40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026 | BWBR0049559 | ministeriele-regeling | geldend | 2024-04-12 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0049559 | Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026 |
Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- sport: activiteiten die worden gekenmerkt door een niet te verwaarlozen lichamelijke component;
- sportbedrijf: een aan een gemeente verbonden lichaam als bedoeld in de Beleidsregels inhoudende de beoordeling van aanvragen van gemeenten voor de Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026;
- uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 2
1. Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing, met uitzondering van hoofdstuk 5.
2. Op deze regeling zijn de artikelen 4:5, 4:35, 4:37, 4:38, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
De minister kan jaarlijks aan een gemeente een uitkering verstrekken voor de bestedingen in een kalenderjaar in verband met activiteiten in het kader van sport.
Artikel 4
1.
De bestedingen in verband met activiteiten in het kader van sport kunnen betrekking hebben op de kosten van een gemeente of sportbedrijf voor:
a. a. de nieuwbouw, de verbouw, het onderhoud, het beheer of de exploitatie van onroerende zaken; b. b. de aankoop en het beheer van roerende zaken; en c. c. de dienstverlening door derden.
2.
Op grond van deze regeling wordt geen uitkering verstrekt:
a. a. voor kosten in verband met activiteiten in het betreffende kalenderjaar waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling BOSA; b. b. voor kosten in verband met activiteiten in het kader van bewegingsonderwijs; c. c. voor met btw belastte overheadkosten van gemeenten ten aanzien van de activiteiten in het kader van sport; of d. d. indien voor de kosten van activiteiten op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.
Artikel 5
1. De uitkering per ontvanger bedraagt bij de verlening ten hoogste het bedrag zoals vermeld in de verdeelsleutel in bijlage 1.
2. De uitkering per ontvanger bedraagt bij de vaststelling ten hoogste 18% van de in aanmerking komende bestedingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van enig kalenderjaar.
Artikel 6
1. Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2024 bedraagt € 189.000.000.
2. Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2025 bedraagt € 189.000.000.
3. Het uitkeringsplafond voor het kalenderjaar 2026 bedraagt € 177.000.000.
Artikel 7
1. Een uitkering wordt op aanvraag verstrekt.
2. De aanvraag tot verlening van een uitkering voor kalenderjaar 2026 kan worden ingediend van 5 januari 2026 09:00 uur tot en met 27 februari 2026 13:00 uur.
3. Voor de aanvraag tot verlening van de uitkering wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
Artikel 8
1. De minister neemt binnen dertien weken na sluiting van de aanvraagperiode van het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt aangevraagd een besluit omtrent de verlening van de uitkering.
2. Indien de ontvangen aanvraag op de laatste dag van de aanvraagperiode van het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt aangevraagd incompleet is, kan de termijn van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, met vier weken worden verlengd.
3. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording en de periode waarvoor de uitkering wordt verleend.
Artikel 9
De minister verleent bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, een voorschot van 100%, dat in één keer wordt betaald.
Artikel 10
1. De ontvanger van een uitkering draagt er zorg voor dat gedurende tien jaren na afloop van de uitkeringsperiodeperiode voor de activiteiten waarvoor uitkering is ontvangen geen recht op aftrek van omzetbelasting op grond van de Wet omzetbelasting 1968, dan wel recht op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds, ontstaat.
2. Indien niet aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doet de ontvanger van de uitkering onverwijld melding daarvan aan de minister.
Artikel 11
De ontvanger van een uitkering legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 12
1. Indien de besteding lager is dan het voorschot dat de ontvanger heeft ontvangen, dan zal de verlening ambtshalve worden herzien en wordt het te veel betaalde voorschot teruggevorderd.
2. Indien de besteding hoger is dan het voorschot dat de ontvanger heeft ontvangen, dan kan er een ambtshalve herziening van de verlening plaatsvinden, waarbij de uitkering per ontvanger ten hoogste 18% van de in aanmerking komende bestedingen, als bedoeld in artikel 4, van enig kalenderjaar bedraagt.
3.
De ambtshalve herziening vindt enkel plaats indien:
a. a. de besteding van de ontvanger van een uitkering ten minste € 1.000 hoger zijn dan het voorschot dat de ontvanger heeft ontvangen; en b. b. er ten minste € 2.000.000 resteert binnen het uitkeringsplafond.
4. Indien door toepassing van het eerste en tweede lid het uitkeringsplafond zou worden overschreden, wordt het beschikbare bedrag naar rato verdeeld over de ontvangers als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 13
1. Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend geheel zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op het bedrag dat is bepaald in de verlening dan wel herziene verlening van de uitkering.
2. De minister besluit uiterlijk op 31 juli in het jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 11, over de vaststelling van de uitkering.
Artikel 14
De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant en vervalt met ingang van 1 september 2027.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering stimulering sport 2024–2026.