40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling experimentele faciliteiten ICES-KIS-2 | BWBR0012423 | ministeriele-regeling | geldend | 2001-04-26 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0012423 | Subsidieregeling experimentele faciliteiten ICES-KIS-2 |
Subsidieregeling experimentele faciliteiten ICES-KIS-2
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
1. De minister verstrekt op een aanvraag een subsidie aan de kennisinstellingen die voor eigen rekening en risico of de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een experimentele faciliteit aanschaffen en installeren.
2. Indien de aanvraag wordt ingediend door een samenwerkingsverband wordt de subsidie verstrekt aan de aanvragers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van deze regeling is opgetreden.
3.
Geen subsidie wordt verstrekt indien:
a. a. een aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de aanschaf of installatie van de experimentele faciliteit verplichtingen is aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt; b. b. voor de experimentele faciliteit reeds door de minister subsidie is verstrekt; c. c. de kosten van de experimentele faciliteit in totaal:
1º.
minder zijn dan € 907 500, of
2º.
meer zijn dan € 11 400 000.
1º. 1º. minder zijn dan € 907 500, of 2º. 2º. meer zijn dan € 11 400 000.
Artikel 3
1. De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de kosten van de aanschaf en installatie van de experimentele faciliteit, maar ten hoogste €2 300 000.
2. Indien ter zake van de kosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste lid.
Artikel 4
1.
Als kosten in de zin van deze regeling worden slechts in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het aanschaffen en installeren van de experimentele faciliteit toe te rekenen en door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:
a. a. de aanschafkosten; b. b. de licentiekosten; c. c. de installatiekosten.
2. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Artikel 5
1. Er is een Adviescommissie experimentele faciliteiten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 3 en ten hoogste 5 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij de rijksoverheid.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van één jaar benoemd.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
6. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.
7. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
8. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
10. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
11. De commissie stelt uiterlijk 1 februari 2002 een verslag op van haar werkzaamheden in 2001, alsmede een evaluatieverslag, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 6
Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen op grond van deze regeling, ontvangen in de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid, bedraagt f 25.000.000,00.
Paragraaf 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
Artikel 7
1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend in de periode 26 april 2001 tot en met 2 juli 2001, na afloop waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen worden behandeld.
2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, en gaat vergezeld van de gevraagde bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
3. Indien de aanvraag de aanschaf en installatie van een experimentele faciliteit door een samenwerkingsverband betreft, dient één der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 8
De minister geeft een beschikking binnen zestien weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
Artikel 9
1. Indien de aanvraag de aanschaf en installatie van een experimentele faciliteit door een samenwerkingsverband betreft, waarop niet met toepassing van artikel 10 of 12 afwijzend wordt beslist, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de kosten van de aanschaf en installatie van de experimentele faciliteit per deelnemer in het samenwerkingsverband.
2. Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde kosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
Artikel 10
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling; b. b. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen de experimentele faciliteit niet kunnen financieren; c. c. uit de intentieverklaringen bij het financieringsvoorstel onvoldoende belangstelling blijkt voor het gebruik van de experimentele faciliteit door ondernemers; d. d. op grond van het onderzoeksprogramma van de aanvrager niet aannemelijk is dat de experimentele faciliteit ingezet zal worden bij de uitvoering van dit programma; e. e. hij het aannemelijk acht, dat de experimentele faciliteit ook zonder subsidie rendabel kan worden geëxploiteerd; f. f. hij het onaannemelijk acht, dat de experimentele faciliteit binnen 18 maanden na de datum van subsidieverlening operationeel zal zijn; g. g. uit de ICES-KIS-verklaring onvoldoende blijkt dat een ICES-KIS-2-instelling onderschrijft dat de experimentele faciliteit aanvullend en versterkend werkt voor een project van een ICES-KIS-2-instelling.
Artikel 11
1. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend wordt beslist het advies in van de Adviescommissie experimentele faciliteiten.
2.
De Adviescommissie experimentele faciliteiten geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de experimentele faciliteit; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de installatie en ingebruikneming van de experimentele faciliteit naar behoren te realiseren; c. c. van de ingebruikneming van de experimentele faciliteit onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
3.
De Adviescommissie experimentele faciliteiten rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar mate het hoger wordt gewaardeerd, gelet op de volgende relatieve criteria, met inachtneming van het daaraan toegekende relatieve gewicht:
a. a. de brede functionaliteit van de experimentele faciliteit; b. b. de urgentie van de aanschaf; c. c. het belang van de experimentele faciliteit voor de uitvoering van projecten van ICES-KIS-2-instellingen in verhouding tot de tijd waarbinnen de faciliteit operationeel zal zijn.
4. Voor de rangschikking door de Adviescommissie experimentele faciliteiten wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
Artikel 12
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de Adviescommissie experimentele faciliteiten een negatief advies heeft uitgebracht.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de Adviescommissie experimentele faciliteiten.
3. De minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de Adviescommissie experimentele faciliteiten in strijd is met deze regeling dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 13
1. Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 14 tot en met 17 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 16 opgenomen verplichtingen slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van deze regeling is opgetreden.
2. De in de artikelen 14, eerste en tweede lid, tot en met 16 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 14, derde lid, en artikel 17 opgenomen verplichtingen gelden totdat 5 jaren na die dag zijn verstreken.
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger neemt de experimentele faciliteit in gebruik overeenkomstig het financieringsvoorstel waarop de subsidieverlening betrekking heeft en uiterlijk binnen 18 maanden na de subsidieverlening, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor het essentieel afwijken van deze termijn.
2. De subsidie-ontvanger installeert de experimentele faciliteit in Nederland, behoudens schriftelijke ontheffing van de minister voor installatie buiten Nederland.
3. De subsidie-ontvanger stelt de experimentele faciliteit tegen een kostendekkend tarief beschikbaar voor gebruik door ondernemers.
Artikel 15
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle in artikel 4 bedoelde kosten kunnen worden afgelezen.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
3. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister indien na de subsidieverlening de samenwerkingsovereenkomst wordt gewijzigd.
Artikel 16
1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop de experimentele faciliteit ingevolge artikel 14, eerste lid, in gebruik moet zijn genomen in bij de minister.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een verslag omtrent de aanschaf en installatie van de experimentele faciliteit alsmede de ingebruikneming daarvan, overeenkomstig het formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
Artikel 17
1. De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan de minister verslag uit omtrent het gebruik van de experimentele faciliteit.
2.
De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister niet:
a. a. de experimentele faciliteit geheel of gedeeltelijk vervreemden binnen 5 jaar na de subsidievaststelling; b. b. de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden; c. c. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of een maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.
Artikel 18
De minister kan aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 14 en 17 voorschriften verbinden.
Artikel 19
De minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. a. de instandhouding of verspreiding van door het gebruik van de experimentele faciliteit opgedane kennis; b. b. het verlenen van medewerking aan evaluatie van deze regeling.
Paragraaf 4. Voorschotten
Artikel 20
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister eenmaal een voorschot worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde kosten voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste 20 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag bedraagt.
Artikel 21
1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5, en gaat vergezeld van een bewijs van de gemaakte en betaalde kosten.
2. Indien de aanvraag een faciliteit betreft die wordt aangeschaft en geïnstalleerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van deze regeling is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
Artikel 22
De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Paragraaf 5. Subsidievaststelling
Artikel 23
De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 24
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 25
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling experimentele faciliteiten ICES-KIS-2.