40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| SLIM-regeling | BWBR0043015 | ministeriele-regeling | geldend | 2025-02-28 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0043015 | SLIM-regeling |
SLIM-regeling
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvraagtijdvak: een tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;
- de-minimisverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 2023/2831) waarvan het model is vastgesteld door de minister;
- kaderregeling: de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- onderneming: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Bijlage van Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, L 124);
- subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;
- subsidieontvanger: de subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling een subsidie is verleend;
- werkgeversvereniging: een vereniging van werkgevers met volledige rechtsbevoegdheid, die ten tijde van de subsidieaanvraag partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;
- werknemersvereniging: vereniging van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.
Artikel 1.2
De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking aan het mkb en samenwerkingsverbanden
Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– –
*brancheorganisatie:* een organisatie, opgericht voor 1 januari 2020, die het doel van de regeling blijkens de statuten onderschrijft en de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;
– –
*brutoloon:* bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werkenden als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;
– –
*initiatief:* een activiteit of reeks van activiteiten die leidt tot het stimuleren van leren en ontwikkelen in een mkb-onderneming of in een grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector en dat gesubsidieerd wordt overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling;
– –
*initiatiefperiode:* periode tussen het tijdstip waarop een initiatief start en wordt beëindigd;
– –
*kleine onderneming:* een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 10 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;
– –
*landbouwbedrijven:* ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 (PbEU 2013, L 352);
– –
*L&O-methode:* structurele inbedding van leer- en ontwikkelactiviteiten, die primair is gericht op het aanleren van nieuwe vaardigheden, kennis en beroepshoudingen van werkenden in de onderneming;
– –
*middelgrote onderneming:* een onderneming, niet zijnde een kleine onderneming, waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;
– –
*mkb-onderneming:* een kleine of middelgrote onderneming;
– –
*mkb-verklaring:* verklaring waarmee een mkb-onderneming verklaart een kleine of middelgrote onderneming te zijn als bedoeld in dit hoofdstuk;
– –
*Noloc:* beroepsvereniging van loopbaanprofessionals Noloc;
– –
*O&O-fonds:* een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
– –
*onderwijsinstelling:* een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
– –
*samenwerkingsverband:* een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen eventueel aangevuld met een of meer organisaties, niet zijnde verbonden organisaties als bedoeld in artikel 2.14, vijfde lid, waarbij iedere partij van het samenwerkingsverband een activiteit, vastgelegd in het activiteitenplan, uitvoert en geen van de partijen meer dan 80% van de kosten van de samenwerking draagt;
– –
*werkenden:* alle in de onderneming werkzame personen.
Artikel 2.2
Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6, 5.5, tweede lid, 6.1, vijfde lid, en 7.1.
Artikel 2.3
Het doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk is om een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen.
Artikel 2.4
1.
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel, bedoeld in artikel 2.3:
a. a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van ontwikkelbehoefte om de leerrijke werkomgeving te versterken vanuit het perspectief van de onderneming; b. b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen; of c. c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode.
2. Een activiteit komt niet voor subsidie in aanmerking, indien de werkenden in de onderneming waarop de activiteit zich richt, enkel bestaan uit werkenden die bestuurder van de onderneming zijn of in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, zijn geregistreerd als degenen aan wie de onderneming toebehoort.
3. Een loopbaan- of ontwikkeladviestraject als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de loopbaanadviseur individuele gesprekken met de deelnemer voert met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren.
4. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van paragraaf 2.2 en dat bestaat uit een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.
5. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van paragraaf 2.3 komt alleen voor subsidie in aanmerking, indien het initiatief ten minste de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat en de subsidiabele kosten ten minste € 210.000 bedragen.
Artikel 2.5
1.
De activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur, die:
a. a. een mens- of organisatiegerichte opleiding heeft afgerond op minimaal hbo-niveau, of minimaal een hbo-opleiding in een andere richting heeft afgerond en aanvullende mens- of organisatiegerichte cursussen en trainingen heeft afgerond; b. b. minimaal drie jaar relevante werkervaring heeft; en c. c. verklaart zich te houden aan de gedragscode in bijlage I.
2. Een loopbaanadviseur wordt geacht aan de eisen in het eerste lid, onderdelen a en c, te hebben voldaan, wanneer hij is geregistreerd bij Noloc als Register Loopbaanprofessional.
3. Een loopbaanadviseur, gevestigd in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die een opleiding heeft afgerond overeenkomstig de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en overigens voldoet aan het eerste lid, onderdelen b en c, wordt gelijkgesteld met de loopbaanadviseur, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.6
Een subsidieaanvraag kan voor het jaar 2025 bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:
a. a. voor aanvragen op grond van paragraaf 2.2: van 3 maart 09:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur; b. b. voor aanvragen op grond van paragraaf 2.3: van 2 juni 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur.
Artikel 2.7
1.
Het subsidieplafond voor subsidies op grond van paragraaf 2.2 bedraagt voor het jaar 2025:
a. a. € 12,5 miljoen voor het tijdvak in maart; b. b. € 17,5 miljoen voor het tijdvak in september.
2. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van paragraaf 2.3 bedraagt voor het jaar 2025 € 20 miljoen.
3. Indien een deel van het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kunnen de resterende middelen worden toegevoegd aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak van hetzelfde kalenderjaar. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Artikel 2.8
1.
De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van het daartoe bestemde elektronisch aanvraagformulier dat is getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen, en voegt hierbij:
a. a. een activiteitenplan; b. b. een begroting; en c. c. een bewijs dat de subsidieaanvrager de houder is van het bankrekeningnummer dat in de aanvraag is opgenomen.
