40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg | BWBR0032159 | ministeriele-regeling | geldend | 2019-11-11 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032159 | Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg |
Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*de minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. b.
*A1-rit:* een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;
c. c.
*ambulancebijstandsplan:* protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;
d. d.
*buitenlandvervoer:* het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;
e. e.
*directeur meldkamer:* de directeur meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s;
f. f.
*directeur publieke gezondheid:* de directeur publieke gezondheid, bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
g. g.
*gewondenspreidingsplan:* overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen;
h. h.
*partners in de acute zorgketen:* huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio;
i. i.
*ROAZ:* het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen;
j. j.
*triage:* het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.
Hoofdstuk II. Spreiding en beschikbaarheid
Artikel 2
1. De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.
2. De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.
3. De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.
4. De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.
Hoofdstuk III. Landelijke eisen ambulancezorg
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 3
De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.
Artikel 4
De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.
Artikel 5
De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.
Artikel 6
Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.
Paragraaf 2. De cliënt
Artikel 7
1. De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.
2. De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.
3. De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 8
1.
De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:
a. a. op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en b. b. zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.
2. De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.
Paragraaf 3. Prijs en doelmatigheid
Artikel 9
1. De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.
2. De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.
3. De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt. In afwijking van de eerste zin wordt de jaarrekening over het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 vastgesteld.
4. In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
5. De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.
Paragraaf 4. Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s
Artikel 10
De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.
Artikel 11
1.
Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:
a. a. de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren), b. b. de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie, c. c. de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en d. d. de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.
2. De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.
Paragraaf 5. Het personeel
Artikel 12
1. De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.
2. Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.
3. Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.
4. De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.
5. De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.
Paragraaf 6. De organisatie
Artikel 13
De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.
Artikel 14
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.
Artikel 15
De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.
Artikel 16
De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.
Paragraaf 7. De meldkamer ambulancezorg
Artikel 17
Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.
Artikel 18
1. De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijke afspraken met het bestuur van de veiligheidsregio, bedoeld in artikel 9 van de Wet veiligheidsregio’s, en de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012, over de bestuurlijke en operationele samenwerking in de meldkamer.
2.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:
a. a. de verdeling van taken in de meldkamer, b. b. de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement, c. c. het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur, d. d. de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens, e. e. de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en f. f. het continuïteitsplan voor de meldkamer.
Artikel 19
1. De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.
2. De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat in de meldkamer de zorgintake en de zorgindicatie geschiedt door een op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundige.
Paragraaf 8. Opschaling
Artikel 20
1. De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.
2.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a. a. de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie, b. b. de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet, c. c. de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel, d. d. de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt, e. e. de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en f. f. het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
Artikel 21
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.
Paragraaf 9. Regionale eisen ambulancezorg
Artikel 22
1. Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.
2. Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.
Hoofdstuk IV. Gegevensverstrekking ambulancezorg
Artikel 23
Vervallen
Artikel 24
Vervallen
Hoofdstuk V. Bijzondere ambulancezorg
Paragraaf 1. Uitzonderingen
Artikel 25
1.
Het in hoofdstuk II van de Tijdelijke wet ambulancezorg bepaalde geldt niet voor:
a. a. vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:
–
van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;
–
in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;
– – van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten; – – in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen; b. b. vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein; c. c. vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009; d. d. vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt; e. e. vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard; f. f. vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt; g. g. het buitenlandvervoer.
2. Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.
3.
Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:
a. a. voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen; b. b. voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.
Paragraaf 2. Landelijke eisen voor buitenlandvervoer
Artikel 26
Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.
Artikel 27
1. De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).
2. Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.
Artikel 28
De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.
Artikel 29
De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.
Artikel 30
De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.
Artikel 31
De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.
Artikel 32
1. De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.
2. In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
3. In afwijking van het eerste lid wordt de jaarrekening over het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 vastgesteld.
Artikel 33
1.
De vervoerder overlegt aan de minister de volgende gegevens:
a. a. de jaarrekening, bedoeld in artikel 32, eerste lid, b. b. de gegevens, bedoeld in bijlage 3.
2. De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.
3. In afwijking van het tweede lid worden de gegevens die betrekking hebben op het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 verstrekt. De gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens met betrekking tot 2019 worden vóór 1 oktober 2020 openbaar gemaakt.
Artikel 34
De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.
