rijk/ministeriele-regeling/regeling-stimulering-verkeersveiligheidsmaatregelen-20252030/BWBR0050667
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 20252030 BWBR0050667 ministeriele-regeling geldend 2025-10-13 https://wetten.overheid.nl/BWBR0050667 Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 20252030

Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 20252030

Artikel a1

Deze regeling berust mede op de artikelen 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M in samenhang met artikel 92, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvrager: een gemeente, niet behorend tot de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, een provincie, de Vervoerregio Amsterdam, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag namens een tot die regios behorende gemeente, het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba of een waterschap;
  • aanvraagtijdvak: termijn waarbinnen een aanvraag voor een rijksbijdrage kan worden ingediend;
  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • rijksbijdrage: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet, bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 2

De artikelen 6, eerste lid, 8, tweede lid, onder a, 10, vierde lid, onder a tot en met d en f, 11, 12, aanhef en onder b, c en i, 14, eerste en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, e en f, en tweede lid, 18 en 21 van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Artikel 3

Het doel van deze regeling is het stimuleren van het nemen of versnellen van kosteneffectieve en risicogestuurde verkeersveiligheidsmaatregelen op het onderliggend wegennet.

Artikel 4

1. De minister kan op aanvraag een rijksbijdrage verstrekken voor de kosten van het uitvoeren van maatregelen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

2.

De volgende kosten komen voor de verstrekking van een rijksbijdrage in aanmerking:

a. a. uitvoeringskosten; en b. b. infrastructurele kosten.

3.

Op grond van deze regeling wordt geen rijksbijdrage verstrekt voor:

a. a. maatregelen waarvoor reeds een specifieke uitkering, bijzondere uitkering of een subsidie door het Rijk is verstrekt; b. b. maatregelen waarvoor in de begroting van de aanvrager al volledige dekking is; c. c. maatregelen waarvan de uitvoering al begonnen is vóór de inwerkingtreding van deze regeling; d. d. reguliere onderhoudswerkzaamheden; e. e. personele kosten of kosten voor inhuur van personeel ten behoeve van de voorbereiding van werkzaamheden; f. f. grondaankopen; en g. g. omzetbelasting over de kosten van activiteiten en maatregelen voor zover deze omzetbelasting in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of verrekend kan worden.

Artikel 5

1. Het rijksbijdrageplafond voor de jaren 20252030 bedraagt in totaal € 236.000.000,. In bijlage 2 bij deze regeling is voor elke aanvrager bepaald welk bedrag van de rijksbijdrage voor de aanvrager ten hoogste beschikbaar is.

2. De minister stelt per aanvraagtijdvak een plafond vast voor rijksbijdragen die op grond van deze regeling worden verstrekt. Een aanvraagtijdvak en het plafond worden uiterlijk zes weken voor aanvang ervan bekendgemaakt in de Staatscourant. Aanvraagtijdvakken vinden alleen plaats in het jaar 2025.

3. De minister verdeelt de bedragen, bedoeld in het tweede lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 6

De totale rijksbijdrage per subsidieverstrekking bedraagt ten hoogste 50% van de kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met een maximum per ontvanger zoals vermeld in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 7

1. Een rijksbijdrage wordt op aanvraag verstrekt.

2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

3. Rijksbijdragen kunnen worden aangevraagd gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken.

4. In een aanvraagtijdvak kan een aanvrager ten hoogste één aanvraag indienen waarin alle voorgenomen maatregelen worden genoemd.

5.

Onverminderd artikel 10, vierde lid, onder a tot en met d en f, van het Kaderbesluit subsidies I en M, worden in het volledig in te vullen aanvraagformulier, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:

a. a. een overzicht van de locaties waar elke maatregel wordt gerealiseerd; b. b. een beschrijving van de huidige verkeersveiligheidssituatie op elke locatie en een toelichting op de wijze waarop het nemen van de voorgestelde maatregel de verkeersveiligheid op de locatie verbetert en de kans op verkeersongevallen verkleint; c. c. een overzicht met de realisatiedatum van elke maatregel; d. d. dat de aanvrager een risicoanalyse heeft; e. e. dat de aanvrager een uitvoeringsprogramma heeft.

6. De begroting, bedoeld in artikel 10, vierde lid, onder c, van het Kaderbesluit subsidies I en M, specificeert uitsluitend de uitvoerings- en infrastructurele kosten per maatregel en geeft tevens inzicht in de eigen bijdrage en de externe financiering.

7. De aanvraag van de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag gaat tevens vergezeld van een maatregelenprogramma. De door de minister gehonoreerde aanvragen van Vervoerregio Amsterdam en Metropoolregio Rotterdam Den Haag worden uitgevoerd conform de subsidieverordening van de desbetreffende vervoerregio.

