40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 | BWBR0051069 | ministeriele-regeling | geldend | 2025-08-19 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0051069 | Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025 |
Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;
-
algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 zoals laatst gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/1315, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2023, L 167);
-
bovenlokale onderneming: iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent, waarvan de activiteit invloed kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie;
-
economische eigendom: het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is;
-
eigenaar: eigenaar, eigenaar van het economische eigendom, erfpachter of opstalhouder van maatschappelijk vastgoed die niet in eigendom is van de Staat der Nederlanden.
-
eigendom: eigendom, economische eigendom, erfpachtrecht of opstalrecht van maatschappelijk vastgoed die niet in eigendom is van de Staat der Nederlanden;
-
energieadviseur: onderneming die bedrijfsmatig onderzoek doet naar en adviseert over mogelijke te nemen verduurzamingsmaatregelen en die niet werkzaam is bij de eigenaar van het maatschappelijk vastgoed;
-
energie-etiketteringverordening: verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PbEU 2017, L 198/1);
-
energielabel: energielabel als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en die is vastgesteld volgens de eisen van NTA 8800 zoals die is opgesteld na 1 januari 2021;
-
energieprestatie: berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting;
-
gebouwde onroerende zaak: gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen;
-
hoge energieprestatie: hoge energieprestatie van het gebouw, afhankelijk van de aanwezige gebruiksfuncties, als bedoeld in bijlage 4;
-
integraal verduurzamingsproject: project met een hoge duurzaamheidsambitie op basis van een verduurzamingspakket als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P;
-
gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
-
Kaderbesluit: Kaderbesluit BZK-subsidies;
-
maatregelen voor de verbetering van energie-efficiëntie in het gebouw: de maatregelen onder codes C, E, F en L en de maatregelen D.4, D.5, D.6, D.7 en D.10 uit de maatregelenlijst van bijlage 3; a. maatschappelijk vastgoed:
a. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een provincie, een gemeente, een waterschap of een veiligheidsregio; b. schoolgebouw; c. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in hoofdstuk 1, titel 3, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of hoofdstuk 1, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; d. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een zorgaanbieder met een in bijlage 2, onderdeel A, opgenomen SBI-code; e. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of in eigendom van een culturele instelling gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling; f. monument; g. gebouwde onroerende zaak met een publieksfunctie in eigendom van kerkgenootschappen, stichtingen, verenigingen of coöperaties met een in bijlage 2, onderdeel B, opgenomen SBI-code, waaronder in elk geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum, gebedshuis of gemeenschapscentrum; of h. sportaccommodatie;
a. a. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een provincie, een gemeente, een waterschap of een veiligheidsregio; b. b. schoolgebouw; c. c. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in hoofdstuk 1, titel 3, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of hoofdstuk 1, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; d. d. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een zorgaanbieder met een in bijlage 2, onderdeel A, opgenomen SBI-code; e. e. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of in eigendom van een culturele instelling gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling; f. f. monument; g. g. gebouwde onroerende zaak met een publieksfunctie in eigendom van kerkgenootschappen, stichtingen, verenigingen of coöperaties met een in bijlage 2, onderdeel B, opgenomen SBI-code, waaronder in elk geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum, gebedshuis of gemeenschapscentrum; of h. h. sportaccommodatie;
-
minister: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; a. monument: gebouwde onroerende zaak of deel van een gebouwde onroerende zaak die is ingeschreven als:
a. rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; b. gemeentelijk monument in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet; of c. provinciaal monument in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet;
a. a. rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; b. b. gemeentelijk monument in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet; of c. c. provinciaal monument in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet;
-
onderdeel van een gebouw: technisch bouwsysteem of onderdeel van de bouwschil;
-
portefeuilleroutekaart: een handelingsplan van eigenaren van maatschappelijk vastgoed met te nemen maatregelen om de CO_2-uitstoot te verminderen;
-
primaire energie: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;
-
projectkosten: kosten van ontwerp, bouwmateriaal, bouwmaterieel, gebouwgebonden installaties, projectmanagement en arbeid, inclusief kosten voor indexering, sloop en lood- en asbestverwijdering;
-
publieksfunctie: gebouwde onroerende zaak die openbaar toegankelijk is voor het publiek of bedoeld is voor gemeenschappelijk gebruik;
-