2. De subsidieaanvrager dient een de-minimisverklaring in en, indien de subsidieaanvrager een mkb-onderneming is, een mkb-verklaring. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is een de-minimisverklaring vereist van alle partijen van het samenwerkingsverband en een mkb-verklaring van alle partijen van het samenwerkingsverband die een mkb-onderneming zijn.
3. Het activiteitenplan, de begroting, de de-minimisverklaring en de mkb-verklaring worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
4. Per aanvraagtijdvak wordt per subsidieaanvrager, of partij in een samenwerkingsverband, maximaal één subsidieaanvraag in behandeling genomen. Brancheorganisaties, onderwijsinstellingen, O&O-fondsen en werknemers- of werkgeversverenigingen kunnen binnen een aanvraagtijdvak deelnemen in meerdere samenwerkingsverbanden en daardoor partij zijn bij meerdere subsidieaanvragen binnen hetzelfde aanvraagtijdvak.
5. Een subsidieaanvraag kan bestaan uit meerdere activiteiten.
6. Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.
7. Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.
Artikel 2.9
De minister is bevoegd persoonsgegevens, die hij in het kader van subsidies die zijn aangevraagd op grond van dit hoofdstuk heeft verkregen, te verstrekken aan de aanbieder van een kennis- en ondersteuningsprogramma ten behoeve van subsidies die zijn aangevraagd op grond van dit hoofdstuk, ter uitvoering en verbetering van dat programma.
Artikel 2.10
1. Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.
2. Indien een subsidieaanvrager meerdere aanvragen heeft ingediend voor soortgelijke of vergelijkbare initiatieven, wordt slechts de als eerste ingediende aanvraag in de loting meegenomen.
3. Onvolledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van paragraaf 2.2 worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.
4. Volledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van paragraaf 2.3 worden behandeld op volgorde van ontvangst.
Artikel 2.11
1. Op een subsidieaanvraag op basis van paragraaf 2.2 wordt binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6 beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.8.
2. Op een subsidieaanvraag op basis van paragraaf 2.3 wordt binnen 13 weken na ontvangst beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.8, en de eisen, bedoeld in artikel 2.23.
3. Indien de minister op grond van artikel 2.18, tweede lid, een voorschot verleent, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling, de wijze van bevoorschotting.
4. In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.
Artikel 2.12
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien:
a. a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen; b. b. de beoogde initiatieven en resultaten onvoldoende meetbaar zijn geformuleerd; c. c. de haalbaarheid van de beoogde aanpak onvoldoende aannemelijk is gemaakt; d. d. de evaluatieopzet onvoldoende of ongeschikt is om de effectiviteit en bruikbaarheid van een initiatief te kunnen beoordelen; e. e. een initiatief niet uitvoerbaar is binnen bestaande wet- en regelgeving; f. f. onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd; g. g. op grond van deze regeling binnen hetzelfde aanvraagtijdvak reeds subsidie is verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar initiatief ten behoeve van dezelfde onderneming of hetzelfde samenwerkingsverband; h. h. er geen de-minimisverklaring en, indien van toepassing, mkb-verklaring is afgegeven; i. i. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.7 wordt overschreden; j. j. de subsidieaanvraag ziet op het ontwikkelen van een initiatief niet bedoeld voor werkenden in de onderneming maar voor commerciële doeleinden; of k. k. de subsidieaanvraag ziet op een activiteit als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a of c, en aan de subsidieaanvrager voor een dergelijke activiteit reeds subsidie is verleend die op het moment van indiening van de subsidieaanvraag nog niet is vastgesteld.
Artikel 2.13
1. Een initiatief voor subsidies op grond van paragraaf 2.2 wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.
2. Een initiatief voor subsidies op grond van paragraaf 2.3 wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.
3. De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen initiatiefperiode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie.
4. Indien een subsidieontvanger vanwege omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen, het initiatief waarvoor subsidie is verleend naar verwachting niet binnen de initiatiefperiode, bedoeld in het derde lid, zal kunnen afronden, kan de subsidieontvanger de minister verzoeken om de duur van de initiatiefperiode te verlengen.
5. De minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de duur van de initiatiefperiode verlengen tot ten hoogste drie maanden na de van toepassing zijnde periode, genoemd in het eerste en tweede lid.
Artikel 2.14
1.
Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c, komen de volgende kosten in aanmerking:
a. a. externe kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van een subsidiabel initiatief; b. b. directe loonkosten van de personen die zich in het bedrijf van de subsidieaanvrager of een van de partijen van het samenwerkingsverband bezighouden met de uitvoering van het initiatief, berekend op basis van het brutoloon van die personen en vermeerderd met een opslag van 32%, naar rato van individuele gerealiseerde uren en uitgaande van 1.720 werkbare uren op jaarbasis; c. c. een toeslag van 15% op de onder a en b bedoelde kosten ter subsidiëring van overige gemaakte kosten; en d. d. de kosten van een controleverklaring, in de vorm van een vast bedrag van € 3.000, indien een controleverklaring voor de vaststelling van de subsidie is vereist.
2. De kosten zijn, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, door de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het initiatief gebleven en rechtstreeks aan het initiatief toe te rekenen.
3.
Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:
a. a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager, indien deze kosten meer bedragen dan € 50.000; of b. b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.
4. Wordt gebruik gemaakt van een externe adviseur dan is het subsidiabele uurtarief maximaal € 125 per uur exclusief btw en is een offerteprocedure als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, niet vereist. Het uurtarief bedraagt maximaal € 135 per uur exclusief BTW voor subsidies die zijn aangevraagd in het jaar 2024 of 2025.
5.
