40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis | BWBR0022841 | ministeriele-regeling | geldend | 2023-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0022841 | Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis |
Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*betaalde coördinatie:* het tegen betaling coördineren van de inzet van vrijwilligers die palliatieve terminale zorg in de thuissituatie verlenen;
– –
*bijna-thuis-huis:* organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers;
– –
*cliënt:* persoon die palliatieve terminale zorg door vrijwilligers ontvangt;
– –
*dienst van algemeen economisch belang:* een dienst als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
– –
*geestelijke verzorging thuis:* professionele begeleiding, hulpverlening en advisering bij zingeving en levensbeschouwing in de thuissituatie;
– –
*high care hospice:* organisatorisch verband dat strekt tot de verlening van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers en waar minimaal één verpleegkundige in vaste dienst is;
– –
*instelling:* een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld;
– –
*instellingssubsidie:* een op grond van deze regeling per boekjaar verstrekte subsidie in de kosten van structurele activiteiten van een instelling;
– –
*kind:* persoon die:
1°.
de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,
2°.
de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie de inzet van geestelijk verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar;
1°. 1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. 2°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie de inzet van geestelijk verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar; – –
*minister:* de minister voor Langdurige Zorg en Sport;
– –
*netwerk integrale kindzorg:* regionaal netwerk ter versterking van de onderlinge samenwerking tussen de bij de kinderpalliatieve zorg betrokken organisaties en professionals en de inzet van geestelijk verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders voor ernstig zieke kinderen en hun naasten;
– –
*netwerk palliatieve zorg:* netwerk ten behoeve van de versterking van de onderlinge samenwerking tussen de bij de palliatieve terminale zorg betrokken organisaties en personen;
– –
*netwerkregio:* de in bijlage 1 bij de desbetreffende instelling genoemde gemeenten;
– –
*palliatieve terminale zorg door vrijwilligers:* diensten die een vrijwilliger verleent aan een terminale hulpbehoevende in de vorm van vervangende mantelzorg;
– –
*referentieperiode:* het aantal aaneengesloten jaren dat de instelling tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt palliatieve terminale zorg door vrijwilligers heeft verleend, met dien verstande dat:
1°.
de referentieperiode niet meer dan 3 jaren bedraagt;
2°.
indien de zorg minder dan 1 jaar is verleend, de referentieperiode 1 jaar bedraagt;
1°. 1°. de referentieperiode niet meer dan 3 jaren bedraagt; 2°. 2°. indien de zorg minder dan 1 jaar is verleend, de referentieperiode 1 jaar bedraagt; – –
*regio voor geestelijke verzorging thuis:* de in bijlage 2 bij de desbetreffende instelling genoemde gemeenten;
– –
*rouw- en verliesbegeleiding thuis:* professionele begeleiding, hulpverlening en advisering bij verliesverwerking binnen de kinderpalliatieve zorg in de thuissituatie en bij kinderen met een palliatieve naaste;
– –
*vrijwilliger:* een persoon die palliatieve terminale zorg verleent voor een algemeen nut beogende instelling of een instelling die niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld, zonder daarvoor een marktconforme beloning als tegenprestatie te ontvangen;
– –
*zelfstandig opererende instelling:* een instelling die in de maatschappij als zelfstandige eenheid te herkennen is en een interne zelfstandige bedrijfsvoering heeft.
Artikel 1a
Deze regeling heeft tot doel het door middel van subsidieverstrekking:
a. a. stimuleren van de coördinatie, scholing en inzet van vrijwilligers bij het verlenen van palliatieve terminale zorg; b. b. creëren en onderhouden van een compleet, samenhangend en dekkend aanbod van palliatieve terminale zorg van verantwoorde kwaliteit in de regio door netwerken palliatieve zorg en netwerken integrale kindzorg; c. c. faciliteren van geestelijke verzorging thuis en rouw- en verliesbegeleiding thuis ten behoeve van palliatieve patiënten en hun naasten en geestelijke verzorging thuis voor mensen van 50 jaar en ouder.