reguliere de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2023, L 2023/2831); a. residentiële ventilatie-eenheid: elektrisch toestel uitgerust met ten minste één waaier, één motor en een kast, dat bedoeld is om in een gebouw of een deel van een gebouw vervuilde lucht door buitenlucht te vervangen:
a. met een maximaal debiet van niet meer dan 250 m^3/h; of b. met een maximaal debiet tussen 250 en 1.000 m^3/h, die volgens de producent uitsluitend voor residentiële ventilatie bedoeld is;
a. a. met een maximaal debiet van niet meer dan 250 m^3/h; of b. b. met een maximaal debiet tussen 250 en 1.000 m^3/h, die volgens de producent uitsluitend voor residentiële ventilatie bedoeld is;
-
SBI-code: code van de Standaard Bedrijfsindeling 2008 zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische hoofd- of nevenactiviteit van een bedrijf wordt weergegeven in het handelsregister;
-
schoolgebouw: uit ’s Rijks kas bekostigde gebouwde onroerende zaak, waar onderwijs wordt gegeven, van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
-
slimme meter: elektronisch systeem dat het energieverbruik kan meten, meer informatie levert dan een traditionele meter, en data kan doorgeven en ontvangen middels een vorm van elektronische communicatie; a. sportaccommodatie: gebouwde onroerende zaak die kwalificeert als sportaccommodatie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Subsidieregeling BOSA, gebruikt voor amateursport als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling BOSA, in eigendom van:
a. een openbaar lichaam genoemd in onderdeel a van de definitie van maatschappelijk vastgoed; of b. een amateursportorganisatie die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling BOSA;
a. a. een openbaar lichaam genoemd in onderdeel a van de definitie van maatschappelijk vastgoed; of b. b. een amateursportorganisatie die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling BOSA;
- Unienorm: Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- verduurzamingsmaatregel: maatregel die aantoonbaar direct leidt tot energiebesparing of reductie van koolstofdioxide-emissies, niet zijnde een gedragsmaatregel.
Artikel 2
Deze regeling heeft tot doel eigenaren van bestaand maatschappelijk vastgoed te stimuleren om te investeren in ten hoogste drie verduurzamingsmaatregelen of een integraal verduurzamingsproject ten behoeve van het verbeteren van de energieprestatie of energie-efficiëntie van maatschappelijk vastgoed en bouwwerken op hetzelfde perceel die het doel van het maatschappelijk vastgoed ondersteunen.
Artikel 3
De minister kan aan een eigenaar van bestaand maatschappelijk vastgoed op aanvraag subsidie verstrekken voor een investering in maatregelen bestaande uit:
a. a. ten hoogste drie verduurzamingsmaatregelen die zijn opgenomen in bijlage 3 van deze regeling; of b. b. een integraal verduurzamingsproject.
Artikel 4
1. Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend van 2 juni 2025 tot en met 31 oktober 2025 of tot en met de dag waarop het subsidieplafond wordt bereikt.
2. Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister ter beschikking is gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
3. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 09:00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17:00 uur zijn ontvangen.
Artikel 5
1. Het subsidieplafond bedraagt € 121.500.000 voor aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel a.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 283.500.000 voor aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel b.
3.
Voor zover de aanvraag het voor die subsidie geldende subsidieplafond overschrijdt, of als dat subsidieplafond al volledig aangewend is, kunnen vanaf 1 oktober 2025:
a. a. aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel a, gebruik maken van het subsidieplafond als bedoeld in het tweede lid, en b. b. aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel b, gebruik maken van het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid.
4. De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 6
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door de reguliere de-minimisverordening.
2. Een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door artikelen 38 bis, 41 en 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
3. Een subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door artikel 38 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
4. Een subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door de reguliere de-minimisverordening.
5. Een subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door de reguliere de-minimisverordening.
Artikel 7
1. De minister publiceert binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, als de subsidie aan een project meer bedraagt dan € 100.000.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Hoofdstuk 2. Subsidie voor (combinaties van) verduurzamingsmaatregelen
Artikel 8
1.
Een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, kan worden verleend voor:
a. a. de projectkosten van een verduurzamingsmaatregel of een combinatie van maximaal drie verduurzamingsmaatregelen als bedoeld in bijlage 3 welke voortkomen uit een advies als bedoeld in onderdeel b, voor investeringen in bestaand maatschappelijk vastgoed; b. b. de advieskosten, bedoeld in bijlage 3, onderdeel A.1, A.3 of A.5, ook als deze zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag, hoewel kosten van het opstellen van een portefeuilleroutekaart of kosten van het opstellen van een energieadvies in het kader van het ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed zijn uitgezonderd van subsidiëring; of c. c. de kosten voor het opstellen en registeren van een energielabel, als bedoeld in bijlage 3, onderdeel K.1, na de uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a.
