rijk/ministeriele-regeling/regeling-prestatiebox-mbo/BWBR0031390
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling prestatiebox mbo BWBR0031390 ministeriele-regeling geldend 2012-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0031390 Regeling prestatiebox mbo

Regeling prestatiebox mbo

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

b. b.

    *wet:* de Wet educatie en beroepsonderwijs;

c. c.

    *bevoegd gezag:* bevoegd gezag van een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, subonderdeel 2, van de wet;

d. d.

    *onderwijsinstelling:* regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de wet en agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet;

e. e.

    *deelnemer:* deelnemer als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet;

f. f.

    *entreeopleiding:* entreeopleiding, genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

g. g.

    *basisberoepsopleiding:* basisberoepsopleiding, genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

h. h.

    *vakopleiding:* vakopleiding genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

i. i.

    *middenkaderopleiding:* middenkaderopleiding genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet;

j. j.

    *specialistenopleiding:* specialistenopleiding genoemd in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

Artikel 2

Het doel van deze regeling is het jaarlijks verstrekken van een aanvullende vergoeding op de bekostiging voor het realiseren van in deze regeling genoemde bijzondere beleidsdoelstelling.

Artikel 3

1. Voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 is jaarlijks maximaal € 40.600.000, beschikbaar.

2. De aanvullende vergoeding op de bekostiging, als bedoeld in het eerste lid, wordt beschikbaar gesteld ten behoeve van de bijzondere beleidsdoelstelling voortijdig schoolverlaten.

Paragraaf 2. Subsidie ten behoeve van de beleidsdoelstelling voortijdig schoolverlaten

Artikel 4

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. a.

      *convenant:* per RMC-regio tussen de minister, de RMC-contactgemeente en het bevoegd gezag van onderwijsinstellingen gesloten convenant inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de studiejaren 20122013 tot en met 20142015;

b. b.

      *nieuwe voortijdig schoolverlater:* de nieuwe voortijdig schoolverlater, bedoeld in artikel 2 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs;

c. c.

      *RMC-regio:* de RMC-regio als bedoeld in artikel 37 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs;

d. d.

      *deelnemer:* de deelnemer die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB;

2. In deze paragraaf wordt onder een onderwijsinstelling niet begrepen het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum.

Artikel 5

De aanvullende vergoeding op de bekostiging wordt verstrekt ten behoeve van de beleidsdoelstelling voortijdig schoolverlaten welke ten doel heeft het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 25.000 in het kalenderjaar 2017.

Artikel 6

Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, en 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling gebruik gegevens bron en artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 7

De wijze waarop voor elk van de studiejaren 20122013 tot en met 20152016 per onderwijsinstelling het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters wordt berekend is opgenomen in bijlage A bij deze regeling.

Artikel 8

1. De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 ambtshalve een aanvullende vergoeding op de bekostiging aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dat voor die onderwijsinstelling ten minste één convenant heeft ondertekend.

2. De aanvullende vergoeding op de bekostiging, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, wordt telkens voor één jaar verstrekt in de maand oktober voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

3. De aanvullende vergoeding op de bekostiging, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, wordt telkens voor één jaar verstrekt in de maand november volgend op het desbetreffende kalenderjaar.

4. De minister verstrekt voor het kalenderjaar 2016 ambtshalve een aanvullende vergoeding op de bekostiging aan het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling dat voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2015 in aanmerking is gekomen voor een aanvullende vergoeding op de bekostiging op grond van het eerste lid.

Artikel 9

1. Het subsidieplafond voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf bedraagt voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 jaarlijks maximaal € 40.600.000,.

2. Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 4.100.000, bedoeld voor subsidieverstrekking van het vast bedrag, bedoeld in artikel 12.

3. Van het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, is jaarlijks € 36.500.000, bedoeld voor subsidieverstrekking van het variabel bedrag, bedoeld in artikel 13.

4. Indien het deel van het subsidieplafond dat is bestemd voor het vast bedrag respectievelijk het variabel bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende vergoeding op de bekostiging naar evenredigheid per onderwijsinstelling verlaagd.

Artikel 10

De aanvullende vergoeding op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt. Terugvordering van eventueel niet-bestede middelen of overschotten vindt niet plaats.

Artikel 11

1.

De aanvullende vergoeding op de bekostiging voor een onderwijsinstelling in een kalenderjaar bestaat uit:

a. a. een vast bedrag dat per studiejaar kan verschillen, berekend op grond van artikel 12; en b. b. een variabel bedrag dat per studiejaar en per categorie beroepsopleiding kan verschillen, berekend op grond van artikel 13.

