rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-financiële-educatie-voor-onderwijsinstellingen/BWBR0048586
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen BWBR0048586 ministeriele-regeling geldend 2023-08-29 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048586 Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen

Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • *bevoegd gezag:*bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor mbo-instellingen, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
  • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • docent: degene die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • financiële competenties: competenties op het gebied van financiële kennis, vaardigheden en houding;
  • het expertisepunt financiële educatie: het expertisepunt van Wijzer in geldzaken;
  • Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
  • leerkracht: degene die bevoegd is om schoolonderwijs te geven als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs respectievelijk artikel 3 van de Wet op de expertisecentra;
  • mbo: middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • mbo-instelling: uit s Rijks kas bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • onderwijslocatie: de plek (vestiging) waar het onderwijs wordt aangeboden of verzorgd;
  • onderwijsondersteunend personeelslid: lid van het overig personeel, bedoeld in artikel 7.2, derde lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 3a van de Wet op het primair onderwijs of lid van het onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel 29, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra;
  • po-school: uit s Rijks kas bekostigde basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
  • student: bekostigde student als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • subsidieaanvrager: bevoegd gezag van een mbo-instelling, vo-instelling of po-school;
  • verletkosten: loonkosten voor gemiste lesuren als gevolg van deelname aan een opleiding als bedoeld onder artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e;
  • vo: onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of onderwijs dat gegeven wordt op een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, voor zover het voortgezet speciaal onderwijs betreft;
  • vo-instelling: uit s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.

Artikel 2

1. Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de Kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1, van toepassing.

2. De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3

Het doel van deze regeling is het creëren, ontwikkelen en bevorderen van structurele aandacht voor financiële educatie in onderwijsinstellingen.

Artikel 4

1. Het subsidieplafond bedraagt € 8.620.000, voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a.

2. De subsidie bedraagt minimaal € 25.000, en maximaal € 400.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a.

3. Het subsidieplafond bedraagt € 18.700.000 voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b.

4. De subsidie bedraagt minimaal € 75.000 en maximaal € 300.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b.

5. Het subsidieplafond bedraagt € 11.200.000 voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c.

6. De subsidie bedraagt minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000 per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c.

7.

Het subsidieplafond voor aanvragen gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:

a. a. mbo-instellingen: € 4.445.000; b. b. vo-instellingen: € 3.330.000; c. c. po-scholen: € 2.225.000.

8.

De subsidie per aanvraag gedaan in het tijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, bedraagt voor:

a. a. mbo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 400.000; b. b. vo-instellingen: minimaal € 75.000 en maximaal € 300.000; c. c. po-scholen: minimaal € 75.000 en maximaal € 200.000.

9. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 8.

10. Indien in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, het beschikbare bedrag voor een van de onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid, niet geheel wordt verleend, kan het resterende bedrag aangewend worden voor de aanvragen van de andere onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 4, zevende lid. De verdeling van dit bedrag vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze regeling worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

a. a. 18 september 2023, 09.00 uur, tot en met 16 oktober 2023, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a; b. b. 15 april 2024, 15.00 uur, tot en met 10 mei 2024, 17.00 uur, voor de projectperiode in een vo-instelling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b; c. c. 4 maart 2025, 09.00 uur, tot en met 12 mei 2025, 17.00 uur, voor de projectperiode binnen een po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c; d. d. 2 februari 2026, 09.00 uur, tot en met 16 maart 2026, 17.00 uur, voor de projectperiode in een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 6

1.

Activiteiten voor een project in het kader van deze regeling vinden plaats binnen de periode van:

a. a. 17 oktober 2023 tot en met 31 juli 2027, voor een project van een mbo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel a; b. b. 11 mei 2024 tot en met 9 juli 2027, voor een project van een vo-instelling, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel b; c. c. 1 april 2025 tot en met 18 augustus 2028, voor een project van een po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel c; d. d. 2 februari 2026 tot en met 31 juli 2029, voor een project van een mbo-instelling, vo-instelling of po-school, ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, onderdeel d.

2. De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen projectperiode.

Artikel 7

1.