2. De advieskosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, komen alleen voor subsidie in aanmerking, als een aanvraag voor verstrekking van subsidie voor verduurzamingsmaatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is ingediend.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder maatschappelijk vastgoed ook begrepen bouwwerken op hetzelfde perceel die het doel van het maatschappelijk vastgoed ondersteunen.
Artikel 9
1. De subsidie, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, bedraagt 20% van de kosten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, met een minimumbedrag van € 5.000 per aanvraag en een maximumbedrag van € 1.500.000 per gebouwde onroerende zaak.
2. In afwijking van de artikelen 4, eerste lid, en 6, vierde lid, van het Kaderbesluit kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten die op grond van een andere regeling zijn gesubsidieerd of gefinancierd, behalve in het geval van bovenlokale ondernemingen.
3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie een maximumbedrag van € 300.000 per onderneming als de steun wordt gerechtvaardigd door de reguliere de-minimisverordening, en kan dit maximumbedrag naar beneden worden bijgesteld als de ontvanger eerder steun op grond van die verordening heeft ontvangen.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gebouwde onroerende zaak ook begrepen bouwwerken op hetzelfde perceel die het doel van het maatschappelijk vastgoed ondersteunen.
Artikel 10
1.
In aanvulling op artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, ten minste:
a. a. het adres of de kadastrale aanduiding van het maatschappelijk vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. een verklaring dat de aanvraag betrekking heeft op investeringen in verduurzamingsmaatregelen in maatschappelijk vastgoed; c. c. een advies als bedoeld in bijlage 3, onderdeel A.1 of A.3, dat niet ouder is dan 48 maanden op het moment van de aanvraag; d. d. de hoogtes van de andere subsidies, als andere subsidies voor dezelfde activiteiten zijn verstrekt; e. e. een verklaring waaruit blijkt dat of de onderneming een bovenlokale onderneming is, als de aanvraag betrekking heeft op een entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent; f. f. een formulier dat aantoont dat de sportaccommodatie voor minimaal 50% van het oppervlakte en minimaal 50% van de tijd bestemd is en gebruikt wordt voor amateursport, als een stichting of vereniging een sportaccommodatie ter beschikking stelt maar de locatie van de accommodatie in het omgevingsplan niet de enkelbestemming ‘sport’ heeft; en g. g. het bondsnummer van het NOC*NSF of een registratienummer van het Platform Ondernemende Sportaanbieders van de stichting of vereniging die amateursport aanbiedt of van de amateursportorganisaties die gebruikmaken van de sportaccommodatie, als een stichting of vereniging amateursport aanbiedt of een sportaccommodatie ter beschikking stelt.
2. In afwijking van artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, in plaats van een gespecificeerde begroting de offertes van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd bevatten.
3.
In aanvulling op het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, als deze gerechtvaardigd wordt door de algemene groepsvrijstellingverordening of de reguliere de-minimisverordening:
a. a. een verklaring dat niet eerder subsidie voor dezelfde activiteiten is verstrekt; b. b. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet meer subsidie ontvangt dan is toegestaan op basis van de reguliere de-minimisverordening, als de subsidieaanvraag of een deel ervan op grond van de reguliere de-minimisverordening wordt gerechtvaardigd; en c. c. een verklaring dat het pakket met maatregelen zal voldoen aan de vereisten van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
4. In afwijking van het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, als de subsidie wordt gerechtvaardigd door de algemene groepsvrijstellingsverordening, een advies als bedoeld in bijlage 3, onderdeel A.5, dat niet ouder is dan 48 maanden op het moment van de aanvraag.
