40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling indienststelling spoorvoertuigen | BWBR0031350 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-06-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0031350 | Regeling indienststelling spoorvoertuigen |
Regeling indienststelling spoorvoertuigen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- ATB: automatische treinbeïnvloeding;
- ATBvv: automatische treinbeïnvloeding verbeterde versie;
- beschikking 2007/756/EG: beschikking nr. 2007/756/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PbEU L 305);
- besluit nr. 768/2008/EG: besluit nr. 768/2008/EG: besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218);
- bijzonder spoorvoertuig: spoorvoertuig voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting niet zijnde een locomotief of een treinstel;
- CENELEC (CLC): door het Europees Comité voor Elektrotechnische Standaardisatie uitgegeven norm;
- DIN: Deutsche Industrienorm;
-
- EN:* Europese norm;
- ERRI: rapport van het European Rail Research Institute;
- ERTMS: European Rail Traffic Management System;
-
- ISO:* door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;
-
- lichte treinstellen:* treinstellen ontworpen om te voldoen aan de categorie C-III als bedoeld in EN 15227:2008;
-
- locomotief:* tractievoertuig dat of combinatie van meer spoorvoertuigen die niet bedoeld is om reizigers of goederen te vervoeren en onder normale omstandigheden afgekoppeld en als zelfstandig spoorvoertuig gebruikt kan worden;
- minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;
-
- NEN-EN:* door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven Europese norm;
- onderhoudsvoertuigen: railgebonden machines en andere voertuigen ten behoeve van constructie, onderhoud en inspectie van de railinfrastructuur;
- rail-wegvoertuigen: voertuigen die zowel op het spoor als op de weg kunnen rijden;
- richtlijn 97/68/EG: Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PbEG 1997, L 59);
-
- rijtuig:* spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat in een vaste of variabele treinsamenstelling wordt gebruikt voor het vervoer van reizigers;
- stuurstandrijtuig: spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat voorzien is van een bestuurderscabine;
- trein: een samenstel van één of meer spoorvoertuigen dat deelneemt aan het spoorverkeer;
-
- treinstel:* vaste samenstelling van spoorvoertuigen die als trein kan rijden;
- TSI CCS: besluit nr. 2012/88/EU van de Commissie van 25 januari 2012 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het trans-Europese spoorwegsysteem (PbEU L 51);
- TSI CR WAG: verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie van 13 maart 2013 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – goederenwagens’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PbEU 2013, L 104);
- TSI exploitatie en verkeersleiding: uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2012/757/EU (PbEU 2019, L (139 l);
- TSI Loc&Pas: verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘rollend materieel – locomotieven en reizigerstreinen’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2014, L 356);
- TSI PRM: verordening (EU) nr. 1300/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende de toegankelijkheid van het spoorwegsysteem in de Unie voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit (PbEU 2014, L 356);
- TSI SRT: verordening (EU) nr. 1303/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit betreffende ‘veiligheid in spoorwegtunnels’ van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PbEU 2014, L 356);
-
- UIC:* voorschrift (Fiche) van de Internationale Spoorweg Unie;
- uitvoeringsverordening (EU) 2018/545: uitvoeringsverordening (EU) 2018/545: uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2018, L 90);
- uitvoeringsverordening (EU) 2019/250: uitvoeringsverordening (EU) 2019/250 van de Commissie van 12 februari 2019 inzake de modellen voor EG-verklaringen en certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en -subsystemen, het model voor de verklaring van conformiteit met een vergund voertuigtype en de EG-keuringsprocedures voor subsystemen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 201/2011 van de Commissie (PbEU 2019, L 42/9);
- uitvoeringsverordening (EU) 2019/779: uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 445/2011 van de Commissie (PbEU 2019 L 139 I);
- vaste samenstelling: samenstelling van rollend materieel die alleen in een werkplaats op andere wijze kan worden samengesteld;
- verordening 402/2013: uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PbEU 2013, L 121);
- verordening 445/2011: verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagens belaste entiteiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 653/2007 (PbEU L 122);
-
- wagen:* spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting bestemd voor het vervoer van goederen;
- wet: Spoorwegwet.