Voor subsidie komen uitsluitend de volgende activiteiten in aanmerking:

a. a. het volgen van een door de minister goedgekeurde opleiding die tot doel heeft het integreren van financiële educatie in bestaande vakken en het onderwijzen van studenten of leerlingen in financiële competenties, door docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs binnen de mbo-instellingen of vo-instellingen. Van de medewerkers en docenten die deze opleiding volgen is ten minste de helft docent; b. b. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen mbo-instellingen of vo-instellingen, die zorg dragen voor structurele inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de desbetreffende mbo-instelling of vo-instelling; c. c. het aanbieden van persoonlijke financiële begeleiding op de mbo-instellingen aan studenten met geldzorgen; d. d. het aanbieden van individuele persoonlijke financiële begeleiding op vo-instellingen aan leerlingen en het betrekken van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen; e. e. het volgen van een door de minister goedgekeurde bij- of nascholingsopleiding die tot doel heeft het aanbieden of integreren van financiële educatie in bestaande leergebieden en vakken, door leerkrachten en medewerkers die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op de po-school; f. f. het aannemen of vrijstellen van medewerkers binnen de po-school die zorg dragen voor inbedding van financiële educatie in het onderwijs op die school; g. g. het ondersteunen van ouders of verzorgers bij de financiële opvoeding van hun kinderen.

2.

Het expertisepunt financiële educatie adviseert de minister over opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en toetst daarbij of het scholingsaanbod:

a. a. gericht is op zittende of aankomende leerkrachten in het primair onderwijs, docenten op het voortgezet onderwijs en mbo of het hele onderwijsteam; b. b. specifiek gericht is op structureel inbedden van effectieve financiële educatie in het schoolcurriculum en de bestaande vakken; c. c. gericht is op duurzame impact; d. d. plaatsvindt onder begeleiding van een trainer; en e. e. niet uitsluitend door middel van e-learning wordt aangeboden hetgeen niet geldt voor instellingen in Caribisch Nederland.

3.

Van effectieve financiële educatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake, indien:

a. a. sprake is van een structurele aanpak; b. b. het aanbod aansluit op de belevingswereld van jongeren en situaties waar zij mee te maken kunnen krijgen; c. c. het aanbod aansluit bij de cognitieve, sociale en psychologische ontwikkeling van de jongeren en een doorlopende leerlijn betreft; d. d. onderwijsprofessionals bij het proces worden betrokken; e. e. financiële vaardigheden worden geïntegreerd in andere themas; f. f. de docenten worden getraind en indien nodig ouders worden betrokken bij het proces; en g. g. rekening wordt gehouden met culturele factoren.

4. Door de minister goedgekeurde opleidingen worden opgenomen op www.geldlessen.nl.

Artikel 8

1.

Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

a. a. externe kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en e; b. b. verletkosten van de docenten en medewerkers van mbo-instellingen en vo-instellingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, tegen een vast tarief van € 75, per uur en van de leerkrachten en medewerkers van een po-school, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, tegen een vast tarief van € 50,; c. c. kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, tegen een vast tarief van € 75, per uur en voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen f en g, tegen een vast tarief van € 50, per uur; d. d. kosten voor de activiteit bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c, d, f en g, indien dit wordt uitgevoerd door een ingehuurde externe medewerker, tegen een maximaal tarief van € 110, exclusief btw per uur; e. e. niet verrekenbare btw; f. f. kosten voor een controleverklaring ter hoogte van € 3.000, inclusief btw indien deze verplicht is op grond van artikel 14, vierde lid.

2. De subsidiabele kosten voor de activiteit, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen c en d, bedragen per onderdeel maximaal 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e.

Artikel 9

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

a. a. kosten voor de inkoop van gastlessen; b. b. kosten die gemaakt zijn buiten de projectperiode, bedoeld in artikel 6; c. c. naar oordeel van de minister onredelijke en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan; en, d. d. externe kosten waarvoor geen factuur of betaalbewijs kan worden overlegd.