Artikel 11
1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit, wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, af voor zover:
a. a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland; b. b. het maatschappelijk vastgoed na het uitvoeren van de maatregelen een andere bestemming dan maatschappelijk vastgoed krijgt; c. c. reeds een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed is verstrekt, of aangevraagd en nog niet afgewezen; d. d. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten door een bestuursorgaan van de Staat, tenzij de subsidie een lening betreft; e. e. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten en subsidiëring op grond van artikel 3, onderdeel a, zou leiden tot een totale subsidie, exclusief leningen, van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten, of een totale subsidie, inclusief leningen, van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten; f. f. de subsidie betrekking heeft op een bovenlokale onderneming of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, tenzij de subsidie gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening; g. g. sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelastingplichtig is in Nederland en in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen; h. h. de subsidie wordt aangevraagd voor de projectkosten en energielabelkosten bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c, als de bijbehorende activiteiten zijn uitgevoerd voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor subsidie; i. i. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds vastgestelde Europese regelgeving; j. j. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; k. k. de subsidie wordt aangevraagd voor maatschappelijk vastgoed of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, tenzij het maatschappelijk vastgoed in eigendom is van een zorgaanbieder; l. l. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m^2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, en dat niet beschikt over een geldig energielabel, of als voor dat gebouw subsidie wordt aangevraagd voor de energielabelkosten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c; m. m. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw dat niet beschikt over ten minste energielabel C, tenzij de energielabel C-verplichting niet van toepassing is ingevolge artikelen 3.87 en 3.87a van het Besluit bouwwerken leefomgeving of het kantoorgebouw ingevolge deze artikelen van de verplichting is uitgezonderd; n. n. de subsidie staatssteun bevat, tenzij deze wordt gerechtvaardigd door de reguliere de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening; of o. o. op grond van artikel 3, onderdeel a, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed:
1°.
voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of
2°.
voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
1°. 1°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of 2°. 2°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
2.
In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening af voor zover:
a. a. op een andere manier reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten; b. b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten; of c. c. de subsidie het steunplafond overschrijdt uit artikel 3, tweede lid, van de reguliere de-minimisverordening, van 300.000 euro over een periode van drie jaar.
3.
In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de algemene groepsvrijstellingsverordening af voor zover:
a. a. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten; b. b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten; c. c. de onderneming een onderneming in moeilijkheden betreft als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. maatregelen voor de verbetering van energie-efficiëntie in het gebouw worden gesubsidieerd en de maatregelen:
1.
één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
2.
niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
-
-
één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
-
-
-
niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
-
Artikel 12
1.
Onverminderd artikel 21 van het Kaderbesluit, is de subsidieontvanger verplicht:
a. a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt binnen 24 maanden na de subsidieverlening te realiseren; en b. b. voor subsidies van meer dan € 25.000: de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.
2. Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger eenmaal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.
3. De subsidieontvanger dient iedere gas- of elektriciteitsaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet of artikel 1, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998 waar de subsidie betrekking op heeft te koppelen aan een slimme meter, indien dat nog niet is gedaan.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op maatschappelijk vastgoed dat vanaf 2012 is opgeleverd en dat beschikt over een gasaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet, dienen de activiteiten ten minste te leiden tot de vervanging van de aansluiting op gas.
5. Artikel 19 van het Kaderbesluit is niet van toepassing op een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a.
Artikel 13
1. De minister keert bij subsidiebedragen vanaf € 25.000 een voorschot uit van 70% van het verleende bedrag.
2. Het voorschot wordt in één keer betaald.
Artikel 14
1. De minister stelt een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die minder dan € 25.000 bedraagt direct vast conform artikel 16, tweede lid, onderdeel a van het Kaderbesluit.
2. De minister stelt een subsidie vanaf € 25.000 als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, vast nadat de aanvrager een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan de minister heeft verstrekt.
3.
Uit de verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, bedoeld in het tweede lid, blijkt:
a. a. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; b. b. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; c. c. dat een energielabel is afgegeven na het uitvoeren van de maatregelen indien dat een onderdeel is van de gesubsidieerde activiteiten is; en d. d. indien het een subsidie als bedoeld in artikel 12, vierde lid betreft, dat de aansluiting op gas binnen de gestelde termijn is vervangen.
4. Een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.
Hoofdstuk 3. Subsidie voor integrale verduurzamingsprojecten
Artikel 15
1.
Een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kan worden verleend voor:
a. a. de projectkosten die betrekking hebben op een van de integrale verduurzamingspakketten als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P, welke voortkomen uit een advies als bedoeld in onderdeel b, die leiden tot het verbeteren van de energieprestatie van bestaand maatschappelijk vastgoed; b. b. de advieskosten, bedoeld in bijlage 3, onderdeel A.2 of A.3, ook als deze zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag, hoewel kosten van het opstellen van een portefeuilleroutekaart van subsidiëring zijn uitgezonderd; of c. c. de kosten voor het opstellen en registeren van een energielabel, als bedoeld in bijlage 3, onderdeel K.1, na de uitvoering van de werkzaamheden van het integraal verduurzamingspakket, bedoeld in onderdeel a.
