rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkeringen-stedelijke-en-provinciale-programmas-cultuurbere/BWBR0011811
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkeringen stedelijke en provinciale programma's cultuurbereik BWBR0011811 ministeriele-regeling geldend 2001-01-07 https://wetten.overheid.nl/BWBR0011811 Regeling specifieke uitkeringen stedelijke en provinciale programma's cultuurbereik

Regeling specifieke uitkeringen stedelijke en provinciale programma's cultuurbereik

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

De minister kan van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een uitkering wordt verstrekt, de afwijking nadrukkelijk vermeldt.

Artikel 3

De minister kan in de jaren 2001-2004 aan gemeenten of provincies specifieke uitkeringen verstrekken ten behoeve van één of meer van de volgende onderdelen van het door die gemeente of provincie te voeren cultuurbeleid:

a. a. culturele diversiteit en versterking programmering; b. b. cultuur en school; en c. c. beeldende kunst en vormgeving.

Artikel 4

De uitkering bestaat uit een bedrag ten behoeve van de door de minister in de beslissing tot toekenning van een uitkering aangeduide activiteiten, die worden uitgevoerd overeenkomstig de in de aanvraag aangegeven wijze.

Artikel 5

1.

Onverminderd artikel 41, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, omvat een aanvraag om een uitkering:

a. a. een analyse van de gemeentelijke of provinciale culturele infrastructuur; b. b. de beleidsvoornemens voor de jaren 2001-2004, gebaseerd op de analyse, bedoeld onder a, waarin in ieder geval is opgenomen een planning van de activiteiten en van de kosten in die periode; c. c. een opgave van enkele meetbare doelen en prestaties; d. d. een toelichting op de volgende onderwerpen:

        1º 
        de wijze waarop de kwaliteit van de door de aanvrager te subsidiëren activiteiten door onafhankelijke deskundigen wordt beoordeeld en gewaarborgd;
      
      
        2º 
        de wijze waarop doelgroepen bij de activiteiten zijn betrokken;
      
      
        3º 
         de wijze waarop scholen, culturele of andere instellingen bij de activiteiten zijn betrokken.

1º 1º de wijze waarop de kwaliteit van de door de aanvrager te subsidiëren activiteiten door onafhankelijke deskundigen wordt beoordeeld en gewaarborgd; 2º 2º de wijze waarop doelgroepen bij de activiteiten zijn betrokken; 3º 3º de wijze waarop scholen, culturele of andere instellingen bij de activiteiten zijn betrokken.

2. Indien de aanvraag een uitkering als bedoeld in artikel 3, onder a of b, betreft, omvat de aanvraag tevens een toelichting op de wijze waarop de eigen bijdrage van de aanvrager is samengesteld.

3. Indien de aanvrager een provincie is, omvat de aanvraag tevens een opgave van gemeenten binnen de desbetreffende provincie die bij de activiteiten zijn betrokken, alsmede een toelichting op de wijze waarop met deze gemeenten wordt samengewerkt.

4. Voorzover de aanvraag betrekking heeft op apparaatskosten als bedoeld in artikel 6, wordt de samenstelling van die kosten toegelicht.

5. Onder gemeenten in het derde lid worden ook andere gemeenten dan de gemeenten, genoemd in artikel 1, onder c, verstaan.

Artikel 6

1. Indien een uitkering wordt verstrekt ten behoeve van apparaatskosten van een gemeente of een provincie, dan bedraagt die uitkering binnen de totale uitkering niet meer dan 7% daarvan.

2. Een uitkering voor apparaatskosten wordt uitsluitend verstrekt indien die kosten rechtstreeks verband houden met het na te streven beleidsdoel.

3. Een uitkering voor apparaatskosten die zijn gemaakt in verband met de beleidsdoelen, bedoeld in artikel 3, onder a of b, wordt uitsluitend verstrekt voor de kosten van externe projectleiders of externe adviseurs.

Artikel 7

In de beschikking tot toekenning van een uitkering worden de hoogte en het tempo van de bevoorschotting geregeld.

Artikel 8

De uitkeringen, bedoeld in artikel 3, onder a, bedragen ten hoogste:

Artikel 9

De uitkeringen, bedoeld in artikel 3, onder b, bedragen ten hoogste:

Artikel 10

De uitkeringen, bedoeld in artikel 3, onder c, bedragen ten hoogste:

Artikel 11

Wijzigt de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkeringen stedelijke en provinciale programma's cultuurbereik.