rijk/ministeriele-regeling/regeling-regionaal-programma-en-doorstroompuntfunctie-20262029/BWBR0051614
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 20262029 BWBR0051614 ministeriele-regeling geldend 2026-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0051614 Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 20262029

Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 20262029

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • afspraken: afspraken als bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel b, WEB;
  • bevoegd gezag: bevoegd gezag van een bekostigde school of instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, artikel 1 WEC of artikel 1.1 WVO 2020;
  • CBS: Centraal bureau voor de statistiek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek;
  • contactgemeente: contactgemeente als bedoeld in artikel 9.2.4, tweede lid, WEB van de Doorstroompuntregio;
  • contactschool: contactschool als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid;
  • centrumgemeente: centrumgemeente of -gemeenten, genoemd in artikel 1.8 van de Regeling SUWI, waarvan de arbeidsmarktregio geheel of gedeeltelijk overlapt met de betreffende Doorstroompuntregio;
  • Doorstroompuntfunctie: taken van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 9.2.5 WEB;
  • Doorstroompuntregio: regio als bedoeld in artikel 9.2.4, eerste lid, WEB;
  • effectrapportage: effectrapportage als bedoeld in artikel 9.2.10 WEB;
  • Fier Fryslân: stichting Fier, te Leeuwarden, het landelijk expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties;
  • institutionele fusie: institutionele fusie als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, artikel 66 WEC of artikel 3.29 WVO 2020;
  • maatregelen: maatregelen als bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel a, WEB;
  • mbo: beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • onderwijsinstelling: bekostigde school of instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, artikel 1 WEC of artikel 1.1 WVO 2020;
  • regionaal programma: regionaal programma als bedoeld in artikel 9.2.8 WEB;
  • streefcijfers: streefcijfers als bedoeld in artikel 9.2.8, derde lid, onderdeel a, WEB;
  • studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;
  • WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • WEC: Wet op de expertisecentra;
  • WVO 2020: Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 1.2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Paragraaf 2. Het regionaal programma 20262029

Artikel 2.1

1. De periode, bedoeld in artikel 9.2.8, eerste lid, WEB, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente een regionaal programma opstelt, loopt van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2029.

2. De contactgemeente, centrumgemeente en contactschool dragen gezamenlijk zorg voor de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma.

Artikel 2.2

Het regionaal programma bevat in ieder geval:

a. a. een regionale analyse die de basis vormt voor de onderdelen b tot en met e; b. b. streefcijfers; c. c. afspraken; d. d. maatregelen; en e. e. een begroting.

Artikel 2.3

De streefcijfers omvatten in ieder geval:

a. a. een streefcijfer voor studiejaar 2025/2026 gericht op beperking van het landelijke aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar tot 18.000, bepaald aan de hand van de begripsbepaling van nieuwe voortijdig schoolverlater zoals opgenomen in artikel 1.1 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 20202025 in samenhang met bijlage 1 bij die regeling, zoals die luidden op 30 april 2025; b. b. streefcijfers voor de studiejaren 2026/2027 tot en met 2029/2030 gericht op beperking van het landelijke aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar tot 23.000, bepaald aan de hand van de definitie van nieuwe voortijdig schoolverlater zoals volgend uit bijlage 1, onder A; en c. c. streefcijfers voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2029 gericht op beperking van het aantal jongeren dat geen onderwijs volgt en niet werkt, bepaald aan de hand van bijlage 1, onder B.

Artikel 2.4

1.

Het regionaal programma bevat in ieder geval afspraken over de volgende onderwerpen:

a. a. de samenwerking tussen de partijen, bedoeld in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel a, WEB bij de uitvoering van de maatregelen en bij de uitvoering van:

        1°.
        de wettelijke taken van de colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 9.2.5 WEB en artikel 7a van de Participatiewet; en
      
      
        2°.
        de wettelijke taken van de bevoegde gezagsorganen van de onderwijsinstellingen, bedoeld in de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 WEB, de artikelen 44 en 44a WEC en de artikelen 2.31a en 2.31b WVO 2020;