Hoofdstuk Va. Overgangsrecht
Artikel 34a
De artikelen 23 en 24 alsmede bijlage 2, zoals die luidden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van de Wijziging Regeling verslaggeving WTZi verslagjaar 2020, blijven van toepassing op de door een Regionale Ambulancevoorziening op grond van artikel 10 van de Tijdelijke wet ambulancezorg te verstrekken gegevens over het jaar 2019.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 35
Wijzigt het Besluit 1-1-2 alarmcentrales.
Artikel 36
Wijzigt de PODACS-regeling.
Artikel 37
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt.
Artikel 38
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.
Bijlage 1. Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-12-2019 na pagina 46
RIVM Briefrapport 2019-0157
Publiekssamenvatting
Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 626 ambulances nodig, twaalf meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen overdag twaalf en op zondagen overdag elf ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald.
De stijging op landelijk niveau van twaalf ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 3,2 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 2,4 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 5,8 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent.
De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land.
In opdracht van het Ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2018.
Kernwoorden: ambulancezorg, referentiekader, spreiding en beschikbaarheid, capaciteitsmodel
Synopsis
Based on production data for 2018, RIVM calculated how many ambulances are needed in the Netherlands. On workdays 626 ambulances are needed during the day, twelve more than calculated for 2017. On workdays in the evening, nine more ambulances are needed. On weekends, this varies between five and twelve ambulances, depending on the day and time.
The increase of the number of ambulances needed is more than in 2017. In 2017, compared to the year before, five more ambulances were needed. The slight increase in the number of ambulances needed is related to the increase in the number of emergency ambulance services and the average service time in 2018. The number of emergency services increased by 2.0 percent, the number of planned services decreased by 4.0 percent. The average service time increased by 3.2 percent for emergency services with A1-urgency, by 2.4 percent for A2-urgent services and by 5.8 percent for planned services.
The required capacity of ambulance care in the Netherlands is calculated using a national ambulance plan. This is a framework that defines the number of ambulances with which ambulance care can be carried out in the Netherlands, given a number of preconditions, such as the time after notification within which an ambulance must be on site and the distribution of the stations.
On behalf of the Ministry of Health, Welfare and Sport, RIVM updated the national ambulance plan in 2019 with figures on the use of ambulance care in the Netherlands in 2018.
Keywords: ambulance care, national ambulance plan, distribution and availability, capacity model
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per Regionale Ambulancevoorziening (RAV)-regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het referentiekader wordt jaarlijks geactualiseerd. In 2019 is het referentiekader opnieuw doorgerekend op basis van productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2018. In deze actualisatie is gebruik gemaakt van dezelfde rekenmodellen als in de vorige doorrekening die in 2018 heeft plaatsgevonden.
De capaciteitsberekeningen van het referentiekader zijn gebaseerd op de productiecijfers over 2018. Deze productiecijfers worden door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in het Sectorkompas Ambulancezorg. Voor het referentiekader wordt, op basis van bepaalde uitgangspunten en randvoorwaarden, een aantal ritten uit de productie weggelaten. Dit betreft inzetten zonder tijdenregistratie en inzetten van een rapid responder waarbij er een tweede ambulance is ingezet. Op basis van deze filters wordt 0,9 procent van de totale productie uit de selectie gefilterd. Het referentiekader gaat uit van 1.310.461 inzetten, waarvan 608.682 met A1-urgentie, 374.845 met A2-urgentie en 326.934 inzetten in de planbare ambulancezorg (B-urgentie). In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2018 is dat een stijging van in totaal 0,6 procent. Tussen regio’s bestaan grote verschillen in productiegroei. De groei van de totale productie varieert tussen –4,0 en +5,0 procent.
Voor het referentiekader is er één bewerking van de gegevens, namelijk een herverdeling van spoedritten. Deze herverdeling wordt ook wel een ‘correctie voor burenhulp’ genoemd en is uitgangspunt van het referentiekader. Uitgaande van het adres waar de ambulance de patiënt heeft verzorgd, het ‘afhaaladres’, worden inzetten toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats, op basis van kortste rijtijd. De standplaats bepaalt aan welke RAV de productie voor de capaciteitsberekening wordt toegewezen. De standplaatslocaties zijn afkomstig uit het spreidingsplan van het referentiekader. Door de herverdeling kan een deel van de productie van een RAV worden toegewezen aan een andere RAV. Het totaal aantal inzetten blijft onveranderd door de herverdeling. Inzetten in de planbare ambulancezorg worden niet herverdeeld maar blijven toegewezen aan de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.
De gemiddelde ritduur is geschat aan de hand van een selectie van ritten met valide tijdenregistratie. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten (urgent en planbaar) toegenomen: met 2 minuten en 1 seconde (A1-urgentie), 1 minuut en 28 seconden (A2-urgentie) en 4 minuten en 43 seconden (B-urgentie).
De capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden uitgevoerd op regionaal niveau, met differentiatie naar dagsoort en uur van de dag. In het model wordt op detailniveau het aantal uren ambulancezorg bepaald waarvoor ambulancecapaciteit nodig is. In totaal gaat het referentiekader uit van 1.528.388 uren verleende ambulancezorg in 2018, een stijging van 4,1% ten opzichte van 2017. Daarvan zijn 1.064.244 uren spoedeisende ambulancezorg en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Ten opzichte van 2017 is het aantal geleverde uren spoedeisende ambulancezorg in 2018 met 4,9% gestegen. De stijging van het aantal uren planbare ambulancezorg was 2,6%. Ten opzichte van het totaal aantal van 8.760 beschikbare uren op jaarbasis werd door de Nederlandse ambulancezorg in 2018 elk uur 174 uur ambulancezorg geleverd. Een stijging van 4 uur (4,1%) ten opzichte van 2017.
Op werkdagen overdag (8–16 uur) zijn 626 ambulances nodig. Dit zijn twaalf meer dan in het referentiekader-2018. Op werkdagen in de avonduren (16–24 uur) zijn er negen ambulances meer nodig, in de nachturen (0–8 uur) zijn er vier ambulances meer nodig dan in het referentiekader-2018. Op zaterdagen en zondagen varieert het aantal extra benodigde ambulances tussen +5 en +11. Omgerekend naar het aantal benodigde diensten betekent dit dat volgens het referentiekader-2019 er 9.039 diensten ambulancezorg nodig zijn, 2,0% meer dan in 2018 was berekend. Een dienst is hierbij gedefinieerd als het verlenen van 8 uur ambulancezorg door een ambulanceteam. Voor het verlenen van ambulancezorg over een etmaal zijn dan drie diensten nodig.
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per RAV in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de capaciteit die nodig is om voldoende geografische dekking te garanderen. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een bepaald minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het rekenmodel waarmee de benodigde capaciteit wordt berekend is hierop toegesneden. De berekeningen zijn gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg in een basisjaar.
De Minister van VWS stelt het referentiekader vast. Dat gebeurde voor het eerst in 2004, actualisaties volgden in 2008, 2013, 2016, 2017 en in 2018 (Ministerie van VWS, 2004; 2008; 2013; 2016; 2017; 2018). De uitkomsten van het referentiekader vormen de basis voor het bekostigingsmodel voor de ambulancezorg dat door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt beheerd. Het RIVM beheert de rekenmodellen voor het referentiekader en rekent deze in opdracht van het Ministerie van VWS door (PVAZ, 2004), (Kommer en Zwakhals, 2009; 2013a; 2016; Kommer en Mulder, 2017; 2018). Naast deze rapportages van het referentiekader zijn de afgelopen jaren drie achtergrondrapporten gepubliceerd. Een gedetailleerde documentatie van het rijtijden en capaciteitsmodel is gegeven in het achtergrondrapport uit 2011 (Kommer en Zwakhals, 2011). In de achtergrondrapporten uit 2013 en 2017 zijn verschillende modelvarianten uitgewerkt die inzicht bieden in het effect van alternatieve uitgangspunten en aannames op de uitkomsten van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2013; Kommer et al.; 2017).
In opdracht van het Ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd. Dit rapport geeft hiervan verslag. De rekenmodellen, uitgangspunten en randvoorwaarden zijn gelijk aan het referentiekader-2018. Het enige verschil ten opzichte van het referentiekader-2018 is gelegen in de gebruikte ritgegevens. Het referentiekader-2018 maakte gebruik van ritgegevens over het productiejaar 2017, het referentiekader-2019 is gebaseerd op ritgegevens over 2018. De ritgegevens, het aantal inzetten en de ritduur, bepalen het aantal uren ambulancezorg waarop de capaciteitsberekeningen zijn gebaseerd. Nieuw in 2019 is dat het RIVM ritgegevens die gebruikt worden in het capaciteitsmodel van het referentiekader, deelt met de RAV’s en zorgverzekeraars. Deze tabel met ritgegevens is te groot voor opname in het rapport en wordt daarom digitaal toegestuurd. Aan de hand van deze gegevens kunnen de partijen een inschatting maken van het volume en de kosten van de grensoverschrijdende assistentie waar het referentiekader vanuit gaat.