Artikel 2
Deze regeling is van toepassing op het verstrekken van:
a. a. instellingssubsidies voor het verlenen van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers; b. b. instellingssubsidies voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg; c. c. instellingssubsidies voor de coördinatie van een netwerk integrale kindzorg; d. d. instellingssubsidies voor de geestelijke verzorging thuis en verlies- en rouwbegeleiding in een netwerkregio.
Artikel 3
1.
Een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers kan worden verstrekt indien de instelling die de palliatieve terminale zorg door vrijwilligers verleent:
a. a. geen zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet; dan wel b. b. zorg of een andere dienst verleent als bedoeld onder a, mits de instelling ten hoogste 20 verpleegkundigen, gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft; c. c. deel uitmaakt van een overkoepelende organisatie die zorg of een andere dienst verleent als bedoeld onder a, mits de overkoepelende organisatie:
1°.
ten hoogste 20 verpleegkundigen, gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft; of
2°.
meer dan 20 verpleegkundigen gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft en de instelling die palliatieve terminale zorg door vrijwilligers verleent zelfstandig opereert en ten hoogste 20 verpleegkundigen, gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft.
1°. 1°. ten hoogste 20 verpleegkundigen, gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft; of 2°. 2°. meer dan 20 verpleegkundigen gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft en de instelling die palliatieve terminale zorg door vrijwilligers verleent zelfstandig opereert en ten hoogste 20 verpleegkundigen, gerekend naar voltijds dienstverband in vaste dienst heeft.
2. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Een instellingssubsidie wordt voor de periode van een boekjaar verstrekt. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 4
1. De minister kan bij het verstrekken van een instellingssubsidie verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de instellingssubsidie, bedoeld in artikel 1a.
2. Rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verstrekking van de instellingssubsidie kunnen door de ontvanger van de instellingssubsidie uitsluitend na toestemming van de minister worden overgedragen.
Paragraaf 2. Palliatieve terminale zorg door vrijwilligers
Paragraaf 2.1. Instellingssubsidie
Artikel 5
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op de subsidies, bedoeld in paragraaf 2.
Artikel 5a
Vervallen
Artikel 6
De minister kan jaarlijks op aanvraag een instellingssubsidie verstrekken.
De instellingssubsidie bedraagt per cliënt ten hoogste:
a. a. voor het verlenen van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers in de thuissituatie, dan wel in een bijna-thuis-huis of high care hospice zonder betaalde coördinatie: € 722 en € 2.061 met betaalde coördinatie; b. b. aan een bijna-thuis-huis ten behoeve van het verlenen van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers in het bijna-thuis-huis: € 5.035; c. c. aan een high care hospice ten behoeve van het verlenen van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers in de high care hospice: € 3.526; d. d. voor het verlenen van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers aan personen die verblijven in een instelling die zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet: € 722.
Artikel 7
1. De instellingssubsidie wordt berekend door € 38.249.000, zijnde het subsidieplafond voor het jaar 2026, zodanig te verdelen onder de instellingen waaraan de instellingssubsidie wordt verstrekt dat elke instelling per cliënt hetzelfde percentage van het desbetreffende maximumbedrag, genoemd in artikel 6 ontvangt.
2. Bij de berekening van de instellingssubsidie wordt het aantal cliënten van de instelling bepaald door het gemiddeld aantal cliënten per jaar in de referentieperiode. Indien meerdere malen dezelfde palliatieve terminale zorg, bedoeld in artikel 6, is verleend aan een cliënt, wordt deze voor de bepaling van het aantal cliënten voor één cliënt gerekend.
3. In afwijking van het tweede lid telt een cliënt aan wie meerdere vormen van palliatieve terminale zorg, als bedoeld in artikel 6, is verleend, voor de bepaling van het aantal cliënten mee als één cliënt per vorm van palliatieve terminale zorg door vrijwilligers.
