40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008 | BWBR0018160 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-04-16 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0018160 | Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008 |
Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. aanvrager: een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een college van gedeputeerde staten van een provincie; b. b. gemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen, Hengelo, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zaanstad, Zoetermeer of Zwolle; c. c. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; d. d. primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra; e. e. school: een school in de zin van de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra; f. f. uitkering: een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste, tweede of derde lid.
Artikel 2
De minister kan van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een uitkering wordt verstrekt, de afwijking nadrukkelijk vermeldt.
Artikel 3
1. De minister kan voor de periode 2005–2008 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuurbereik.
2. De minister kan voor de periode 2005–2008 aan de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zwolle of provincies specifieke uitkeringen verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van beeldende kunst en vormgeving.
3. De minister kan voor de jaren 2005 en 2006 aan een gemeente of een provincie een specifieke uitkering verstrekken voor het in die gemeente of provincie te voeren beleid ten aanzien van cultuureducatie in het primair onderwijs.
4. De Minister kan een specifieke uitkering die aan een gemeente of provincie wordt verstrekt op grond van het derde lid, verlengen tot en met het jaar 2007, indien die gemeente of provincie daarmee instemt.
Artikel 4
De uitkering bestaat uit een bedrag voor de door de minister in de beslissing tot toekenning van een uitkering aangeduide doelen.
Artikel 5
1.
Onverminderd artikel 41, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, omvat de aanvraag voor een uitkering:
a. a. een analyse van de gemeentelijke of provinciale infrastructuur op het gebied van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs binnen de gemeente of provincie; b. b. een opsomming van keuzes op basis van de analyse, bedoeld in onderdeel a, die past binnen het gemeentelijke of provinciale beleid in de uitkeringsperiode ten aanzien van cultuurbereik, beeldende kunst en vormgeving of cultuureducatie in het primair onderwijs; c. c. een beschrijving van de beoogde meetbare doelstellingen die passen in de gemeentelijke of provinciale context die voortkomen uit de keuzelijst, bedoeld in onderdeel b, en die tevens een bijdrage leveren aan het bereiken van de rijksbrede doelstelling, bedoeld in:
1°.
het Beleidskader Actieplan Cultuurbereik 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133,
2°.
het Beleidskader Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, of
3°.
de Afspraak tussen de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het bestuur van het Interprovinciaal Overleg en het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over Cultuureducatie Primair Onderwijs, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133;
1°. 1°. het Beleidskader Actieplan Cultuurbereik 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, 2°. 2°. het Beleidskader Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving 2005–2008, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133, of 3°. 3°. de Afspraak tussen de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het bestuur van het Interprovinciaal Overleg en het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over Cultuureducatie Primair Onderwijs, bedoeld in de bijlage bij Kamerstukken II 2003/04, 29200 VIII, nr. 133; d. d. de omschrijving van de wijze waarop en de lijst van indicatoren waaraan de gemeente of provincie de doelstellingen gaan meten; e. e. een meerjarenbegroting overeenkomstig het als bijlage I bij deze regeling gevoegde model.
2.
Indien de aanvraag een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, betreft, geeft de aanvrager tevens aan hoe gestimuleerd wordt dat:
a. a. passende cultuureducatieve activiteiten beschikbaar komen, en b. b. netwerken van scholen en culturele instellingen tot stand worden gebracht.
3. Indien de aanvrager een college van gedeputeerde staten is, geeft het college in de aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, tevens aan hoe het college zorg gaat dragen voor de bovenlokale coördinatie, bemiddeling en afstemming tussen vraag en aanbod.
Artikel 6
1.