In de toelichting op de bewerking van de ritgegevens voor de doorrekening van het referentiekader is het noodzakelijk om bepaalde kenmerken van de ambulancezorg en de geregistreerde ritgegevens te bespreken. De terminologie die in dit rapport wordt gehanteerd sluit aan bij het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg van Ambulancezorg Nederland (AZN, 2013). Voor de leesbaarheid wordt in enkele gevallen alternatieve terminologie gebruikt. Meestal wordt de term inzet gehanteerd voor een dienstverlening door een ambulance maar soms spreken we van een rit. In de meeste gevallen vindt er bij een inzet/rit daadwerkelijk vervoer van de patiënt plaats, dit zijn declarabele inzetten. In een aantal gevallen wordt ter plaatse eerste hulp verleend maar vindt geen vervoer van de patiënt plaats. Dit zijn EHGV-inzetten (Eerste hulp geen vervoer). In sommige gevallen wordt geen patiënt aangetroffen of wordt ter plaatse geconcludeerd dat hulpverlening niet noodzakelijk is. In die gevallen is er noch hulpverlening geweest noch vervoer. Dit zijn zogenaamde loze ritten. In al deze gevallen is de ambulance ter plaatse gekomen. Er zijn ook gevallen waarbij de inzet vroegtijdig wordt geannuleerd of afgebroken. Als de ambulance op het tijdstip van annulering al rijdt is er sprake van een afgebroken rit. Als het ambulanceteam wel een opdracht heeft gekregen, maar nog niet is uitgerukt, is er sprake van een geannuleerde rit. Inzetten van de ambulance hebben altijd een urgentiecodering. Voor spoedeisende inzetten is dit een A-urgentie. Bij levensbedreigende situaties wordt een inzet onder A1-urgentie uitgevoerd, anders is er A2-urgentie. Naast de spoedeisende inzetten zijn er ook inzetten in de planbare ambulancezorg. Dit zijn inzetten met B-urgentie, hierbij wordt een tijdstip afgesproken voor het halen of brengen van een patiënt. Vaak wordt de patiënt van of naar een ziekenhuis of andere zorginstelling gebracht voor therapie of behandeling. Het planbare vervoer wordt soms ook besteld vervoer of B-vervoer genoemd.
De regio-indeling van het referentiekader wijkt af van de reguliere RAV-indeling omdat in het referentiekader de zogenaamde ‘eilandbenadering’ wordt gehanteerd. In deze benadering wordt de capaciteitsberekening voor de Waddeneilanden, voor Goeree-Overflakkee en voor de Zeeuwse (schier-)eilanden apart berekend. Ook wordt de capaciteitsberekening voor de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland apart gedaan, waar deze twee regio’s in de praktijk in veel opzichten organisatorisch één geheel vormen. In Bijlage 1 is een nummering gegeven van de regio’s zoals in het referentiekader gehanteerd. Deze nummering wordt in een aantal tabellen in dit rapport gehanteerd. Voor de productiecijfers, zoals gehanteerd in het Sectorkompas Ambulancezorg, voorheen de rapportage Ambulances in-zicht, hanteren we de term ‘RAV’, voor de indeling van het referentiekader hanteren we de term ‘regio’.
In hoofdstuk 2 worden de productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg besproken. Paragraaf 2.1 geeft de cijfers zoals de ambulancesector publiceert in het Sectorkompas Ambulancezorg. De selecties die voor het referentiekader zijn gedaan worden in paragraaf 2.2 besproken. In paragraaf 2.3 zijn de cijfers van de gemiddelde ritduur gegeven. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en geeft een discussie op de actualisatie van het referentiekader. In de bijlages van dit rapport is detailinformatie van de modellering en bewerking van de ritgegevens.
Cijfers over de vraag naar, het aanbod van en de prestaties in de ambulancezorg in Nederland worden jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) op de website Sectorkompas Ambulancezorg gepubliceerd1https://www.ambulancezorg.nl/sectorkompas. Voor 2017 heette deze rapportage Ambulances in-zicht. Het RIVM verzorgt sinds 2008 de verzameling en analyse van de logistieke gegevens. In de jaarlijkse cyclus wordt in januari begonnen met het verzamelen van ritgegevens. Meestal zijn de productie- en prestatiecijfers in juni vastgesteld. Voor deze vaststelling is er afstemming van de RIVM-analyses met de 25 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). Er wordt aan elke RAV goedkeuring gevraagd van de door het RIVM geanalyseerde productie- en prestatiecijfers.