Artikel 7a
Vervallen
Paragraaf 2.2. Palliatieve terminale zorg in een bijna-thuis-huis
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Vervallen
Artikel 10a
Vervallen
Paragraaf 2.3. Palliatieve terminale zorg in een high care hospice
Artikel 11
Vervallen
Artikel 12
Vervallen
Artikel 13
Vervallen
Artikel 13a
Vervallen
Paragraaf 2.4. Aanvraag, vaststelling, betaling en verplichtingen
Artikel 14
1. De aanvraag van een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers wordt uiterlijk op 15 juli in het jaar voorafgaande aan het boekjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, ontvangen.
2. Een aanvraag die na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ontvangen, wordt afgewezen.
3. De aanvraag die na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ontvangen, wordt niet afgewezen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van de aanvraag in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding bedraagt ten hoogste vier weken.
Artikel 15
1. Voor de aanvraag tot vaststelling wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. een opgave van het totale aantal personen waaraan in de referentieperiode door de instelling palliatieve terminale zorg door vrijwilligers thuis, in een bijna-thuis-huis of in een high care hospice is verleend; b. b. een onderbouwde opgave van de gemiddelde verblijfsduur van een persoon in een bijna-thuis-huis of in een high care hospice; c. c. een beschrijving van de wijze waarop de instelling participeert in het netwerk palliatieve zorg in de betreffende netwerkregio, als bedoeld in artikel 18; d. d. een beschrijving van de wijze waarop de deskundigheid en inzet van vrijwilligers wordt bevorderd en gewaarborgd.
3. De aanvraag van een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers in de thuissituatie met betaalde coördinatie gaat vergezeld van de overeenkomst met de coördinator.
Artikel 16
1. De minister kan in het kader van de behandeling van de aanvraag van een instellingssubsidie van € 125.000 of meer verzoeken om een assurancerapport van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek inzake het aantal personen waaraan in de referentieperiode door de instelling vrijwillige palliatieve terminale zorg is verleend.
2. De aanvrager van een instellingssubsidie van minder dan € 125.000 werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit met betrekking tot het verstrekken van de subsidie.
Artikel 17
1. De minister geeft op de aanvraag van een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers binnen 13 weken na afloop van de aanvraagtermijn, genoemd in artikel 14, eerste lid een beschikking tot vaststelling van de instellingssubsidie.
2. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld.
Artikel 17a
1. De ontvanger van de instellingssubsidie blijft gedurende het gehele jaar waarvoor de instellingssubsidie is verstrekt in substantiële mate palliatieve terminale zorg door vrijwilligers verlenen en draagt gedurende het gehele jaar waarvoor de instellingssubsidie is verstrekt zorg voor de continuïteit van de voorzieningen voor het verlenen van de palliatieve terminale zorg door vrijwilligers die gemiddeld per jaar in de referentieperiode werd verstrekt.
2.
De subsidieontvanger meldt meteen aan de minister als:
a. a. het aannemelijk is dat niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan of b. b. zich andere omstandigheden zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.
3. De melding wordt schriftelijk gedaan. De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.
Artikel 18
De ontvanger van de instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers:
a. a. bevordert en waarborgt de deskundigheid en inzet van vrijwilligers om ondersteuning te bieden in de laatste levensfase; b. b. participeert in de netwerken palliatieve zorg van de netwerkregio's waarin door de instelling palliatieve terminale zorg door vrijwilligers wordt verleend.
Artikel 19
1. De minister betaalt een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers van € 25.000 of meer als volgt: in januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7%, oktober 8%, november 8% en december 7% van het voor het desbetreffende boekjaar vastgestelde subsidiebedrag.
