rijk/ministeriele-regeling/regeling-particuliere-beveiligingsorganisaties-en-recherchebureaus/BWBR0010256
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus BWBR0010256 ministeriele-regeling geldend 2013-06-03 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010256 Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • de minister: de Minster van Veiligheid en Justitie;

  • de wet: de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

  • de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

  • de commandant: de commandant van de Koninklijke marechaussee;

  • een horecabedrijf: een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet, of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca, of een bordeel, uitgezonderd logiesverstrekkende ondernemingen, voor zover het logiesverstrekking betreft;

  • de aanvraag: de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van EU-beroepskwalificaties, bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;

  • de aanvrager: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanvraag indient;

  • een gereglementeerd beroep: een beroep waarvoor ingevolge artikel 8 of artikel 10 van de wet opleidingseisen worden gesteld;

  • een compenserende maatregel of een maatregel: een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid;

  • de stagiair: de migrerende beroepsbeoefenaar die een aanpassingsstage volgt;

  • Justis: de Justitiële Uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening;

  • de dienstverrichter: de dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; j. j.

        *verordening:* Verordening (EU) Nr. 1214/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende professioneel grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg tussen lidstaten van de eurozone (PbEU 2011, L 316).
    

2. Overige in deze regeling voorkomende begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet.

Artikel 2

De wijze van acquisitie en promotie door een beveiligingsorganisatie en een recherchebureau, alsmede het optreden naar buiten, de presentatie en de uitvoering van de werkzaamheden, zijn niet in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak.

Artikel 3

1. De opzet en de inrichting van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau zijn zodanig dat regelmatige, continue en volledige uitoefening van de beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden waartoe de organisatie of het bureau zich heeft verbonden, is gewaarborgd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder d, van de wet.

Artikel 4

Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau treft maatregelen om te voorkomen dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.

Paragraaf 2. Opleidingseisen

Artikel 5

1. Een beveiligingsorganisatie belast uitsluitend een persoon met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld diploma Beveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

2. De verplichting in het eerste lid geldt niet voor een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen van af de dag dat de betrokkene voor het eerst bij een particuliere beveiligingsorganisatie met beveiligingswerkzaamheden wordt belast, indien betrokkene door middel van een verklaring van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties kan aantonen dat hij de praktijkopleiding voor het diploma Beveiliger volgt.

3. Op de uitvoering van de praktijkopleiding wordt toezicht uitgeoefend door de Stichting eX:plain. Leerbedrijven zijn aan de Stichting eX:plain een bedrag verschuldigd voor de uitoefening van dit toezicht. De hoogte van dit bedrag wordt jaarlijks door de Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging (SFPB) vastgesteld, na overleg met de Stichting eX:plain.

4.

De in het tweede lid genoemde periode van maximaal 12 maanden wordt niet onderbroken of verlengd. In afwijking hiervan kan de korpschef de periode van 12 maanden

a. a. onderbreken; b. b. eenmalig met maximaal 12 maanden verlengen voor aspiranten die beschikken over het certificaat Beveiliger B.

Aan de onderbreking of verlenging kunnen voorwaarden worden verbonden.

5. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de betrokkene is geboren vóór 1 december 1937 en van 1 december 1980 tot en met 30 november 1982 onafgebroken werkzaam is geweest bij een op grond van de wet toegelaten beveiligingsorganisatie.

6.

Als gelijkwaardig aan het diploma bedoeld in het eerste lid worden erkend:

a. a. het Vakdiploma Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Unie van Beveiligings- en Bewakingspersoneel (UBB); b. b. het Vakdiploma Bedrijfsbeveiliging en Bewakingsdienst van de Nederlandse Bond van Onbezoldigd opsporingsambtenaren en Bewakingspersoneel (NBOB); c. c. de diploma's Beveiligingsbeambte B, C en D van de Leidse Onderwijs Instellingen, behaald voor 1 februari 1986; d. d. het diploma Beveiliging en Bewaking van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 februari 1986; e. e. het Vakdiploma Basiscursus Marine Bewakingskorps tezamen met het diploma van het Marine Bewakingskorps voor onbezoldigd ambtenaar van het Korps Rijkspolitie, beide behaald voor 1 februari 1986; f. f. het Certificaat Begincursus voor de bedrijfsbewaking, afgegeven door de Stichting Vervoer- en Havenopleidingen te Rotterdam, behaald voor 1 februari 1986; g. g. het Basisdiploma Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, behaald voor 1 januari 1998; h. h. het Ecabodiploma leerlingwezen Algemeen Beveiligingsmedewerker; i. i. het IVOB-diploma A en B; j. j. het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties / de Stichting Ecabo. k. k. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als beveiliger.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6

Artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing op personen in dienst van een bestuursorgaan, die in de uitoefening van hun functie beveiligingswerkzaamheden verrichten.