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op de artikelen 26d, 26o, onderdelen b, c, f en g, 26t, onderdeel c, 26cc, onderdeel b, 38, eerste en derde lid, van de wet.
Artikel 2
1. De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een EG- of EU-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Gemeenschappen of Europese Unie tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. De totstandkoming van een dergelijke richtlijn wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
2. De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een op een EG- of EU-richtlijn gebaseerde technische specificatie inzake interoperabiliteit omvat mede elke in het kader van de Europese Gemeenschappen of Europese Unie tot stand gekomen besluit tot wijziging van die technische specificatie inzake interoperabiliteit. De totstandkoming van een dergelijk besluit wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant, tenzij een dergelijk besluit als verordening is vastgesteld.
3. De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een CLC, DIN-, EN- of ISO norm, een ERRI-rapport of een UIC-voorschrift omvat mede elke wijziging van die norm, dat rapport of dat voorschrift. De totstandkoming van een dergelijk besluit wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
4. Een wijziging als bedoeld in het eerste of tweede lid treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze Minister een eerder tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Indien een dergelijke wijziging de lidstaten verplicht tot of de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijziging, wordt deze eveneens door Onze Minister bepaald.
5. De in het derde lid bedoelde bekendmaking in de Staatscourant vermeldt de datum van inwerkingtreding van de wijziging als bedoeld in dat lid.
Paragraaf 2. Nationale voorschriften ter uitvoering van essentiële eisen
Artikel 3
1.
Het subsysteem boorduitrusting voor besturing en seingeving van een locomotief, treinstel, stuurstandrijtuig of bijzonder spoorvoertuig bevat een systeem voor automatische ritregistratie dat minimaal de in bijlage 7 genoemde gegevens registreert, alsmede:
a. a. ATB-EG, dat voldoet aan de in bijlage 1 opgenomen eisen en is geïnstalleerd conform de voorschriften van de leverancier van het systeem; b. b. ATB-NG, dat is geïnstalleerd conform de voorschriften van de leverancier van het systeem; c. c. STM ATB, dat voldoet aan de in bijlage 1 en hoofdstuk 1 van bijlage 2 opgenomen eisen en is geïnstalleerd conform de voorschriften van de leverancier; of d. d. ERTMS, dat voldoet aan de in hoofdstuk 2 van bijlage 2 opgenomen eisen.
2. Een spoorvoertuig als bedoeld in het eerste lid dat in Nederland uitsluitend wordt gebruikt op een baanvak met een beveiligingssysteem dat voldoet aan de in Duitsland geldende bepalingen beschikt in afwijking van het eerste lid over een beveiligingssysteem dat voldoet aan de voor dat baanvak in Duitsland geldende bepalingen dat conform die bepalingen is geïnstalleerd.
3. Een spoorvoertuig als bedoeld in het eerste lid dat in Nederland uitsluitend wordt gebruikt op een baanvak met een beveiligingssysteem dat voldoet aan de in België geldende bepalingen beschikt in afwijking van het eerste lid over een beveiligingssysteem dat voldoet aan de voor dat baanvak in België geldende bepalingen dat conform die bepalingen is geïnstalleerd.
4. Indien in een spoorvoertuig de boorduitrusting voor ATB is voorzien van ATBvv dan dient deze te zijn geïnstalleerd conform de voorschriften van de leverancier van het systeem.
Artikel 4
1. Spoorvoertuigen waarvoor TSI CR WAG, TSI Loc&Pas of TSI CCS niet geldt, voldoen aan de in bijlage 3 opgenomen eisen.
2. Op spoorvoertuigen als bedoeld in het eerste lid zijn de nationale voorschriften van paragraaf 4 van deze regeling van toepassing.
3. Spoorvoertuigen, bestemd voor gebruik op de hoofdspoorwegen, genoemd in bijlage 1, onder 16 en onder 18, van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen, voldoen aan de eisen in bijlage 9.