2. De minister kan van het gestelde in het eerste lid op verzoek van de ontvanger van een instellingssubsidie afwijken.
3. De minister betaalt een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers van minder dan € 25.000 in één keer.
Artikel 20
De ontvanger van een instellingssubsidie voor palliatieve terminale zorg door vrijwilligers voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde het aantal personen waaraan palliatieve terminale zorg door vrijwilligers is verleend, kan worden nagegaan.
Paragraaf 2a. Eenmalige tegemoetkoming energiekosten
Artikel 20a
Vervallen
Artikel 20b
Vervallen
Paragraaf 3. Coördinatie netwerken palliatieve zorg en netwerken integrale kindzorg
Artikel 21
De minister kan jaarlijks aan een in bijlage 1 genoemde instelling op aanvraag een instellingssubsidie verstrekken voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg.
Artikel 22
1. De instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg bedraagt ten hoogste het in bijlage 1 bij de desbetreffende instelling en het desbetreffende jaar genoemde bedrag.
2. De minister kan het bedrag van de instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg bijstellen in geval van een wijziging van de netwerkregio of het netwerk integrale kindzorg.
3. De minister kan het bedrag van de instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg bijstellen, rekening houdend met de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden. Met het oog op deze bijstelling kan de minister bij de verlening van de instellingssubsidie bepalen welk deel van het subsidiebedrag daarvoor in aanmerking zal worden genomen.
4. Indien een instellingssubsidie met toepassing van het tweede of derde lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Artikel 23
1. De aanvraag tot verlening van een instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg wordt uiterlijk 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, ontvangen.
2. Voor de aanvraag tot verlening wordt een door de Minister vastgesteld formulier gebruikt.
3. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op een instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg of een netwerk integrale kindzorg.
5. Instellingssubsidies tot € 25.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel a, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
6. Instellingssubsidies van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
7. Instellingssubsidies vanaf € 125.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
8. In afwijking van artikel 8.7, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vormt de ontvanger van een instellingssubsidie van € 125.000 of meer geen egalisatiereserve.
Artikel 24
Vervallen
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
Vervallen
Artikel 28
De ontvanger van de instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk palliatieve zorg draagt er zorg voor dat:
a. a. de coördinatie alle gemeenten omvat, vermeld in bijlage 1 in de netwerkregio van de desbetreffende instelling; b. b. aan een netwerk palliatieve zorg de instellingen en personen deelnemen die beroepsmatig betrokken zijn bij het verlenen van palliatieve zorg in de netwerkregio; c. c. de coördinatie is gericht op een compleet, samenhangend en dekkend aanbod van palliatieve terminale zorg van verantwoorde kwaliteit in de netwerkregio.
Artikel 28a
De ontvanger van de instellingssubsidie voor de coördinatie van een netwerk integrale kindzorg draagt er zorg voor dat:
a. a. de coördinatie de regio omvat, vermeld in bijlage 1; b. b. aan een netwerk integrale kindzorg de instellingen en personen deelnemen die beroepsmatig betrokken zijn bij het verlenen van integrale kindzorg; c. c. de coördinatie is gericht op een compleet, samenhangend en dekkend aanbod van integrale kindzorg van verantwoorde kwaliteit in de regio van het netwerk integrale kindzorg.
Paragraaf 4. Geestelijke verzorging thuis en rouw- en verliesbegeleiding thuis
Artikel 29
1. De minister kan jaarlijks aan een in bijlage 2 genoemde instelling op aanvraag een instellingssubsidie verstrekken voor het in de regio voor geestelijke verzorging thuis zorgdragen voor de inzet van en de betaling aan geestelijk verzorgers en de daarmee samenhangende coördinerende activiteiten, ten behoeve van meerderjarige palliatieve patiënten en hun naasten en mensen van 50 jaar en ouder.