Voor zover activiteiten zijn uitgevoerd door de volgende partijen, zijn uitsluitend de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidiabel:
a. a. de subsidieontvanger of een partij in het samenwerkingsverband; b. b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieontvanger of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband; c. c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
1°.
in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of
2°.
in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd;
1°. 1°. in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of 2°. 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd; d. d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
1°.
de subsidieontvanger; of
2°.
een partij uit het samenwerkingsverband;
1°. 1°. de subsidieontvanger; of 2°. 2°. een partij uit het samenwerkingsverband; e. e. een organisatie waarin de subsidieontvanger of een partij uit het samenwerkingsverband, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of f. f. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het initiatief betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
Artikel 2.15
Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c, komen niet voor subsidie in aanmerking:
a. a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het initiatief of een onderdeel daarvan; b. b. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de ondernemer; c. c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten, zijnde alle niet directe kosten waaronder onder andere begrepen huisvestingskosten, kosten voor een werkplek, reiskosten, afschrijvingskosten en de kosten voor administratie en beheer, waaronder accountantskosten, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel d; d. d. kosten gemaakt buiten de initiatiefperiode; e. e. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege; f. f. externe kosten waarvoor geen factuur kan worden overgelegd; g. g. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken; h. h. opleidingskosten; i. i. btw; j. j. de kosten voor de doorlichting van de onderneming, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a, indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de desbetreffende mkb-onderneming; of k. k. de kosten voor de ondersteuning en begeleiding bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, indien deze onvoldoende duidelijk is toegesneden op desbetreffende mkb-onderneming.
Artikel 2.16
De subsidie voor loopbaan- en ontwikkeladviezen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 700,– per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject.
Artikel 2.17
1.
Onverminderd artikel 5.2, eerste lid, van de Kaderregeling, bevat de administratie van de subsidieontvanger een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen en, indien de subsidie is verleend voor een activiteit als bedoeld in:
a. a.
artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a, het opleidings- of ontwikkelplan dat voortkomt uit de doorlichting;
b. b.
artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, een prestatieverklaring van de loopbaanscan of het ontwikkeladvies, getekend door de adviseur en de deelnemer;
c. c.
artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, de met de gerealiseerde methode gemoeide producten.
2. Onder een prestatieverklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: een verklaring in het daarvoor geldende format, getekend door de loopbaanadviseur en de deelnemer, waarin wordt bevestigd dat de deelnemer aan het ontwikkeltraject heeft deelgenomen, welke onderwerpen daarin aan bod zijn gekomen en welke resultaten hiervoor zijn behaald.
Artikel 2.18
1. Indien de subsidieontvanger een samenwerkingsverband is en het initiatief waarvoor subsidie is verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, dient de subsidieontvanger uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag in bij de minister, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model.
2.
De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verlenen van:
a. a. 50% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.19; b. b. 25% van de verleende subsidie, indien de subsidie is aangevraagd door een subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid; c. c. 50% van de verleende subsidie, in aanvulling op het voorschot, genoemd in onderdeel b, en uit te betalen na indiening van het tussentijdse voortgangsverslag, indien de looptijd van het initiatief meer dan twaalf maanden bedraagt.
Paragraaf 2.2. Subsidieverlening aan het mkb
Artikel 2.19
Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.
Artikel 2.20
1. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.
2. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.
Paragraaf 2.3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden
Artikel 2.21
1. Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.
2. Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
Artikel 2.22
1. De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.
2. In afwijking van het eerste lid is de maximale subsidie bij deelname aan een samenwerkingsverband voor landbouwbedrijven € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenververvoer over de weg € 100.000.
3. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdelen a tot en met c.
Artikel 2.23
1.
In aanvulling op artikel 2.8 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:
a. a. de samenwerkingsovereenkomst van het samenwerkingsverband, ondertekend door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, vergezeld van een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en b. b. een begroting waaruit de verdeling van kosten tussen de partijen in het samenwerkingsverband volgt.
2. De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.
Paragraaf 2.4. Subsidievaststelling
Artikel 2.24
1. De minister doet verzoeken als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling op basis van een steekproef voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie.
2. Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.
3. Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling, vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 2.26.
4. Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
5. In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling is het bij het opstellen van de controleverklaring in acht te nemen accountantsprotocol, genoemd in dat artikel, gepubliceerd op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
6. Indien uit de beoordeling van het verzoek tot vaststelling blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, gaat de minister na of er aanleiding is om de subsidie lager of op nihil vast te stellen.
Artikel 2.25
1.
Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:
a. a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten; b. b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd.
2. De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.
3. Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieontvanger teruggevorderd.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid.
Artikel 2.26
1. Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.
2. Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.
3.
Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:
a. a. een beschrijving van het uitgevoerde initiatief; b. b. een beschrijving van het implementatie- en uitvoeringsproces en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en c. c. een overzicht van de bereikte resultaten.
Hoofdstuk 3. Subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden
Artikel 3.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
– –
*aanbieder:* aanbieder in de zin van artikel 1 van het Besluit NLQF;
– –
*begunstigden:* personen waarop de leerplicht, bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is, die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene ouderdomswet, nog niet hebben bereikt en die:
a.
betaalde arbeid verrichten;
b.
in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet SUWI, 73 van de Werkloosheidswet of 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; of
c.
een persoon zijn als bedoeld in de artikelen 38b, eerste en tweede lid, of 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
a. a. betaalde arbeid verrichten; b. b. in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 30a van de Wet SUWI, 73 van de Werkloosheidswet of 7, eerste lid, onderdeel a, of 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; of c. c. een persoon zijn als bedoeld in de artikelen 38b, eerste en tweede lid, of 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen; – –
*beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren:* de beroepsgroepen en beroepen die zijn opgenomen in bijlage II bij deze regeling en behoren tot de beroepsklassen pedagogische beroepen, technische beroepen, ICT-beroepen, transport en logistiekberoepen, beroepen in de agrifood en natuur & leefomgeving en zorg- en welzijnsberoepen;
– –
*collectief:* een O&O-fonds of een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking waaraan de volgende partijen deelnemen:
a.
