rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkering-ontzorgingsprogramma-maatschappelijk-vastgoed-twee/BWBR0047108
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche BWBR0047108 ministeriele-regeling geldend 2022-10-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0047108 Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche

Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • gebouwde onroerende zaak: gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die niet uitsluitend een woonfunctie heeft of hebben en die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen;

  • eigendom: eigendom, erfpacht of recht van opstal op een gebouwde onroerende zaak; a. kleine maatschappelijk vastgoedeigenaar:

        a.
        gemeente met minder dan 50.000 inwoners op 1 oktober 2022;
    
    
        b.
        schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het primair onderwijs met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        c.
        schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het voortgezet onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        d.
        zorgaanbieder, met uitzondering van academische en algemene ziekenhuizen, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        e.
        culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        f.
        stichting, vereniging of coöperatie ter exploitatie en beheer van gebouwen met een publieksfunctie, waaronder in ieder geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of gemeenschapscentrum, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        g.
        religieuze of levensbeschouwelijke instelling met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    
    
        h.
        kinderopvangorganisatie met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;
    

a. a. gemeente met minder dan 50.000 inwoners op 1 oktober 2022; b. b. schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het primair onderwijs met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom; c. c. schoolbestuur van een door het Rijk bekostigde school in het voortgezet onderwijs met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; d. d. zorgaanbieder, met uitzondering van academische en algemene ziekenhuizen, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; e. e. culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; f. f. stichting, vereniging of coöperatie ter exploitatie en beheer van gebouwen met een publieksfunctie, waaronder in ieder geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of gemeenschapscentrum, met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom; g. g. religieuze of levensbeschouwelijke instelling met maximaal vijftien gebouwde onroerende zaken in eigendom; h. h. kinderopvangorganisatie met maximaal tien gebouwde onroerende zaken in eigendom;

  • de minister: de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

Artikel 2

1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken aan provincies voor activiteiten die tot doel hebben om kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren te ontzorgen bij het verduurzamen van hun maatschappelijk vastgoed.

2.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten:

a. a. het begeleiden van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij het verduurzamen van gebouwde onroerende zaken die zij in eigendom hebben tot aan het moment van aanbesteding van de maatregelen ter verduurzaming van deze gebouwde onroerende zaken en het leveren van nazorg bij dit ontzorgingstraject; b. b. het delen van opgedane regionale kennis en ervaring, in ieder geval binnen de provincie en met het Kennis- en innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed; c. c. het begeleiden van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij het opstellen van portefeuilleroutekaarten die richting geven aan het realiseren van de klimaatdoelstellingen in 2030 en 2050; d. d. het begeleiden van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren bij het aanvragen van subsidies voor verduurzamingsmaatregelen en het opstellen van relevante (advies-)documenten om te voldoen aan de voorwaarden voor subsidieverlening.

3.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten niet:

a. a. het verduurzamen van de gebouwde onroerende zaken van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren; b. b. activiteiten waarvoor een kleine maatschappelijk vastgoedeigenaar al een subsidie heeft ontvangen; c. c. activiteiten die betrekking hebben op gebouwde onroerende zaken met uitsluitend een woonfunctie, niet zijnde een woonfunctie voor zorg, en d. d. het verstrekken van financiële middelen aan kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren.

Artikel 3

1. Een specifieke uitkering bedraagt ten hoogste het per provincie genoemde bedrag in bijlage I verminderd met het bedrag aan compensabele BTW.

2. De minister kan in totaal ten hoogste € 14.953.000, aan specifieke uitkeringen verstrekken verminderd met het bedrag aan compensabele BTW.

3. Het bedrag aan compensabele BTW stort de minister in het BTW-compensatiefonds.

Artikel 4

1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend vanaf 1 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2024.

2.

Een aanvraag bevat ten minste:

a. a. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 2, eerste lid; b. b. een omschrijving van het provinciaal duurzaamheidsbeleid voor de gebouwde omgeving, waaronder het maatschappelijk vastgoed; c. c. een omschrijving van regionale netwerken en structuren die benut worden voor de activiteiten; d. d. een omschrijving van de doelgroepen van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren die ontzorgd worden; e. e. het beoogde aantal kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren dat begeleid wordt bij het verduurzamen van de gebouwde onroerende zaken en het aantal gebouwde onroerende zaken dat zij in eigendom hebben; f. f. een omschrijving van de borging en deling van opgedane regionale kennis en ervaring; g. g. een begroting, waaronder het bedrag aan BTW-kosten waarop de provincie aanspraak kan maken uit het BTW-compensatiefonds; en h. h. de verwachte begin- en einddatum van de activiteiten.

3. Per provincie kan maximaal één keer een specifieke uitkering verstrekt worden.

4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/spuk-ontzorgingsprogramma.

5. De minister beslist binnen acht weken na het sluiten van de aanvraagtermijn op een aanvraag.

Artikel 5

1. De kosten voor levering van goederen of diensten door derden worden door de aanvrager marktconform bepaald.

2. Een specifieke uitkering kan worden verstrekt voor alle kosten die direct samenhangen met de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, die zijn opgenomen in de aanvraag.

3.

Een specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor:

a. a. kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die uit anderen hoofde ten behoeve van de aanvrager zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd; en b. b. BTW voor zover deze kosten in aanmerking komen voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 6

Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt afgewezen, indien:

a. a. de activiteiten in de aanvraag niet vallen onder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid; b. b. de aanvraag minder dan 60 punten scoort bij de beoordeling op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage II; c. c. niet aannemelijk is dat de activiteiten in de aanvraag voor 1 mei 2027 zijn afgerond; of d. d. de aanvraag onvoldoende informatie bevat om te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage II.

Artikel 7

1.

De ontvanger van de specifieke uitkering is verplicht om:

a. a. de activiteiten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, af te ronden voor 1 mei 2027; b. b. de minister op verzoek te informeren over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt; c. c. op verzoek van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland informatie te verschaffen ten behoeve van de half jaarlijkse monitoring van de provinciale ontzorgingsprogrammas door de Rijksdienst voor het Ondernemend Nederland; en d. d. op verzoek van de minister informatie te verschaffen ten behoeve van door de minister ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht informatie te verkrijgen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de provinciale ontzorgingsprogrammas in relatie tot het klimaatbeleid.

2. Indien de uitvoering van de activiteiten voor de datum, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de ontvanger van de specifieke uitkering niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de ontvanger eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

Artikel 8

1. De minister kan het restant van een specifieke uitkering terugvorderen, als de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed voor 1 mei 2027.

2. In afwijking van het eerste lid kan de minister, indien sprake is van een verlenging van de termijn voor de uitvoering van de activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, het restant van een specifieke uitkering terugvorderen, als de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed voor 1 mei 2028.

Artikel 9

1. De bijlage bij de jaarrekening over het jaar waarvoor de specifieke uitkering wordt verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet of niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024 en vervalt met ingang van 1 mei 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed tweede tranche.

Bijlage I. Verdeling middelen

Bijlage II. Beoordelingscriteria