Artikel 5
1.
Onderhoudsvoertuigen in de vervoermodus voldoen aan:
a. a. de eisen in de TSI Loc&Pas; of b. b. NEN-EN 14033-1 en NEN-EN 14033-3.
2. Op onderhoudsvoertuigen in de vervoersmodus zijn de nationale voorschriften van paragraaf 4 van deze regeling van toepassing.
3. Rail-wegvoertuigen voldoen aan de in bijlage 8 genoemde eisen.
Artikel 5a
Het veiligheidsaardingscircuit voldoet aan EN 50153:2014.
Artikel 5b
1. Treinstellen die in verband met de constructie, massa en beremming gevoelig zijn voor blokkeren of waarbij onder slechte adhesiecondities ontoelaatbare remwegverlengingen optreden, zijn voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van een adhesie-onafhankelijke rem of van adhesieverbeterende maatregelen die het blokkeren van de wielen goed bestrijden.
2.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan, indien:
a. a. bij treinstellen bestaande uit één eenheid twee draaistellen voorzien zijn van een paar magneetremmen; b. b. bij treinstellen bestaande uit twee eenheden minimaal twee draaistellen voorzien zijn van een paar magneetremmen; c. c. bij treinstellen bestaande uit drie of meer eenheden minimaal een paar magneetremmen per twee eenheden is aangebracht.
Paragraaf 3. Nationale voorschriften ter uitwerking van open punten in TSI’s
Artikel 6
De voorschriften ter uitwerking van in een technische specificatie inzake interoperabiliteit opgenomen open punten gelden voor het subsysteem of de subsystemen waarvoor die technische specificatie inzake interoperabiliteit geldt.
Artikel 7
1. De in dit artikel opgenomen voorschriften vormen de uitwerking van open punten in bijlage G van de TSI CCS, uitgewerkt in het document, genoemd in bijlage A, tabel A2, indexnummer 77, van de TSI CCS.
2. De ruimte zonder metalen en inductieve onderdelen tussen de wielen voldoet aan de omschrijving in artikel 17, vierde lid, onder a.
3. De elektromagnetische storingen (tractiestroom en elektromagnetische velden) voldoen aan de omschrijving in artikel 17, eerste en tweede lid.
4. Spoorvoertuigen met gelijkstroomsystemen en onderdelen met een lage frequentie van tractiestroom voldoen aan de omschrijving in artikel 17, eerste, tweede en vierde lid.
5. Het gebruik van magneetremmen en wervelstroomremmen voldoet aan artikel 15.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
1. Het in dit artikel opgenomen voorschrift vormt de uitwerking van de open punten van de TSI Loc&Pas.
2. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een wervelstroomrem, voldoet deze aan artikel 15, vijfde lid.
Artikel 11
Vervallen
Paragraaf 4. Nationale voorschriften ten behoeve van de verenigbaarheid met niet-TSI-conforme infrastructuur
Artikel 12
1. De artikelen 13 tot en met 18 gelden voor het gebruik van een spoorvoertuig op niet-TSI-conforme hoofdspoorweginfrastructuur.
2. De artikel 19 en 20 gelden voor elektrische spoorvoertuigen die gebruik maken van hoofdspoorweginfrastructuur voorzien van 1.500 V DC.
3. De artikelen 21 en 22 gelden voor elektrische spoorvoertuigen die gebruik maken van hoofdspoorweginfrastructuur voorzien van 25 kV AC.
4. De artikelen 23 en 24 gelden voor het gebruik van de daarin genoemde grensbaanvakken.
Artikel 13
1. Spoorvoertuigen voldoen aan EN 15273 bij gebruikmaking van het kinematisch referentieprofiel G2.
2. Er kan, na toetsing van routespecifieke infracompatibiliteit, een kinematisch referentieprofiel ruimer dan G2 doch binnen het kinematisch referentieprofiel NL-1, NL-2 of GC als beschreven in EN 15273-2, worden toegestaan.