een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren, eventueel aangevuld met een O&O-fonds, een koepelorganisatie of het college van burgemeester en wethouders van een of meer centrumgemeenten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI, en, indien een college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente deelneemt, de gedeputeerde staten van een of meer provincies; dan wel
b.
een O&O-fonds dan wel koepelorganisatie en ten minste een van de partijen, genoemd in onderdeel a, met inachtneming van het daarin bepaalde over de deelname van de gedeputeerde staten van een of meer provincies;
a. a. een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren, eventueel aangevuld met een O&O-fonds, een koepelorganisatie of het college van burgemeester en wethouders van een of meer centrumgemeenten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI, en, indien een college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente deelneemt, de gedeputeerde staten van een of meer provincies; dan wel b. b. een O&O-fonds dan wel koepelorganisatie en ten minste een van de partijen, genoemd in onderdeel a, met inachtneming van het daarin bepaalde over de deelname van de gedeputeerde staten van een of meer provincies; – –
*geregistreerd gastouderbureau:* een geregistreerd gastouderbureau als bedoeld in de Wet kinderopvang;
– –
*koepelorganisatie:* een landelijk opererende organisatie die door een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren is aangewezen om een of meerdere sectoren te vertegenwoordigen;
– –
*non-formele opleiding:* een non-formele opleiding als bedoeld in de Wet NLQF, met uitzondering van non-formele opleidingen die alleen zijn bestemd voor werkenden in de eigen onderneming;
– –
*O&O-fonds:* een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:
a.
is opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
b.
paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen; of
c.
paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversverenigingen alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen;
a. a. is opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst; b. b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen; of c. c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversverenigingen alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersverenigingen; – –
*ontwikkelpad:* een overzicht van opeenvolgende functies en eventuele daarbij behorende specialisaties met de opleidingen of onderdelen daarvan die voor deze functies en specialisaties benodigd zijn, dat is bedoeld ter stimulering van:
a.
de instroom van werkzoekenden in een sector;
b.
de doorstroom of specialisatie van werkenden binnen een sector, gericht op de uitvoering van nieuwe functies of specialisaties; en
c.
het overstappen van werkenden naar een sector;
a. a. de instroom van werkzoekenden in een sector; b. b. de doorstroom of specialisatie van werkenden binnen een sector, gericht op de uitvoering van nieuwe functies of specialisaties; en c. c. het overstappen van werkenden naar een sector; – –
*opleider:* degene die:
a.
volgens de Registratie instellingen en opleidingen gerechtigd is een opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 3, aan te bieden; of
b.
in een scholingspakket als opleider bij de opleiding, genoemd in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4, is opgenomen;
a. a. volgens de Registratie instellingen en opleidingen gerechtigd is een opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 3, aan te bieden; of b. b. in een scholingspakket als opleider bij de opleiding, genoemd in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4, is opgenomen; – –
*werkgever:* de subsidieaanvrager bij wie de werkzaamheden waarvoor wordt opgeleid worden uitgevoerd of die daartoe arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde, en die:
a.
een arbeidsovereenkomst met de begunstigde van de scholing heeft; of
b.
afspraken heeft met de gemeente of het UWV over de scholing van de begunstigde, genoemd in artikel 3.1, onderdeel b, van de begripsbepaling begunstigden.
a. a. een arbeidsovereenkomst met de begunstigde van de scholing heeft; of b. b. afspraken heeft met de gemeente of het UWV over de scholing van de begunstigde, genoemd in artikel 3.1, onderdeel b, van de begripsbepaling begunstigden.
Artikel 3.2
Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6,7.1 en 7.4, tweede lid.
Artikel 3.3
Het doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk is om met scholing de instroom in en doorstroom binnen sectoren en het overstappen tussen sectoren van werkenden en werkzoekenden in beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren te vergroten.
Artikel 3.4
Subsidies op grond van dit hoofdstuk worden aangevraagd door een werkgever, een geregistreerd gastouderbureau of een collectief.
Artikel 3.5
1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau voor scholing die door hem is ingekocht en aan een collectief voor het inkopen van scholing of het vergoeden van scholingskosten.
2.
Een scholing is subsidiabel op grond van dit hoofdstuk, indien:
a. a. de scholing op het moment van inkoop is opgenomen in een ontwikkelpad dat de minister op grond van artikel 3.6 heeft erkend; b. b. het ontwikkelpad waarin de scholing is opgenomen voor het merendeel betrekking heeft op beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren; c. c. het een scholing betreft als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1 tot en met 4; d. d. de scholing wordt verzorgd door een opleider die gerechtigd is om de gehele non-formele opleiding te verzorgen, indien het scholing betreft die een onderdeel uitmaakt van een non-formele opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4; e. e. de scholing niet op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht, een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is om arbeid te kunnen blijven verrichten; f. f. de scholing niet op grond van wet- en regelgeving volledig wordt bekostigd; g. g. de scholing is bedoeld voor een begunstigde en kosteloos aan hem wordt aangeboden; en h. h. de scholing op zijn vroegst is gestart op 28 februari 2025 en niet later dan 13 weken na indiening van de subsidieaanvraag, voor zover het scholing betreft waarvoor subsidie is aangevraagd door een werkgever of geregistreerd gastouderbureau.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is tot 1 mei 2026 scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, tevens subsidiabel, indien de aanbieder van de scholing een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet NLQF heeft ingediend voor de non-formele opleiding en het Nationaal coördinatiepunt NLQF, genoemd in de Wet NLQF, heeft geoordeeld dat de aanvraag volledig is. Het tweede lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing.