Dit hoofdstuk beschrijft de selecties van ritgegevens voor het referentiekader. De productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg liggen aan de basis van het referentiekader (paragraaf 2.1). Voor het referentiekader wordt een aantal inzetten uitgesloten, dit gebeurt op grond van de uitgangspunten van het referentiekader (paragraaf 2.2). Voor de schattingen van de gemiddelde ritduur zijn enkele specifieke selecties gedaan (paragraaf 2.3).
De productie van de Nederlandse ambulancezorg in 2018 is gegeven in tabel 2.1. Deze cijfers hebben betrekking op de reguliere productie en zijn door AZN gepubliceerd op de website Sectorkompas Ambulancezorg (AZN, 2018). Details over de selectie van inzetten voor de productiecijfers van de ambulancezorg, de nadere selecties voor het referentiekader en de herverdeling van spoedritten die voor het referentiekader wordt uitgevoerd zijn gegeven in Bijlage 3.
De totale productie van de ambulancezorg is in 2018 met 0,7 procent gestegen. Het aantal spoedeisende inzetten steeg met 2,0 procent, het aantal planbare inzetten daalde met 3,0 procent. Het aantal inzetten met A1-urgentie is in 2018 met 0,6% toegenomen, het aantal inzetten met A2-urgentie is met 4,5% toegenomen. Opvallend zijn de grote verschillen tussen de regio’s. De RAV met de grootste stijging van de totale productie had 5,3% stijging (Groningen), de RAV met de grootste afname van de totale productie had 2,4% afname (Rotterdam Rijnmond). Per urgentiesoort zijn de verschillen tussen minimum en maximum groei nog groter: bij A1-urgentie varieert de groei tussen –9,9% en +11,5%, bij A2-urgentie tussen –3,8% en +22,7% en bij de planbare ambulancezorg tussen –2,3% en +9,2%. Er is geen onderzoek gedaan naar de achtergronden van deze verschillen in groeicijfers.
^1 Cijfers van de RAV’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland zijn in deze tabel samengenomen onder RAV Amsterdam/Waterland.
^2 In de productiecijfers van RAV Kennemerland zijn inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen.
Voor de capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden drie soorten inzetten uit de productie niet meegenomen. Het gaat om de volgende inzetten:
Na het uitfilteren van deze inzetten is er nog een bewerking van de ritgegevens. Hierbij worden de spoedritten herverdeeld naar de dichtstbijzijnde standplaats en de bijbehorende RAV, op basis van kortste rijtijd en uitgaande van de locatie van het incident, het ‘afhaaladres’. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt alleen een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. De planbare ambulancezorg wordt niet herverdeeld. De planbare ambulancezorg (B-urgentie) blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering3In de ‘eilandbenadering’ van het referentiekader worden de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse (schier-)eilanden als aparte regio’s beschouwd, de benodigde capaciteit wordt voor deze ‘eilanden’ apart berekend. die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat de planbare ambulancezorg van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van de planbare ambulancezorg van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De inzetten in de planbare ambulancezorg van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.
Spoedeisende inzetten in het buitenland worden wel meegenomen in de capaciteitsberekeningen maar vallen buiten de herverdeling. Het betreft hier reguliere inzetten in de grensstreek met Duitsland en België. Repatriëring van patiënten valt hier niet onder. Inzetten van specifieke buitenlandvervoerders, voor bijvoorbeeld repatriëring van patiënten uit het buitenland, vallen buiten de reguliere productie. Spoedritten in het buitenland worden niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten omdat buitenlandse adressen niet voorkomen in de verzorgingsgebieden van standplaatsen. De buitenlandse inzetten worden toegewezen aan de uitvoerende RAV. De gegevens van de spoedeisende inzetten in het buitenland zijn ook meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. In 2018 zijn 344 inzetten in het buitenland uitgevoerd, 123 inzetten met A1-urgentie, 61 met A2-urgentie en 160 inzetten planbare ambulancezorg. Ten opzichte van de ritgegevens over 2017 zijn er 15% meer spoedeisende inzetten in het buitenland uitgevoerd en 48% minder planbare inzetten.
Tabel 2.2 geeft een overzicht van de uitgefilterde ritten. Bijlage 3 geeft details van deze selecties. Tabel 2.3 geeft een overzicht op RAV-niveau van het aantal inzetten dat uit de selectie is gefilterd en de aantallen inzetten in de herverdeling van spoedritten tussen regio’s. Tabel 2.4 geeft de aantallen inzetten naar urgentie zoals in het capaciteitsmodel van het referentiekader gehanteerd.
^1 De productie 2018 is conform Tabel 2.1.
^1 De productie van RAV Zaanstreek-Waterland is uit de totale productie van Amsterdam-Waterland geschat op basis van afhaaladres van de spoedeisende inzet.