2. De advieskosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, komen alleen voor subsidie in aanmerking als een aanvraag voor verlening van subsidie voor projectkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is ingediend.
Artikel 16
1. De subsidie, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, bedraagt 30% van de projectkosten van de subsidiabele activiteiten en ten minste € 25.000 per aanvraag en ten hoogste € 1.500.000 per gebouwde onroerende zaak indien een verduurzamingspakket als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P.1 of P.3, wordt uitgevoerd.
2. De subsidie, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, bedraagt 40% van de projectkosten van de subsidiabele activiteiten en ten minste € 25.000 per aanvraag en ten hoogste € 1.500.000 per gebouwde onroerende zaak indien een verduurzamingspakket als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P.2 of P.4, wordt uitgevoerd.
3. Het percentage bedoeld in het tweede lid wordt verlaagd met tien procentpunten, indien de aanvraag een bovenlokale onderneming betreft maar geen kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, die geen kleine of middelgrote onderneming is.
4. Indien de aanvraag een bovenlokale onderneming betreft of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, wordt het subsidiepercentage met 5 procentpunten verlaagd, indien de steun ziet op slechts één type onderdeel van een gebouw.
5. In aanvulling op het eerste en tweede lid kan hetzelfde percentage worden gesubsidieerd van de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen b en c, als dat van de projectkosten.
6. In afwijking van de artikelen 4, eerste lid, en 6, vierde lid, van het Kaderbesluit kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten die op grond van een andere regeling zijn gesubsidieerd of gefinancierd, behalve in het geval van bovenlokale ondernemingen.
7. De maximale projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen bedragen per labelsprong € 220 exclusief btw per m^2 gebruiksoppervlakte indien een verduurzamingspakket als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P.1 of P.2, wordt uitgevoerd.
Artikel 17
1.
In aanvulling op de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, ten minste:
a. a. het adres of de kadastrale aanduiding van het maatschappelijk vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. de geregistreerde handelsnaam van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel, indien van toepassing; c. c. een verklaring dat de aanvraag betrekking heeft op investeringen in maatschappelijk vastgoed; d. d. een advies als bedoeld in bijlage 3, onderdeel A.2 of in het geval van monumenten A.3, dat niet ouder is dan 48 maanden op het moment van de aanvraag; e. e. een beschrijving van het maatregelenpakket waar de aanvraag betrekking op heeft met een onderbouwing van de potentiële energiebesparing of potentiële reductie van koolstofdioxide-uitstoot; f. f. een verklaring waaruit blijkt of de onderneming wel of geen bovenlokale onderneming is, als de aanvraag betrekking heeft op een entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent; g. g. de hoogtes van de andere subsidies, als andere subsidies voor dezelfde activiteiten zijn verstrekt; h. h. een verklaring dat de subsidie niet wordt gebruikt om producten die onder de energie-etiketteringverordening vallen, en niet voldoen aan de eis van artikel 7, tweede lid, van die verordening, aan te schaffen of daarop een gebruiksrecht te verkrijgen; i. i. een formulier dat aantoont dat de sportaccommodatie voor minimaal 50% van het oppervlakte en minimaal 50% van de tijd bestemd is en gebruikt wordt voor amateursport, als een stichting of vereniging een sportaccommodatie ter beschikking stelt maar de locatie van de accommodatie in het omgevingsplan niet de enkelbestemming ‘sport’ heeft; en j. j. het bondsnummer van het NOC*NSF of een registratienummer van het Platform Ondernemende Sportaanbieders van de stichting of vereniging die amateursport aanbiedt of van de amateursportorganisaties die gebruikmaken van de sportaccommodatie, als een stichting of vereniging amateursport aanbiedt of een sportaccommodatie ter beschikking stelt.
2.
In aanvulling op het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, als deze wordt aangevraagd voor een bovenlokale onderneming, of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming:
a. a. een verklaring dat niet eerder subsidie voor dezelfde activiteiten is verstrekt; b. b. een verklaring dat het pakket met maatregelen zal voldoen aan de vereisten van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet meer subsidie ontvangt dan is toegestaan op basis van de reguliere de-minimisverordening, als een subsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b of c, wordt aangevraagd; en d. d. de groottecategorie van de onderneming, te weten klein of middelgroot in de zin van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening, ofwel een grote onderneming als deze buiten de categorieën klein of middelgroot valt, als een subsidie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, wordt aangevraagd.
