rijk/ministeriele-regeling/regeling-stimulering-projecten-pagw/BWBR0052358
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling stimulering projecten PAGW BWBR0052358 ministeriele-regeling geldend 2026-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0052358 Regeling stimulering projecten PAGW

Regeling stimulering projecten PAGW

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • grote wateren: rijkswateren als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;
  • PAGW: Programmatische aanpak grote wateren;
  • project: project in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • P85-waarde: de waarde bij een kostenraming waarbij de kans 85% is dat de werkelijke kosten van een fase van het project op of binnen die waarde vallen;
  • planuitwerkingsfase: fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief voor een project wordt uitgewerkt;
  • realisatiefase: fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin het project wordt uitgevoerd;
  • fase na realisatie: fase van maximaal tien jaar volgend op de realisatiefase, waarin monitoring, evaluatie, beheer en onderhoud van het project plaatsvindt;
  • rijksbijdrage: een specifieke uitkering of een subsidie op grond van deze regeling;
  • Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018: ramingssystematiek die is vastgelegd in CROW-publicatie nr. D3049;
  • T0-rapportage: vaststelling van de fysieke en ecologische uitgangssituatie voorafgaand aan de start van de realisatiefase van het project;
  • verkenningsfase: fase waarin mogelijke ontwerpen van het project worden afgewogen om te komen tot een voorkeursalternatief.

Artikel 2

De artikelen 6, eerste, vierde en zesde lid, 11, 12, aanhef en onderdelen b, c, e, en i, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, e en f, en tweede lid, 18, 21 en 23, eerste lid van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een rijksbijdrage die op grond van deze regeling wordt verleend.

Artikel 3

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren en faciliteren van de uitvoering van projecten als genoemd in de bijlage bij deze regeling met als oogmerk om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren en de natuur in of bij de grote wateren te versterken.

Artikel 4

1. De minister kan, gelet op het doel in artikel 3, op aanvraag van een provincie, gemeente of waterschap een rijksbijdrage verlenen voor een project.

2.

In de verkenningsfase en de planuitwerkingsfase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de aan deze fase toe te rekenen kosten:

a. a. van het verrichten van onderzoek; b. b. van het opstellen van mogelijke ontwerpen van het project; c. c. van het verkrijgen van de in deze fase benodigde vergunningen en publiekrechtelijke toestemmingen; d. d. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak; e. e. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project, anders dan de kosten, bedoeld in onderdeel d; f. f. van nadeelcompensatie; g. g. van een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; h. h. van monitoring en evaluatie; en i. i. van andere kostenposten dan die bedoeld in de onderdelen a tot en met h, indien de kosten in redelijkheid zijn aan te merken als verkenningskosten of planuitwerkingskosten.

3.

In de realisatiefase van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten:

a. a. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak; b. b. van het verkrijgen van de in deze fase benodigde vergunningen en publiekrechtelijke toestemmingen; c. c. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project, anders dan de kosten, bedoeld in onderdeel a; d. d. van technische- en realisatiewerkzaamheden, voor zover deze geen deel uitmaken van de kosten voortvloeiende uit een overeenkomst als bedoeld in onderdeel c; e. e. van nadeelcompensatie; f. f. van een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; g. g. van monitoring en evaluatie; en h. h. van andere kostenposten dan die bedoeld in de onderdelen a tot en met g, indien de kosten in redelijkheid zijn aan te merken als realisatiekosten.

4. In de fase na realisatie van een project komen voor een rijksbijdrage in aanmerking de in deze fase aan het project toe te rekenen kosten van monitoring, evaluatie, beheer en onderhoud.

5.

Onverminderd het tweede tot en met vierde lid, komen in een fase als bedoeld in die leden voor een rijksbijdrage in aanmerking maximaal 50% van de aan die fase toe te rekenen kosten van personeel van de eigen organisatie, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. a. het betreft kosten ter uitvoering van projectmanagement, projectbeheersing, omgevingsmanagement, technisch management of contractmanagement. b. b. de kosten bedragen maximaal 15% van het totaal aan kosten dat voor een fase als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid voor een rijksbijdrage in aanmerking komt.

6. De raming van de kosten, bedoeld in het tweede en vierde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018, op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische raming of op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

7. De raming van de kosten, bedoeld in het derde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de P85-waarde van een probabilistische raming.

8. De rijksbijdrage voor een project bedraagt maximaal het in de bijlage aangegeven bedrag voor dat project.

Artikel 5

Op grond van deze regeling wordt geen rijksbijdrage voor een project verleend voor:

a. a. kosten van een aanvraag voor een rijksbijdrage; b. b. aan het project toe te rekenen kosten waarvoor reeds een rijksbijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend; c. c. omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds; d. d. kosten die zijn gemaakt vóór de datum van bekendmaking van de selectie van het project als PAGW-project.

Artikel 6

Het rijksbijdrageplafond bedraagt in totaal € 149,8 miljoen, inclusief compensabele BTW.

Artikel 7

1. Een aanvraag voor een rijksbijdrage wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

2. Een aanvraag van een rijksbijdrage heeft betrekking op een fase van een project, bedoeld in het derde tot en met zesde lid.