In de capaciteitsberekening van het referentiekader wordt het aantal benodigde ambulances bepaald aan de hand van het aantal uren ambulancezorg dat is geleverd. Het aantal uren ambulancezorg wordt berekend door het aantal inzetten van tabel 2.4 te vermenigvuldigen met een gemiddelde ritduur. De ritduur is gedefinieerd als de tijd tussen het tijdstip ‘einde rit’ en het tijdstip ‘vertrek ambulance’. Als het tijdstip ‘einde rit’ niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip ‘vrijmelden’. In de berekening van de gemiddelde ritduur worden extreme waarden niet meegenomen:
De gemiddelde ritduur wordt per regio (34 regio’s) en urgentietype (3 urgenties), per tijdsinterval van twee uur (12 blokuren) en soort dag (werkdag, zaterdag, zondag) berekend. Inzetten in het buitenland in 2018 zijn integraal meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. Tabel 2.5 geeft een overzicht van de geaggregeerde gemiddelde ritduur per regio en urgentieklasse en een vergelijking met de cijfers over 2017.
Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2018 met 2 minuten en 1 seconde toegenomen naar 65 minuten en 35 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 1 minuut en 28 seconden seconden toegenomen naar 63 minuten en 53 seconden. De gemiddelde ritduur van planbare ambulancezorg is in 2018 met 4 minuten en 43 seconden toegenomen tot 85 minuten en 22 seconden.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de doorrekening van het capaciteitsmodel van het referentiekader gepresenteerd. Het capaciteitsmodel en de manier waarop de berekening van de benodigde capaciteit plaatsvindt, is beschreven in achtergrondrapporten (Kommer en Zwakhals, 2011; 2013). Zonder in de details van deze rapporten te treden schetsen we hier kort de globale berekeningswijze.
Het capaciteitsmodel van het referentiekader berekent het aantal benodigde ambulances aan de hand van de ritgegevens in hoofdstuk 2. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de invoervariabelen van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader voor de jaren 2016-2019. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van 1.528.388 uren ambulancezorg, waarvan 1.064.244 uren spoedeisende inzetten en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 4,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
Het capaciteitsmodel bestaat uit drie deelmodellen: een model voor spoedvervoer, een model voor de geografische paraatheid en een model voor planbare ambulancezorg. Het deelmodel voor het spoedvervoer berekent aan de hand van de zogenaamde ‘faalkans’-methode hoeveel ambulances nodig zijn om in 95% van de gevallen een ambulance beschikbaar te hebben. ‘Beschikbaar’ betekent hier aanwezig om ingezet te worden. De faalkans van 5% is een uitgangspunt van het referentiekader en door het Ministerie van VWS, Zorgverzekeraars Nederland en Ambulancezorg Nederland vastgesteld. Het aantal benodigde ambulances wordt per regio opgehoogd met het aantal standplaatsen van het spreidingsplan van het referentiekader. Deze zijn gegeven in Bijlage 2. Tot slot wordt in het deelmodel voor de planbare ambulancezorg de benodigde capaciteit voor het verzorgen van de planbare ambulancezorg berekend, op basis van het aantal uren planbare ambulancezorg. In de berekening wordt een bezettingsgraad gehanteerd en er vindt een overheveling plaats van restcapaciteit van het spoedvervoer naar de planbare ambulancezorg.
Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samengegaan in de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Deze nieuwe gemeente is onderdeel geworden van de provincie Utrecht. Voor het referentiekader betekent dit dat standplaats Meerkerk, onderdeel van het spreidingsmodel van het referentiekader, onder RAV Utrecht valt en niet meer onder RAV Zuid-Holland Zuid. RAV Utrecht heeft dus een standplaats meer dan in het referentiekader-2018, RAV Zuid-Holland Zuid een standplaats minder. RAV Utrecht krijgt capaciteit berekend voor de spoedeisende inzetten in het verzorgingsgebied van standplaats Meerkerk.