4. Het derde lid is voor een aanbieder niet langer van toepassing als het Nationaal coördinatiepunt NLQF een negatief besluit heeft genomen over de validiteit, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit NLQF en dit is verwerkt in een scholingspakket. De scholing en volgende aanvragen van scholing van deze aanbieder zijn weer subsidiabel nadat het Nationaal coördinatiepunt NLQF alsnog een positief besluit heeft genomen en dit is verwerkt in een scholingspakket.
5. De minister neemt scholing die voldoet aan de criteria in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, op in een scholingspakket en maakt dit bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.
6. De minister neemt scholing die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden op in een scholingspakket indien de aanbieder de minister hierover gegevens heeft verstrekt en verwerkt de in het vierde lid bedoelde mutaties in een daaropvolgend vaststellingsmoment van een scholingspakket. De uiterste termijnen voor de ontvangst van deze gegevens, worden bekendgemaakt op www.uitvoeringvanbeleid.nl.
Artikel 3.6
1.
De minister erkent op aanvraag van een werkgeversvereniging en een werknemersvereniging dan wel een O&O-fonds een ontwikkelpad, indien het ontwikkelpad:
a. a. tot stand is gekomen met medewerking van de minister; b. b. is vastgesteld door werkgevers- en werknemersverenigingen dan wel een of meerdere O&O-fondsen die behoren tot de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft; c. c. scholing bevat die bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies of specialisaties in het ontwikkelpad, praktijkgericht is, te combineren is met werken in een betaalde baan en bestaat uit:
1°.
beroepsopleidingen als bedoeld in de artikelen 1.4.1, lid 1a, en 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of onderdelen daarvan, voor zover deze onderdelen kunnen worden afgerond met een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
2°.
opleidingen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover deze deeltijds of duaal zijn ingericht als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van die wet;
3°.
opleidingen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel dd1, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en scholing die leidt tot het getuigschrift bekwaamheidsonderzoek of het getuigschrift pedagogisch-didactische scholing, genoemd in artikel 7a.3 en 7a.4 van die wet;
4°.
non-formele opleidingen met een branchewaardering waarvoor op grond van artikel 3.1 van de Wet NLQF een NLQF-niveau is vastgesteld dat ten minste op het niveau van de bijbehorende functies of specialisaties in het ontwikkelpad ligt of onderdelen van een zodanige opleiding, mits deze onderdelen beschikken over een branchewaardering; of
5°.
non-formele opleidingen, anders dan de scholing, bedoeld in subonderdeel 4, of onderdelen hiervan met een branchewaardering;
1°. 1°. beroepsopleidingen als bedoeld in de artikelen 1.4.1, lid 1a, en 7.2.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of onderdelen daarvan, voor zover deze onderdelen kunnen worden afgerond met een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs; 2°. 2°. opleidingen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover deze deeltijds of duaal zijn ingericht als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van die wet; 3°. 3°. opleidingen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel dd1, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en scholing die leidt tot het getuigschrift bekwaamheidsonderzoek of het getuigschrift pedagogisch-didactische scholing, genoemd in artikel 7a.3 en 7a.4 van die wet; 4°. 4°. non-formele opleidingen met een branchewaardering waarvoor op grond van artikel 3.1 van de Wet NLQF een NLQF-niveau is vastgesteld dat ten minste op het niveau van de bijbehorende functies of specialisaties in het ontwikkelpad ligt of onderdelen van een zodanige opleiding, mits deze onderdelen beschikken over een branchewaardering; of 5°. 5°. non-formele opleidingen, anders dan de scholing, bedoeld in subonderdeel 4, of onderdelen hiervan met een branchewaardering; d. d. ten minste de volgende informatie bevat over elke scholing die daarin is opgenomen:
1°.
de naam van de scholing;
2°.
het type scholing, aangeduid als mbo, hbo, wo of non-formeel met daarnaast, indien een scholing de aanduiding mbo of non-formeel heeft, een vermelding of de scholing een volledige opleiding is of een onderdeel daarvan;
3°.
de opleidingscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen, genoemd in de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien het een scholing betreft als bedoeld in onderdeel c, subonderdelen 1 en 2, met uitzondering van onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in onderdeel c, subonderdeel 1, die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring; en
4°.
de naam en het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de opleider die de scholing aanbiedt, de opleidingseenheidscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen;
5°.
een specificatie van een branchewaardering, indien het een opleiding betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5.
1°. 1°. de naam van de scholing; 2°. 2°. het type scholing, aangeduid als mbo, hbo, wo of non-formeel met daarnaast, indien een scholing de aanduiding mbo of non-formeel heeft, een vermelding of de scholing een volledige opleiding is of een onderdeel daarvan; 3°. 3°. de opleidingscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen, genoemd in de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien het een scholing betreft als bedoeld in onderdeel c, subonderdelen 1 en 2, met uitzondering van onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in onderdeel c, subonderdeel 1, die kunnen worden afgerond met een mbo-verklaring; en 4°. 4°. de naam en het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de opleider die de scholing aanbiedt, de opleidingseenheidscode van de scholing in de Registratie instellingen en opleidingen; 5°. 5°. een specificatie van een branchewaardering, indien het een opleiding betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een ontwikkelpad scholing bevatten die qua inhoud en niveau niet volledig past bij een of meer van de functies of specialisaties in het ontwikkelpad en, indien van toepassing, een NLQF-niveau heeft dat lager ligt dan het niveau van de bijbehorende functie of specialisatie in het ontwikkelpad, mits wordt aangetoond dat de scholing bijdraagt aan de instroom in de functies of specialisaties waartoe de betreffende scholing behoort.
3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van een specificatie dat de scholing bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies en specialisaties in het ontwikkelpad of voldoet aan het tweede lid, praktijkgericht is en te combineren is met werken in een betaalde baan, overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
4.