Artikel 18
1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit, wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, af voor zover:
a. a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland; b. b. het maatschappelijk vastgoed na het uitvoeren van de maatregelen een andere bestemming dan maatschappelijk vastgoed krijgt; c. c. sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelastingplichtig is in Nederland en in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen; d. d. de subsidie wordt aangevraagd voor de projectkosten en energielabelkosten bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en c, als de bijbehorende activiteiten zijn uitgevoerd voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor subsidie; e. e. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds in werking getreden Europese regelgeving of, in het geval van bovenlokale ondernemingen, reeds vastgestelde Unienormen; f. f. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. g. de subsidie wordt aangevraagd voor maatschappelijk vastgoed of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, tenzij het maatschappelijk vastgoed in eigendom is van een zorgaanbieder; h. h. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m^2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, en dat niet beschikt over een geldig energielabel, of als voor dat gebouw subsidie wordt aangevraagd voor de energielabelkosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder c; i. i. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw dat niet beschikt over ten minste energielabel C, tenzij de energielabel C-verplichting niet van toepassing is ingevolge artikelen 3.87 en 3.87a van het Besluit bouwwerken leefomgeving of het kantoorgebouw ingevolge deze artikelen van de verplichting is uitgezonderd; j. j. de subsidie staatssteun bevat en niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 38 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening of door de reguliere de-minimisverordening met inachtneming van de cumulatiebepalingen van artikel 8, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; k. k. reeds subsidie is verstrekt op grond van artikel 3, onderdeel b, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed; l. l. reeds subsidie op grond van deze regeling of de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed is aangevraagd voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed en deze nog niet is afgewezen, ingetrokken of vastgesteld; m. m. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten door een bestuursorgaan van de Staat, tenzij de subsidie een lening betreft; of n. n. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten en subsidiëring op grond van artikel 3, onderdeel b, zou leiden tot een totale subsidie, exclusief leningen, van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten, of een totale subsidie, inclusief leningen, van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten.
2.
In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, als de subsidie betrekking heeft op een bovenlokale onderneming is of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, af voor zover:
a. a. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten; b. b. de gekozen maatregelen niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%; c. c. de onderneming een onderneming in moeilijkheden betreft als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of d. d. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten.
Artikel 19
1.
Onverminderd artikel 21 van het Kaderbesluit, is de subsidieontvanger verplicht:
a. a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren binnen 36 maanden na de subsidieverlening; en b. b. de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.
2. Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger eenmaal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.
3. De subsidieontvanger die een integraal verduurzamingspakket als bedoeld in bijlage 3, onderdeel P.1 of P.2, uitvoert dient de energielabels te laten opstellen en te laten registreren zoals aangegeven in de beschrijving van het pakket.
4. De subsidieontvanger dient iedere gas- of elektriciteitsaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet of artikel 1, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998 waar de subsidie betrekking op heeft te koppelen aan een slimme meter, indien dat nog niet is gedaan.
5. Als de subsidie betrekking heeft op een bovenlokale onderneming is of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming dienen de gekozen maatregelen gezamenlijk te leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
6. Indien de aanvraag betrekking heeft op maatschappelijk vastgoed dat vanaf 2012 is opgeleverd en dat beschikt over een gasaansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, van de Gaswet, dienen de activiteiten ten minste te leiden tot de vervanging van de aansluiting op gas.
7. Artikel 19 van het Kaderbesluit is niet van toepassing op een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b.
Artikel 20
1. De minister keert een voorschot uit van 70% van het verleende bedrag.
2. Het voorschot wordt in één keer betaald.
Artikel 21
1. De minister stelt een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, vast nadat de aanvrager een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan de minister heeft verstrekt.
2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.
3.
Uit de verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, bedoeld in het eerste lid, blijkt:
a. a. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; b. b. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; c. c. dat een energielabel is afgegeven na het uitvoeren van de maatregelen indien dat een onderdeel is van de gesubsidieerde activiteiten; en d. d. indien het betreft een subsidie als bedoeld in artikel 19, zesde lid, dat de aansluiting op gas binnen de gestelde termijn is vervangen.
4. Een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 22
Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.
Artikel 23
Deze regeling treedt in werking met ingang van 2 juni 2025 en vervalt met ingang van 30 september 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn aangevraagd of verstrekt.
Artikel 24
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025.