rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-esf-20072013-herzien/BWBR0026313
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling ESF 20072013 (herzien) BWBR0026313 ministeriele-regeling geldend 2013-10-14 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026313 Subsidieregeling ESF 20072013 (herzien)

Subsidieregeling ESF 20072013 (herzien)

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

• •

    *Adviseur in de zin van Actie E:* een natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van de subsidieaanvrager, die in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf als adviseur werkzaam is op het gebied van sociale innovatie in arbeidsorganisaties door middel van gedragsbeïnvloeding of cultuurverandering;

• •

    *arbeidsbelemmerde:* een persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats uitsluitend aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand of op grond van de Participatiewet, naar het oordeel van dat college, gebaseerd op een door een arts of arbeidsdeskundige afgegeven verklaring een structurele functionele beperking heeft en jegens het UWV geen aanspraak heeft op een uitkering, danwel een persoon die naar het oordeel van dat college behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1 sub e van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie;

• •

    *begunstigde:* de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

• •

    *branchegerichte cursussen met een civiel effect:* cursussen, niet zijnde bedrijfsspecifieke trainingen, gericht op een specifieke branche teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;

• •

    *brutoloon:* bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of 13e maand, exclusief vakantiegeld, exclusief aanvullende werkgeverslasten;

• •

    *coördinerende gemeente:* een coördinerende gemeente is één van de volgende gemeenten: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zwolle;

• •

    *coördinerende gemeente Actie Jeugd 1 in 20132015:* een coördinerende gemeente voor de aanvraag Actie Jeugd 1 in 20132015, is één van de volgende gemeenten: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Roermond, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer, Zwolle;

• •

    *CREBO:* het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

• •

    *eindejaarsuitkering/13e maand: * vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst;

• •

    *gedeeltelijk-arbeidsgeschikte:* een persoon met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;

• •

    *gedetineerde:* een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een justitiële inrichting plaatsvindt of ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven als bedoeld in artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht;

• •

    *Implementatieverordening:*
    Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (pbEU 2006, L 371);

• •

    *Instelling:* een opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1., onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, dan wel een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van die wet;

• •

    *IOAW:*
    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

• •

    *IOAZ:*
    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

• •

    *jongere:* een persoon van 15 jaar of ouder doch jonger dan 28 jaar;

• •

    *jonggehandicapte:* de persoon die recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

• •

    *laaggekwalificeerd:* een opleiding hebbend tot en met MBO-4 niveau;

• •

    *leerlingwerkplaatsen:* praktisch onderwijs, waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd die deel uitmaken van een gesimuleerd dienstverlenings- of productieproces;

• •

    *minister:* de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

• •

    *niet-uitkeringsontvanger:* een werkloze persoon van 16 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die geen uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, of de Algemene nabestaandenwet, dan wel op grond van een regeling die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;

• •

    *oudere:* een persoon van 45 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

• •

    *Operationeel Programma:* het Operationeel Programma ESF Doelstelling 2, 20072013;

• •

    *praktijkonderwijs:* het onderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

• •

    *procedure Erkenning van Verworven Competenties (EVC-procedure):* geheel van processtappen en gehanteerde instrumenten waarmee de verworven competenties van deelnemers worden beoordeeld, door een erkende aanbieder, ten opzichte van een specifieke landelijke standaard;

• •

    *project:* een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot een gebied als bedoeld in artikel 4;

• •

    *regionaal plan van aanpak:* een regionaal plan van aanpak ter bestrijding van jeugdwerkloosheid als bedoeld in de Septembercirculaire gemeentefonds 2013 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

• •

    *sectorarrangement:* afspraken tussen een sector enerzijds en de VNG, of een of meer door de VNG aangewezen coördinerende gemeenten, of het UWV, over welke activiteiten door de bij de afspraken betrokken partijen worden ondernomen ter voorkoming van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van jongeren in de betreffende sector;

• •

    *sociale innovatiepotentie:* het potentiële voordeel op het gebied van sociale innovatie dat als gevolg van een project op dat terrein te behalen is;

• •

    *startkwalificatie:* een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

• •

    *subsidieaanvrager:* de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

• •

    *UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

• •

    *VNG:* Vereniging Nederlandse Gemeenten;

• •

    *Verordening:*
    verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L 210);

• •

    *voortgezet speciaal onderwijs:* het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd;

• •

    *werkende:* een persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer, uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder personeel;

• •

    *bijstandsuitkering:* uitkering op grond van de Wet werk en bijstand of de Participatiewet;

• •

    *55-plusser:* een persoon van 55 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

Artikel 2

1. De minister verstrekt, overeenkomstig deze regeling, subsidie aan de nader krachtens dit besluit aangewezen natuurlijke- en rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees Sociaal Fonds Doelstelling 2, zoals uitgewerkt in het Operationeel Programma en neemt daarbij de Verordening en de Implementatieverordening in acht.