1°. 1°. de wettelijke taken van de colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 9.2.5 WEB en artikel 7a van de Participatiewet; en 2°. 2°. de wettelijke taken van de bevoegde gezagsorganen van de onderwijsinstellingen, bedoeld in de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 WEB, de artikelen 44 en 44a WEC en de artikelen 2.31a en 2.31b WVO 2020; b. b. het gebruik van het overgangsdocument, bedoeld in artikel 9.2.13, derde lid, WEB, artikel 44a, derde lid, WEC en artikel 2.31b, derde lid, WVO 2020 en van de mbo-verklaring, bedoeld in artikel 7.4.6a WEB; c. c. het zorgen voor laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning voor jongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele of andere problemen, met aandacht voor samenwerking met de domeinen zorg, inkomen en veiligheid; d. d. het verbeteren van de voorbereiding op en de overgang naar het mbo, met speciale aandacht voor overstappende vso-leerlingen, nieuwkomers en voldoende passende stageplekken en leerbanen; e. e. het tegengaan van ongediplomeerde uitval naar werk; f. f. bij- of omscholing van jongeren zonder startkwalificatie tijdens een baan door middel van praktijkleren in het mbo, resulterend in een mbo-verklaring of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6a respectievelijk 7.2.3 WEB of door middel van non-formele scholing met een branchewaardering zoals opgenomen in erkende ontwikkelpaden als bedoeld in artikel 3.6 van de SLIM-regeling; g. g. het investeren in de vakkundigheid van het personeel van de gemeenten en onderwijsinstellingen dat is belast met de uitvoering van de maatregelen en met de uitvoering van de wettelijke taken, genoemd in onderdeel a, onder 1° en 2°; h. h. de vormgeving en organisatie van het regionaal bestuurlijk overleg, bedoeld in artikel 9.2.8, vierde lid, WEB; en i. i. de wijze waarop jongeren worden betrokken bij de uitvoering van het regionaal programma.

2. De inhoud van de afspraken kan tijdens de looptijd van het regionaal programma bijgesteld of verder uitgewerkt worden.

Artikel 2.5

1. Er is sprake van een maatregel indien hier budget als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onderdelen a of b, aan wordt uitgegeven.

2.

Uit het regionaal programma blijkt dat elke maatregel voldoet aan in ieder geval de volgende voorwaarden:

a. a. de maatregel is gericht op jongeren die:

        1°.
        geen onderwijs volgen;
      
      
        2°.
        geen werk hebben; of
      
      
        3°.
        een groot risico lopen geen onderwijs te volgen of geen werk te hebben;

1°. 1°. geen onderwijs volgen; 2°. 2°. geen werk hebben; of 3°. 3°. een groot risico lopen geen onderwijs te volgen of geen werk te hebben; b. b. er is een duidelijke relatie tussen de regionale analyse en de maatregel; c. c. er is duidelijk beschreven wat het beoogde maatschappelijke effect van de maatregel is en de effectiviteit van de maatregel is aannemelijk gemaakt of zal tijdens de looptijd van het regionaal programma worden geëvalueerd; d. d. voor gebruikmaking van de voorzieningen, voortvloeiend uit de maatregel, wordt:

        1°.
        indien de maatregel op een onderwijsinstelling wordt uitgevoerd geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente, Doorstroompuntregio of arbeidsmarktregio waar de jongere woont; en
      
      
        2°.
        voor de overige maatregelen geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont, tenzij inhoudelijk kan worden onderbouwd waarom een dergelijk onderscheid noodzakelijk is; en

1°. 1°. indien de maatregel op een onderwijsinstelling wordt uitgevoerd geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente, Doorstroompuntregio of arbeidsmarktregio waar de jongere woont; en 2°. 2°. voor de overige maatregelen geen onderscheid gemaakt op basis van de gemeente binnen de Doorstroompuntregio waar een jongere woont, tenzij inhoudelijk kan worden onderbouwd waarom een dergelijk onderscheid noodzakelijk is; en e. e. de maatregel is aanvullend op:

        1°.
        de wettelijke taken van de colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 9.2.5 WEB en artikel 7a van de Participatiewet; en
      
      
        2°.
        de wettelijke taken van de bevoegde gezagsorganen van de onderwijsinstellingen, bedoeld in de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 WEB, de artikelen 44 en 44a WEC en de artikelen 2.31a en 2.31b WVO 2020.