Indien het ontwikkelpad scholing bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5, gaat de aanvraag daarnaast vergezeld van een specificatie dat de betreffende scholing een branchewaardering heeft, wat blijkt uit:
a. a. de opname van de scholing in een collectieve arbeidsovereenkomst die binnen de sector valt waarop het ontwikkelpad betrekking heeft; b. b. het aanbieden van de scholing door een O&O-fonds of een ander opleidingsfonds dat handelt ten behoeve van werkenden in de sector waarop het ontwikkelpad betrekking heeft; c. c. een verklaring of bewijs van accreditatie van een landelijke werkgeversorganisatie dan wel een organisatie die wordt bestuurd door ten minste een landelijke werkgeversorganisatie; of d. d. bewijzen van steunbetuiging, opgesteld overeenkomstig een door de minister vastgesteld model, van een representatieve groep van ondernemingen of andere organisaties.
5. Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend van 28 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 en van 16 juni tot en met 31 juli 2025 en daarna jaarlijks van 17 maart tot en met 31 maart, 16 juni tot en met 30 juni, 16 september tot en met 30 september en van 17 december tot en met 31 december.
6. De minister maakt ontwikkelpaden die hij heeft erkend, bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.
7.
De minister trekt de erkenning van een ontwikkelpad in:
a. a. zodra een ontwikkelpad is erkend dat in de plaats treedt van het betreffende ontwikkelpad; b. b. op verzoek van degene die heeft verzocht om erkenning van het betreffende ontwikkelpad; c. c. indien de minister verneemt dat een nieuw ontwikkelpad is vastgesteld dat in de plaats treedt van het erkende ontwikkelpad en degene die heeft verzocht om erkenning van het ontwikkelpad niet in de eerstvolgende aanvraagperiode, bedoeld in het vijfde lid, het vervangende ontwikkelpad heeft aangeboden voor erkenning.
Artikel 3.7
1. Indien een opleider van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de partijen die een ontwikkelpad hebben vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de opleider aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.
2.
De opleider voegt bij zijn verzoek:
a. a. een verklaring waarom de scholing naar zijn oordeel voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, waar mogelijk voorzien van documenten ter onderbouwing; en b. b. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de opleider aan een of meer van de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld, heeft verzocht om opname van de scholing in dit ontwikkelpad en, indien hij hierover beschikt, dat dit verzoek is afgewezen en wat de redenen hiervoor waren.
3. Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.
4. Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, wordt ingediend.
5. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.
6. De minister kan, onverminderd artikel 3.6, eerste lid, een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.
Artikel 3.8
1.
Op grond van dit hoofdstuk komen de volgende kosten van werkgevers, geregistreerde gastouderbureaus en collectieven in aanmerking voor subsidie:
a. a. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van een scholing als bedoeld in artikel 3.5, voor zover het les-, cursus-, college- of examengeld betreft, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing; b. b. de in een factuur van de opleider vermelde externe kosten van scholing die is gericht op verbetering van de Nederlandse taalbeheersing, mits deze wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing als bedoeld in artikel 3.5 toe behoort en voor zover deze kosten:
1°.
les-, cursus-, college- of examengeld betreffen, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing;
2°.
niet meer dan 50% van het totaal aan kosten als bedoeld in dit lid bedragen; en
3°.
door de opleider in rekening zijn gebracht bij de subsidieaanvrager.
1°. 1°. les-, cursus-, college- of examengeld betreffen, alsmede kosten van door de opleider verplicht gestelde literatuur, mits deze literatuur direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de scholing; 2°. 2°. niet meer dan 50% van het totaal aan kosten als bedoeld in dit lid bedragen; en 3°. 3°. door de opleider in rekening zijn gebracht bij de subsidieaanvrager.
2.
Onverminderd het eerste lid, wordt aan een collectief tevens verstrekt:
a. a. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in het eerste lid, ter subsidiëring van overige gemaakte kosten; b. b. een tegemoetkoming in de kosten van een door een accountant opgesteld product als bedoeld in artikel 3.24, vijfde lid, van € 3.000.
3. De subsidie voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de kosten indien de scholing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, NLQF-niveau 1, 2 of 3 heeft, en 40% indien de scholing NLQF-niveau 4 of hoger heeft. Indien een scholing een onderdeel is van een beroepsopleiding dan wel een non-formele opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1 respectievelijk 4, wordt het subsidiepercentage bepaald door het NLQF-niveau van de opleiding waar de scholing onderdeel van uitmaakt.
4. In het geval van scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van het NLQF-niveau dat is vermeld in de aanvraag, bedoeld in artikel 3.5, derde lid. Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Voor zover de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit kosten van externe opdrachten met een waarde van ten minste € 50.000, zijn deze kosten slechts subsidiabel, indien zij marktconform zijn, wat wordt aangetoond aan de hand van:
a. a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieontvanger; of b. b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.
Artikel 3.9
Niet subsidiabel zijn btw en kosten waarvoor op grond van deze of een andere regeling reeds subsidie of een andere financiële bijdrage is verstrekt of zal worden verstrekt.
Artikel 3.10
De subsidie die aan een collectief wordt verstrekt, bedraagt ten minste € 125.000 per aanvraag.
Artikel 3.11
1. De voor subsidie in aanmerking komende kosten van een collectief worden gemaakt in een door de minister aangewezen periode.
2. De periode start de dag na de datum van indiening van de subsidieaanvraag en eindigt uiterlijk op 31 december 2027.
Artikel 3.12
Een subsidieaanvraag kan in het jaar 2025 bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:
a. a. van 10 maart 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur en van 1 juli 09:00 uur tot en met 10 november 17:00 uur door werkgevers en geregistreerde gastouderbureaus; b. b. van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur door collectieven.