Artikel 8

1.

Een besluit tot verlening vermeldt in elk geval:

a. a. de maatregelen waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend; b. b. het bedrag van de rijksbijdrage; c. c. de wijze waarop het bedrag van de rijksbijdrage is bepaald; d. d. en de periode waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend.

2. De minister wijst een aanvraag voor een rijksbijdrage af indien het plafond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, in geval van honorering van de aanvraag zou worden overschreden.

3. De minister kan een aanvraag voor een rijksbijdrage tevens afwijzen, indien de aanvrager naar zijn oordeel in het verleden aanwijsbaar onvoldoende inspanning heeft gepleegd om eerder toegekende maatregelen te realiseren.

Artikel 9

1. De minister keert bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 8, een voorschot van 100% uit.

2. Het voorschot wordt uiterlijk zes weken na de dagtekening van het besluit tot verlening uitgekeerd.

Artikel 10

Voor zover de rijksbijdrage wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een rijksbijdrage vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 11

1. De ontvanger besteedt de rijksbijdrage uitsluitend aan de maatregelen waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend.

2. Alle maatregelen waarvoor een rijksbijdrage is verstrekt, zijn uiterlijk op 31 december 2028 gerealiseerd.

Artikel 12

1. Provincies, gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, namens de daartoe behorende gemeenten, leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. Waterschappen leggen verantwoording af over de besteding van de rijksbijdrage overeenkomstig de Regeling informatieverstrekking sisa.

3. De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zenden informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de activiteiten uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Minister in de vorm van de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 28 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 13

De minister stelt de rijksbijdrage vast op 31 december van het jaar waarin de laatste verantwoording, bedoeld in artikel 12, heeft plaatsgevonden.

Artikel 13a

1. De Minister stelt de bijzondere uitkering overeenkomstig de verlening vast.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de bijzondere uitkering lager worden vastgesteld dan het bij beschikking verleende bedrag als:

a. a. de activiteiten waarvoor de bijzondere uitkering is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. b. de aanvrager niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de bijzondere uitkering; c. c. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van een bijzondere uitkering zou hebben geleid; of d. d. de verlening van een bijzondere uitkering anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten.

3.

De Minister kan de bijzondere uitkering geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:

a. a. de aanvrager niet tijdig de laatste verantwoording heeft ingediend; of b. b. de beschikking tot verlening van een bijzondere uitkering wordt ingetrokken of ten nadele van de aanvrager wordt gewijzigd.

Artikel 13b

1.

Zolang de bijzondere uitkering niet is vastgesteld kan de Minister de verlening van de bijzondere uitkering intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien:

a. a. de activiteiten waarvoor bijzondere uitkering is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. b. de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de bijzondere uitkering verbonden verplichtingen; c. c. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de bijzondere uitkering zou hebben geleid; of d. d. de verlening van de bijzondere uitkering anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.

2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijzondere uitkering is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 13c

1.

De Minister kan de vaststelling van de bijzondere uitkering intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

a. a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de vaststelling van de bijzondere uitkering redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijzondere uitkering lager dan overeenkomstig de verlening van de bijzondere uitkering zou zijn vastgesteld; b. b. indien de vaststelling van de bijzondere uitkering onjuist was en de ontvanger van de bijzondere uitkering dit wist of behoorde te weten; of c. c. indien de ontvanger van de bijzondere uitkering na de vaststelling van de bijzondere uitkering niet heeft voldaan aan de aan de bijzondere uitkering verbonden verplichtingen.

2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijzondere uitkering is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

3. De vaststelling van de bijzondere uitkering kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

Artikel 13d

1. De verplichting tot betaling van een bijzondere uitkering of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister aan de ontvanger van de bijzondere uitkering schriftelijk kennisgeeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 13b of 13c, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.

2. De Minister kan onverschuldigd betaalde bedragen van de bijzondere uitkering terugvorderen.

3. Terugvordering van een bijzondere uitkering of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de bijzondere uitkering is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 13c, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 14

De minister publiceert voor 1 januari 2029 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de rijksbijdrage in de praktijk.

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 januari 2025 en werkt terug tot en met 1 januari 2025. De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op een rijksbijdrage die voor die datum is verstrekt.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen 20252030.

Bijlage 1. bedoeld in

De volgende maatregelen komen voor de verstrekking van een rijksbijdrage in aanmerking.

Bijlage 2. bedoeld in de

Op de volgende rijksbijdrage kan de aanvrager ten hoogste aanspraak maken gedurende de looptijd van deze regeling.