1°. 1°. de wettelijke taken van de colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 9.2.5 WEB en artikel 7a van de Participatiewet; en 2°. 2°. de wettelijke taken van de bevoegde gezagsorganen van de onderwijsinstellingen, bedoeld in de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 WEB, de artikelen 44 en 44a WEC en de artikelen 2.31a en 2.31b WVO 2020.

3. In aanvulling op artikel 2.2 omvat het regionaal programma van Doorstroompuntregio Friesland Noord in ieder geval een of meer maatregelen met betrekking tot de voorzieningen zoals aangeboden door Fier Fryslân.

Artikel 2.6

1.

Het totale budget voor het regionaal programma bestaat uit:

a. a. de subsidie aan de contactschool, bedoeld in paragraaf 3; b. b. de specifieke uitkering aan de contactgemeente, bedoeld in paragraaf 4, voor zover bestemd voor het regionaal programma; en c. c. eventueel overig budget.

2. Onder het eventuele overig budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vallen in ieder geval de reserves, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderdeel a.

3. In de begroting wordt gespecificeerd welk bedrag per maatregel en welk bedrag aan algemene kosten wordt besteed.

Paragraaf 3. Subsidie aan contactschool voor regionaal programma

Artikel 3.1

1. De minister kan op een aanvraag van het bevoegd gezag van een contactschool subsidie verstrekken voor het regionaal programma.

2. In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is de subsidie bedoeld voor de gehele periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2029.

Artikel 3.2

1. De onderwijsinstellingen binnen een Doorstroompuntregio wijzen uit hun midden een onderwijsinstelling aan die optreedt als contactschool in de betreffende Doorstroompuntregio.

2. De contactschool kan niet gedurende de looptijd van het regionaal programma worden gewijzigd, tenzij er sprake is van een institutionele fusie, splitsing of opheffing van de contactschool.

3.

Het bevoegd gezag van de contactschool heeft in ieder geval de volgende taken, tevens zijnde subsidieverplichtingen:

a. a. het als penvoerder aanvragen, ontvangen en verantwoorden van de subsidie die wordt verstrekt op grond van deze paragraaf; b. b. het bijdragen aan de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma, waaronder de overeengekomen besteding van de subsidie; c. c. het vertegenwoordigen van de onderwijsinstellingen in de Doorstroompuntregio bij de totstandkoming van het regionaal programma en bij het regionaal bestuurlijk overleg, zoals bedoeld in artikel 9.2.8, vierde lid, WEB; d. d. het faciliteren van de afstemming van het beleid van elke onderwijsinstelling in de Doorstroompuntregio op het regionaal programma, waaronder de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de taken met betrekking tot de loopbaanbegeleiding, bedoeld in de artikelen 9.2.12 en 9.2.13 WEB, de artikelen 44 en 44a van WEC en de artikelen 2.31a en 2.31b WVO 2020; e. e. het faciliteren van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen in de Doorstroompuntregio en de andere partijen in het regionaal programma; en f. f. het bijdragen aan de effectrapportage.

4. In aanvulling op de taken, genoemd in het derde lid, heeft het bevoegd gezag van de contactschool van Doorstroompuntregio Friesland Noord de taak om ervoor te zorgen dat Fier Fryslân een bedrag van € 373.920 ontvangt voor de uitvoering van de maatregel of maatregelen, bedoeld in artikel 2.5, derde lid.

5. Op de contactschool rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke onderwijsinstelling of andere organisatie feitelijk is belast met de uitvoering van de maatregelen.

Artikel 3.3

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf is ten hoogste € 175.052.000 beschikbaar.

Artikel 3.4

Het budget, genoemd in artikel 3.3, wordt conform bijlage 2 over de contactscholen verdeeld.

Artikel 3.5

1. De contactschool dient de aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf via de beveiligde omgeving van duo.nl/zakelijk in bij de minister.

2. In afwijking van de artikelen 3.3, onderdeel a, en 3.4 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS en in aanvulling op artikel 3.5, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt de aanvraag ingediend met gebruikmaking van het format in bijlage 3.

3.

De subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd van:

a. a. 1 januari 2026 tot en met 31 januari 2026; of b. b. 1 april 2026 tot en met 31 mei 2026.