3. De onderzijde van spoorvoertuigen voldoet aan het referentieprofiel GIC1, dan wel GIC2 als beschreven in EN 15273. De zone voor de Crocodile als beschreven in EN 15273 is alleen van toepassing op spoorvoertuigen die gebruik maken van grensbaanvakken met België als bedoeld in artikel 23.
Artikel 14
1. Behoudens onderhoudsvoertuigen zonder tractie die voldoen aan EN 14033-1, voldoet bij een wagen de verhouding aslast – wieldiameter van een wielstel aan UIC 510-2.
2. Aan voertuigen met een wieldiameter kleiner dan 730 mm kunnen beperkingen worden opgelegd ten aanzien van de te berijden kruisingen en Engelse wissels met een verhouding 1:10, tenzij voor dat voertuig is vastgesteld dat de gaping in het kruisstuk niet groter is dan 80 mm.
3. Een horizontale boog met een radius van 190 m en groter kan door een spoorvoertuig in S-bogen zonder ingesloten rechtstand worden doorlopen.
4. Een verticale boog met een radius van 2000 m en groter kan door een spoorvoertuig worden doorlopen.
5. Een verticale topboog van 250 m en groter en een verticale dalboog van 300 m en groter kan door een spoorvoertuig dat wordt geheuveld, worden doorlopen.
6. De loopkarakteristieken van een spoorvoertuig voldoen aan hoofdstuk 5 van EN 14363. In overleg met de beheerder kan een overschrijding in quasistatische geleidingskracht Y_qst zoals bedoeld in hoofdstuk 5.3.2.3 van EN 14363:2005 worden toegestaan, indien die niet veiligheidskritisch is.
Artikel 15
1. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen of als parkeer- of halterem.
2. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een wervelstroomreminrichting, is deze uitschakelbaar.
Artikel 16
Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van wielflenssmeerinstallaties voldoen de positie van de spuitmond en de hoeveelheid en de locatie waar het smeermiddel op het wiel wordt aangebracht aan EN 15427.
Artikel 17
1.
Spoorvoertuigen zijn met betrekking tot detectie-eigenschappen geschikt voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van laagfrequente spoorstroomlopen 75 Hz, onder de volgende voorwaarden:
a. a. de effectieve waarde van de AC-component in de DC-lijnstroom zonder externe 50 Hz injectie bedraagt voor een treinsamenstelling niet meer dan 50 A voor frequenties vanaf 5 Hz; b. b. de psofometrische component in de DC-lijnstroom inclusief externe 50 Hz injectie als bedoeld in NEN-EN 50121-3-1 bedraagt voor een trein minder dan 10 A; c. c. de detectiekwaliteit (kortsluitwaarde) van de treinsamenstelling voldoet aan de in bijlage 5 opgenomen eisen; d. d. de AC stoorstroomcomponent in de lijnstroom zonder externe 50 Hz injectie voldoet aan bijlage 6, tabel 1 en 2a; e. e. de impedantie tussen stroomafnemer en wielen van rollend materieel bij een frequentie van 75 ± 3 Hz op treinniveau ten minste 0,40 Ω bedraagt en niet capacitief is; f. f. de impedantie tussen stroomafnemer en wielen bij een frequentie van 50 Hz ten minste 0,2 Ω bedraagt en niet capacitief is, waarbij de waarde de maximale 50Hz stroom op treinniveau begrenst; g. g. de effectieve waarde van de AC-component in DC-lijnstroom met externe 50 Hz injectie bedraagt voor een spoorvoertuig niet meer dan 50 A voor frequenties vanaf 5 Hz, waarbij de 50 Hz-component van de AC-stroom mag worden genegeerd. Deze eis moet worden beoordeeld ten aanzien van de trein waarin het spoorvoertuig kan worden opgenomen; h. h. de AC-stoorstroomcomponent in de DC-lijnstroom voldoet met externe 50 Hz injectie aan bijlage 6, tabel 2b; i. i. de spoorvoertuigen voldoen ten aanzien van elektromagnetische compatibiliteit aan NEN-EN 50121-3-1; j. j. op baanvakken uitgerust met 75 Hz spoorstroomlopen is in elektrische spoorvoertuigen die gebruik maken van hoofdspoorweginfrastructuur 1.500 V DC een stoorstroomdetector aanwezig, die voldoet aan bijlage 6, tenzij de kans dat stoorstroom wordt overtreden, conform bijlage 6, bij een defect kleiner is dan 10^-7/uur per trein.
