aard van de beperking in de onderwijsparticipatie zijn in dat geval bepalend voor de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is.

2. Een leerling bij wie een progressieve stoornis is vastgesteld die niet leidt tot toelaatbaarheid op grond van de artikelen 3 tot en met 13, is toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4 indien zich als gevolg van die stoornis, een structurele beperking in de onderwijsparticipatie als bedoeld in artikel 12, zal voordoen binnen zes tot twaalf maanden na indiening van het verzoek, bedoeld in artikel 28c, eerste lid, aanhef, van de wet. De progressieve stoornis is in dat geval bepalend voor de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is.

Artikel 16

1. Voor het vaststellen van de stoornissen en beperkingen genoemd in de artikelen 3 tot en met 12 worden betrouwbare onderzoeksgegevens gebruikt, die waar mogelijk geclassificeerd zijn op basis van de classificatiesystemen ICF, DSM-IV of ICD-10.

2.

De onderzoeksgegevens bedoeld in het eerste lid zijn betrouwbaar als:

a. a. het onderzoek is uitgevoerd door een daartoe bevoegde deskundige; b. b. het onderzoek is uitgevoerd met een door de beroepsgroep als geschikt aangemerkt onderzoeksinstrumentarium en c. c. gegevens bij indiening van het verzoek op grond van artikel 28c, het eerste en tweede lid, van de wet niet ouder zijn dan een jaar, tenzij het gegevens betreft over evident stabiele leerlingkenmerken.

3. Waar mogelijk worden reeds beschikbare onderzoeksgegevens, bedoeld in het eerste lid, gebruikt uit de gezondheidszorg, jeugdzorg, justitie, het zorgcircuit van het onderwijs of de schoolbegeleiding.

Hoofdstuk 2A. Modelformulier en benodigde gegevens bij aanmelding

Artikel 16a

Het modelaanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, van de wet is het in bijlage A van deze regeling opgenomen model.

Artikel 16b

1. De gegevens en verklaringen die bij het aanmeldingsformulier worden gevoegd, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, van de wet zijn de toepasselijke onderzoeksgegevens en het onderwijskundig rapport, bedoeld in de afzonderlijke artikelen 3 tot en met 13 van deze regeling. Indien het de aanmelding van een leerling met een stoornis of beperking betreft die kan worden geclassificeerd op basis van de classificatiesystemen ICF, DSM-IV of ICD-10, de onderzoeksgegevens met betrekking tot die classificaties.

2. De gegevens en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, hoeven niet bij het aanmeldingsformulier te worden gevoegd voor zover de ouders, voogden of verzorgers van een leerling in het aanmeldingsformulier toestemming geven aan de commissie voor de indicatiestelling deze op te vragen bij degene die het onderzoek heeft verricht of het rapport heeft opgesteld.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 17

Deze regeling wordt bekendgemaakt in Uitleg, OCenWRegelingen en voor wat betreft de hoofdstukken 1, 2 en 3 gelijktijdig overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 18

Deze regeling treedt niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt gegeven dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering en aanmeldingsgegevens leerlinggebonden financiering.

Bijlage A. Aanmelding voor speciaal onderwijs of leerlinggebonden financiering

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

U wilt dat uw kind naar het speciaal onderwijs gaat. Of u wilt dat uw kind bijvoorbeeld extra hulp krijgt op de basisschool of de school voor voortgezet onderwijs. Dat noemen wij leerlinggebonden financiering. U moet dan eerst dit aanmeldingsformulier invullen. Dit formulier geeft u aan de Commissie voor de Indicatiestelling van het Regionaal Expertisecentrum (REC) bij u in de buurt. Wij kijken of het kind wel recht heeft op speciaal onderwijs, of leerlinggebonden financiering mag krijgen. Dat doen wij niet zomaar. Wij doen dat volgens de regels van de wet. Wij gebruiken de criteria die de minister heeft vastgesteld. Wij kijken heel goed naar de gegevens van het kind. Het is dus heel belangrijk dat wij alle gegevens over het kind hebben. Hoe zorgt u dat wij die gegevens krijgen? Er zijn twee mogelijkheden:

Wij beloven u dat wij strikt vertrouwelijk met de verzamelde gegevens zullen omgaan. Daarmee bedoelen wij dat wij de gegevens niet aan anderen zullen geven of laten zien zonder dat u dat wilt. Wij sturen de gegevens wel naar de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling. Zij controleren of de Commissies voor de Indicatiestelling hun werk goed uitvoeren. Zij gebruiken de gegevens ook om te kijken of de regels goed werken.