3.

De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de verkenningsfase van een project gaat vergezeld van:

a. a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°.
        een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van het project;
      
      
        2°.
        een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van alternatieven en het besluitvormingsproces;
      
      
        3°.
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;
      
      
        4°.
        een planning van de verkenning;
      
      
        5°.
        een omschrijving van de belanghebbende partijen, hun betrokkenheid en een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is;
      
      
        6°.
        een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en
      
      
        7°.
        een omschrijving van de resultaten waartoe de verkenningsfase moet leiden;

1°. 1°. een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van het project; 2°. 2°. een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van alternatieven en het besluitvormingsproces; 3°. 3°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; 4°. 4°. een planning van de verkenning; 5°. 5°. een omschrijving van de belanghebbende partijen, hun betrokkenheid en een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is; 6°. 6°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en 7°. 7°. een omschrijving van de resultaten waartoe de verkenningsfase moet leiden; b. b. een raming van de kosten die in de verkenningsfase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage, overeenkomstig artikel 4, zesde lid; c. c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en d. d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op grond van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

4.

De aanvraag voor een rijksbijdrage voor de planuitwerkingsfase van een project gaat vergezeld van:

a. a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°.
        een beschrijving van de in kaart gebrachte en afgewogen alternatieven;
      
      
        2°.
        de beslissing waarin het voorkeursalternatief is vastgelegd;
      
      
        3°.
        een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief;
      
      
        4°.
        een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in het voorkeursalternatief worden meegenomen;
      
      
        5°.
        een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van het voorkeursalternatief;
      
      
        6°.
        Een raming van de kosten van het voorkeursalternatief;
      
      
        7°.
        het milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;
      
      
        8°.
        een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt;
      
      
        9°.
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;
      
      
        10°.
        een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief;
      
      
        11°.
        een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is;
      
      
        12°.
        een raming van de kosten van een monitoringsplan en een T0-rapportage;
      
      
        13°.
        een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en
      
      
        14°.
        een omschrijving van de resultaten waartoe de planuitwerkingsfase moet leiden;

1°. 1°. een beschrijving van de in kaart gebrachte en afgewogen alternatieven; 2°. 2°. de beslissing waarin het voorkeursalternatief is vastgelegd; 3°. 3°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief; 4°. 4°. een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in het voorkeursalternatief worden meegenomen; 5°. 5°. een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van het voorkeursalternatief; 6°. 6°. Een raming van de kosten van het voorkeursalternatief; 7°. 7°. het milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden; 8°. 8°. een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt; 9°. 9°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; 10°. 10°. een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief; 11°. 11°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de planuitwerkingsfase, realisatiefase en fase na realisatie, indien die beschikbaar is; 12°. 12°. een raming van de kosten van een monitoringsplan en een T0-rapportage; 13°. 13°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en 14°. 14°. een omschrijving van de resultaten waartoe de planuitwerkingsfase moet leiden; b. b. een raming van de kosten die in de planuitwerkingsfase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage, overeenkomstig artikel 4, zesde lid; c. c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en d. d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

5.

De aanvraag van een rijksbijdrage voor de realisatiefase van een project gaat vergezeld van:

a. a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°.
        een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;
      
      
        2°.
        de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;
      
      
        3°.
        een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief wordt gerealiseerd en van de resultaten van de realisatiefase;
      
      
        4°.
        een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief worden meegenomen;
      
      
        5°.
        een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;
      
      
        6°.
        het milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;
      
      
        7°.
        de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief;
      
      
        8°.
        de T0-rapportage;
      
      
        9°.
        de planning van de monitoring in de realisatiefase;
      
      
        10°.
        de planning van de monitoring en evaluatie in de fase na realisatie;
      
      
        11°.
        een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de realisatiefase en de fase na realisatie, indien die beschikbaar is;
      
      
        12°.
        het besluit van het bevoegde bestuursorgaan tot de realisatie van het project, waaruit blijkt dat de kosten voor realisatie en de kosten voor het beheer en onderhoud zijn gereserveerd in zijn meerjarige begroting;
      
      
        13°.
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en
      
      
        14°.
         een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos;

1°. 1°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief; 2°. 2°. de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief; 3°. 3°. een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief wordt gerealiseerd en van de resultaten van de realisatiefase; 4°. 4°. een beschrijving of er naast PAGW-doelen ook andere doelen of kansen in de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief worden meegenomen; 5°. 5°. een beschrijving van de verwachte effecten en het verwachte doelbereik van de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief; 6°. 6°. het milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden; 7°. 7°. de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief; 8°. 8°. de T0-rapportage; 9°. 9°. de planning van de monitoring in de realisatiefase; 10°. 10°. de planning van de monitoring en evaluatie in de fase na realisatie; 11°. 11°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de realisatiefase en de fase na realisatie, indien die beschikbaar is; 12°. 12°. het besluit van het bevoegde bestuursorgaan tot de realisatie van het project, waaruit blijkt dat de kosten voor realisatie en de kosten voor het beheer en onderhoud zijn gereserveerd in zijn meerjarige begroting; 13°. 13°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en 14°. 14°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; b. b. een raming van de kosten die in de realisatiefase in aanmerking komen voor een rijksbijdrage overeenkomstig artikel 4, zevende lid; c. c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; d. d. een raming van de kosten in de fase na realisatie, overeenkomstig artikel 4, zevende lid; en e. e. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

6.