2. De eisen, genoemd in het eerste lid, onder b, f, g en h, zijn van toepassing op spoorvoertuigen die rijden op trajecten voorzien van 1.500 V DC die parallel lopen met sporen voorzien van 25 kV AC. Het infrastructuurregister vermeldt welke sporen als parallelloop worden aangemerkt.
3.
Spoorvoertuigen zijn met betrekking tot detectie-eigenschappen geschikt voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van toonfrequente spoorstroomlopen indien:
a. a. de detectiekwaliteit (kortsluitwaarde) van het spoorvoertuig voldoet aan de in bijlage 5 opgenomen eisen; en b. b. de AC-stoorstroomcomponent in de lijnstroom zonder externe 50 Hz injectie voldoet aan CLC/TS 50238-2, Annex A tabel A.6 en A.7.
4.
Spoorvoertuigen zijn met betrekking tot detectie-eigenschappen geschikt voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van assentellers indien:
a. a. de aanwezigheid van voldoende metaalvrije ruimte rond de wielen voldoet aan bijlage 4, tenzij wordt voldaan aan figuur 3 van het document, genoemd onder bijlage A, tabel A2, indexnummer 77, van de TSI CCS; en b. b. magnetische velden veroorzaakt door het spoorvoertuig en eventuele retourstroom voldoen aan bijlage 4.
5. Spoorvoertuigen zijn met betrekking tot detectie-eigenschappen geschikt voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de detectie wordt geregeld door middel van massadetectielussen, indien het frame en de wielstellen van het spoorvoertuig van magnetiseerbaar materiaal zijn.
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
De stroomafname van treinen wordt conform onderstaande afbeelding automatisch beperkt in overeenstemming met artikel 7.2 van NEN-EN 50388:2012, waarbij:
a. a. U_1 = 1000V; b. b. U_2 = 1350V; c. c. I_max (trein) = 4000A; en d. d. de onderspanningsinrichting is afgesteld op 950V.
Artikel 20
De op spoorvoertuigen geïnstalleerde stroomafnemers voldoen aan de volgende eisen:
a. a. de stroomafname van iedere stroomafnemer bij een stilstaand spoorvoertuig wordt door de installatie zodanig beperkt, dat de temperatuur van de rijdraad ten hoogste 150 °C conform EN 50367:2012 bedraagt; b. b. de maximale afstand van de kop van het spoorvoertuig tot de laatste stroomafnemer van het treinstel bedraagt maximaal 400 m; c. c. de maximale hoogte van een stroomafnemer is begrensd op 5.860 mm gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven, deze begrenzing kan door middel van een stuit worden gerealiseerd.
Artikel 21
1. Er dient een compatibiliteitsstudie conform hoofdstuk 10 van NEN-EN 50388:2012 uitgevoerd te worden. Hiermee wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van overspanningen en harmonische emissielimieten van de netbeheerder.
2.
Voor het uitvoeren van de compatibiliteitsstudie geldt dat:
a. a. ten behoeve van het uitvoeren van de compatibiliteitstudie de gegevens conform hoofdstuk 10 van NEN-EN 50388:2012 overlegd worden aan de beheerder; en b. b. verdere uitvoering van de compatibiliteitsstudie niet noodzakelijk is indien de harmonische stroomemissie op treinniveau niet hoger is dan de waarde I_h in de onderstaande tabel.