Onverminderd artikel 4, eerste en tweede lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen weigert de minister aan:
a. a. de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente of provincie lager is dan deze uitkering; b. b. Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht een uitkering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze gemeente lager is dan deze uitkering; c. c. de desbetreffende provincie een uitkering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, te verstrekken als de eigen bijdrage van deze provincie lager is dan deze uitkering minus het bedrag dat deze provincie besteedt in samenwerking met een of meer gemeenten. d. d. de desbetreffende gemeente of provincie een uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, te verstrekken als de financiële inzet in het jaar 2005 en 2006 van deze gemeente of provincie op het gebied van aanbod, ondersteuning en bemiddeling ten behoeve van cultuureducatie voor het primair onderwijs lager is dan de financiële inzet in 2004.
2. Onder gemeenten in het eerste lid, onderdeel c, worden ook andere gemeenten verstaan dan de gemeenten, genoemd in artikel 1, onderdeel b.
Artikel 7
1. De minister betaalt een voorschot van één vierde deel van de uitkering, bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, in de maand juni van het desbetreffende jaar waarvoor het voorschot is bestemd.
2.
De minister betaalt in de maand juni van 2005 een voorschot op de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, van € 1,– vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2004:
a. a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt.
3.
De minister betaalt in de maand juni van 2006 een voorschot op de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2005:
a. a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt.
4.
Indien een uitkering als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt verlengd tot en met het jaar 2007, betaalt de Minister in de maand juni van 2007 een voorschot op de uitkering van € 1,50 vermenigvuldigd met het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat op 1 oktober 2006:
a. a. binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt, of b. b. binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt minus het vastgestelde aantal leerlingen dat primair onderwijs volgt binnen een gemeente die in deze provincie ligt.
Artikel 8
De uitkering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt ten hoogste:
Artikel 9
De uitkering, bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt ten hoogste:
Artikel 10
1. De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50.
2. De minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid, voor de jaren 2005 en 2006, voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50.
3. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende gemeente vast aan de hand van de volgende formule: A = B × € 1,– + C × € 1,50 + F × € 1,50.
4. De Minister stelt het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, voor de jaren 2005 tot en met 2007 voor de desbetreffende provincie vast aan de hand van de volgende formule: A = (D – B) × € 1,– + (E – C) × € 1,50 + (G – F) × € 1,50.
5.
In de formule als bedoeld in het eerste en tweede lid is:
A: A: het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 3, derde lid; B: B: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; C: C: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; D: D: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2004; E: E: het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2005; F. F. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende gemeente primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006; G. G. het door de scholen opgegeven aantal leerlingen dat binnen de desbetreffende provincie primair onderwijs volgt op 1 oktober 2006.
Artikel 11
De rapportage over de naleving van de uitkeringsbepalingen, bedoeld in de artikelen 45 en 47 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, geschiedt overeenkomstig de volgende bijlagen bij deze regeling:
a. a.
bijlage II, Controleprotocol;
b. b.
bijlage III, Model accountantsverklaring;
c. c.
bijlage IV, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik;
d. d.
bijlage V, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving;
e. e.
bijlage VI, Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs;
f. f.
bijlage VII, Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving;
g. g.
bijlage VIII, Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving;
h. h.
bijlage IX, Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs.
Artikel 12
1. De Regeling specifieke uitkering cultuureducatie po 2004 wordt ingetrokken.
2. Voorzover er ter zake nog sprake is van enige bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regeling, bedoeld in het eerste lid, plaats.
3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het kader van de regeling, bedoeld in het eerste lid, blijven in stand.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2011.
Artikel 14
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitkeringen cultuurbereik 2005–2008.
Bijlage I. Meerjarenbegroting
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage II. Controleprotocol
Bijlage III. Model accountantsverklaring
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage IV. Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik
[afbeelding]
Bijlage V. Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving
[afbeelding]
Bijlage VI. Model inhoudelijke verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs
[afbeelding]
Bijlage VII. Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Actieplan Cultuurbereik en gemeenten Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving
[afbeelding]
Bijlage VIII. Model financiële verantwoording provincies Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving
[afbeelding]
Bijlage IX. Model financiële verantwoording gemeenten en provincies Cultuureducatie Primair Onderwijs
[afbeelding]