De aanvraag voor een rijksbijdrage in de fase na realisatie van een project gaat vergezeld van:

a. a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

        1°.
        een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de realisatiefase;
      
      
        2°.
        vermelding van wanneer het project is gerealiseerd;
      
      
        3°.
        een beschrijving van de wijze waarop de fase na realisatie wordt ingevuld;
      
      
        4°.
        een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd;
      
      
        5°.
        een planning van de fase na realisatie van het project;
      
      
        6°.
        een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de fase na realisatie, indien die beschikbaar is;
      
      
        7°.
        een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en
      
      
        8°.
        een omschrijving van de resultaten waartoe de fase na realisatie moet leiden;

1°. 1°. een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de realisatiefase; 2°. 2°. vermelding van wanneer het project is gerealiseerd; 3°. 3°. een beschrijving van de wijze waarop de fase na realisatie wordt ingevuld; 4°. 4°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; 5°. 5°. een planning van de fase na realisatie van het project; 6°. 6°. een overzicht van de door belanghebbende partijen gereserveerde budgetten voor de fase na realisatie, indien die beschikbaar is; 7°. 7°. een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risicos, een reservering voor voorziene risicos en een reservering voor onvoorziene risicos; en 8°. 8°. een omschrijving van de resultaten waartoe de fase na realisatie moet leiden; b. b. een raming van de kosten die in de fase na realisatie in aanmerking komen voor een rijksbijdrage overeenkomstig artikel 4, zevende lid; c. c. de hoogte van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd; en d. d. de vermelding of voor een deel van de kosten waarvoor de rijksbijdrage wordt aangevraagd reeds een rijksbijdrage is verleend op basis van deze regeling of waarvoor reeds een andere bijdrage ten laste van de rijksbegroting is verleend en, indien de aanvrager een provincie of gemeente is, een opgave van de omzetbelasting die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel is.

7. In afwijking van het derde tot en met zesde lid, kan de minister op de aanvraag voor een rijksbijdrage beslissen dat er voldoende informatie is om de rijksbijdrage te verlenen.

Artikel 8

Een beschikking tot verlening vermeldt in elk geval:

a. a. de fase of fasen van het project waarop de rijksbijdrage betrekking heeft; b. b. het bedrag van de rijksbijdrage; c. c. de wijze waarop het bedrag van de rijksbijdrage is bepaald; d. d. de periode waarin het project wordt uitgevoerd; e. e. een omschrijving van de resultaten waartoe de betreffende fase leidt; en f. f. indien het een provincie of gemeente betreft, het bedrag aan compensabele omzetbelasting dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds.

Artikel 9

1. De minister verleent een voorschot van 80% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de verkenningsfase, planuitwerkingsfase of realisatiefase.

2. De minister verleent een voorschot van 100% binnen zes weken na de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage voor de fase na realisatie.

Artikel 10

1. De minister kan bij de beschikking tot verlening de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van de beschikking tot verlening te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verleend.

2. De ontvanger meldt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7, zo snel mogelijk maar uiterlijk op 15 februari dan wel op 15 augustus van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit, doelbereik of voortgang van het project en gevolgen kan hebben voor de hoogte van de rijksbijdrage.

3. De ontvanger van een rijksbijdrage maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.

4. Bij een melding als bedoeld in het derde lid, verstrekt de ontvanger een inhoudelijk eindverslag over de in die fase behaalde resultaten.

5. Op verzoek van de minister verstrekt de aanvrager jaarlijks voor 1 juli informatie over de voortgang van het project over het voorgaande kalenderjaar.

6. Een ontvanger werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 14.

Artikel 11

1. Provincies en gemeenten leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. Waterschappen leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage overeenkomstig het bij de beschikking tot verlening gevoegde controleprotocol.

3. In afwijking van het tweede lid, kan de minister bij de beschikking tot verlening voor een waterschap een andere wijze van het afleggen van verantwoording over de besteding van de rijksbijdrage opleggen.

Artikel 12

1. De minister stelt de rijksbijdrage vast, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 11, heeft plaatsgevonden.

2. De minister kan een onverschuldigd betaalde rijksbijdrage terugvorderen.

Artikel 13

1. De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van artikel 4, zesde en zevende lid, voor zover toepassing daarvan, gelet op doel of strekking van deze bepalingen, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. De minister kan bij het vaststellen van de rijksbijdrage afwijken van een of meer bepalingen van deze regeling, voor zover toepassing daarvan, gelet op schriftelijke afspraken van de minister met de ontvanger die dateren van voor de inwerkingtreding van de regeling, voor de ontvanger zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 14

De minister publiceert uiterlijk op 1 maart 2031 en daarna ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15

1. Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2026.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2060, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op rijksbijdragen die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering projecten PAGW.

Bijlage . bedoeld in