2. De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op de subsidieverlening krachtens deze regeling.

3. Indien de Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft ingestemd met het Operationele Programma, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie instemt met dat Operationele Programma.

4. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, kan de minister de subsidie aanpassen aan het gewijzigde Operationele Programma, dat wel de instemming van de Europese Commissie heeft verkregen.

Artikel 3

1. Als managementautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van de Verordening wordt aangewezen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. Als certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder b, van de Verordening wordt aangewezen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken.

3. Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder c, van de Verordening wordt aangewezen de Rijksauditdienst van het Ministerie van Financiën.

Artikel 4

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

a. a. additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt, zoals nader uitgewerkt in Actie A in Bijlage 1; b. b. re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen, zoals nader uitgewerkt in Actie B in Bijlage 1; c. c. praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, zoals nader uitgewerkt in Actie C in Bijlage 1; d. d. verbetering arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden zoals nader uitgewerkt in Actie D in Bijlage 1; e. e. sociale innovatie zoals nader uitgewerkt in Actie E in Bijlage 1; f. f. additionele scholing, opleiding respectievelijk toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt zoals nader uitgewerkt in Actie Jeugd in Bijlage 1.

Artikel 5

De minister kan ter beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening met betrekking tot de Acties A, C, E en Jeugd 2 voor iedere Actie afzonderlijk een Comité van experts instellen.

Artikel 6

1. De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan vooraf door de minister in de Nederlandse Staatscourant mededeling gedaan, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per Actie wordt vastgesteld.

2. Wanneer het vastgestelde aanvraagtijdvak eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt de termijn om 17.00 uur op de vrijdag voorafgaand aan de zaterdag of zondag en om 17.00 uur op de dag voorafgaand aan de algemeen erkende feestdag.

3. Wanneer het vastgestelde aanvraagtijdvak begint op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, begint de termijn om 9.00 uur op de eerstvolgende werkdag, waarbij onder werkdag wordt verstaan de dagen maandag tot en met vrijdag.

Artikel 7

De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door een als zodanig geregistreerde aanvrager, zoals aangewezen in Bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 8

1. De subsidieaanvraag heeft steeds betrekking op één project.

2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting en financieringsplan en wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

3.

De projectbeschrijving bevat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten, b. b. een beschrijving van de doelstelling, resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten nastreeft, c. c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd, en d. d. een opgave van het tijdstip waarop de activiteiten starten en worden beëindigd.

4. De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project en is voorzien van een toelichting per post.

5. Op de aanvraag wordt uiterlijk 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak beschikt. Bij afwezigheid van een aanvraagtijdvak wordt 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

6. Een aanvraag is volledig wanneer het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig en juist zijn ingevuld, zodat op basis van de verstrekte informatie de aanvraag kan worden beoordeeld.

7. Desgevraagd verstrekt de subsidieaanvrager een nadere toelichting op het projectplan en de begroting.

8. Indien de subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet, geschiedt dit op basis van een schriftelijke overeenkomst met, dan wel een schriftelijke toezegging van die derde. In de schriftelijke overeenkomst, dan wel schriftelijke toezegging wordt de bijdrage die door de derde wordt verschaft vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt gesteld.

9. Het tweede tot en met het vijfde lid en het achtste lid zijn niet van toepassing op subsidie aanvragen in het kader van Actie E hoofdstuk I, vitale bedrijven, die zijn ingediend op of na 1 oktober 2011.

Artikel 9

1. In geval het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies met betrekking tot enige Actie het voor die Actie vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, worden de subsidieaanvragen met betrekking tot die Actie door de minister afgehandeld in volgorde van het tijdstip van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

2. Een van het eerste lid afwijkende prioritering geldt, voor zover zulks ten aanzien van enige Actie in Bijlage 1 is bepaald.

