40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling parameters pensioenfondsen | BWBR0020899 | ministeriele-regeling | geldend | 2007-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0020899 | Regeling parameters pensioenfondsen |
Regeling parameters pensioenfondsen
Artikel 1
Een pensioenfonds of beroepspensioenfonds gaat voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 126, 128, 138, 140 en 143 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 121, 123, 133, 135 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, uit van:
a. a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het loon- en prijsindexcijfer van 3%, respectievelijk 2%; b. b. een maximaal verwacht rendement op vastrentende waarden na aftrek van beleggingskosten van 4,5%; c. c. maximale risicopremies voor aandelen, onroerend goed en grondstoffen, te onderscheiden in de volgende categorieën:
1º.
voor aandelen ontwikkelde markten: een rekenkundig gemiddelde van 4,5% of een meetkundig gemiddelde van 3%;
2º.
voor niet-beursgenoteerde aandelen: een rekenkundig gemiddelde van 5% of een meetkundig gemiddelde van 3,5%;
3º.
voor aandelen opkomende markten: een rekenkundig gemiddelde van 5,5% of een meetkundig gemiddelde van 4%; en
4º.
voor onroerend goed en voor grondstoffen: een rekenkundig gemiddelde van 3,5% of een meetkundig gemiddelde van 2%; en
d.
de toekomstige rentetermijnstructuur voor de disconteringsvoet in de continuïteitsanalyse. De toekomstige rentetermijnstructuur kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen waarbij het fonds vanaf jaar t + 5 van die toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De Nederlandsche Bank kan afwijken.
1º. 1º. voor aandelen ontwikkelde markten: een rekenkundig gemiddelde van 4,5% of een meetkundig gemiddelde van 3%; 2º. 2º. voor niet-beursgenoteerde aandelen: een rekenkundig gemiddelde van 5% of een meetkundig gemiddelde van 3,5%; 3º. 3º. voor aandelen opkomende markten: een rekenkundig gemiddelde van 5,5% of een meetkundig gemiddelde van 4%; en 4º. 4º. voor onroerend goed en voor grondstoffen: een rekenkundig gemiddelde van 3,5% of een meetkundig gemiddelde van 2%; en d. d. de toekomstige rentetermijnstructuur voor de disconteringsvoet in de continuïteitsanalyse. De toekomstige rentetermijnstructuur kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen waarbij het fonds vanaf jaar t + 5 van die toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De Nederlandsche Bank kan afwijken.
Artikel 2
Een pensioenfonds of beroepspensioenfonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken van hetgeen is bepaald in artikel 1 indien de actuele marktomstandigheden of de specifieke karakteristieken van het fonds dat noodzakelijk maken.
Artikel 3
Pensioenfondsen of beroepspensioenfondsen die op het moment dat deze regeling in werking treedt, de premies voor het jaar 2007 hebben vastgesteld, onder toepassing van de Nota Hoofdlijnen FTK (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 4) en de Nota Uitwerking FTK (Kamerstukken II 2004/05, 28 294, nr. 11) voldoen voor het jaar 2007 aan artikel 128 van de Pensioenwet dan wel artikel 123 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 4
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2007 en vervalt met ingang van 1 januari 2010.
Artikel 5
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling parameters pensioenfondsen.