| f (Hz) | I_h (%) | f (Hz) | I_h (%) |
|---|---|---|---|
| 100 | 5,63 | 1350 | 0,25 |
| 150 | 5,00 | 1400 | 0,08 |
| 200 | 1,88 | 1450 | 0,23 |
| 250 | 3,00 | 1500 | 0,07 |
| 300 | 0,63 | 1550 | 0,20 |
| 350 | 2,14 | 1600 | 0,07 |
| 400 | 0,19 | 1650 | 0,18 |
| 450 | 0,83 | 1700 | 0,06 |
| 500 | 0,15 | 1750 | 0,17 |
| 550 | 1,43 | 1800 | 0,06 |
| 600 | 0,18 | 1850 | 0,15 |
| 650 | 1,21 | 1900 | 0,06 |
| 700 | 0,15 | 1950 | 0,14 |
| 750 | 0,21 | 2000 | 0,05 |
| 800 | 0,13 | 2050 | 0,13 |
| 850 | 0,62 | 2100 | 0,05 |
| 900 | 0,12 | 2150 | 0,12 |
| 950 | 0,55 | 2200 | 0,05 |
| 1000 | 0,11 | 2250 | 0,11 |
| 1050 | 0,46 | 2300 | 0,05 |
| 1100 | 0,10 | 2350 | 0,10 |
| 1150 | 0,32 | 2400 | 0,04 |
| 1200 | 0,09 | 2450 | 0,10 |
| 1250 | 0,29 | 2500 | 0,04 |
| 1300 | 0,08 |
3. In de in het eerste lid opgenomen tabel staat f voor de frequentie van de harmonische stroom en I_h voor het maximale 10-minuten gemiddelde van de harmonische stroom als percentage van het 10-minuten gemiddelde van de grondharmonische stroom. Daarbij wordt uitgegaan van een zuiver sinusvormige tractievoedingsbronspanning en een inductieve bronimpedantie die elke waarde tussen nul en 100 mH kan aannemen.
4. Bij de toepassing van de in het eerste lid opgenomen tabel geldt dat indien het tien minuten gemiddelde van de grondharmonische stroomcomponent minder bedraagt dan 25% van de opgenomen stroom bij vollast van het betreffende type voertuig, 25% van de grondharmonische stroom bij vollast aangehouden wordt.
5. De complexe ingangsadmittantie heeft in alle bedrijfstoestanden een positief reëel deel voor frequenties boven 500 Hz conform bijlage C2.1 van EN50388:2012.
Artikel 22
De stroomafnemer is bij het opkomen binnen 10 seconden tot maximale hoogte opgeveerd.
Artikel 23
1. Spoorvoertuigen die gebruik maken van grensbaanvakken met België voldoen aan de onderzijde aan uitsparing voor Crocodile in overeenstemming met onderdeel 3.5 van EN 15273-2:2010, annex A. Het betreft hier het traject tussen het emplacement Roosendaal en de Belgische grens en het traject tussen emplacement Maastricht Randwijck en de Belgische grens.
2. Spoorvoertuigen die in Nederland uitsluitend gebruik maken van de hoofdspoorweg, genoemd in bijlage 1, punt 4, onder c, van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen, voldoen, in afwijking van de overige bepalingen in de paragrafen 2, 3 en 4 van deze regeling, aan de eisen in bijlage 10.
Artikel 24
1. Spoorvoertuigen die rijden op grensbaanvakken voorzien van energievoorziening met 15kV 16,7Hz AC voldoen aan de nationale bepalingen van Duitsland voor het toeleidende Duitse baanvak.
2. Spoorvoertuigen die rijden op grensbaanvakken voorzien van energievoorziening met 3kV DC voldoen aan de nationale bepalingen van België voor het toeleidende Belgische baanvak.
Paragraaf 5. Voertuigregister
Artikel 25
De aanvrager voor een inschrijving in het voertuigregister, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid, van de wet, voegt bij de aanvraag de gegevens, bedoeld in aanhangsel 4 van de bijlage behorende bij beschikking 2007/756/EG.
Artikel 25a
Het voertuigregister, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid, van de wet, bevat ten aanzien van het spoorvoertuig de gegevens, bedoeld in artikel 47, derde lid, van de interoperabiliteitsrichtlijn.