3. Wanneer de subsidieaanvrager in de gelegenheid is gesteld om zijn onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen, geldt als tijdstip van ontvangst het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

4. Indien bij overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond blijkt dat het tijdstip van ontvangst van de aanvragen op de desbetreffende dag door overmacht niet is vast te stellen, zal van de op die dag ontvangen aanvragen, de volgorde van ontvangst door middel van loting worden vastgesteld.

5. Indien volledige inwilliging van een subsidieaanvraag zou leiden tot overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond, doch uitvoering van het project mogelijk lijkt op basis van een lager te verlenen subsidiebedrag, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de aanvraag zodanig aan te passen, dat deze een subsidiebedrag betreft waarbij het subsidieplafond niet wordt overschreden.

Artikel 10

1. De minister verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.

2. De beschikking tot verlening van subsidie betreft de projectactiviteiten, zoals vastgelegd in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving.

3. In de beschikking wordt de periode opgenomen waarbinnen het project wordt uitgevoerd. Tevens wordt in de beschikking het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de subsidieaanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project, dan wel uit anderen hoofde worden vergoed.

4. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere voorwaarden worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het behoud van een goed inzicht in de voortgang en administratie van het project.

Artikel 11

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien:

a. a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen; b. b. subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 6, wordt overschreden; c. c. de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten; d. d. onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten; e. e. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen; f. f. onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden; g. g. onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt; h. h. het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese of nationale subsidieprogrammas.

Artikel 12

1. De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in Actie A, Actie B, Actie C, Actie D en Actie Jeugd 1 en 2 bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag. Met betrekking tot Actie D geldt tevens een flexibel subsidiepercentage, zoals nader uitgewerkt in artikel D8 van Bijlage 1.

2.

De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in:

a. a. Actie E, hoofdstuk I, vitale bedrijven, bedraagt 75% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag; b. b. Actie E, hoofdstuk II, duurzame inzetbaarheid sectoren, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag; c. c. Actie Jeugd 1, voor zover de aanvraag door de minister is ontvangen in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014, bedraagt in afwijking van het eerste lid 60% van de subsidiabele kosten. Het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag wordt ambtshalve verhoogd overeenkomstig het subsidiepercentage van 60%.

3.

De subsidie wordt verlaagd met het meerdere indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 8, achtste lid, jegens een derde aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan:

a. a. 60% van de subsidiabele kosten ter zake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het eerste lid; b. b. 25% van de subsidiabele kosten ter zake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; c. c. 50% van de subsidiabele kosten ter zake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b; d. d. 40% van de subsidiabele kosten ter zake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij een bedrag voor zijn rekening zal nemen dat meer bedraagt dan het bij het project behorende percentage, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met d.

Artikel 13

1.

Voor subsidiering komen uitsluitend in aanmerking:

a. a. de noodzakelijke kosten die door of op verzoek van de begunstigde daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1, die ten laste van de begunstigde zijn gebleven en zijn betaald uiterlijk binnen zes weken na het indienen van de eindverantwoording doch uiterlijk op 31 december 2015 en die rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project zijn toe te rekenen. Dit onderdeel is niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het exploitatiekosten betreft, die zijn gerelateerd aan de uitvoering van subsidiabele projectactiviteiten, b. b. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten tot een maximum van 20% van de in beschikking tot subsidievaststelling opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten op grond van de subsidiabele projectactiviteiten per actie, zoals opgenomen in Bijlage 1. Dit onderdeel is niet van toepassing op Actie E. Tevens is dit onderdeel niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie C, voor zover het aan overhead gerelateerde exploitatiekosten betreft, c. c. loonkostensubsidies en stagevergoedingen voor zover verstrekt binnen Actie J.

2. kosten voor intern personeel voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal werkbare uren per jaar.

3.

Kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700, per opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:

de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst, loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF project, of een door het pensioenfonds verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project blijkt, behaald diploma of bewijsstuk van de instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.

4. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang van hoger of gelijk aan € 15.000, de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000, kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000, dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.

5. Met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor subsidieaanvragen die zijn ingediend voor 1 oktober 2010, artikel 13 van de subsidieregeling ESF 20072013 (herzien), zoals dit luidde op 30 september 2010.

Artikel 14

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

a. a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan; b. b. kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties; c. c. kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen; d. d. loonkosten verbonden aan werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand, of de Participatiewet, uitgezonderd hetgeen is bepaald in artikel 13, eerste lid, onderdeel c; e. e. loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft; f. f. verletkosten.