4. Het aanvraagtijdvak, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan alleen worden benut door contactscholen waarvan de eerdere subsidieaanvraag is afgewezen.

Artikel 3.6

Onverminderd artikel 3.5 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de minister de subsidie indien het regionaal programma voldoet aan de eisen, bedoeld in paragraaf 2.

Artikel 3.7

1.

De minister beslist uiterlijk over de verlening van de subsidie op:

a. a. 31 maart 2026 voor de aanvragen gedaan in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onderdeel a; of b. b. op 30 juni 2026 voor de aanvragen gedaan in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onderdeel b.

2.

De subsidie wordt in vier gelijke delen als voorschot uitbetaald. De betalingen vinden uiterlijk plaats in:

a. a. mei 2026 voor de aanvragen gedaan in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onderdeel a, of september 2026 voor de aanvragen gedaan in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onderdeel b; b. b. februari 2027; c. c. februari 2028; en d. d. februari 2029.

Artikel 3.8

De meldingsplicht, bedoeld in artikel 5.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, VWS en SZW is in ieder geval van toepassing in het geval van een voorgenomen substantiële wijziging van het regionaal programma.

Artikel 3.9

De contactschool werkt mee aan de evaluatie, bedoeld in artikel 6.1, en levert hiertoe zo nodig ook gegevens van en over de overige onderwijsinstellingen in de Doorstroompuntregio aan.

Artikel 3.10

1. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verstrekt en kan worden besteed tot en met 31 december 2029. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

2. De financiële verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G2.

3. De vaststelling van de subsidie vindt plaats binnen een jaar na indiening van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.

Paragraaf 4. Specifieke uitkering voor contactgemeenten voor regionaal programma en Doorstroompunt

Artikel 4.1

Met uitzondering van artikel 4.8 is deze paragraaf van toepassing op de verstrekking van de jaarlijkse specifieke uitkering aan de contactgemeenten, bedoeld in artikel 9.2.9 WEB, voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2029.

Artikel 4.2

1.

Voor het verstrekken van de specifieke uitkering is jaarlijks in totaal een budget van ten hoogste € 117.813.000 beschikbaar, waarvan:

a. a. € 50.173.000 is bestemd voor de uitvoering van de maatregelen uit het regionaal programma; en b. b. € 67.640.000 is bestemd voor de Doorstroompuntfunctie.

2. De minister kan het deel van het budget dat is bestemd voor de Doorstroompuntfunctie, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, jaarlijks aanpassen in verband met loon- en prijsbijstelling.

Artikel 4.3

1. Het totale budget, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wordt over de contactgemeenten verdeeld conform de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid.

2. Een percentage van 99,75% wordt over alle contactgemeenten verdeeld naar rato van de risicoscore per Doorstroompuntregio uit het door het CBS ontwikkelde verdeelmodel, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit van school naar duurzaam werk. Voor het deel van het budget dat is bestemd voor de Doorstroompuntfunctie, genoemd in artikel 4.2, eerste lid, onderdeel b, wordt dit verdeelmodel gedurende de looptijd van de regeling eenmalig geactualiseerd vanaf de specifieke uitkering voor kalenderjaar 2028.

3.

Een percentage van 0,25% wordt als volgt verdeeld over de contactgemeenten van de Doorstroompuntregios grenzend aan België:

a. a. de minister stelt voor elke Doorstroompuntregio grenzend aan België het totaal aantal jongeren vast dat in mei 2024 woonachtig is in die regio en onderwijs volgt aan een onderwijsinstelling in België; b. b. de minister stelt vast in welke van deze Doorstroompuntregios het om een relatief aandeel gaat van minimaal 3% van alle jongeren die woonachtig zijn in die regio en onderwijs volgt aan een onderwijsinstelling in België; en c. c. het bedrag wordt naar rato van het totaal aantal jongeren, bedoeld in onderdeel a, over de Doorstroompuntregios, bedoeld in onderdeel b, verdeeld.

De berekening wordt gedurende de looptijd van de regeling niet geactualiseerd.

4. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, voor kalenderjaar 2026 is opgenomen in bijlage 4.

Artikel 4.4

1. De betaling van de specifieke uitkeringen voor de kalenderjaren 2026 tot en met 2029 vindt steeds plaats uiterlijk in februari van het kalenderjaar waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.