Artikel 25b
1. De minister draagt zorg voor het doorvoeren van wijzigingen in het voertuigregister, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid, van de wet.
2.
De minister schrapt of wijzigt de inschrijving van een spoorvoertuig:
a. a. op verzoek van de houder van het spoorvoertuig; b. b. indien het spoorvoertuig definitief buiten gebruik wordt gesteld; c. c. indien een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, van de wet is geschorst, ingetrokken of indien deze van rechtswege is vervallen; of d. d. indien informatie verkregen van het Europees Spoorwegbureau of uit andere lidstaten daartoe aanleiding geeft.
Paragraaf 6. Voertuigvergunning en typegoedkeuring
Artikel 26
1. Onverminderd het bepaalde in bijlage I bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/545, wordt bij de aanvraag voor een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, van de wet in ieder geval het gebruiksgebied van het spoorvoertuig, waarvoor een voertuigvergunning wordt aangevraagd, opgenomen.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van uitvoeringsverordening (EU) 2018/545, vermeldt een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, van de wet:
a. a. het gebruiksgebied van het spoorvoertuig; b. b. de waarden van de parameters in de toepasselijke TSI’s en, indien van toepassing in nationale voorschriften, om te controleren of het spoorvoertuig technisch compatibel is met het gebruiksgebied; c. c. de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de toepasselijke TSI’s en nationale voorschriften en met de daarin opgenomen parameters; en d. d. de voorwaarden voor en beperkingen aan het gebruik van het spoorvoertuig.
3. Een aanvraag voor een voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, tweede lid, van de wet wordt ingediend via het éénloketsysteem, bedoeld in artikel 12 van de spoorwegbureauverordening.
Artikel 27
1. Een verklaring van conformiteit met het type als bedoeld in artikel 26n van de wet voldoet qua structuur aan het model opgenomen in bijlage VI bij uitvoeringsverordening (EG) 2019/250.
2. Het onderzoek naar de overeenstemming van de productie van het spoorvoertuig waarvoor een voertuigvergunning is verleend, voldoet aan de toepasselijke modules uit de TSI’s.
3.
Indien TSI’s niet van toepassing zijn, kiest de fabrikant of zijn gemachtigde, voor het onderzoek naar de overeenstemming van het spoorvoertuig met een goedgekeurd type spoorvoertuig, voor de toepasselijke beoordelingsmodules, bedoeld in bijlage II van Besluit nr. 768/2008/EG:
a. a. Module B: EG-typeonderzoek en Module D: Conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces; b. b. Module B: EG-typeonderzoek en Module F: Conformiteit met het type op basis van productkeuring; of c. c. Module H1: Conformiteit van volledige kwaliteitsborging plus ontwerponderzoek.
Paragraaf 7. Gebruik van een spoorvoertuig op de hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 28
1. De spoorwegonderneming voert de controles, bedoeld in artikel 26p, onderdeel c, van de wet, uit met inachtneming van de voor de uitvoering van de controles relevante informatie, waaronder in elk geval de relevante informatie uit het infrastructuurregister, bedoeld in artikel 26bb van de wet, en de toepasselijke TSI’s.
2. De spoorwegonderneming voert de controles, bedoeld in artikel 26p, onderdeel d, van de wet, uit met inachtneming van het geldende veiligheidsbeheersysteem, bedoeld in artikel 23 van de Regeling interoperabiliteit en veiligheid spoorwegen, en de TSI Exploitatie en verkeersleiding.
Artikel 28a
1. Een spoorwegonderneming die van een hoofdspoorweg gebruik wil maken of gebruik wil laten maken voor het uitvoeren van een test als bedoeld in artikel 26r van de wet, doet daaraan voorafgaand melding aan de beheerder.
2. De beheerder kan naar aanleiding van de melding, bedoeld in het eerste lid, in het belang van een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg aanwijzingen geven.