Artikel 7

In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon met beveiligingswerkzaamheden belasten ten behoeve van een horecabedrijf, indien deze in het bezit is van een op naam gesteld diploma horecaportier van de Stichting Vakbekwaamheid Horeca of van het Horeca Branche Instituut, dan wel van de Stichting Nationaal Onderwijscentrum van de Bedrijfstak Horeca, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als horecaportier.

Artikel 7a

1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie een persoon belasten met beveiligingswerkzaamheden bij een evenement indien deze in het bezit is van het certificaat Event Security Officer van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere beveiligingsorganisaties of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als evenementenbeveiliger.

2. Het bepaalde in artikel 5, tweede en vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.

3. Onder beveiligingswerkzaamheden bij een evenement worden mede de beveiligingswerkzaamheden genoemd in artikel 8 verstaan.

Artikel 8

1.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan een beveiligingsorganisatie een persoon die niet beschikt over het in artikel 7a, eerste lid, genoemde certificaat met beveiligingswerkzaamheden belasten bij voetbalwedstrijden in het betaald voetbal als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. a. hij is aangesteld bij een vereniging in het betaald voetbal; b. b. hij is in het bezit van een op zijn naam gesteld certificaat Voetbalsteward afgegeven door de directeur betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, dan wel een erkenning als beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor werkzaamheden als voetbalsteward; c. c. het betreft beveiligingswerkzaamheden kort voor, tijdens of kort na de wedstrijd van de voetbalorganisatie, in en rond het stadion waar de wedstrijden, bedoeld in de aanhef, plaatsvinden.

2.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan een beveiligingsorganisatie een persoon die niet beschikt over het in artikel 7a, eerste lid, genoemde certificaat met beveiligingswerkzaamheden belasten bij voetbalwedstrijden in het amateurvoetbal als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. a. hij is aangesteld bij een vereniging in de top- of hoofdklasse van het amateurvoetbal; b. b. hij is in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat Voetbalsteward afgegeven door de directeur amateurvoetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, dan wel een erkenning als beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor werkzaamheden als voetbalsteward; c. c. het betreft beveiligingswerkzaamheden kort voor, tijdens of kort na de wedstrijd van de voetbalorganisatie, in en rond het stadion waar de wedstrijden, bedoeld in de aanhef, plaatsvinden.

Artikel 9

1. Onverminderd artikel 5, eerste lid, van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat persoonsbeveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties (SVPB) dan wel het diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie persoonsbeveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als ongeüniformeerd persoonsbeveiliger.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen belast met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van grootwinkel- of detailhandelbedrijven.

3. Onverminderd artikel 5, eerste lid, van deze regeling, belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een persoon ongeüniformeerd met beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van grootwinkel- of detailhandelbedrijven, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld certificaat winkelsurveillance van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een diploma Beveiligingsmedewerker, differentiatie winkelsurveillant van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties, dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als ongeüniformeerd winkelsurveillant.

4. Als gelijkwaardig aan het diploma in het eerste lid en het derde lid wordt erkend het Vakdiploma Beveiliging van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

5. Als gelijkwaardig aan het diploma in het derde lid wordt erkend het Certificaat Detailhandel van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

Artikel 10

1. Een recherchebureau belast uitsluitend een persoon met recherchewerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op naam gesteld diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

2. Als gelijkwaardig aan het diploma, bedoeld in het eerste lid, worden erkend een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als particulier rechercheur.

3. Het eerste lid geldt niet voor een periode van maximaal 12 maanden, te rekenen vanaf de dag dat de betrokkene voor het eerst bij een particulier recherchebureau dat beschikt over een keurmerk van de Nederlandse Veiligheidsbranche of van de Branchevereniging voor Particuliere Onderzoeksbureaus van de Nederlandse Veiligheidsbranche met recherchewerkzaamheden wordt belast, indien betrokkene door middel van een verklaring van de opleidende instelling kan aantonen dat hij in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, de opleiding voor het diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties volgt.

4. De in het derde lid genoemde periode van maximaal 12 maanden wordt op geen enkele wijze onderbroken, verlengd of geschorst.

Artikel 11

1. Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, aan welke een vergunning is verleend, laat het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de alarmapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door alarminstallateurs die in het bezit zijn van een diploma dat de instemming heeft van de minister.

2.

Instemming als bedoeld in het eerste lid hebben:

a. a. het diploma Monteur Beveiligingssystemen (MBV); b. b. het diploma Technicus Beveiligingsinstallaties (TBV); c. c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarminstallateur.

Artikel 11a

1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van deze regeling, kan een beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet een persoon belasten met beveiligingswerkzaamheden als alarmcentralist indien deze in het bezit is van het certificaat Basisopleiding Centralist Alarmcentrale van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarmcentralist.

2. Het bepaalde in artikel 5, tweede en vierde lid, van deze regeling, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11b

1. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, van de wet laat, indien het een organisatie betreft die in de uitoefening van beroep of bedrijf ten behoeve van derden in een centraal meldpunt, de door videoapparatuur verzonden beelden ontvangt en beoordeelt en zo nodig assistentie vraagt aan de politie, andere overheidsinstanties of particulieren, het plan voor de installatie, de installatie en het onderhoud van de videoapparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door installateurs en personen die aan installateurs assistentie verlenen, die in het bezit zijn van een diploma dat de instemming heeft van de minister.

2.

Instemming als bedoeld in het eerste lid hebben:

a. a. het diploma Projecteringsdeskundige CCTV/VSS; b. b. het diploma Installatiedeskundige CCTV/VSS; c. c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, voor werkzaamheden als alarminstallateur.

3. Het bepaalde in de artikelen 11a, 20 en 22 is van overeenkomstige toepassing op een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid.

4. De minister kan besluiten de eis van het overleggen van een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, eenmalig voor een periode van ten hoogste acht maanden buiten toepassing te laten.

5. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid laat het plan voor installatie, de installatie en het onderhoud van de apparatuur die hij gebruikt, slechts opstellen dan wel uitvoeren door installateurs en personen die aan installateurs assistentie verlenen, die beschikken over een verklaring van betrouwbaarheid. Zij verleent uitsluitend diensten aan derden die deze werkzaamheden eveneens slechts laten verrichten door installateurs die aan de genoemde voorwaarden voldoen.

6. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid maakt van videoapparatuur die behoort tot een categorie waarvoor Onze Minister regels heeft gesteld, uitsluitend gebruik indien deze overeenkomstig die regels is goedgekeurd. Zij verleent alleen diensten aan derden die eveneens aan deze voorwaarde voldoen.

7. Een beveiligingsorganisatie als bedoeld in het eerste lid draagt zorg dat zij over documenten beschikt betreffende de door haar en derden gebruikte apparatuur, waarmee aangetoond kan worden dat zij aan het eerste, vijfde en zesde lid voldoet.

8. De verklaring van betrouwbaarheid, bedoeld in het vijfde lid, wordt afgegeven door de korpschef, dan wel, indien de desbetreffende persoon niet woonachtig is in Nederland, de korpschef, de commandant van de Koninklijke marechaussee of Onze Minister, die ingevolge artikel 7, tweede of derde lid, van de wet aan een beveiligingsorganisatie waarvoor de installateur gaat werken toestemming kan geven.

9. De verklaring van betrouwbaarheid, bedoeld in het vijfde lid, kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de verklaring niet zou zijn afgegeven, indien deze zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de verklaring werd afgegeven.

10. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een verklaring van betrouwbaarheid als bedoeld in het vijfde lid.

Paragraaf 3. Uniformen

Artikel 12

1. Het uniform, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, is voorzien van een embleem, overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling vastgestelde model, op de wijze zoals in genoemde bijlage is omschreven.

2. De korpschef of, indien een beveiligingsorganisatie werkzaamheden verricht op een luchtvaartterrein en dan uitsluitend voor dat luchtvaartterrein, de commandant kan aan een beveiligingsorganisatie ontheffing verlenen van de verplichting tot het dragen van een uniform indien dit gelet op de aard van de werkzaamheden gewenst is en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten. De korpschef of de commandant kan aan de ontheffing voorschriften verbinden betreffende de instructie van het betrokken personeel.

Paragraaf 4. Legitimatiebewijzen

Artikel 13

1. Het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 9, achtste lid, van de wet, komt overeen met het in bijlage 2 bij deze regeling vastgestelde model en de in die bijlage aangeduide kleur. Indien het legitimatiebewijs wordt afgegeven door de commandant, wordt de in het model vervatte aanduiding van de korpschef als afgever van het legitimatiebewijs overeenkomstig aangepast.

2. Het legitimatiebewijs bevat een verklaring waaruit de toestemming van de korpschef, de commandant of de minister, bedoeld in artikel 7, tweede of derde lid, van de wet, blijkt.

3. Het legitimatiebewijs, bedoeld in het eerste lid, kan een aantekening bevatten waaruit blijkt dat het de betrokkene slechts is toegestaan de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligings- dan wel recherchewerkzaamheden te verrichten.

4. Het legitimatiebewijs wordt afgegeven door de korpschef of de commandant die de toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, heeft verleend. Indien de in artikel 7, derde lid van de wet, bedoelde toestemming is verleend, geeft de korpschef het legitimatiebewijs af.

5. Wanneer de houder van een legitimatiebewijs de dienst heeft verlaten of wanneer de geldigheidsduur van het bewijs is verstreken, wordt het legitimatiebewijs ingenomen door de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau en ter vernietiging aangeboden aan de korpschef of de commandant.

6.

De particuliere beveiligingsorganisatie of het recherchebureau houdt een voor de politie toegankelijk systeem bij dat de volgende gegevens met betrekking tot de legitimatiebewijzen bevat:

nummers van de bewijzen; namen, voornamen, geboortedata en functies van de houders; data waarop de geldigheid van de bewijzen verstrijkt; en data van inlevering van de bewijzen bij de korpschef of de commandant.

Paragraaf 5. Instructie van en controle op het personeel

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Paragraaf 6. Verslaglegging

Artikel 16

Vervallen

Paragraaf 7. Uitrusting

Artikel 17

1. Een beveiligingsorganisatie kan bij de uitvoering van beveiligingswerkzaamheden gebruik maken van een hond, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Gebruik maken van een hond is slechts toegestaan indien uit een verklaring, afgegeven door een instantie die de toestemming heeft van de minister, blijkt dat deze hond geschikt is om als surveillancehond of objectbewakingshond te worden ingezet.

2. De hondengeleider is bij de uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden in het bezit van een verklaring, afgegeven door een instantie die de toestemming heeft van de minister, waaruit blijkt dat de geleider en de hond een, voor het verrichten van de werkzaamheden, geschikte combinatie vormen.

3.

Toestemming als bedoeld in het eerste en tweede lid hebben in ieder geval:

a. a. de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging; b. b. de Nederlandse Bond voor de Diensthond.

4. De hond staat tijdens de uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden onder direkt toezicht van de geleider.

5. De hondengeleider verleent desgevraagd inzage in de verklaringen als bedoeld in het eerste en tweede lid, aan de personen die met het toezicht op de naleving van de wet zijn belast, alsmede aan de korpschef of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, bij de commandant van de Koninklijke marechaussee.

6. Met de verklaringen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gelijkgesteld verklaringen van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaringen zijn afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

Paragraaf 8. Behandeling van klachten

Artikel 18

1.

Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau stelt een klachtenregeling vast. De klachtenregeling bevat ten minste gegevens over:

a. a. bij wie de klacht moet worden ingediend; b. b. de minimale eisen waaraan een klaagschrift moet voldoen; c. c. de termijn waarbinnen een klacht kan worden ingediend; d. d. de te volgen procedure voor de behandeling van de klacht; e. e. de termijn waarbinnen de klacht wordt afgehandeld.

2. Een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau brengt een kopie van een ingediende klacht ter kennis van de minister.

3. Aan de indiening en behandeling van een klacht worden geen kosten verbonden.

Paragraaf 9. Afstemming met politie

Artikel 19

1. Een beveiligingsorganisatie draagt zorg voor een goede afstemming van de beveiligingswerkzaamheden met de politie of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, met de commandant.

2. Een beveiligingsorganisatie stelt voordat de beveiligingswerkzaamheden worden verricht de korpschef of, indien de beveiligingswerkzaamheden worden verricht op een luchtvaartterrein, de commandant door middel van een aanmeldingsformulier, overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regeling vastgestelde model, op de hoogte van de aard, omvang en duur van de werkzaamheden.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op beveiligingsorganisaties die werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet.

Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor particuliere alarmcentrales

Artikel 20

1. Een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van de wet, is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en overlegt aan de minister een geldig en passend certificaat dat is afgegeven door een certificerende instantie die is geaccrediteerd door een erkende instantie als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93.

2.

Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt afgegeven op basis van:

a. a. het CCV Certificatieschema Particuliere Alarmcentrales; of b. b. een schema dat de normenreeks EN 50518 en de volgende normen bevat:

        i.
        dat een klachtenregeling is vastgesteld als bedoeld in artikel 18;
      
      
        ii.
        dat wordt voldaan aan de in de artikelen 11 en 11a gestelde eisen aan de opleiding en de kwalificaties van de alarminstallateurs en alarmcentralisten;
      
      
        iii.
        dat is voorzien in de randvoorwaarden om te kunnen voldoen aan de in artikel 19 gestelde eisen aan de afstemming met de politie;
      
      
        iv.
        dat het databeheer en de ruimte van het databeheer voldoet aan de toepasselijke onderdelen van de managementsysteemstandaarden ISO 27001; en
      
      
        v.
        dat de alarmcentralisten de Nederlandse taal beheersen op ten minste het niveau B2 van de Common European Framework of Reference for Languages en bekend zijn met de voor de taakuitvoering toepasselijke Nederlandse regelgeving de infrastructuur van organisaties die actie ondernemen op de alarmsignalen.

i. i. dat een klachtenregeling is vastgesteld als bedoeld in artikel 18; ii. ii. dat wordt voldaan aan de in de artikelen 11 en 11a gestelde eisen aan de opleiding en de kwalificaties van de alarminstallateurs en alarmcentralisten; iii. iii. dat is voorzien in de randvoorwaarden om te kunnen voldoen aan de in artikel 19 gestelde eisen aan de afstemming met de politie; iv. iv. dat het databeheer en de ruimte van het databeheer voldoet aan de toepasselijke onderdelen van de managementsysteemstandaarden ISO 27001; en v. v. dat de alarmcentralisten de Nederlandse taal beheersen op ten minste het niveau B2 van de Common European Framework of Reference for Languages en bekend zijn met de voor de taakuitvoering toepasselijke Nederlandse regelgeving de infrastructuur van organisaties die actie ondernemen op de alarmsignalen.

3. De minister kan besluiten de eis van het overleggen van een certificaat als bedoeld in het eerste lid eenmalig voor een periode van ten hoogste zes maanden buiten toepassing te laten.

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Zodra door een beveiligingsorganisatie die werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 3, onder b, van de wet, een aanvang wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden stelt deze beveiligingsorganisatie de korpschef of, indien de objecten die door de alarmcentrale worden beveiligd zich bevinden op een luchtvaartterrein, de commandant,op de hoogte van:

a. a. de aanvang en de beëindiging van een overeenkomst met een abonnee die strekt tot een aansluiting op de particuliere alarmcentrale van alarm-apparatuur, en voorzover de korpschef daarom schriftelijk verzoekt tevens van: b. b. de aard en situering van het object, de in- en uitgangen en het beveiligd gebied met haar afzonderlijke zones; c. c. de soorten alarm waarvoor assistentie kan worden gevraagd (inbraak, overval, brand); d. d. de naam en het adres van de persoon die de alarmapparatuur heeft geïnstalleerd of zorgdraagt voor het onderhoud; e. e. het sleuteladres; f. f. de instantie of persoon die na het doorgeven van een alarm binnen 15 minuten bij het pand aanwezig zal zijn.

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor geld- en waardetransporten

Artikel 23

1. De wijze waarop de werkzaamheden door een particulier geld- en waardetransportbedrijf worden verricht, alsmede het door een particulier geld- en waardetransport gebruikte materieel voldoen aan de in bijlage 5 bij deze regeling gestelde eisen.

2. Van het bepaalde in het eerste lid kan door de minister ontheffing worden verleend.

Paragraaf 11a. Bijzondere bepalingen voor recherchebureaus

Artikel 23a

Een recherchebureau stelt een (privacy)gedragscode vast, identiek aan het in bijlage 6 bij deze regeling vastgestelde model, en leeft de code na.

Paragraaf 11b. Bijzondere bepalingen voor erkenning EU-beroepskwalificaties

Artikel 23b

1. De aanvraag om erkenning van de EU-beroepskwalificaties wordt ingediend bij Justis.

2.

De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

a. a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; b. b. een kopie van de bekwaamheidsattesten of van de opleidingstitels waarop de aanvrager zich beroept; c. c. een schriftelijk bewijs van de beroepservaring, indien de aanvrager over beroepservaring beschikt; d. d. een verklaring omtrent gedrag afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst, of een met die verklaring overeenkomend document als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, met dien verstande dat de verklaring of het document ten tijde van de indiening van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.

3.

Indien de Minister een eerdere aanvraag heeft afgewezen en hierbij een mededeling, bedoeld in artikel 23g, derde lid, heeft gedaan, gaat de aanvraag tevens vergezeld van:

a. a. een verklaring, bedoeld in artikel 23h, vierde lid, of b. b. een verklaring, bedoeld in artikel 23i, tweede lid.

4.

De Minister kan verlangen dat de aanvrager nadere informatie verstrekt over:

a. a. de aard, de inhoud en de duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, en b. b. de beroepservaring van de aanvrager.

5. De Minister kan verlangen dat de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, en vierde lid, die zijn gesteld in een andere dan de Nederlandse taal, vergezeld gaan van vertalingen in de Nederlandse taal, en dat deze vertalingen zijn opgesteld door een beëdigd tolk of vertaler.

Artikel 23c

1. Justis deelt de aanvrager zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk een maand na ontvangst, schriftelijk mee dat de aanvraag is ontvangen.

2. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 23b, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een maand aan te vullen. De Minister kan deze termijn verlengen.

3. De mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt zo mogelijk gedaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid.

4.

De Minister beslist op de aanvraag:

a. a. binnen drie maanden nadat de aanvrager heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 23b, of b. b. onverwijld na het ongebruikt verstrijken van de termijn die is gesteld voor het aanvullen van de aanvraag.

5. De Minister kan de termijn, bedoeld in het vierde lid onder a, met een maand verlengen.

Artikel 23d

De beroepskwalificaties worden erkend indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

Artikel 23e

1. Indien de Minister van oordeel is dat de beroepskwalificaties niet kunnen worden erkend, deelt hij de aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk mee dat hij voornemens is de aanvraag af te wijzen.

2. Het voornemen is met redenen omkleed.

3. Indien de Minister voornemens is de aanvraag af te wijzen wegens wezenlijke verschillen, maar hij van mening is dat een met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan leiden tot overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee tot een te honoreren nieuwe aanvraag, zal de Minister hier in het voornemen een mededeling over doen.

4. Indien de minister voornemens is de aanvraag af te wijzen, maar hij van mening is dat op grond van artikel 12 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gedeeltelijk toegang moet worden verleend tot het gereglementeerd beroep, doet de minister hier in het voornemen een mededeling over.

5. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen binnen een maand na verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid. De Minister kan deze termijn verlengen.

6. Indien het voornemen een mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat, vermeldt de aanvrager in zijn zienswijze of hij bereid is tot het volbrengen van een compenserende maatregel, en zo ja, of hij dit wil doen door het volgen van een aanpassingsstage dan wel het afleggen van een proeve van bekwaamheid.

7. Indien de aanvrager in zijn zienswijze aangeeft een aanpassingsstage te willen volgen, geeft hij in die zienswijze tevens aan bij welke beveiligingsorganisatie, welk recherchebureau of welk alarminstallatiebedrijf de aanpassingsstage zal worden gevolgd, alsmede welke gekwalificeerde beroepsbeoefenaar hem daarbij zal begeleiden.

Artikel 23f

De Minister maakt niet ambtshalve gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, tot aanhouding van de aanvraag als een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid vereist wordt.

Artikel 23g

1. De aanvraag wordt afgewezen indien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de aanvrager ook niet op grond van de artikelen 7 tot en met 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor erkenning in aanmerking komt.

2. De afwijzing is met redenen omkleed.

3. Indien de Minister de aanvraag afwijst wegens wezenlijke verschillen, maar hij van mening is dat een met goed gevolg volbrachte compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan leiden tot overbrugging van de wezenlijke verschillen, en daarmee tot een te honoreren nieuwe aanvraag, deelt hij in de afwijzing mee welke maatregel kan leiden tot compensatie van de tekortschietende beroepskwalificaties.

4. Ten aanzien van de compenserende maatregel komt de keuze tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid toe aan de aanvrager, behoudens de gevallen genoemd in artikel 11, vijfde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

5. Indien de minister de aanvraag afwijst, maar op grond van artikel 12 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties gedeeltelijk toegang moet worden verleend tot het gereglementeerd beroep, deelt hij in de afwijzing mee welke beroepswerkzaamheden de aanvrager onder welke voorwaarden gerechtigd is uit te oefenen.

Artikel 23h

1. Het bedrijf, bedoeld in artikel 23e, zevende lid, kan een stagiair met werkzaamheden belasten zonder dat deze in het bezit is van een in hoofdstuk 2 genoemd diploma of een erkenning van EU-beroepskwalificaties, indien de stagiair beschikt over een mededeling, bedoeld in 23g, derde lid, met vermelding van het betrokken bedrijf.

2. De duur van de aanpassingsstage bedraagt ten hoogste twaalf maanden.

3. De aanvrager mag meer aanpassingsstages volgen, met dien verstande dat de gezamenlijke duur van de aanpassingsstages ten hoogste twaalf maanden bedraagt.

4. Na afronding van de aanpassingsstage zendt het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke verklaring aan de stagiair.

5. De verklaring, bedoeld in het vierde lid, wordt binnen twee weken na afronding van de aanpassingsstage verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de aanpassingsstage is vervuld.

Artikel 23i

1. De proeve van bekwaamheid wordt afgelegd in de Nederlandse taal bij een door de Minister aangewezen instantie.

2. Na het afleggen van de proeve van bekwaamheid zendt de instantie, bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke verklaring aan de aanvrager.

3. De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt binnen twee weken na het afleggen van de proeve van bekwaamheid verzonden, en bevat een oordeel over de wijze waarop de aanvrager de proeve van bekwaamheid heeft afgelegd.

4. De aanvrager mag meer proeven van bekwaamheid afleggen.

Paragraaf 11c. Bijzondere bepalingen voor tijdelijke en incidentele dienstverrichters

Artikel 23j

Een dienstverrichter worden geen beperkingen wegens beroepskwalificaties opgelegd indien de dienstverrichter voorafgaand aan de eerste dienstverrichting in Nederland een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet EU-beroepskwalificaties doet toekomen aan Justis, met informatie over welk gereglementeerd beroep op welke tijdelijke of incidentele wijze zal worden verricht en:

a. a. het beroep, het onderwijs of de opleiding die leidt tot de toegang tot of uitoefening van het beroep in de betrokken staat van vestiging is gereglementeerd; of b. b. het beroep of de opleiding die leidt tot toegang of uitoefening van het beroep in de betrokken staat van vestiging is niet gereglementeerd en de migrerende beroepsbeoefenaar heeft het beroep tijdens de tien jaar voorafgaand aan de dienstverrichting in Nederland gedurende ten minste één jaar, of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds, uitgeoefend in de betrokken staat van vestiging.

Artikel 23k

1. De verklaring, genoemd in artikel 23j, kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds na een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in Nederland tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten.

2.

De verklaring gaat vergezeld van de volgende documenten, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteit van de betrokken staat:

a. a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, genoemd in artikel 23, derde lid onder a, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; b. b. een attest dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere betrokken staat dan Nederland is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen, en dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van het attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd; c. c. een bewijs dat de dienstverrichter nooit strafrechtelijk is veroordeeld.

3. Indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten, genoemd in het tweede lid, gestaafde situatie, maakt de dienstverrichter daarvan binnen een maand melding bij Justis, onder overlegging van documenten waaruit die nieuwe situatie blijkt.

Paragraaf 11d. Bijzondere bepalingen voor grensoverschrijdend transport van eurocontanten

Artikel 23l

De vervoersregelingen die worden genoemd in de artikelen 17, 18 en 20 van de verordening zijn op Nederlands grondgebied toegestaan.

Artikel 23m

De eisen die gelden voor het medisch attest, bedoeld in artikel 6a van de wet, zijn de volgende:

    1. Leden van het bewakingspersoneel van grensoverschrijdend transport van eurocontanten beschikken over een verklaring van medische geschiktheid.
    1. De verklaring van geschiktheid wordt afgegeven door een gecertificeerde Arbodienst of een geregistreerde bedrijfsarts.
    1. De leden, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 bedoelde eisen van lichamelijke en geestelijke gesteldheid, voor zover deze betrekking hebben op de in artikel 1, aanhef en onder b, van die regeling genoemde categorieën van rijbewijzen.
    1. De vragen die tijdens de medische keuring ten aanzien van de gezondheid mogen worden gesteld, alsmede de medische onderzoeken die mogen worden verricht, zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.

Artikel 23n

De korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, is de autoriteit, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet.

Artikel 23o

1. Als initiatieopleiding beschikken de leden van het bewakingspersoneel over het diploma Beveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties.

2. Naast de in het eerste lid genoemde initiatieopleiding dienen de leden van het bewakingspersoneel een aanvullende opleidingsmodule volledig te volgen en te voltooien. Deze module omvat tenminste de in bijlage VI bij de verordening opgesomde opleidingsonderdelen.

Paragraaf 12. Vergoeding van kosten

Artikel 24

1.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de wet, bedraagt voor:

het verlenen en verlengen van een vergunning: € 600,.

Deze kosten worden voldaan aan de minister.

2.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, bedraagt voor:

de afgifte van een legitimatiebewijs: € 26,.

Deze kosten worden voldaan aan de korpschef of de commandant, die op grond van artikel 13, tweede lid, van deze regeling bevoegd is tot het afgeven van het legitimatiebewijs.

3.

De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de wet, bedraagt voor:

  • het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet: € 92,.
  • het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de wet: € 60,.

Deze kosten worden voldaan aan de korpschef, commandant of de minister die op grond van artikel 7, eerste, tweede of derde lid, van de wet bevoegd is tot het verlenen van toestemming.

4. Indien een beveiligingsorganisatie of recherchebureau is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en de beroepseisen waaraan in het land van vestiging reeds is voldaan aanleiding geven tot een vereenvoudigde procedure, worden in afwijking van het eerste en derde lid, slechts de kosten vergoed die voortvloeien uit die vereenvoudigde procedure.

5. De vergoeding van kosten wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig het voor de maand december van het voorgaande jaar vastgestelde percentage voor de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling bij de overheid. Het basisbedrag wordt rekenkundig afgerond op euros.

Paragraaf 13. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 25

1. Artikel 6 van deze regeling, is niet van toepassing op personen die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet in dienst zijn van een bestuursorgaan en in de uitoefening van hun functie beveiligingswerkzaamheden verrichten.

2. Vervallen.

3. Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 26

1. Artikel 10 van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet te werk zijn gesteld door een recherchebureau.

2. Vervallen.

3. Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 27

1. Artikel 11, eerste lid, van deze regeling, is niet van toepassing indien het personen betreft die zijn geboren vóór 1 april 1944 en op het moment van inwerkingtreding van de wet als alarminstallateur werkzaam zijn.

2. Vervallen.

3. Het tweede lid vervalt op 1 april 2004.

Artikel 28

Een legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 13 dat voor 1 mei 2014 is afgegeven, blijft geldig tot de datum die daarop is vermeld, doch uiterlijk tot 1 mei 2017.

Artikel 28a

Vervallen

Artikel 29

Met het in deze regeling bedoelde materieel wordt gelijk gesteld materieel, dat rechtmatig is geproduceerd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is geproduceerd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en dat ten minste aan gelijkwaardige technische eisen voldoet.

Artikel 29a

Deze regeling is mede gebaseerd artikel 33 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

Artikel 30

De Regeling particuliere beveiligingsorganisaties (Stcrt.1997, 237) wordt ingetrokken.

Artikel 31

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 32

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Bijlage 1. Embleem uniform (

Bijlage 1A. Embleem uniform (art. 12 RPB)

[afbeelding]

Bijlage 2. Model legitimatiebewijs (

Bijlage 2A

Legitimatiebewijs met grijze bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, eerste lid van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2B

Legitimatiebewijs met groene bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die beveiligingswerkzaamheden verricht en voldoet aan de eisen van artikel 5, tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2C

Legitimatiebewijs met blauwe bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die de op het legitimatiebewijs omschreven beveiligingswerkzaamheden mag verrichten voor een organisatie met een beperking.

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2D

Legitimatiebewijs met gele bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor een persoon die particuliere recherchewerkzaamheden mag verrichten en voldoet aan de eisen van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2E

Model met oranje bovenbalk, voor en achterzijde, bestemd voor voetbalstewards in betaald en amateurvoetbal.

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 3. wordt niet gepubliceerd

Vervallen

Bijlage 4. Aanmeldingsformulier beveiligingswerkzaamheden (

Naam + adres beveiligingsorganisatie:

Vergunning nummer:

Vergunning geldig tot:

Contactpersoon :

Telefoonnummer :

Betreft:

Met ingang van d.d. .........verricht bovenstaande organisatie

bij onderstaand bedrijf/object:

naam bedrijf/ object:

adres :

plaats :

^* Omcirkelen wat van toepassing is.

z.o.z.

De omvang van de werkzaamheden is:

...........................

...........................

...........................

...........................

Bijlage 5 wordt niet gepubliceerd.

Bijlage 5

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Bijlage 6. (Privacy)gedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus van de vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties (als bedoeld in

Bijlage 7. bij Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Het onderzoek bestaat uit een gesprek over de algemene gezondheid, oogonderzoek, bloeddruk- en polsmeting, urine- of bloedsuikertest, alsmede een oriënterend lichamelijk/psychisch onderzoek.