Artikel 3.13
1.
De subsidieplafonds voor de tijdvakken, genoemd in artikel 3.12, bedragen voor het jaar 2025:
a. a. € 4 miljoen voor het eerste tijdvak, genoemd in artikel 3.12, onderdeel a, en € 4 miljoen voor het tweede tijdvak; b. b. € 23 miljoen voor het tijdvak, genoemd in artikel 3.12, onderdeel b.
2. De minister bepaalt per erkend ontwikkelpad dat voldoet aan artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b, of per groep van zodanige ontwikkelpaden welk deel van het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is voor de scholing in het ontwikkelpad, respectievelijk de tot de groep behorende ontwikkelpaden en maakt deze verdeling bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
3. Indien het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kan de minister de resterende middelen toevoegen aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak in hetzelfde kalenderjaar of, indien middelen zijn overgebleven in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 3.12, onderdeel b, de verdeling, bedoeld in het tweede lid, herzien. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Artikel 3.14
1.
Een werkgever of geregistreerd gastouderbureau dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:
a. a. een factuur waaruit blijkt dat scholing is ingekocht en die ten minste de door de minister te bepalen informatie bevat; b. b. een bewijs dat de subsidieaanvrager de scholing, bedoeld in onderdeel a, heeft betaald; c. c. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b; en d. d. de naam, geboortedatum en het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van alle personen die de scholing volgen, hebben gevolgd of zullen volgen waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
2. Een werkgever en een geregistreerd gastouderbureau kunnen per aanvraag subsidie aanvragen voor een bedrag dat lager is dan € 25.000.
3. Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.
4. De minister maakt de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en wijzigingen hiervan bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
Artikel 3.15
1.
Een collectief dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:
a. a. een activiteitenplan; b. b. een begroting; en c. c. een verklaring van alle partijen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b, dat de aanvraag wordt ondersteund.
2.
Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, wordt de aanvraag ingediend door de hoofdaanvrager van het collectief en gaat de subsidieaanvraag, onverminderd het eerste lid, vergezeld van:
a. a. een door alle deelnemers aan het collectief getekende samenwerkingsovereenkomst, waaruit in ieder geval blijkt dat de hoofdaanvrager als zodanig is aangewezen en gemachtigd is om het collectief in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en, indien een koepelorganisatie aan het collectief deelneemt, dat deze organisatie is aangewezen door een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverenigingen die een band hebben met een of meer beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren; en b. b. een bewijs dat de hoofdaanvrager van het collectief de houder is van het bankrekeningnummer dat in de aanvraag is opgenomen.
3. Alleen een werkgeversvereniging, werknemersvereniging, O&O-fonds of koepelorganisatie kunnen worden aangewezen als hoofdaanvrager van een collectief.
4. Het activiteitenplan, de begroting en de verklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
5. Voor zover het collectief voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.
6. Door het indienen van een aanvraag stemt het collectief ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.
Artikel 3.16
1. Een centrumgemeente als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI kan voor 30 juni van het lopende kalenderjaar aan de minister melden dat zij onderdeel uit wil maken van een collectief dat op grond van deze regeling subsidie aan zal vragen.
2.
De centrumgemeente doet de melding met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en geeft daarbij aan ten aanzien van welke van de volgende ontwikkelpaden zij onderdeel wil uitmaken van een collectief:
a. a. erkende ontwikkelpaden; b. b. ontwikkelpaden waarvoor op dat moment een aanvraag om erkenning is ingediend; of c. c. ontwikkelpaden waarvan reeds bekend is dat die voor het volgende erkenningsmoment aan de minister worden aangeboden.
3. De minister maakt de centrumgemeenten die een melding hebben gedaan en de erkende ontwikkelpaden waar de melding betrekking op heeft bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.
4. Indien een collectief subsidie aanvraagt voor scholing uit een of meer erkende ontwikkelpaden ten aanzien waarvan een of meer centrumgemeenten een melding hebben gedaan, maken deze centrumgemeenten tevens onderdeel uit van het collectief.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op de centrumgemeente die:
a. a. na het doen van de melding heeft verklaard geen onderdeel uit te willen maken van het collectief; b. b. geen overeenstemming heeft bereikt met de partijen in het collectief over deelname aan het collectief, mits door het collectief is onderbouwd dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming kon worden bereikt.
6. Indien er sprake is van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, voegt het collectief, onverminderd artikel 3.15, eerste en tweede lid, bij de aanvraag een onderbouwing waaruit blijkt dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming over de deelname aan het collectief kon worden bereikt.
Artikel 3.17
1. Subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.
2.
Een aanvraag is volledig wanneer:
a. a. het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig zijn; b. b. de aanvraag is ondertekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen; en c. c. binnen het aanvraagtijdvak is ontvangen door de minister.
3. Voor onvolledige subsidieaanvragen geldt, na aanvulling door de subsidieaanvrager, de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag als datum van binnenkomst.
4.
Indien na sluiting van het aanvraagtijdvak voor collectieven uit een beoordeling van de ontvangen subsidieaanvragen blijkt dat het van toepassing zijnde deel van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, zal worden overschreden, verdeelt de minister, in afwijking van het eerste lid, het beschikbare subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, met dien verstande dat:
a. a. de subsidieverlening € 125.000 bedraagt als bedoeld in artikel 3.10 indien door evenredige verdeling het bedrag lager uitvalt dan dit bedrag; en b. b. het resterende deel van het subsidieplafond naar rato over de resterende aanvragen wordt verdeeld.
Artikel 3.18
1. Op aanvragen van een werkgever en een geregistreerd gastouderbureau beslist de minister binnen 13 weken na de subsidieaanvraag.
2. Op aanvragen van een collectief beslist de minister binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak op de subsidieaanvraag.
3. Onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval de wijze van bevoorschotting.
Artikel 3.19
1. De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening aan een collectief een voorschot verlenen van 25% van de verleende subsidie en, indien de looptijd, bedoeld in artikel 3.11, meer dan twaalf maanden bedraagt, een aanvullend voorschot van 50% van de verleende subsidie.
2. Het aanvullend voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald na indiening van de voortgangsrapportage.
Artikel 3.20
1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.
2.
Aanvragen voor scholing worden ook geweigerd indien de scholing wordt uitgevoerd door:
a. a. de subsidieontvanger of een partij in het samenwerkingsverband; b. b. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieontvanger of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband; c. c. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:
1°.
in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of
2°.
in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd;
1°. 1°. in het bestuur van de subsidieontvanger zijn vertegenwoordigd; of 2°. 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd; d. d. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of bestuurder is van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:
1°.
de subsidieontvanger; of
2°.
een partij uit het samenwerkingsverband;
1°. 1°. de subsidieontvanger; of 2°. 2°. een partij uit het samenwerkingsverband; e. e. een organisatie waarin de subsidieontvanger of een partij uit het samenwerkingsverband, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of f. f. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het initiatief betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.
3. Indien bij subsidieverlening het totaal aan subsidieverleningen aan één individuele aanvrager het bedrag van € 100.000,– per jaar zou overschrijden, wordt het deel van de aanvraag geweigerd dat zou leiden tot overschrijding van de € 100.000,–.
4. De subsidie wordt ook geweigerd indien het activiteitenplan de aannemelijkheid van de omvang en invulling van de aanvraag, of de haalbaarheid van de realisatie van het plan onvoldoende onderbouwt.
Artikel 3.21
Een collectief is verplicht om door haar ingekochte scholing aan te bieden aan alle begunstigden en, voor zover hij de verleende subsidie gebruikt voor het vergoeden van scholingskosten, om elke werkgever en elk geregistreerd gastouderbureau de gelegenheid te geven een verzoek tot vergoeding van scholingskosten bij het collectief in te dienen.
Artikel 3.22
1.
Onverminderd artikel 5.2 van de Kaderregeling, bevat de administratie van een collectief ten minste:
a. a. de naam, geboortedatum en het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van alle personen die de scholing die met de verleende subsidie is ingekocht volgen of hebben gevolgd; b. b. een verklaring dat de scholing wordt ingezet in combinatie met een scholing als bedoeld in artikel 3.5 en nodig is voor het uitoefenen van de functie in het ontwikkelpad waar de scholing, bedoeld in artikel 3.5, toe behoort, voor zover het scholing betreft, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b; c. c. schriftelijke verklaringen van de personen, bedoeld in onderdeel a, waaruit blijkt dat zij met de scholing zijn gestart en deze kosteloos volgen; en d. d. facturen en betaalbewijzen van de ingekochte scholing.
2. Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, ziet de hoofdaanvrager van het collectief erop toe dat wordt voldaan aan het eerste lid en artikel 5.2 van de Kaderregeling en verstrekt hij op verzoek aan de minister alle informatie uit de administratie die de minister in het kader van de subsidieverstrekking nodig acht.
3. De facturen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevatten ten minste de door de minister te bepalen informatie. Artikel 3.14, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.23
1. Indien de duur van de subsidiabele activiteiten meer dan twaalf maanden bedraagt, dient een collectief waaraan subsidie is verleend op grond van dit hoofdstuk op de tijdstippen, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, een voortgangsrapportage in.
2. De voortgangsrapportage heeft betrekking op een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag na de datum van indiening van de subsidieaanvraag dan wel, indien het een voortgangsrapportage betreft die volgt op een eerdere voortgangsrapportage, een periode van twaalf maanden volgend op de periode waarop de laatste voortgangsrapportage betrekking heeft.
3. De minister stelt het model van de voortgangsrapportage vast.
Artikel 3.24
1. De minister bepaalt voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie op basis van een steekproef aan welke werkgevers en geregistreerde gastouderbureaus waaraan een subsidie is verleend op grond van deze regeling hij een verzoek doet als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling.
2. De minister neemt binnen 35 weken na indiening van de subsidieaanvraag ambtshalve een besluit over de vaststelling van de aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau verleende subsidie.
3. Een collectief waaraan subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk dient binnen 22 weken na afloop van de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde periode, een verzoek in tot vaststelling van de subsidie met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
4. Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.8 van de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.
5. In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling, gaat het financieel verslag vergezeld van het door een accountant opgestelde product dat is voorgeschreven in het op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl gepubliceerde accountantsprotocol.
6. De subsidieontvanger verstrekt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie het burgerservicenummer van alle personen die de scholing volgen of hebben gevolgd, die met de verleende subsidie is ingekocht.
Artikel 3.25
1.
Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:
a. a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten; b. b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd.
2. De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.
3. Indien de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het aan de subsidieontvanger betaalde voorschot respectievelijk het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk teruggevorderd van de subsidieontvanger.
Hoofdstuk 4. Hardheidsclausule en slotbepalingen
Artikel 4.1
De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 4.1a
Op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2025, nr. 2025-0000095142, tot wijziging van de SLIM-regeling met name in verband met het verduidelijken en aanscherpen van de regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden, blijft de SLIM-regeling van toepassing zoals die luidde op de dag voor het genoemde tijdstip.
Artikel 4.2
1. De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.
2. De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieontvanger verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
Artikel 4.3
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met uitzondering van hoofdstuk 3, dat vervalt met ingang van 1 januari 2028.
2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2027 respectievelijk 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van hoofdstuk 3 respectievelijk hoofdstuk 2 van deze regeling.
Artikel 4.4
Deze regeling wordt aangehaald als: SLIM-regeling.