40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Rijkssubsidieregeling jeugdzorg | BWBR0017816 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0017816 | Rijkssubsidieregeling jeugdzorg |
Rijkssubsidieregeling jeugdzorg
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. de wet: de Wet op de jeugdzorg; b. b. instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon, die subsidie aanvraagt of waaraan subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 38, eerste lid, van de wet; c. c. uitkering: een subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet aan een provincie; d. d. project: een activiteit op het terrein van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet met een incidenteel karakter; e. e. instellingssubsidie: een subsidie aan een instelling in de kosten van haar structurele activiteiten of een gedeelte daarvan; f. f. projectsubsidie: een subsidie aan een instelling in de kosten van een project.
Hoofdstuk 2. Subsidiëring door het Rijk van instellingen
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 2
Een subsidie wordt slechts verleend ten behoeve van de uitvoering van de steunfunctie en experimenten die van landelijke betekenis zijn. Een subsidie ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid wordt slechts verleend voor het stimuleren van landelijk beleid.
Artikel 3
1. De subsidie aan een instelling ten behoeve van de uitvoering van een steunfunctie kan bestaan uit een instellingssubsidie of een projectsubsidie.
2. De subsidie aan een instelling ten behoeve van de uitvoering van een experiment of ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid bestaat uit een projectsubsidie.
Paragraaf 2. Instellingssubsidies
Artikel 4
Een instellingssubsidie bestaat uit een bedrag voor overeenkomstig een door de Ministers goedgekeurd activiteitenplan uitgevoerde activiteiten.
Artikel 5
1. Een instellingssubsidie wordt bij de Ministers aangevraagd uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het desbetreffende subsidiejaar, door indiening bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De aanvraag wordt onderbouwd met een activiteitenplan en een begroting van baten en lasten en gaat vergezeld van een liquiditeitsprognose. De liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid over het jaar; in de aanvraag wordt dit uitdrukkelijk vermeld.
2. In het activiteitenplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt de doelstelling van de activiteiten aangegeven, de wijze waarop zij zullen worden uitgevoerd en de doelgroep waarvoor zij zijn bestemd.
3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begroting gaat uit van het prijspeil en het niveau van de kosten van arbeidsvoorwaarden op 1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is, bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de rechtspersoon als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel.
4. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per kalenderkwartaal.
5. De ministers kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 6
1.
Bij de aanvraag van een instellingssubsidie worden tevens overgelegd:
a. a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten, b. b. een afschrift waaruit de inschrijving in het geldende openbare register blijkt, c. c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de rechtspersoon op het tijdstip van de aanvraag en d. d. indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere personen dan die op grond van de statuten bevoegd zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen: een afschrift van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die persoon of personen is ondertekend.
2. Overlegging van de afschriften, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan de Ministers bekend zijn. In de aanvraag wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Voor zover de aanvrager voor de begrote bedragen tevens een subsidie of financiële bijdrage heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen of organisaties, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
Paragraaf 3. Projectsubsidies
Artikel 7
1. De Ministers kunnen voor projectsubsidies subsidieplafonds vaststellen. Bij de vaststelling kan, in afwijking van artikel 9, eerste lid, worden bepaald dat, met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen, de aanvragen voor een daarbij te bepalen datum moet zijn ingediend.
2. Bij de verdeling van het beschikbare bedrag geven de Ministers voorrang aan die aanvragen waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie.
3. De ministers kunnen projectsubsidies verlenen die zich uitstrekken over meer dan één kalenderjaar
Artikel 8
Een projectsubsidie bestaat uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten, voor zover opgenomen in een door de Ministers goedgekeurde begroting, en de met die activiteiten samenhangende baten. De subsidie bedraagt niet meer dan een door de Ministers vast te stellen maximum.
Artikel 9
1. Een projectsubsidie wordt bij de Ministers aangevraagd uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het project door indiening bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De aanvraag wordt onderbouwd met een projectplan en een begroting van baten en lasten en gaat vergezeld van een liquiditeitsprognose. De liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte regelmatig is gespreid over het jaar; in de aanvraag wordt dit uitdrukkelijk vermeld.
2. In het projectplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt de doelstelling van de activiteiten aangegeven en de wijze waarop zij zullen worden uitgevoerd.
3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De begroting gaat uit van het prijspeil en het niveau van de kosten van arbeidsvoorwaarden op 1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is, bevat de begroting tevens zowel de baten en lasten van de rechtspersoon als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden onderdeel.
4. De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten per maand. De liquiditeitsprognose kan achterwege blijven als de liquiditeitsbehoefte regelmatig gespreid is over de duur van het project.
5. In afwijking van het tweede lid kunnen de Ministers bepalen dat aanvragen voor projecten op bepaalde terreinen vóór een of meer door hem vastgestelde data worden ingediend.