3. De spoorwegonderneming is verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4. In afwijking van het eerste lid, beschikt een spoorwegonderneming die van een hoofdspoorweg in het hogesnelheidsspoorwegsysteem gebruik wil maken of gebruik wil laten maken voor het uitvoeren een test over een door haar ter zake opgesteld en door de beheerder goedgekeurd plan.
Paragraaf 8. Onderhoud van spoorvoertuigen
Artikel 28b
Het onderhoudssysteem, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, bevat de functies bedoeld in artikel 14, derde lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn.
Artikel 28c
1. Een met het onderhoud belaste entiteit als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet mag de functies, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen b, c en d van de spoorwegveiligheidsrichtlijn, of onderdelen daarvan, uitbesteden.
2. De met het onderhoud belaste entiteit draagt ervoor zorg dat de instantie waaraan een functie als bedoeld in het eerste lid is uitbesteed, de verplichtingen nakomt die op de met het onderhoud belaste entiteit rusten ten aanzien van die functie.
Artikel 28d
De minister verleent, op aanvraag, een ECM-certificaat aan de met het onderhoud belaste entiteit, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet, indien:
a. a. het onderhoudssysteem van de met het onderhoud belaste entiteit de veilige staat van het spoorvoertuig dat zij in onderhoud heeft, garandeert; b. b. de met het onderhoud belaste entiteit voldoet aan bijlage III bij de spoorwegveiligheidsrichtlijn en een toezichtsysteem heeft om te waarborgen dat te allen tijde wordt voldaan aan bijlage III; c. c. de eisen in bijlage III van uitvoeringsverordening (EU) 2019/779; d. d. voor zover van toepassing, de met het onderhoud belaste entiteit er zorg voor draagt dat een door de met het onderhoud belaste entiteit ingeschakeld onderhoudsbedrijf de voor het onderhoudsbedrijf relevante delen van bijlage III bij de spoorwegveiligheidsrichtlijn naleeft.
Artikel 28e
Een certificaat als bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de wet wordt verleend indien:
a. a. voor de functie van onderhoudsontwikkeling wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage III, onderdeel II, van uitvoeringsverordening (EU) 2019/779; b. b. voor de functie van beheer van de onderhoudsplanning wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage III, onderdeel III, van uitvoeringsverordening (EU) 2019/779; of c. c. voor de functie van uitvoering van het onderhoud wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in bijlage III, onderdeel IV, van uitvoeringsverordening (EU) 2019/779.
Paragraaf 8a. Handhaving uitvoeringsverordeningen
Artikel 28f
1. Met het toezicht op de naleving van uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 zijn belast de bij besluit van de minister daartoe aangewezen personen.
2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen die voortvloeien uit uitvoeringsverordening (EU) 2018/545.
Artikel 29
Vervallen
Paragraaf 9. Slotbepalingen
Artikel 30
De Regeling keuring spoorvoertuigen wordt ingetrokken.
Artikel 31
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 8 van de wet van 16 december 2010 tot wijziging van de Spoorwegwet, de Wet personenvervoer 2000 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van de richtlijnen 2007/58/EG, 2007/59/EG, 2008/57/EG en 2008/110/EG (Stb. 218) in werking treedt.
Artikel 32
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indienststelling spoorvoertuigen.
Bijlage 1. behorende bij
Bijlage 2. behorende bij
Het in een spoorvoertuig geïnstalleerd systeem van automatische treinbeïnvloeding dat behoort tot ERTMS/ETCS bevat een specifieke transmissiemodule die voldoet aan de onderstaande eisen.
Bijlage 3. behorende bij
Een spoorvoertuig, waarvoor TSI CR WAG, TSI Loc&Pas of TSI CCS niet geldt voldoet aan de nationale eisen in deze bijlage en aan de in de tabel opgenomen normen.Een eis geldt slechts voor een stuurstandrijtuig indien dat in de in deze bijlage opgenomen tabel uitdrukkelijk is vermeld.
Bijlage 4. behorende bij
Bijlage 5. behorende bij
Bijlage 6. behorende bij
Bijlage 7. behorende bij
¹ Indien aanwezig/beschikbaar.