U heeft het recht om de gegevens over u en uw kind te zien. Als u ziet dat gegevens niet goed zijn of niet volledig zijn, mag u dat verbeteren of aanvullen. Als het kind 16 jaar of ouder is, mag alleen het kind de gegevens zien, verbeteren of aanvullen.

De Commissie voor de Indicatiestelling heeft veel gegevens nodig over het kind en de ouders of verzorgers. U moet daarom dit formulier invullen. Om u te helpen de vragen goed te beantwoorden hebben wij een toelichting geschreven. Het Regionaal Expertisecentrum bij u in de buurt kan u ook helpen bij het invullen van dit formulier.

De Commissie voor de Indicatiestelling

Het aanmeldingsformulier start met een aantal vragen over de gegevens van het kind, zoals de naam en het adres van het kind, de geboortedatum en de geboorteplaats. Ook vragen we naar het geboorteland en de taal die het kind thuis spreekt. Wanneer u deze gegevens invult geeft u ons toestemming om ze te verwerken. Deze toestemming vooraf is noodzakelijk op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens op het moment dat naar bijzondere persoonsgegevens wordt gevraagd. Die informatie is voor ons belangrijk als wij kijken naar de uitkomsten van de onderzoeken die het kind gehad heeft. De taal en de culturele achtergrond spelen een rol bij het begrijpen van de vragen in allerlei onderzoeken, zoals bijvoorbeeld bij een taaltest, een intelligentietest of een vragenlijst. Het is belangrijk dat het kind de vragen heeft begrepen.

Als het kind niet naar school gaat, maar wel ergens wordt verzorgd of begeleid, dan willen wij graag weten waar. Het kan zijn dat het nog te jong is voor school, maar het kan ook van school gestuurd zijn of om een andere reden niet naar school gaan. Als het kind naar school gaat of op school heeft gezeten, willen wij graag weten hoe het met het kind is gegaan op school. Op welke scholen heeft het kind gezeten en heeft het kind wel eens een zelfde klas of groep opnieuw gedaan? U hoeft dat niet heel uitgebreid op te schrijven. U kunt dat kort doen zoals u ziet in het voorbeeld hieronder:

Voorbeeld 1:

Een kind heeft op de peuterspeelzaal gezeten en is naar groep 1 gegaan. Na groep 2 is het nog een extra jaar in de 2e groep gebleven en zit nu in groep 3.

U kunt dat dan als volgt kort invullen: psz-1-2-2-3.

Voorbeeld 2:

Het kind is direct naar de basisschool gegaan. Het heeft een extra jaar in groep 2 gedaan en is na groep 5 naar het speciaal basisonderwijs (SBO) gegaan. Nu zit het in het praktijkonderwijs.

U kunt dat dan als volgt kort invullen: 1-2-2-3-4-5-SBO-SBO-SBO-praktijkonderwijs

Wij willen graag weten waar wij de post naar toe kunnen sturen als wij u bijvoorbeeld willen informeren over de indicatiestelling. Als de ouders niet op hetzelfde adres wonen maar wel allebei de post willen ontvangen, kunt u van allebei de ouders de namen en adressen invullen.

Wij vragen ook informatie over het geboorteland van de ouders. Die informatie kan belangrijk zijn als wij bijvoorbeeld kijken naar de uitkomsten van onderzoeken die het kind gehad heeft. Wanneer u deze gegevens invult geeft u ons toestemming om ze te verwerken. Deze toestemming vooraf is noodzakelijk op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens op het moment dat naar bijzondere persoonsgegevens wordt gevraagd.

Wij vragen u het telefoonnummer in te vullen waar wij u overdag kunnen bellen.

Bij het invullen van rubriek 4 kunt u kort antwoord geven. Als u denkt dat het belangrijk is dat u toch veel opschrijft, dan kunt u dat doen bij rubriek 11.

In rubriek 5 noemen wij een aantal beperkingen. Voor kinderen met deze beperkingen zijn verschillende soorten speciaal onderwijs in Nederland. Voor een indicatie is per schoolsoort andere informatie nodig. Achter elke beperking staat welke onderzoeksgegevens de Commissie voor de Indicatiestelling moet ontvangen om een besluit te kunnen nemen.