6. De Ministers kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde aanvraagtermijn.
Artikel 10
1. Op een projectsubsidie is artikel 6, eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
2. De ministers kunnen een aanvrager verplichten tot het overleggen van een volledig overzicht van de financiële toestand van de rechtspersoon op het tijdstip van de aanvraag
Paragraaf 4. Subsidieverlening en bevoorschotting
Artikel 11
De Ministers geven een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na de ontvangst van de aanvraag, tenzij met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen wordt beslist op een bepaalde datum.
Artikel 12
1. Nadat een subsidieaanvraag is ingediend, kunnen de Ministers voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ingediende liquiditeitprognose.
2. Indien de Ministers een subsidieaanvraag die te laat is ingediend desondanks in behandeling nemen, kunnen zij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.
Artikel 13
In een beschikking waarbij een meerjarig subsidie wordt verleend, wordt vermeld welk bedrag elk jaar van de betrokken periode als voorschot zal worden verstrekt.
Artikel 14
1. Bij de verlening van een subsidie kunnen de Ministers bepalen dat het subsidiebedrag wordt bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarde.
2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kunnen de Ministers bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de kosten van arbeidsvoorwaarden.
3. Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Paragraaf 5. Verplichtingen van de instelling
Artikel 15
De instelling zorgt ervoor dat:
a. a. de doeleinden, gesteld in het activiteitenplan of het projectplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd; b. b. de werkzaamheden op een zodanige wijze worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; c. c. de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Artikel 16
De instelling zorgt er voorts voor dat:
a. a. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd; b. b. de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; c. c. van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken aanwezig zijn, waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken.
Artikel 17
1. Bij instellingen die een instellingssubsidie ontvangen, is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
2. De Ministers kunnen vrijstelling of ontheffing verlenen van het eerste lid.
Artikel 18
De instelling doet zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de Ministers van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
Artikel 19
1. De instelling die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert haar roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden.
2. De instelling die een instellingssubsidie ontvangt, verzekert voor vrijwilligers die werkzaamheden verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid.
3. De Ministers kunnen op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid.
4. De Ministers kunnen het eerste of tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaren op de ontvanger van een projectsubsidie.
Artikel 20
1. De instelling stelt na afloop van de periode of het project waarvoor subsidie is verleend een verslag van activiteiten vast.
2. Het verslag van de activiteiten geeft een duidelijk inzicht in de aard en de omvang van de activiteiten. De verrichte activiteiten worden vergeleken met de voorgenomen activiteiten die in het ingediende activiteitenplan tot uitdrukking zijn gebracht. Tevens vermeldt het verslag in hoeverre de nagestreefde doelstelling is bereikt.
Artikel 21
1. Indien een gesubsidieerde activiteit leidt tot een publicatie kunnen de Ministers bepalen dat de instelling er zorg voor draagt dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van het project zijn geweest.
2. Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1°, van de Auteurswet, draagt de instelling er zorg voor auteursrechthebbende te zijn terzake van dat werk.
3. De instelling vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de instelling verrichte publicaties.
Artikel 22
1. De Ministers kunnen bepalen dat de instelling in de gevallen genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aan hen een door hen te bepalen vergoeding voor vermogensvorming is verschuldigd.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dan in het geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de activiteiten van de instelling, na toestemming van de Ministers, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
Artikel 23
1. De vergoeding die een instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.
2. De vergoeding die een instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, is, indien het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
3. De vergoeding die een instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, anders dan bedoeld in het tweede lid, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
Artikel 24
De instelling die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn; de Ministers kunnen ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt.
Artikel 25
1. De instelling verstrekt aan de door de Ministers aangewezen ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De bescheiden worden op één adres getoond en de inlichtingen, op verzoek, schriftelijk verstrekt. Indien de instelling slechts kan voldoen aan deze verplichting door inbreuk te maken op het recht van enig persoon op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, verstrekt de instelling de verlangde gegevens op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn.
2. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door de Ministers aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.
3. De instelling werkt mee aan door of namens de Ministers ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht de Ministers inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.
Paragraaf 6. De aanvraag tot subsidievaststelling
Artikel 26
1. Binnen vier maanden na afloop van de periode of het project waarvoor subsidie is verleend, dient de instelling een aanvraag in voor de subsidievaststelling bij de Ministers door indiening bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. het verslag, bedoeld in artikel 20, eerste lid; b. b. een subsidiedeclaratie; c. c. de jaarrekening(en).
3. Indien de aanvraag is ondertekend door een of meer andere personen dan de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de instelling te vertegenwoordigen gaat de aanvraag bovendien vergezeld van de volmacht op grond waarvan de aanvraag door die andere persoon of personen is ondertekend.
4. Een subsidiedeclaratie kan achterwege blijven indien de daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen.
5. Een jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden als het gaat om een projectsubsidie of een subsidie aan een publiekrechtelijke rechtspersoon.
6. De Ministers kunnen vrijstelling of ontheffing verlenen van de in het eerste lid, genoemde termijn.
Artikel 27
De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht. In de subsidiedeclaratie van instellingssubsidies wordt de aansluiting tussen de subsidiedeclaratie en de jaarrekening(en) toegelicht.