2. Indien in enig jaar een loon- en prijsbijstelling als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, wordt toegepast, wordt het hiermee samenhangende bedrag uitbetaald in uiterlijk september van het kalenderjaar waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.

Artikel 4.5

De contactgemeente doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of vaststelling van een specifieke uitkering en overlegt daarbij de relevante stukken. Hiervan is in ieder geval sprake bij een voorgenomen substantiële wijziging van het regionaal programma.

Artikel 4.6

De contactgemeente werkt mee aan de evaluatie, bedoeld in artikel 6.1, en levert hiertoe zo nodig ook gegevens van en over de overige gemeenten in de Doorstroompuntregio aan.

Artikel 4.7

1. Indien de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed in het kalenderjaar waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt, mag het resterende bedrag uiterlijk in kalenderjaar 2029 worden besteed aan het doel waarvoor deze specifieke uitkering is bestemd.

2. De minister vordert bedragen die blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, alsdan niet zijn besteed aan het doel waarvoor zij waren bestemd, terug.

Artikel 4.8

1.

Indien de specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 8.3.2, vijfde lid, WEB zoals dat luidde op 31 december 2025 niet of niet geheel zijn besteed in het kalenderjaar waarvoor ze zijn verstrekt, mag het resterende bedrag:

a. a. voor de kalenderjaren 2021 tot en met 2025 conform artikel 4.3, eerste lid, van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 20202025 zoals dat luidde op 30 april 2025 uiterlijk in kalenderjaar 2026 worden besteed aan het doel waarvoor deze specifieke uitkeringen zijn bestemd; en b. b. voor de kalenderjaren 2002 tot en met 2020 uiterlijk in kalenderjaar 2029 worden besteed aan het doel waarvoor deze specifieke uitkeringen zijn bestemd.

2. De specifieke uitkering, bedoeld in de Regeling specifieke uitkering extra financiële middelen RMC-functie zoals die luidde op 30 april 2026 dient conform artikel 5, eerste lid, van die regeling uiterlijk in kalenderjaar 2026 te worden besteed aan het doel waarvoor deze specifieke uitkering is bestemd.

3. Artikel 4.7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 5. Uitvoeringsvoorschriften

Artikel 5.1

1.

De effectrapportage gaat in op in ieder geval de volgende onderwerpen:

a. a. de streefcijfers, de bereikte resultaten en een toelichting op afwijkingen in die bereikte resultaten ten opzichte van de streefcijfers; b. b. de voortgang van de afspraken in het regionaal programma; en c. c. de voortgang van de maatregelen en de effecten hiervan.

2. De contactgemeente gebruikt voor de effectrapportage een door de minister beschikbaar gesteld format. Dit format kan jaarlijks worden gewijzigd.

3. De contactgemeente dient de effectrapportage uiterlijk op 30 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, in bij de minister.

4. De contactgemeente betrekt de contactschool en de centrumgemeente bij het opstellen van de effectrapportage.

5. Ten behoeve van het onderdeel van de effectrapportage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt de minister het gerealiseerde aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per Doorstroompuntregio telkens uiterlijk in maart na afloop van het betreffende studiejaar aan de gemeenten en onderwijsinstellingen binnen de Doorstroompuntregio.

Artikel 5.2

1. De Doorstroompuntregios zijn opgenomen in bijlage 5.

2. De samenstelling van een Doorstroompuntregio kan niet gedurende de looptijd van het regionaal programma worden gewijzigd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de wijziging van de samenstelling van de Doorstroompuntregio het gevolg is van een gemeentelijke herindeling. In dat geval doen de betrokken contactgemeenten schriftelijk mededeling van de wijziging van de samenstelling van de Doorstroompuntregio aan de minister.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

De minister evalueert de regeling uiterlijk in 2028.

Artikel 6.2

1. Deze regeling treedt in werking op het moment waarop artikel I, onderdeel II, van de Wet van school naar duurzaam werk in werking treedt.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies en specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 6.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 20262029.

Bijlage 1. behorend bij

Bijlage 2. behorend bij

Bijlage 3. behorend bij

Bijlage 4. behorend bij

Bijlage 5. behorend bij