Het kan zijn dat u vindt dat het kind iets anders heeft. Dan kunt u dat aankruisen en uitleggen in rubriek 11 of op een apart papier. U kunt dat aparte papier samen met het formulier naar ons opsturen. U stuurt dan het onderzoeksverslag mee waaruit blijkt wat het kind heeft en wat er aan gedaan is.

Voorbeelden van beperkingen die niet wordt genoemd zijn epilepsie of autisme.

Wanneer het kind epileptisch is, dan is de ernst van de problemen bepalend voor de keuze van een school voor langdurig zieke kinderen of ambulante begeleiding. Als de epilepsie niet zo ernstig is, maar er zijn andere beperkingen, dan kruist u de belangrijkste beperking(en) aan. Bij een autistisch, maar ook verstandelijk gehandicapt kind kunt u uw kruisje bij de verstandelijke handicap zetten. Is het autistische kind niet verstandelijk gehandicapt, maar heeft het wel ernstige gedragsproblemen, dan kunt u daar uw kruisje zetten. Autistische kinderen, waarmee ouders of leerkrachten niet of haast niet kunnen praten kunnen soms bij een school voor kinderen met ernstige spraak- en of taalmoeilijkheden verder worden geholpen.

In rubriek 6 vragen wij naar de onderzoeksgegevens van het kind.

Het gaat hierbij om medische informatie maar ook om informatie van andere hulpverleners.

In rubriek 5 kunt u zien welke informatie voor ons belangrijk is om een goede beslissing te kunnen nemen. Als wij de gegevens krijgen, hoeven wij het kind niet opnieuw te (laten) onderzoeken. Dat is prettiger voor het kind. Wij kunnen de aanvraag dan ook sneller behandelen.

De gegevens die wij nodig hebben kan van verschillende mensen komen:

Wij gebruiken bij onze beslissing informatie uit het zogenoemde Onderwijskundig Rapport. In dat rapport staat informatie over hoe het kind op school is. Voor onze beslissing mag die informatie niet ouder zijn dan 6 maanden. De basisschool van het kind moet een Onderwijskundig Rapport opstellen en moet u daar een kopie van geven.

Als u niet zelf de noodzakelijke gegevens heeft, kunnen wij de gegevens voor u opvragen. Dat kunnen wij alleen doen als u dat goed vindt. Daarom vragen wij u aan ons toestemming te geven om de gegevens voor u op te vragen.

Soms kunt u zelf geen toestemming geven maar moet het kind dat doen. Soms moeten u en het kind samen toestemming geven. Wanneer moet dat?

Daarom is het heel belangrijk dat u erop let wie het aanmeldingsformulier ondertekent. Als u en/of het kind het formulier ondertekent, geeft u ons toestemming informatie op te vragen bij de artsen en hulpverleners uit rubriek 8 waar u 'ja' hebt gezegd.

Wij gebruiken voor onze beslissing vaak het Onderwijskundig Rapport van de school. De school moet u een kopie geven van dit rapport. Wij kunnen dit rapport ook voor u opvragen bij de school. Als u wilt dat wij het rapport opvragen, moet u ons toestemming geven. Als het kind 16 jaar of ouder is moet hij zelf toestemming geven.

Het kan zijn dat het kind naar een (andere) school voor speciaal onderwijs zal gaan of ambulante begeleiding zal krijgen. Het kan zijn dat de Dienst Ambulante Begeleiding of de Commissie voor Begeleiding van deze nieuwe school de gegevens nodig heeft. Bijvoorbeeld om te zorgen dat het onderwijs zo goed mogelijk past bij het kind. Als u en/of het kind aan ons daarvoor uitdrukkelijk toestemming geeft, kunnen wij de gegevens rechtstreeks sturen naar de Commissie voor Begeleiding of de Dienst Ambulante Begeleiding.

**Toestemming: **

Als u het aanmeldingsformulier ondertekent, geeft u en/of het kind toestemming om informatie op te vragen bij de artsen of hulpverleners uit de rubrieken 8 t/m 10. U geeft die toestemming alleen als u bij rubriek 8 t/m 10 heeft gezegd dat u akkoord bent met het opvragen van informatie. Deze toestemming geldt alleen voor de artsen of hulpverleners en alleen voor de onderzoeken waar u 'ja' heeft gezegd.

Misschien wilt u meer schrijven over het kind. Als u denkt dat ook andere dingen belangrijk zijn om te aan ons te melden, dan kunt u dat in rubriek 11 doen.