Artikel 15

1. Aan de begunstigde kan op een daartoe strekkend verzoek een voorschot worden verleend. In het verzoek wordt door de begunstigde de behoefte aan het voorschot onderbouwd en gespecificeerd.

2. Het voorschot bedraagt maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.

3. Voor zover het verstrekken van een voorschot heeft geleid tot vermogensvorming blijkt dat uit de einddeclaratie, bedoeld in artikel 18.

4. Na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van subsidie kan de minister uit eigen beweging een voorschot verlenen tot maximaal 100% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.

Artikel 16

1. De begunstigde houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een deelnemersadministratie en een financiële administratie, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op één locatie.

2. De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers en uren, dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het project worden toegerekend.

4. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de projectactiviteiten en de behaalde resultaten per individuele deelnemer.

5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op subsidie aanvragen in het kader van Actie E, die zijn ingediend op of na 1 oktober 2011.

6.

De begunstigde bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project, tot drie jaar nadat de Europese Commissie het programma definitief heeft afgesloten als bedoeld in artikel 89, vijfde lid, van de verordening (EG) nr. 1083/2006. Nadat de Europese Commissie aan de lidstaat heeft gemeld dat het programma is afgesloten, maakt de minister in de Staatscourant de datum van de aanvang van de bewaartermijn van drie jaar bekend.

Van bewijsstukken wordt het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte versie van het originele stuk, bewaard volgens de in Bijlage 3 vastgestelde procedure.

Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn, bedoeld in dit lid, in de Staatscourant bekend.

7. Begunstigde verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde personen desgevraagd informatie over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 17

1. De begunstigde verstrekt, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, aan de managementautoriteit uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar het burgerservicenummer, van de deelnemers aan zijn project.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de begunstigde voor een project in het kader van Actie E.

3. Indien er tussentijds omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

4. De begunstigde maakt, wanneer binnen 3 jaar na afloop van het project sprake is van faillissement of overgang van eigendom van een door het project gefinancierde onderneming, hiervan melding aan de minister.

Artikel 18

1. De begunstigde dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek tot vaststelling van subsidie in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd. De begunstigde verstrekt bij de einddeclaratie het burgerservicenummer, van de deelnemers aan zijn project.

2. In het kader van Actie A, hoofdstuk II (UWV) dient de begunstigde binnen 2 maanden na afloop van de eerste 12 maanden van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend een verzoek in bij de minister tot gedeeltelijke vaststelling van de subsidie. Bij dit verzoek wordt een verantwoording en tussentijdse declaratie over de afgelopen projectperiode gevoegd, alsmede een prognoserapport voor de resterende projectperiode.

3. Het verzoek wordt ingediend onder gebruikmaking van een op het project betrekking hebbend formulier, voorzien van de vereiste bijlagen, dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

4. De minister beslist binnen 24 maanden na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 19

1. De begunstigde informeert de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project en verleent medewerking aan door de minister georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers en het grote publiek.

2. De begunstigde draagt er zorg voor dat op briefpapier en overige relevante op het project en de uitvoering daarvan betrekking hebbende documenten, duidelijk kenbaar wordt gemaakt dat het project cofinanciering vanuit het Europees Sociaal Fonds ontvangt.

3. De begunstigde draagt er zorg voor dat een embleem van de Europese vlag aanwezig is op het publiciteitsmateriaal met betrekking tot het project, en dat dit embleem voldoet aan de instructies betreffende kleurgebruik en afmetingen zoals omschreven in bijlage 1 bij de Implementatieverordening.

4. De begunstigde draagt er zorg voor dat op al het publiciteitsmateriaal in ieder geval de term Europees Sociaal Fonds aanwezig is, en dat, indien het publiciteitsmateriaal daarvoor ruimte biedt, tevens melding wordt gemaakt van de leuze: Het Europees Sociaal Fonds investeert in jouw toekomst.

5. De begunstigde verleent aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.

6. Indien de begunstigde niet voldoet aan een of meer van de vorige leden kan dit leiden tot een verlaging van de vast te stellen subsidie met 5%.

7. De projectresultaten worden om niet beschikbaar gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden.

Artikel 20

1.

Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de minister geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd:

a. a. indien het project wordt uitgevoerd in afwijking van het projectplan, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd; b. b. indien de doelstellingen van het project ten gevolge van nalatigheid van de begunstigde niet of slechts ten dele worden gerealiseerd; c. c. indien de begunstigde niet heeft voldaan aan een of meer van de administratievoorschriften; d. d. op een daartoe strekkend verzoek van de begunstigde.

2. Gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op grond van het eerste lid, onder a, vindt niet plaats, indien de afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectplan vooraf aan de minister is voorgelegd en de minister daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

3. De begunstigde is verplicht onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en teveel door hem ontvangen voorschotten onverwijld terug te betalen.

4. De minister kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger in het kader van de ESF Subsidieregeling 20072013 (herzien), verleende subsidie.

5. Bij terugvordering van door de minister onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of teveel door de begunstigde ontvangen voorschotten worden de met de terugvordering verband houdende kosten bij de begunstigde in rekening gebracht. Tevens wordt overgegaan tot het in rekening brengen van de wettelijke rente.

Artikel 21

De Subsidieregeling ESF 20072013 wordt ingetrokken.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 20072013 (herzien). Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen 1 t/m 4 in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 23

1. Beschikkingen afgegeven onder de Subsidieregeling ESF 20072013 blijven van kracht en worden aangemerkt als beschikkingen die zijn afgegeven onder de Subsidieregeling 20072013 (herzien).

2. Met betrekking tot beschikkingen afgegeven in het kader van Actie D in het jaar 2007 en in het eerste aanvraagtijdvak 2008, in ieder geval voor 2 maart 2009, blijft artikel 3.8, tweede lid, en artikel 10.1, tweede lid, van de Subsidieregeling ESF 20072013 van kracht.

Artikel 24

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat de toepassing van artikel 16, zesde lid, tot gevolg kan hebben dat de in dat artikel bedoelde bewaartermijnen gelden tot een tijdstip na 1 januari 2021.

Bijlage 1. Specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per actie

Bijlage 2. Erkenning van o&o fondsen

Bijlage 3. Procedure voor authentiek gewaarmerkte versies van originele bewijsstukken en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie dient de begunstigde de kosten te onderbouwen met originele bewijsstukken. De Europese Verordening maakt het mogelijk gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006). In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De Europese Commissie accepteert op basis van bovengenoemd artikel tenminste de volgende documenten als bewijsstukken:

Hieronder vindt u de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de ESF-administratie.

De Belastingdienst spreekt van conversie van gegevens op het moment dat gegevens vanaf de originele gegevensdrager worden overgezet naar een andere gegevensdrager. In de opsomming van de Europese Commissie (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006) gaat het dan om de onderdelen a, b en c: fotokopieën van originelen, microfiches van originelen en elektronische versies van originelen.

U kunt deze geconverteerde gegevens onder voorwaarden gebruiken als bewijsstukken ter onderbouwing van de ESF-administratie. Als dit op de juiste wijze gebeurt, is het, in het kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

Voorwaarde hierbij is dat het document dat naar een nieuwe gegevensdrager is geconverteerd wordt gewaarmerkt door de subsidieaanvrager of door de eigenaar van het document. Dit om de authenticiteit van het geconverteerde document te waarborgen.

De waarmerkprocedure zorgt ervoor dat de geconverteerde documenten kunnen worden gebruikt in het kader van de ESF-verantwoording, als zijnde de originele bewijsstukken. Dit wordt als volgt bewerkstelligd.

Indien een begunstigde gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen. Het is aan de begunstigde om dit aan te tonen. Hierbij kan worden aangesloten op de voorschriften die de Belastingdienst stelt aan digitale administraties. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor bewijsstukken zoals benoemd in artikel 16, lid 1 die inzichtelijk moeten zijn in het kader van de ESF verantwoording.

Stukken die in origineel dan wel gewaarmerkt onderdeel moeten zijn van de ESF-projectadministratie, zijn bijvoorbeeld: facturen, betaalbewijzen, urenstaten en presentielijsten.

Voor stukken die niet in het bezit zijn van de uiteindelijk begunstigde partij of de aanvrager kunnen ook kopieën of digitale versies worden bewaard waarop geen waarmerking heeft plaatsgevonden.

Het gaat hier bijvoorbeeld om stukken die in het bezit zijn van de deelnemers aan projecten, zoals ID-bewijzen, loonstroken en behaalde diplomas.

Bijlage 4. Subsidieplafonds coördinerende gemeenten

Bijlage 5. behorend bij artikel J5, derde lid, van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 20072013 (Subsidieregeling ESF 20072013 (herzien))