2.

Bij de berekening van het vast bedrag, bedoeld in artikel 12, wordt het aantal deelnemers tot 22 jaar jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

a. a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2011; b. b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2012; c. c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2013; en d. d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2014.

3.

Bij de berekening van het variabel bedrag, bedoeld in artikel 13, wordt het aantal deelnemers tot 22 jaar jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

a. a. voor kalenderjaar 2013: op 1 oktober 2012; b. b. voor kalenderjaar 2014: op 1 oktober 2013; c. c. voor kalenderjaar 2015: op 1 oktober 2014; en d. d. voor het kalenderjaar 2016: op 1 oktober 2015.

Artikel 12

1. De hoogte van het vast bedrag per onderwijsinstelling wordt bepaald op grond van het aantal deelnemers tot 22 jaar.

2. Het aantal deelnemers tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 11, tweede lid.

3.

De hoogte van het vast bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op grond van onderstaande tabel:

Aantal deelnemers tot 22 jaar per onderwijsinstelling Bedrag per onderwijsinstelling
101000 € 10.000,
10012000 € 20.000,
20016000 € 35.000,
600110.000 € 75.000,
Meer dan 10.000 € 150.000,

Artikel 13

1. De hoogte van het variabel bedrag voor een onderwijsinstelling wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar per categorie beroepsopleiding ten opzichte van het totaal aantal deelnemers tot 22 jaar binnen die categorie beroepsopleiding van de onderwijsinstelling.

2. Het aantal deelnemers tot 22 jaar wordt bepaald aan de hand van de populatie A B volgens de formule, bedoeld in bijlage A.

3. Het aantal deelnemers tot 22 jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bepaald op grond van de peilmomenten, bedoeld in artikel 11, derde lid.

4. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

5. Indien het percentage, bedoeld in het derde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm per categorie beroepsopleiding genoemd in tabel 2, dan komt de onderwijsinstelling in aanmerking voor een aanvullende vergoeding op de bekostiging.

6. De hoogte van het variabel bedrag wordt bepaald aan de hand van het aantal deelnemers tot 22 jaar per categorie beroepsopleiding, genoemd in tabel 3.

7. Bij de berekening van het percentage, bedoeld in het eerste lid, en de hoogte van het variabel bedrag, bedoeld in het vijfde lid, wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters en de deelnemers tot 22 jaar voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en de specialistenopleiding bij elkaar opgeteld.

8.

In afwijking van de bovenstaande leden, kan een onderwijsinstelling die niet voldoet aan één van de procentuele normen bedoeld in tabel 2, alsnog in aanmerking komen voor het variabel bedrag, indien er sprake is van een substantiële daling van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, zijnde:

a. a. een daling van het percentage, bedoeld in het derde lid, met twee procentpunt of meer ten opzichte van het behaalde percentage in het daaraan voorafgaand kalenderjaar, met betrekking tot de entreeopleiding; b. b. een daling van het percentage, bedoeld in het derde lid, met één procentpunt of meer ten opzichte van het behaalde percentage in het daaraan voorafgaand kalenderjaar, met betrekking tot de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of de specialistenopleiding; c. c. voor het kalenderjaar 2016 een daling van het percentage, bedoeld in het vierde lid, met één procentpunt of meer ten opzichte van het behaalde percentage in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met betrekking tot de basisberoepsopleiding en een daling van 0,7 procentpunt of meer ten opzichte van het behaalde percentage in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met betrekking tot de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

1. Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage A van deze regeling, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit zal leiden tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende instelling, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, als bedoeld in tabel 2.

2. Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een onderwijsinstelling de toepassing van de peilmomenten, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende onderwijsinstelling, bedoeld in deze paragraaf, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Artikel 16

Bij de berekening, bedoeld in artikel 13, zevende lid, wordt bij de vergelijking van het kalenderjaar 2013 met het kalenderjaar 2012, de berekeningswijze van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters gehanteerd, zoals bedoeld in artikel 8, van de Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten zoals luidend op 31 juli 2012.

Paragraaf 3. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 17

1. De effecten van de aanpak van het beleid inzake voortijdig schoolverlaten in de RMC-regio in de praktijk worden uiterlijk in 2015 geëvalueerd.

2. De evaluatie van het beleid inzake voortijdig schoolverlaten, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval de evaluatie van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten, bedoeld in artikel 13 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs.

Artikel 18

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2012.

Artikel 18a

1. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2017.

2. Voor zover er ter zake, na het vervallen van deze regeling, nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig deze regeling plaats.

3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van deze regeling blijven in stand.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling prestatiebox mbo.

Bijlage A. behorende bij