Het eindresultaat van het capaciteitsmodel is het aantal benodigde ambulances per dagsoort en per blok van acht uren. Tabel 3.1 geeft de resultaten van het referentiekader-2019 per regio, dagsoort en blok van acht uren, tabel 3.2 geeft het verschil met het referentiekader-2018. In Nederland zijn op werkdagen overdag 626 ambulances nodig. Dat zijn twaalf meer dan in het referentiekader-2017. Ook op zaterdagen overdag zijn twaalf ambulances meer nodig, op zondag overdag zijn dit er elf. In de avonduren zijn er negen (werkdagen) of tien (zaterdagen en zondagen) meer ambulances nodig, in de nacht vier (werkdagen) of vijf (zaterdagen en zondagen)
Op basis van het aantal benodigde ambulances is het aantal diensten per week bepaald. Een dienst is hier gedefinieerd als een werkduur van een ambulanceteam van 8 uur. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar dienstvorm (parate dienst, aanwezigheidsdienst of 24-uurs dienst). Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, conform het aantal werkdagen in een week. Tabel 3.3 geeft het aantal benodigde diensten per week. In heel Nederland zijn per week 9.039 diensten nodig. Dat zijn 177 meer dan in het referentiekader-2018, een toename van 2,0%.
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2019 geactualiseerd op basis van productiecijfers over 2018. Hierbij zijn de rekenmodellen onveranderd ten opzichte van de vorige doorrekening uit 2018.
De productie van de Nederlandse ambulancezorg wordt door Ambulancezorg Nederland gepubliceerd op de website Sectorkompas Ambulancezorg. Het totaal aantal inzetten in 2018 was 1.322.844. Voor het referentiekader worden op basis van uitgangspunten van het referentiekader 11.913 inzetten uit de productie gefilterd. Het merendeel van de uitgefilterde inzetten zijn inzetten van een rapid responder waarbij een tweede voertuig is ingezet voor vervoer van de patiënt. Op basis van deze filters wordt 0,9% van de productie uit de selectie gefilterd. Het referentiekader-2019 gaat uit van 1.310.461 inzetten, waarvan 608.682 met A1-urgentie, 374.845 met A2-urgentie en 326.934 inzetten in de planbare ambulancezorg (B-urgentie). In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2018 is dat een productiestijging van 0,6%. Tussen regio’s bestaan grote verschillen in productiegroei, de groei van de totale productie varieert tussen -4,0% en +5,0%. De capaciteitsberekeningen van het referentiekader gaan uit van een schatting van het aantal uren ambulancezorg in 2018. Hiervoor is de gemiddelde ritduur van belang. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten toegenomen: met ruim 2 minuten (A1-urgentie), bijna anderhalve minuut (A2) en met vier minuten en ruim veertig seconden (B urgentie). In het capaciteitsmodel wordt gerekend op het niveau van regio, dagsoort en uur van de dag en zijn de gemiddelde ritduren gedifferentieerd. In totaal wordt voor het referentiekader uitgegaan van 1.528.388 uren ambulancezorg, waarvan 1.064.244 uren spoedeisende inzetten en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 4,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er op werkdagen overdag 626 ambulances nodig zijn. Dat zijn er twaalf meer ten opzichte van het referentiekader-2018. Ook op zaterdagen overdag zijn twaalf meer ambulances nodig, op zondagen overdag zijn dit er elf. In de avonduren zijn er tien (zaterdagen) of negen (werkdagen en zondagen) meer ambulances nodig. In de nachturen zijn dit er vier (werkdagen) of vijf (zaterdagen en zondagen).
Volgens het referentiekader-2019 zijn er 9.039 diensten nodig. Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, het aantal werkdagen in een week. Ten opzichte van het referentiekader-2018 zijn in 2019 177 meer diensten nodig, een toename van 2,0% ten opzichte van het referentiekader-2018.
De totale productie van de Nederlandse ambulancezorg is in 2018 licht gestegen ten opzichte van 2017. Er was een daling van drie procent van het planbare vervoer en een stijging van twee procent van het spoedvervoer. Er is geen onderzoek gedaan naar de achtergronden van deze veranderingen.
In de rapportage van het referentiekader-2018 is genoemd dat de registratie van ritgegevens in 2017 was verbeterd. Over 2018 kunnen we voor de meeste regio’s deze conclusie ook trekken. Enkele regio’s echter hadden problemen in de registratie. Voor één aanbieder was dit een incidenteel probleem in de koppeling van de meldtijd in het systeem. Dit probleem is inmiddels opgelost, maar een gevolg voor de ritgegevens over 2018 is dat er ruim 200 inzetten een onjuiste tijdenregistratie hadden en niet in de selectie voor het referentiekader zijn meegenomen.
De stijging van 4,1% in 2018 van het aantal uren ambulancezorg in de cijfers voor het referentiekader leidt tot een stijging van 2,0% van het aantal diensten: van 8.862 diensten in het referentiekader-2018 tot 9,039 in het referentiekader-2019. De relatie tussen het aantal uren geleverde ambulancezorg en de benodigde capaciteit is niet evenredig omdat in het rekenmodel de bezettingsgraad van ambulances een rol speelt. Een hogere productie, in aantal uren ambulancezorg, leidt in het model tot een hogere bezettingsgraad van ambulances. De bezettingsgraad kan blijven toenemen tot een bepaalde grenswaarde wordt bereikt en de kans dat er geen vrije ambulance beschikbaar is bij een volgende melding groter wordt dan 5%. Dan wordt een extra ambulance toegekend en daalt de bezettingsgraad. Andersom hoeft een dalende productie niet altijd te leiden tot een lager aantal benodigde ambulances.
Net als in de productie over 2017 zijn er in de productie over 2018 grote verschillen in groei tussen de regio’s en binnen urgentiesoorten. De achtergronden van deze verschillen zijn niet onderzocht. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze verschillen volledig zijn toe te schrijven aan regionale verschillen in demografie, epidemiologie, infrastructuur of zorgaanbod. Waarschijnlijk spelen verschillen in urgentiebepaling tussen meldkamers hierbij een rol. Net als in het referentiekader-2018 wordt nu aanbevolen om de regionale achtergronden van de productiegroei te onderzoeken. Een analyse van de aanvrager van de ambulance inzet, degene die de melding heeft gedaan, kan inzicht geven in deze achtergronden.
Momenteel loopt er een RIVM-onderzoek waarbij het referentiekader doorontwikkeld en verbeterd wordt. De doorontwikkeling is gebaseerd op de doelstelling om regio’s meer gelijke uitgangspunten te geven voor het verlenen van ambulancezorg. Daarbij kijkt het RIVM naar mogelijkheden om de dubbele dekking van het spreidingsplan van het referentiekader te verbeteren. Met dubbele dekking wordt bedoeld de mogelijkheid dat inwoners van een regio door meerdere standplaatsen binnen 12 minuten rijtijd kunnen worden bereikt. Ook gaat het RIVM na wat de bezettingsgraad van standplaatsen in het referentiekader is en hoe groot de verschillen tussen de standplaatsen zijn. In het onderzoek wordt ook gekeken naar varianten die leiden tot een minder grote herverdeling van spoedritten.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2013). Uniform begrippenkader ambulancezorg. Versie 3,0. Zwolle, 13 februari 2013.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2016). Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: AZN.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2018). Sectorkompas ambulancezorg, website https://www.ambulancezorg.nl/themas/sectorkompas-ambulancezorg; geraadpleegd augustus 2018.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2019). Sectorkompas ambulancezorg, website https://www.ambulancezorg.nl/themas/sectorkompas-ambulancezorg; in september 2019 moesten de cijfers over 2018 nog worden gepubliceerd.
Kommer, G.J., A.A. van der Veen, W.F. Botter en I. Tan. (2003). Ambulances binnen bereik – analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2009). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2011). Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013). Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013a). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. RIVM briefrapport 270412003. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. RIVM briefrapport 2016-0093. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J., S.L.N. Zwakhals, E. Over (2017). Modellen referentiekader ambulancezorg 2016. Ontwikkeling modellen voor DAM, B-vervoer en rijtijden. RIVM rapport 2015-0190. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en M. Mulder (2017). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. RIVM briefrapport 2017-0109. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en M. Mulder (2018). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2018. RIVM briefrapport 2018-0128. Bilthoven: RIVM.
Ministerie van VWS (2004). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006. Den Haag, 4 juni 2004.
Ministerie van VWS (2008). Herijking landelijk referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk 1CZ-EKZ-2854207. Den Haag, 5 juni 2008.
Ministerie van VWS (2013). Actualisatie referentiekader spreiding en beschikbaarheid. Kamerbrief 131849-106797-CZ. Den Haag, 16 juli 2013.
Ministerie van VWS (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. Bijlage bij Kamerbrief over aanpak drukte acute zorgketen. Kamerbrief 1002963-153940-CZ. Den Haag, 5 oktober 2016.
Ministerie van VWS (2017). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Bijlage bij Kamerbrief over referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Kamerbrief 1234698–167897-CZ. Den Haag, 25 september 2017.
Ministerie van VWS (2018). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Bijlage bij Kamerbrief over referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2018. Kamerbrief 1440322-183441-CZ. Den Haag, 7 november 2018.
Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ) (2004). Landelijk referentiekader spreiding- en beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden.
RIVM (2015). Trendanalyse spoedeisende ambulancezorg. Brief met kenmerk 039/2015 V&Z/AvB/GJK/tv. Bilthoven, 19 maart 2015.
Bijlage 2. bij ministeriële regeling CZ-3131585
Vervallen