Artikel 28
1. De afdelingen 2 tot en met 8 van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
2. De grondslag voor de waardering van activa en passiva is de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften.
3. De Ministers kunnen bepalen dat bepalingen van de in het eerste lid bedoelde Titel of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen of categorieën van instellingen.
Artikel 29
1. De jaarrekening of de subsidiedeclaratie wordt onderzocht door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De accountant onderzoekt of de jaarrekening of de subsidiedeclaratie voldoet aan het bij of krachtens de wet gestelde en of het verslag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, voor zover hij het verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. Het onderzoek vindt plaats met inachtneming van het protocol dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2. De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag. De verklaring wordt opgesteld overeenkomstig het in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen model en gaat vergezeld van een rapport van bevindingen omtrent het financiële beheer en een rapportage omtrent de naleving van de wettelijke voorschriften.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de voor het boekjaar begrote exploitatielasten van de instelling minder bedragen dan € 250.000 en de som van de op grond van dit besluit toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder bedraagt dan € 125.000.
Paragraaf 7. De vaststelling en betaling van de subsidie
Artikel 30
Binnen zes maanden na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 26, geven de Ministers een beschikking tot vaststelling van de subsidie.
Hoofdstuk 3. De uitkering
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 31
1. Een uitkering wordt slechts verleend ten behoeve van projecten van landelijke betekenis op het terrein van de steunfunctie of met betrekking tot experimenten. De uitkering ten behoeve van het stimuleren van nieuw beleid wordt slechts verleend voor het stimuleren van landelijk beleid.
2. De uitkering bestaat uit een projectuitkering.
Artikel 32
1. De Ministers kunnen voor projectuitkeringen subsidieplafonds vaststellen. Bij deze vaststelling kan, in afwijking van artikel 34, eerste lid, worden bepaald dat, met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen, de aanvragen voor een daarbij te bepalen datum moeten zijn ingediend.
2. Bij de verdeling van het beschikbare bedrag geven de Ministers voorrang aan die aanvragen waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de uitkering.
3. De ministers kunnen projectuitkeringen verlenen die zich uitstrekken over meer dan één kalenderjaar
Artikel 33
Een projectuitkering bestaat uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten, voor zover opgenomen in een door de Ministers goedgekeurde begroting, en de met die activiteiten samenhangende baten. De uitkering bedraagt niet meer dan een door de Ministers vast te stellen maximum.
Artikel 34
1. Een projectuitkering wordt bij de Ministers aangevraagd uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het project door indiening bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De aanvraag wordt onderbouwd met een projectplan en een begroting.
2. In het projectplan worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt de doelstelling van de activiteiten aangegeven en de wijze waarop zij zullen worden uitgevoerd.
3. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De begroting is voorzien van een postgewijze toelichting. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil en het niveau van de kosten van arbeidsvoorwaarden op 1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag.
Paragraaf 2. Verlening van de uitkering en bevoorschotting
Artikel 35
De Ministers geven een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na de ontvangst van de aanvraag, tenzij met het oog op de onderlinge afweging van de aanvragen wordt beslist op een bepaalde datum.
Artikel 36
1. Nadat een aanvraag om een uitkering is ingediend, kunnen de Ministers voorschotten verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ingediende liquiditeitprognose.
2. Indien de Ministers een aanvraag die te laat is ingediend desondanks in behandeling nemen, kunnen zij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden.
Artikel 37
In een beschikking waarbij een meerjarige uitkering wordt verleend, wordt vermeld welk bedrag elk jaar van de betrokken periode als voorschot zal worden verstrekt.
Artikel 38
1. Bij de verlening van een uitkering kunnen de Ministers bepalen dat het bedrag van de uitkering wordt bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarde.
2. Met het oog op de toepassing van het eerste lid kunnen de Ministers bij de verlening van de uitkering tevens bepalen welk deel van de uitkering in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de kosten van arbeidsvoorwaarden.
3. Indien een uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
Paragraaf 3. Verplichtingen van de provincie
Artikel 39
Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat:
a. a. de doeleinden, gesteld in het projectplan, op doelmatige wijze worden nagestreefd; b. b. de werkzaamheden op een zodanige wijze worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; c. c. de uitkering op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Artikel 40
Gedeputeerde staten doen zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan de Ministers van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
Artikel 41
Vervallen
Artikel 42
Vervallen
Paragraaf 4. De aanvraag tot vaststelling van de uitkering
Artikel 43
1. Gedeputeerde staten vragen de vaststelling van de uitkering aan door verantwoordingsinformatie aan de Ministers te verstrekken op de wijze bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
2. Artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 44
Vervallen
Paragraaf 5. De vaststelling van de uitkering
Artikel 45
Binnen zes maanden na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 43, geven de Ministers een beschikking tot vaststelling van de uitkering.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 46
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2004, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van die Staatscourant en werkt terug tot en met 1 januari 2005.
Artikel 47
Deze regeling wordt aangehaald als: Rijkssubsidieregeling jeugdzorg