2. De minister kan jaarlijks aan een in bijlage 2 genoemde instelling op aanvraag een instellingssubsidie verstrekken voor het in de regio van een netwerk integrale kindzorg zorgdragen voor de inzet van en de betaling aan rouw- en verliesbegeleiders en geestelijk verzorgers en de daarmee samenhangende coördinerende activiteiten, ten behoeve van ernstig zieke kinderen en hun naasten en het zorgdragen voor de betaling aan rouw- en verliesbegeleiders ten behoeve van kinderen met een volwassen naaste die palliatieve patiënt is.
3. Het zorgdragen voor de inzet van en de betaling aan geestelijke verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt aangewezen als dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie.
Artikel 30
1. De instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers in de regio voor geestelijke verzorging thuis of de inzet van verlies- en rouwbegeleiders en geestelijk verzorgers thuis in de regio van een netwerk integrale kindzorg bedraagt ten hoogste het in bijlage 2 bij de desbetreffende instelling en het desbetreffende jaar genoemde bedrag.
2. De minister kan het bedrag van de instellingssubsidie bijstellen in geval van een wijziging van de netwerkregio of de regio van een netwerk integrale kindzorg.
3. De minister kan het bedrag van de instellingssubsidie bijstellen, rekening houdend met de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden. Met het oog op deze bijstelling kan de minister bij de verlening van de instellingssubsidie bepalen welk deel van het subsidiebedrag daarvoor in aanmerking zal worden genomen.
4. Indien een instellingssubsidie met toepassing van het tweede of derde lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Artikel 31
Van het bedrag, bedoeld in artikel 30, eerste lid, mag 22,7 procent per aanvragende organisatie worden ingezet voor de kosten die door de aanvragende organisatie zelf wordt gemaakt voor het opzetten en operationaliseren van de benodigde infrastructuur, zoals de uitvoeringskosten van facturering, voor het zorgdragen voor de inzet van geestelijk verzorgers en verlies- en rouwbegeleiders en voor de coördinerende activiteiten.
Artikel 32
1. De aanvraag tot verlening van een instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers of verlies- en rouwbegeleiders wordt uiterlijk 1 oktober in het jaar voorafgaande aan het boekjaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, ontvangen.
2. Voor de aanvraag tot verlening wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt, welke vergezeld gaat van een met de Staat gesloten overeenkomst waarbij de Staat de instelling belast met en haar verplicht tot het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang, bedoeld in artikel 29, derde lid.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring als bedoeld in artikel 6 van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352), een zogenoemde de-minimisverklaring, voor het deel van de subsidie dat ingezet wordt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 29, derde lid.
4. Artikel 17, tweede lid, en de artikelen 18 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op een instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers of verlies- en rouwbegeleiders in de netwerkregio’s.
6. Instellingssubsidies tot € 25.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel a, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
7. Instellingssubsidies van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel c, onder 2°, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
8. Instellingssubsidies vanaf € 125.000 worden verstrekt als subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel d, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
9. In afwijking van artikel 8.7, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vormt de ontvanger van een instellingssubsidie van € 125.000 of meer geen egalisatiereserve.
Artikel 33
1. De ontvanger van de instellingssubsidie voor de inzet van geestelijke verzorgers in de netwerkregio draagt er zorg voor dat uitsluitend geestelijke verzorgers die bekwaam en bevoegd zijn, worden ingeschakeld voor verlening van consulten in de thuissituatie meerderjarige palliatieve patiënten en hun naasten en mensen van 50 jaar en ouder met een zingevingsvraag, alsook voor de bijscholing van andere zorgverleners en vrijwilligers en, waar dat meerwaarde heeft, voor het meedraaien in overlegvormen in de eerste lijn. Bekwaam en bevoegd zijn geestelijk verzorgers die ingeschreven zijn in het register van Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers (SKGV).
2. Voor de ontvanger van de instellingssubsidie voor de inzet van verlies- en rouwbegeleiders en geestelijk verzorgers in de regio van een netwerk integrale kindzorg gelden de kwaliteitseisen van Stichting Kenniscentrum Kinderpalliatieve Zorg.
Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 34
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 35
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Artikel 36
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis.