rijk/ministeriele-regeling/regeling-praktijkleren-en-groene-plus/BWBR0029252
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling praktijkleren en Groene plus BWBR0029252 ministeriele-regeling geldend 2013-11-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0029252 Regeling praktijkleren en Groene plus

Regeling praktijkleren en Groene plus

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *Minister:* Minister van Economische Zaken;

b. b.

    *afdeling:* afdeling Landbouw en natuurlijke omgeving als bedoeld in artikel 10c van de Wet op het voortgezet onderwijs, verbonden aan een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs;

c. c.

    *agrarisch opleidingscentrum:* instelling als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. d.

    *hogeschool:* instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die onderwijs verzorgt op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, met uitzondering van Wageningen Universiteit;

e. e.

    *instelling:* school in de zin van artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, instelling in de zin van artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of instelling in de zin van artikel 1.1, onderdeel f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

f. f.

    *Aequor:* het Kenniscentrum Beroepsonderwijs  Bedrijfsleven Aequor;

g. g.

    *organisatie:* een organisatie die de belangen behartigt van instellingen bedoeld onder b, c dan wel d en die voor deze instellingen als penvoerder kan optreden voor activiteiten in het kader van het onderwijsbeleid;

h. h.

    *Groene Tafel:* de instellingen, bedoeld in onderdeel b, c, d en Wageningen Universiteit en Research centrum die samenwerken met het oog op de verspreiding van kennis en op innovatie door het groen onderwijs, en die daarover afspraken maken met de Minister;

i. i.

    *praktijkleren:* onderwijsleeractiviteiten en toetsen in het kader van examens binnen door de Minister bekostigde opleidingen, die plaatsvinden binnen daartoe specifiek ingerichte situaties buiten de instelling waar de praktijk van het beroep wordt gesimuleerd en waar gerichte instructie in, oefening van en beoordeling van praktijkvaardigheden plaatsvinden;

j. j.

    *voorziening voor praktijkleren:* situatie die specifiek buiten een instelling is ingericht voor praktijkleren;

k. k.

    *implementatie van vernieuwing op het vlak van kennisverspreiding:* de implementatie van vernieuwingen die voortkomen uit jaarlijkse afspraken tussen de Minister en de instellingen over de stimulering van kennisontsluiting, -verspreiding en -benutting binnen het beleidsterrein van de Minister;

l. l.

    *professionalisering van leerkrachten:* vernieuwingen die de professionalisering beogen van aan de instelling ten dienste van het door de Minister bekostigd beroepsonderwijs verbonden leerkrachten;

m. m.

    *internationalisering groen onderwijs:* vernieuwingen die de oriëntatie van beroepsopleidingen en de daaraan verbonden deelnemers en studenten op internationale ontwikkelingen en de internationale mobiliteit van deelnemers en studenten beogen, volgens jaarlijkse afspraken hierover tussen de Minister en de Groene kenniscoöperatie;

n. n.

    *onderwijsbeleid:* het beleid van de Minister gericht op behoud en versterking van de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs, voorzover de Minister daarover afspraken maakt met de instellingen dan wel één of meer organisaties;

o. o.

    *primaire opleidingen:* opleidingen voor beroepen en ondernemerschap in de landbouw, tuinbouw en veeteelt en voor beroepen die dienstverlenend zijn aan de uitoefening van de landbouw, tuinbouw en veeteelt, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

p. p.

    *groene opleidingsschool:* partnerschap tussen Stoas Hogeschool en instellingen en afdelingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren voor een groot gedeelte van hun tijd op de werkplek opleiden;

q. q.

    *NVAO:* Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

r. r.

    *schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend.

s. s.

    *organisatie van het bedrijfsleven:* organisatie die de belangen behartigt van het bedrijfsleven in de sectoren landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, waaronder in de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen;

t. t.

    *landelijke agenda:* de landelijke agenda, bedoeld in artikel 17;

u. u.

    *meerjarig investeringsprogramma:* het programma, bedoeld in artikel 18;

v. v.

    door verlettering vervallen;

w. w.

    *vernieuwingsopgaven:* opgaven, waarvan de onderwijsinstellingen, verenigd in de Groene Tafel hebben besloten die gezamenlijk uit te voeren;

x. x.

    *Strategische ontwikkelagenda:* de agenda van de Groene Tafel waarin de vernieuwingsopgaven, bedoeld in onderdeel w, staan;

y. y.

    *penvoerder:* een instelling, onderdeel van de Groene Tafel, die activiteiten verricht in verband met uitvoering van de Strategische ontwikkelingsagenda en die bij deze regeling wordt aangewezen als subsidieontvanger.

Paragraaf 2. Aanvullende bijdragen voor praktijkleren en groene impuls

Artikel 2

1. De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van praktijkleren.

2. De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3

1. De minister stelt aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen en Wageningen universiteit voor het jaar 2014 en voor het jaar 2015 aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van de inzet van de instelling op de uitvoering van één of meer themas en de daaraan verbonden actielijnen in de landelijke agenda.

2. Indien middelen uit de aanvullende bijdrage worden ingezet binnen arrangementen met één of meer bedrijven of organisaties dient een samenwerkingsovereenkomst of daaraan gelijk te stellen verbintenis te worden aangegaan, waarin de deelname van alle partners in het arrangement is vastgelegd.

3. De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3a

Vervallen

Artikel 4

1.

De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, bedragen:

a. a. voor de afdelingen voor het jaar 2010 € 290.000,, voor het jaar 2011 € 420.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 600.000,; b. b. voor de agrarische opleidingscentra jaarlijks € 8.500.000,; c. c. voor de hogescholen voor het jaar 2010 € 2.180.000,, voor het jaar 2011 € 2.340.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 2.500.000,; d. d. voor Wageningen Universiteit voor het jaar 2010 € 200.000,, voor het jaar 2011 € 280.000, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 460.000,; e. e. voor de Universiteit Utrecht, voor wat betreft de faculteit diergeneeskunde, voor het jaar 2010 € 22.500,, voor het jaar 2011 € 45.000,, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 75.000,.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.

Artikel 5

De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 3, bedragen:

a. a. voor de afdelingen voor het jaar 2014 € 178.752, en voor het jaar 2015 € 437.682,; b. b. voor de agrarische opleidingscentra voor het jaar 2014 € 5.924.848, en voor het jaar 2015 € 9.364.918,; c. c. voor de hogescholen voor het jaar 2014 € 5.082.160 en voor het jaar 2015 € 7.301.560,; d. d. voor Wageningen universiteit voor het jaar 2014 € 170.240, en voor het jaar 2015 € 416.840,.

Artikel 5a

Vervallen

Artikel 6

1. De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als aanvullende bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten specifiek ten behoeve van deze afdeling. De aanvullende bijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen in het derde en het vierde leerjaar van de afdeling op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waarbij de leerlingen worden meegeteld die ingeschreven waren in een aan de afdeling verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 als bedoeld in het Experimenteerbesluit VM2.

2. De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen het bedrag, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, jaarlijks gezamenlijk als één bedrag. Dit bedrag wordt beschikbaar gesteld door uitbetaling aan het Van Lodestein College te Amersfoort, dat als penvoerder voor de gezamenlijke afdelingen optreedt.

Artikel 7

De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 3, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van de artikelen 2.2.2 en 2.2.3 van dit besluit.

Artikel 8

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 3, jaarlijks als onderwijsopslag, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, artikel 5, onderdeel c, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit.

Artikel 9

Wageningen Universiteit ontvangt de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 3, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d en artikel 5, onderdeel d.

Artikel 10

De Universiteit Utrecht ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e.

Paragraaf 3. Aanvullende bijdragen voor de primaire opleidingen

Artikel 11

1. De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de hogescholen een aanvullende bijdrage ter beschikking voor de exploitatie van primaire opleidingen en voor praktijkleren in het kader van deze opleidingen.

2. De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdrage, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 12

1. De aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, bedraagt voor het jaar 2012 en verdere jaren € 1.000.000,.

2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met de helft van het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, jaarlijks als onderwijsopslag. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van het aantal bekostigde inschrijvingen, als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit, waarbij alleen studenten aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.

Paragraaf 4. Verplichtingen voor de ontvanger van aanvullende bijdragen

Artikel 15

1. De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht die de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, 3, en 11, ontvangt, besteedt die bijdragen uitsluitend ten behoeve van het doel, genoemd in die artikelen. De organisaties, bedoeld in de eerste volzin, besteden de aanvullende bijdragen niet aan activiteiten waardoor zij als onderneming als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kunnen worden aangemerkt.

2. De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool en Wageningen universiteit die voor het jaar 2014 en voor het jaar 2015 de middelen, bedoeld in artikel 3, ontvangt, besteedt die bijdragen niet dan nadat de minister het meerjarig investeringsprogramma van de instelling heeft goedgekeurd.

Artikel 16

1. De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht verantwoorden de bestemming en besteding van de aanvullende bijdragen, gespecificeerd naar het doel, bedoeld in de artikelen 2, 3, en 11, in en bij de jaarrekening. De Minister kan nadere aanwijzingen geven voor deze verantwoording.

2. Indien een deel van de ontvangen aanvullende bijdrage in enig jaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in de artikelen 2, 3 of 11, dan mag dit deel binnen dat doel worden besteed in navolgende jaren.

3. Voor de verantwoording van de bestemming en besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, en 11, kan de Minister een model voorschrijven.

Paragraaf 5. Landelijke agenda en meerjarig investeringsprogramma

Artikel 17

1. De landelijke agenda bepaalt de themas en de daaraan verbonden actielijnen waarop de instellingen inspanningen zullen leveren met inzet van ten minste de middelen verkregen op basis van artikel 3.

2.

De landelijke agenda omvat de volgende themas en actielijnen:

a. a. versterking van de kennisinfrastructuur met nieuwe diensten voor bedrijven en organisaties, binnen en aanvullend op het initieel onderwijs, door te investeren in de organisatorische voorwaarden voor dienstverlening aan bedrijven en organisaties, waaronder de professionalisering van leerkrachten. Dit thema bestaat uit de actielijnen:

        1°.
        vernieuwing van opleidingen, in aansluiting op de binnenlandse vraag vanuit bedrijven en organisaties of de internationale vraag op ondermeer het gebied van voedselzekerheid;
      
      
        2°.
        groene kennis voor burgers of jeugd;
      
      
        3°.
        kennistoepassing door organisaties;

1°. 1°. vernieuwing van opleidingen, in aansluiting op de binnenlandse vraag vanuit bedrijven en organisaties of de internationale vraag op ondermeer het gebied van voedselzekerheid; 2°. 2°. groene kennis voor burgers of jeugd; 3°. 3°. kennistoepassing door organisaties; b. b. versterking van de doelmatigheid en effectiviteit van het opleidingenaanbod. Dit thema bestaat uit de actielijnen:

        1°.
        Het aangaan van samenwerkingsverbanden met dit doel met andere instellingen;
      
      
        2°.
        door twee of meer instellingen in samenwerking onderhouden teams van vakdocenten, die bij één van deze instellingen in dienst zijn, maar bij de samenwerkende instellingen onderwijsactiviteiten kunnen uitvoeren; het betreft alleen de kosten, niet zijnde personeelskosten;

1°. 1°. Het aangaan van samenwerkingsverbanden met dit doel met andere instellingen; 2°. 2°. door twee of meer instellingen in samenwerking onderhouden teams van vakdocenten, die bij één van deze instellingen in dienst zijn, maar bij de samenwerkende instellingen onderwijsactiviteiten kunnen uitvoeren; het betreft alleen de kosten, niet zijnde personeelskosten; c. c. versterking van authentiek leren in samenwerking met bedrijfsleven en organisaties, in het bijzonder in relatie tot de Human Capital Agenda van de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en tot de sector Natuur en leefomgeving. Dit thema bestaat uit de actielijnen:

        1°.
        de inzet van innovatieve bedrijven en organisaties die als leeromgeving worden benut voor de uitvoering van onderwijsactiviteiten, niet zijnde praktijkleren;
      
      
        2°.
        de inhuur van specifieke deskundigheid vanuit bedrijven voor de ontwikkeling en uitvoering van onderwijsactiviteiten;

1°. 1°. de inzet van innovatieve bedrijven en organisaties die als leeromgeving worden benut voor de uitvoering van onderwijsactiviteiten, niet zijnde praktijkleren; 2°. 2°. de inhuur van specifieke deskundigheid vanuit bedrijven voor de ontwikkeling en uitvoering van onderwijsactiviteiten; d. d. de inhoudelijke vernieuwing van opleidingen. Dit thema bestaat uit de actielijnen:

        1°.
        Groene groei voor een sterke, duurzame economie;
      
      
        2°.
        de themas vastgesteld in de innovatieagendas van de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en binnen de sector Natuur en leefomgeving;
      
      
        3°.
        de agenda Bèta en techniek/techniekpact;
      
      
        4°.
        Capacitybuilding voedselzekerheid.

1°. 1°. Groene groei voor een sterke, duurzame economie; 2°. 2°. de themas vastgesteld in de innovatieagendas van de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en binnen de sector Natuur en leefomgeving; 3°. 3°. de agenda Bèta en techniek/techniekpact; 4°. 4°. Capacitybuilding voedselzekerheid.

Artikel 18

1. Het meerjarig investeringsprogramma is een uitvoeringsprogramma van de afdelingen gezamenlijk en van ieder agrarisch opleidingscentrum of iedere hogeschool afzonderlijk, waarin de keuze van de instelling uit en de inzet van de instelling op de themas en actielijnen in de landelijke agenda is opgenomen.

2. Het meerjarig investeringsprogramma van Wageningen universiteit is een uitvoeringsprogramma waarin de inzet van de middelen en het beoogde effect daarvan op de versterking en ondersteuning van vernieuwingsprocessen binnen de groene kenniskolom wordt geschetst.

3.

Per thema en actielijn, bedoeld in het eerste lid, bevat het meerjarig investeringsprogramma een beknopte beschrijving van:

a. a. het doel van de inzet van de instelling; b. b. de beoogde activiteiten met het oog op dit doel; c. c. de beoogde uitkomsten van deze activiteiten aan het einde van de programmeringsperiode; d. d. bij iedere van de uitkomsten genoemd onder c, ten minste één indicator die zal worden gemeten om te bepalen of de uitkomst is bereikt; e. e. waar van toepassing de samenwerking bij de uitvoering van deze activiteiten met een andere instelling of instellingen, een bedrijf of bedrijven en eventuele andere organisaties; f. f. een globale begroting bij de beoogde activiteiten, welke de financiering met middelen uit de rijksbijdrage van de instelling, uit de aanvullende bijdragen op grond van deze regeling, uit bijdragen van derden zoals bedrijven en andere organisaties en uit eventuele andere subsidies inzichtelijk maakt; g. g. per activiteit een indicatie van de behoefte aan landelijke ondersteuning;

4. Bij het meerjarig investeringsprogramma voegt de instelling een procesverantwoording over de totstandkoming van het meerjarig investeringsprogramma, waarin wordt aangegeven hoe bedrijven en organisaties zijn betrokken bij de totstandkoming van het meerjarig investeringsprogramma en hoe in voorkomende gevallen in samenwerking met bedrijven en organisaties tekorten op de regionale arbeidsmarkt door activiteiten in dit meerjarig investeringsprogramma worden overbrugd.

5. Voor het meerjarig investeringsprogramma wordt het model gebruikt dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

6. Het meerjarig investeringsprogramma wordt ter goedkeuring aan de minister gezonden voor 1 december 2013. Een nader herzien programma kan door de instelling voor 1 december 2014 ter goedkeuring aan de minister worden gezonden.

7. Goedkeuring van het meerjarig investeringsprogramma, bedoeld in artikel 15, tweede lid, vindt niet plaats indien dit programma niet in overeenstemming is met dit artikel.

8. De minister beslist uiterlijk op 20 december 2013 over het meerjarig investeringsprogramma, en uiterlijk op 19 december 2014 over een eventueel nader herzien meerjarig investeringsprogramma.

Artikel 19

Vervallen

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 21a

Vervallen

Artikel 21b

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Paragraaf 6. Subsidies voor de implementatie van onderwijsbeleid

Artikel 27

1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een afdeling, een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool, een onderzoeksinstelling, Aequor, Wageningen Universiteit, de Dienst Landbouwkundig Onderzoek, een penvoerder en de Stichting Ontwikkelcentrum voor activiteiten in verband met de implementatie van zijn onderwijsbeleid.

2. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een organisatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, voor gezamenlijke activiteiten in verband met de implementatie van zijn onderwijsbeleid.

3. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een organisatie van het bedrijfsleven voor activiteiten in verband met de implementatie van zijn beleid, voor zover dit de verbetering van de aansluiting tussen de vraag naar en het aanbod van postinitiële niet bekostigde opleidingen betreft.

Artikel 28

1.

De minister kan jaarlijks, waar van toepassing met inachtneming van de landelijke agenda en waar voorkomend afspraken met de organisaties of de instellingen, het volgende bekend maken:

a. a. de activiteiten en het doel van deze activiteiten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd; b. b. de onderzoeksinstellingen die een aanvraag kunnen indienen zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid; c. c. het subsidieplafond per activiteit of groep van activiteiten, en d. d. eventuele nadere voorwaarden voor de aanvrager.

2. De Minister kan in het besluit, bedoeld in het eerste lid, activiteiten opnemen waarvoor reeds eerder bij beschikking subsidie is verleend. Deze activiteiten worden verder beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 27. De artikelen 29 tot en met 33 zijn niet van toepassing op deze activiteiten.

3.

De subsidiabele kosten zijn:

a. a. de kosten van het in te zetten personeel van de aanvrager. Indien de aanvrager een organisatie is, zijn alleen de kosten van personeel dat specifiek ten dienste van de uitvoering van de aangevraagde activiteit wordt ingezet subsidiabel; b. b. de kosten voor de inhuur van ondersteuningsinstellingen, bedrijven en onderzoeksinstellingen die noodzakelijk zijn voor het doel en de aard van de aangevraagde activiteit; c. c. de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de regeling, tot een maximum van € 2.500,, en d. d. materiële kosten die noodzakelijk zijn gezien het doel en de aard van de aangevraagde activiteit.

Artikel 29

Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 27 kunnen worden ingediend voor het jaar 2013 tussen 1 juni en 1 juli 2013 en voor de jaren 2014 en 2015 tot 1 april van elk jaar. De minister kan om dwingende redenen toestaan dat een aanvraag na deze periode wordt gedaan.

Artikel 30

1. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt ingediend bij de Minister door middel van een formulier dat door de Minister ter beschikking wordt gesteld.

2.

De aanvraag omvat tenminste de volgende onderdelen:

a. a. het soort activiteit, zoals bedoeld in artikel 28, waarvoor subsidie wordt gevraagd; b. b. het doel van deze activiteit, zoals bedoeld in artikel 28; c. c. de aansluiting op de themas in de Landelijke agenda en, indien de aanvrager een instelling is, op de in het meerjarig investeringsprogramma voorgestelde inzet op deze themas en waar van toepassing op de afspraken met een organisatie; d. d. een plan voor de uitvoering van de beoogde activiteit, waaronder begrepen een tijdpad; e. e. indien de uitvoering geschiedt door meer dan één partij: de beoogde samenwerking bij de uitvoering van de activiteit en de rol van iedere partij in deze samenwerking; f. f. de beoogde uitkomsten van de activiteit; g. g. bij iedere van deze uitkomsten één of meer indicatoren die zullen worden gemeten om te bepalen of de uitkomst is bereikt; h. h. een begroting van de uitvoering, waaruit de subsidiabele kosten, het gevraagde subsidiebedrag en de eigen bijdrage van de aanvrager, en in voorkomende gevallen de eigen bijdragen van de partijen in de samenwerking, blijken.

Artikel 31

1. De minister beslist binnen acht weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 29, op de aanvragen op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 28 en artikel 30, tweede lid, en van de kwaliteit van de aanvraag. De minister kan om dwingende redenen afwijken van deze termijn.

2. De minister beslist niet over de aanvraag van een instelling dan nadat hij het meerjarig investeringsprogramma van deze instelling heeft goedgekeurd.

3. Indien een aanvraag voor een activiteit of groep van activiteiten het subsidieplafond, bedoeld in artikel 28, eerste lid, overschrijdt kan de Minister besluiten deze aanvraag niet te honoreren dan wel het subsidiebedrag van de aanvraag te verlagen.

4. Indien voor een activiteit of groep van activiteiten meerdere aanvragen zijn ingediend en het aangevraagd subsidiebedrag van deze aanvragen het subsidieplafond, bedoeld in artikel 28, eerste lid, overschrijdt rangschikt de Minister de aanvragen die naar zijn oordeel voldoen aan de voorwaarden in artikel 28 en artikel 30, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naar mate deze het doel van de betreffende activiteit of groep van activiteiten beter realiseert, meer aansluit op de themas uit de landelijke agenda en de kwaliteit van de aanvraag naar het oordeel van de Minister beter is. De Minister wijst op basis van deze rangschikking één of meer aanvragen af, dan wel verlaagt het aangevraagd subsidiebedrag van één of meer aanvragen, zodanig dat de resterende aanvragen binnen het subsidieplafond kunnen worden goedgekeurd.

Artikel 32

1. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

2. Het verleende subsidiebedrag mag door de subsidieontvanger worden besteed gedurende een periode van één of meerdere jaren. Deze periode wordt in de beschikking bepaald op basis van het jaar of de jaren waarvoor in de begroting, bedoeld in artikel 30, tweede lid onder h, uitgaven zijn voorzien.

3. De Minister verstrekt bij goedkeuring van de aanvraag een eerste voorschot op de subsidie van tenminste 20% en ten hoogste 80% van het te verstrekken subsidiebedrag. Indien het voorschot minder is dan 80% worden volgende voorschotten verstrekt op basis van een aanvraag, vergezeld van een korte voortgangsrapportage en een overzicht van de liquiditeitsbehoefte. Aanvragen kunnen worden gedaan gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid. Indien aan het eind van deze periode de activiteit nog niet overeenkomstig de aanvraag is voltooid, kan de aanvrager een gemotiveerd en onderbouwd verzoek tot verlenging van de periode en verdere voorschotverstrekking indienen.

4. Het totaal aan voorschotten is ten hoogste 80% van het te verstrekken subsidiebedrag.

5. In afwijking van het tweede tot en met vierde lid, wordt een subsidiebedrag dat in het jaar 2015 is verleend uitsluitend in dat jaar besteed, worden alle voorschotten in dat jaar verstrekt en is het totaal aan voorschotten 100% van het te verstrekken subsidiebedrag.

Artikel 32a

1. De minister kan op aanvraag goedkeuring verlenen aan een tussentijdse, gemotiveerde en onderbouwde wijziging van het activiteitenplan van een subsidie die is verleend op basis van artikel 27 van deze regeling, artikel 17 van deze regeling zoals deze gold op 31 december 2012 of van de regeling Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs, mits dit past binnen het doel van de subsidie.

2. Een verzoek tot wijziging kan alleen worden gedaan zolang de verstrekte voorschotten minder dan 80% van het verleende subsidiebedrag bedragen.

3. Het verzoek mag niet leiden tot verhoging van het verleende subsidiebedrag.

4. Indien het gaat om een aanvraag gedaan in samenwerking met één of meer instellingen en, onderscheidenlijk of, één of meer andere partijen wordt het verzoek tot wijziging mede ondertekend door ieder van deze instellingen of partijen.

Artikel 33

1. De ontvanger van de subsidie dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 32, tweede lid, bij de Minister de aanvraag in voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een activiteitenverslag.

2. Indien de ontvanger een instelling is neemt hij de bestemming en besteding van de subsidie tevens op in de jaarrekening, gespecificeerd naar het doel waarvoor deze is verstrekt.

3.

het activiteitenverslag, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste:

a. a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering; b. b. de mate waarin het doel, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel b, is gehaald; c. c. de mate van realisatie van de uitkomsten, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, op basis van de indicatoren, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel g; d. d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het bereiken van de afspraken, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel c.

4. Indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 125.000, gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van een accountantsverklaring.

5. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.

6. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.

Paragraaf 7. Doorlopende subsidies voor implementatie van onderwijsbeleid

Artikel 34

1.

De Minister verleent in ieder van de jaren 2014 en 2015 een subsidiebedrag van € 500.000 aan de Aeresgroep, als penvoerder voor de ondersteuning van Groene Tafel, voor:

a. a. het ontwikkelen, vaststellen en onderhouden van de Strategische Ontwikkelagenda van de Groene Tafel; b. b. de afstemming van de Strategische Ontwikkelagenda met het bedrijfsleven in de sector Landbouw, Natuurlijke omgeving en Voedsel; c. c. het op basis van de Strategische Ontwikkelagenda afstemmen van de werkplannen, bedoeld in de artikelen 34a, derde lid, 34b, derde lid, 35a, derde lid en 35c, derde lid; d. d. het monitoren van de uitvoering van de werkplannen, bedoeld in de artikelen 34a, derde lid, 34b, derde lid, 35a, derde lid en 35c, derde lid; e. e. het adviseren over de resultaten van de uitvoering van de werkplannen, bedoeld in de artikelen 34a, derde lid, 34b, derde lid, 35a, derde lid en 35c, derde lid.

2. De subsidieverlening geschiedt na goedkeuring door de Minister van het werkplan voor de Groene Tafel en de bijbehorende begroting.

3. Het werkplan voor de Groene Tafel bevat een uitwerking van de taken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 34a

1. De Minister verleent in het jaar 2015 aan Wageningen Universiteit, als penvoerder voor Groen Kennisnet, ten hoogste € 3.275.000, subsidie te besteden in de periode van 2015 tot eind 2017 voor de exploitatie en verdere ontwikkeling van Groen Kennisnet.

2. De subsidieverlening geschiedt na goedkeuring door de Minister van het werkplan voor Groen Kennisnet en de begroting daarbij.

3. Het werkplan bevat een uitwerking van de taken, bedoeld in het eerste lid en wordt opgesteld in afstemming met de Groene Tafel op grond van de Strategische Ontwikkelagenda. De resultaten van deze afstemming staan in het werkplan.

Artikel 34b

1. De Minister verleent in het jaar 2014 ten hoogste € 250.000, subsidie, en in het jaar 2015 ten hoogste € 2.000.000, subsidie te besteden in de periode van 2015 tot eind 2017, aan Hogeschool Inholland, als penvoerder voor onderwijsvernieuwingsprogrammas, voor het onderhoud en de verdere ontwikkeling van onderwijsvernieuwingsprogrammas.

2. De subsidieverlening geschiedt na goedkeuring van de Minister van het werkplan voor de onderwijsvernieuwingsprogrammas en de begroting daarbij.

3. Het werkplan bevat een uitwerking van de taken, als bedoeld in het eerste lid en wordt opgesteld in afstemming met de Groene Tafel op grond van de Strategische Ontwikkelagenda. De resultaten van deze afstemming zijn in het werkplan vermeld.

Artikel 34c

1. Het werkplan, bedoeld in artikel 34 en 34b, voor het jaar 2014 wordt voor 10 juli 2014 ingediend bij de Minister. Het werkplan voor het jaar 2015 wordt voor 1 oktober 2014 ingediend bij de Minister.

2. Het werkplan, bedoeld in artikel 34a en 34b, gaat vergezeld van een positief advies van de Groene Tafel.

3. Indien de subsidieontvanger, bedoeld in artikel 34a en 34b, de subsidie in 2015, 2016 of 2017 wil besteden, bevat hun werkplan tevens een uitwerking van taken die in 2016 en 2017 worden uitgevoerd.

Artikel 35

De Minister stelt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan de stichting Informatievoorziening groen onderwijs € 116.000, ter beschikking als bijdrage in de exploitatie van het vakblad Groen onderwijs.

Artikel 35a

1. De Minister verleent voor het jaar 2015 aan de stichting Ontwikkelcentrum ten hoogste € 2.300.000, subsidie voor de ontwikkeling en vernieuwing van leermiddelen en voor de verspreiding van leermiddelen ten dienste van het door de Minister bekostigd voortgezet middelbaar beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs en het educatiebeleid van de Minister.

2. De subsidieverlening geschiedt na goedkeuring van de Minister van het werkplan van de stichting voor het jaar 2015 en de begroting daarbij.

3. Het werkplan wordt opgesteld in afstemming met de Groene Tafel, op grond van de Strategische Ontwikkelagenda. De resultaten van deze afstemming zijn in het werkplan vermeld. Het werkplan wordt voor 1 oktober 2014 ingediend, vergezeld van een positief advies van de Groene Tafel.

4. Het werkplan omvat tenminste de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, onderscheiden naar de basisfunctie en de innovatiefunctie van het Ontwikkelcentrum, de doelen van deze activiteiten, het verwachte resultaat en de doorwerking hiervan op de kwaliteit van het door de Minister bekostigd voortgezet middelbaar beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs, het educatiebeleid van de Minister en de resultaten van de afstemming met tenminste de Groene Tafel en met de organisaties. In het werkplan worden activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en activiteiten die de stichting in het verlengde van haar opdracht, zoals bedoeld in het eerste lid, maar voor eigen rekening verwacht te verrichten, duidelijk onderscheiden. De begroting betreft voor ten hoogste 25% de basisfunctie en tenminste 75% voor de innovatiefunctie.

Artikel 35b

1. De minister verstrekt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt te Nijmegen jaarlijks subsidie voor het loopbaanonderzoek.

2. Het subsidieplafond voor deze subsidie is € 160.000 per jaar.

3. Het subsidiebedrag wordt ieder jaar vastgesteld op basis van een uitvoeringsplan met begroting, dat jaarlijks voor 1 april aan de minister ter goedkeuring wordt voorgelegd.

4. Het kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt verantwoordt jaarlijks voor 1 juli de besteding en bestemming van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van een financieel verslag en een verslag van de uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten.

Artikel 35c

1. De minister verstrekt voor het jaar 2015 aan Aequor jaarlijks subsidie voor de verdere ontwikkeling en in stand houding van arbeidsmarktinformatie betreffende de sectoren Landbouw, Natuurlijke omgeving en Voedsel en voor de beschikbaar stelling van arbeidsinformatie voor in ieder geval de instellingen, bedrijven en organisaties in deze sectoren en voor onderwijsvragenden.

2. Het subsidieplafond voor deze subsidie is € 300.000 per jaar.

3. Het subsidiebedrag wordt vastgesteld op basis van een uitvoeringsplan en de begroting daarbij, die voor 1 april 2015 aan de Minister ter goedkeuring worden voorgelegd. Het uitvoeringsplan wordt opgesteld in afstemming met de Groene Tafel, op grond van de Strategische Ontwikkelagenda, en met organisaties van het bedrijfsleven. De resultaten van deze afstemming zijn in het uitvoeringsplan vermeld. Bij het uitvoeringsplan voegt Aequor een plan toe voor voortzetting van de activiteiten na 2015.

4. Aequor verantwoordt voor 1 juli 2016 de besteding en bestemming van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van een financieel verslag en een verslag van de uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten.

Artikel 35d

1. De Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het werkplan of uitvoeringsplan over de subsidieverlening, bedoeld in artikel 34, 34a, 34b, 35a en 35c. Hij kan hieraan voorwaarden verbinden betreffende de uitvoering van het werkplan en uitvoeringsplan.

2. Indien het werkplan van 2015, bedoeld in artikel 34a en 34b een uitwerking van taken die in 2016 en 2017 worden uitgevoerd bevat, kan de Minister in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat een subsidie, verleend in het jaar 2015 in de jaren 2015, 2016 en 2017 besteed kan worden.

Artikel 35e

1. De penvoerders, bedoeld in artikel 34, 34a en 34b, 35a en 35c verantwoorden jaarlijks de bestemming en besteding van de subsidie die in de jaren 2014 en 2015 zijn verleend in hun jaarrekening volgend op het jaar van besteding, vergezeld van een beknopt verslag van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend en de bereikte resultaten en een beknopt financieel verslag.

2. De Minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 34, 34a, 35a en 35c ambtshalve vast binnen 22 weken na het aanleveren van de jaarrekeningen en verslagen, bedoeld in het eerste lid door de penvoerders aan de Minister.

3. In de beschikking tot vaststelling wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.

Paragraaf 8. Internationale cursussen

Artikel 36

1. De Minister kan voor het jaar 2013 en 2014 op aanvraag subsidie verstrekken voor het verzorgen van cursussen voor deelnemers en studenten uit ontwikkelingslanden, waaronder in ieder geval cursisten met een beurs in het kader van het Netherlands Fellowships Programme.

2.

De subsidie kan telkens voor een periode van twee jaar worden aangevraagd door

a. a. Wageningen Universiteit tot een bedrag van € 840.000, per kalenderjaar; b. b. hogeschool Van Hall-Larenstein tot een bedrag van € 400.000, per kalenderjaar; c. c. de Aeres groep tot een bedrag van € 960.000, voor het jaar 2011 en € 2.300.000, voor het jaar 2012 en verdere jaren.

3. De aanvraag tot subsidieverlening kan voor het eerst worden ingediend voor het jaar 2011 en 2012 in de periode van 1 januari tot en met 1 mei 2011. De aanvraag gaat vergezeld van een plan voor de inzet van de middelen gedurende twee jaar.

4. De Subsidiebeschikking internationaal onderwijs van 10 december 2009 blijft voor hogeschool Van Hall-Larenstein van kracht voor de jaren 2011 en 2012. Lid 3 en lid 5 zijn voor deze hogeschool niet van toepassing voor de jaren 2011 en 2012.

5. De ontvanger van de subsidie dient binnen vier maanden na afloop van de periode van twee jaar een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie, vergezeld van een financieel verslag en een activiteitenverslag.

Paragraaf 8a. Tegemoetkoming kosten Groene opleidingsschool

Artikel 36a

1. De Minister kan op aanvraag voor het schooljaar 20112012 tot en met schooljaar 20142015 een subsidie verlenen voor de groene opleidingsschool.

2. De groene opleidingschool heeft tot doel studenten op te leiden tot toekomstige leraren voor het groen onderwijs, gegeven aan instellingen en afdelingen. Deze studenten volgen minimaal 40% van het curriculum in de praktijk van het beroep als leraar op een instelling of afdeling.

3. De subsidie vormt een tegemoetkoming in de kosten die gemoeid zijn met de inrichting van een opleidingsinfrastructuur binnen de instelling of afdeling en met de feitelijke begeleiding op de werkplek van de studenten.

Artikel 36b

Het subsidieplafond voor de subsidies, bedoeld in artikel 36a, bedraagt € 1.360.000, voor de schooljaren 20112012 tot en met 20142015.

Artikel 36c

Stoas Hogeschool treedt op als penvoerder en subsidieaanvrager voor de groene opleidingsschool.

Artikel 36d

1. De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 15 oktober 2011 ingediend bij de NVAO met het formulier Samenstelling aanvraagdossier toetsing groene opleidingsschool, en met een samenwerkingsovereenkomst die is ondertekend door Stoas Hogeschool, de instellingen en de Vereniging Buitengewoon Groen namens de afdelingen die deelnemen in de opleidingsschool.

2. De NVAO brengt aan de Minister advies uit over de kwaliteit van de groene opleidingsschool door middel van een beoordeling van het gerealiseerd niveau en van de samenwerkingsovereenkomst.

3. De NVAO brengt haar advies uit op basis van een door haar vast te stellen toetsingskader.

4. De Minister beslist binnen 3 maanden na het uitkomen van het advies van het NVAO over de subsidieverlening mede op basis van dit advies.

5. De subsidie wordt verleend voor de periode bedoeld in artikel 36a, eerste lid.

Artikel 36e

1. De subsidie wordt in voorschotten voor respectievelijk de schooljaren 20112012, 20122013, 20132014 en 20142015 verstrekt.

2.

De hoogte van het voorschot is gebaseerd op het aantal studenten dat op 1 oktober van het voorgaande jaar voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, als volgt:

i. i. 4079: € 120.000,; ii. ii. 80139: € 200.000,; iii. iii. 140179: € 280.000,; iv. iv. 180219: € 320.000,; v. v. > 219: € 340.000,.

3. Stoas Hogeschool meldt schriftelijk, vergezeld van een accountantsverklaring, voor de schooljaren 20122013 tot en met 20142015 uiterlijk op 1 april voorafgaand aan het schooljaar, bedoeld in het eerste lid, het aantal studenten dat voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

4. Het voorschot voor het schooljaar 20112012 wordt bepaald op basis van de prognose, gevoegd bij de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 36d, van het aantal studenten, dat voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, op 1 oktober 2011.

5. De Minister geeft uiterlijk op 1 juni voorafgaand aan het desbetreffend schooljaar de hoogte van het voorschot aan.

6. Het voorschot per schooljaar wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald: in november een gedeelte van 5/12, in februari een gedeelte van 7/12 van het voorschot.

7. Het voorschot voor het schooljaar 20112012 wordt in één keer verstrekt in het eerste kwartaal van 2012.

Artikel 36f

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd of beëindigd indien:

a. a. de groene opleidingsschool niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet na advies van de NVAO; b. b. het aantal studenten dat in het kader van de groene opleidingsschool wordt opgeleid in enig schooljaar lager is dan 40 studenten per schooljaar.

Artikel 36g

1. Stoas Hogeschool, de instellingen en afdelingen besteden de subsidie voor de groene opleidingsschool uitsluitend ten behoeve van het doel genoemd in artikel 36a.

2. Indien een deel van de ontvangen subsidie in enig schooljaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in artikel 36a, dan mogen deze middelen binnen dit doel worden besteed tot en met het schooljaar 20142015.

3. Stoas Hogeschool verantwoordt de bestemming en de besteding van de subsidie voor de groene opleidingsschool in en bij de jaarrekening. Zij geeft daarbij aan welk deel van de subsidie zij als penvoerder heeft doorgegeven aan instellingen en afdelingen, en welke de besteding hiervan is. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie en de rechtmatigheid van de gegevens, waaronder de aantallen studenten.

4.

Bij de jaarrekening voegt Stoas Hogeschool een activiteitenverslag van de Groene opleidingsschool, waarin ook de activiteiten van de instellingen en afdelingen, waar in het afgelopen schooljaar studenten zijn opgeleid, zijn opgenomen. Dit activiteitenverslag omvat tenminste:

i. i. een overzicht van de werkzaamheden waarvoor de verstrekte subsidie is ingezet en de daarmee bereikte resultaten, waarin de werkzaamheden en resultaten van Stoas Hogeschool en van de instellingen en afdelingen onderscheiden zichtbaar zijn; ii. ii. een verantwoording van het aantal studenten dat in het verstreken schooljaar is opgeleid en een prognose van het aantal studenten dat in het lopende schooljaar zal worden opgeleid; iii. iii. voor zover van toepassing, een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen en gerealiseerde activiteiten en de beoogde en feitelijk gerealiseerde resultaten.

Artikel 36h

1. Uiterlijk op 1 juli 2016 dient Stoas Hogeschool bij de jaarrekening een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie, vergezeld van een accountantsverklaring, als bedoeld in artikel 36g, derde lid.

2. Deze aanvraag gaat vergezeld van een eindverslag van de Groene opleidingsschool, waarin de bereikte resultaten in relatie tot de beoogde resultaten worden verantwoord.

Paragraaf 9. Overige bepalingen

Artikel 37

1. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 6, 7, 8, 9, 10, 13 en 14 berekende aanvullende bijdragen naar rato van het aantal rechthebbenden op deze bijdragen verlaagd tot het bedrag dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat.

2. In het in het eerste lid bedoelde geval kan de Minister tevens besluiten één of meer van de in artikel 17 dan wel artikel 27 bedoelde subsidies niet te verlenen.

3. De Minister kan op basis van prioriteiten in zijn beleid nadere criteria toepassen bij, en nadere verplichtingen verbinden aan zijn beslissing op aanvragen voor subsidie die op basis van deze regeling worden ingediend.

Artikel 38

Uiterlijk op 1 juni 2015 evalueert de Minister de werking van deze regeling.

Paragraaf 10. Slotbepalingen

Artikel 39

De Regeling praktijkleren, impuls en versterking primaire opleidingen groen onderwijs wordt ingetrokken.

Artikel 40

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 40a

Als het bij koninklijke boodschap van 6 juni 2013 ingediende voorstel van wet (Wijziging van de Kaderwet EZ-subsidies (aanpassing aan de samenvoeging van de voormalige ministeries van Economische Zaken en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) tot wet is verheven dan berust deze regeling mede op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies.

Artikel 40b

1. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2016.

2. Een subsidie die is verstrekt onder de werking van de Regeling praktijkleren en Groene plus wordt beheerst door de bepalingen van die regeling.

Artikel 41

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling praktijkleren en Groene plus.

Bijlage . , behorende bij

De primaire opleidingen voor wat betreft het middelbaar beroepsonderwijs

De primaire opleidingen zijn voor wat betreft het hoger beroepsonderwijs de opleidingen die geheel of in overwegende mate opleiden voor de volgende beroepen:

Tevens worden als studenten in primaire opleidingen geteld de bij STOAS Hogeschool ingeschreven studenten op CROHO-nrs. 34899 (bachelor) en 80015 (associate degree) Educatie en kennismanagement groene sector, voor zover deze studenten worden opgeleid voor het lerarenberoep binnen een primaire opleiding. STOAS hogeschool verschaft jaarlijks een opgave van het aantal van deze studenten, gespecificeerd naar de studierichtingen

De opgave betreft het aantal studenten in deze studierichtingen op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de onderwijsopslag, bedoeld in artikel 14 van deze regeling, wordt verstrekt. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant.

De opgave voor 2011 en verdere jaren, met gegevens van het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar, dient uiterlijk op 1 juli van ieder jaar te zijn ontvangen door DUO. De verklaring van getrouwheid van de accountant kan dan bij de jaarlijkse accountantsopgave worden meegenomen.

Bijlage 1. , behorende bij

Bijlage . , behorende bij

Vervallen