Artikel 10

De minister verstrekt bij de beschikking van de subsidieverlening een voorschot tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 11

1. De subsidieaanvraag door een mbo-instelling of vo-instelling heeft in ieder geval betrekking op de activiteiten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a en b.

2. De subsidieaanvraag door een po-school heeft betrekking op activiteiten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, f en g.

3. De subsidieaanvraag voor een project, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c en d, kan worden ingediend door een po-school die niet ligt in een gemeente die deelneemt aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid als bedoeld in de Regeling kansrijke wijk. Voor een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs geldt voor een project als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, daarnaast als voorwaarde dat voor die school voor het jaar 2024 de uitkomst van de formule A B, bedoeld in artikel 18, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO 2022, meer is dan 0.

4. Een subsidieaanvrager dient één aanvraag in voor één of meerdere onderwijslocaties die horen bij dezelfde mbo-instelling, vo-instelling of po-school.

5. Per subsidieaanvrager wordt voor mbo-instellingen of po-scholen één aanvraag in behandeling genomen. Per subsidieaanvrager kunnen voor vo-instellingen meerdere aanvragen in behandeling worden genomen indien deze een verschillende instellingscode uit de Registratie Instellingen en Opleidingen betreffen.

6. De subsidieaanvraag wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en ondertekend door de tekenbevoegde van het bevoegd gezag.

7.

Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van:

a. a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag; b. b. de contactpersoon; c. c. een bankrekeningnummer die op naam staat van de mbo-instelling, vo-instelling of po-school; d. d. de in de Registratie Instellingen en Opleidingen geïdentificeerde instellingscode waarvoor de aanvraag voor een vo-instelling of po-school wordt ingediend; e. e. een machtiging van de tekenbevoegde namens het bevoegd gezag, indien aanvraag is gedaan door een po-school.

8. De subsidieaanvraag bevat middels voorgeschreven formats in ieder geval een activiteitenplan met bijbehorende begroting.

9.

Het activiteitenplan bevat in ieder geval:

a. a. overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. b. een beschrijving van de aard, omvang en duur van uitvoering van de activiteiten; c. c. een omschrijving van het aantal studenten respectievelijk leerlingen, docenten, medewerkers per onderwijslocatie waarvoor de aanvraag is ingediend; d. d. een omschrijving van reeds bestaande en uitgevoerde activiteiten op het gebied van financiële educatie; e. e. een beschrijving van de met de activiteiten na te streven resultaten.

10. Een aanvraag is volledig wanneer het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig zijn ingevuld en binnen het aanvraagtijdvak zijn ontvangen door de minister.

11. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, kan mede worden gedaan door een vo-instelling gevestigd op Bonaire, Sint-Eustatius of Saba.

Artikel 12

De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

Artikel 13

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35, van de Algemene wet bestuursrecht kan een aanvraag voor subsidie deels of geheel worden afgewezen:

a. a. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten; b. b. indien de activiteiten reeds geheel of gedeeltelijk uit andere middelen worden gefinancierd; c. c. indien de mbo-instelling, vo-instelling of po-school ten behoeve waarvan de aanvraag is ingediend reeds eerder een subsidie heeft ontvangen op grond van deze regeling.

Artikel 14

1. Indien een project langer dan achttien maanden duurt, wordt binnen acht weken na afloop van deze periode een voortgangsrapportage in het voorgeschreven format ingediend.

2. Een verzoek tot vaststelling van subsidie wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

3.

Het verzoek, als bedoeld in tweede lid, omvat middels een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld format, voor:

a. a. subsidies van € 125.000 of meer een verslag van de uitgevoerde activiteiten met een overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten per activiteit; b. b. subsidies van € 25.000 of meer, maar minder dan € 125.000 een verslag van de uitgevoerde activiteiten met een totaalbedrag van de gemaakte subsidiabele kosten.

4. Indien de verleende subsidie, exclusief de accountantskosten bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, € 125.000, of meer bedraagt, bevat het verzoek tot vaststelling, in aanvulling op het tweede lid, tevens een controleverklaring omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen door het bevoegd gezag, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister beschikbaar gesteld model met inachtneming van een door de minister beschikbaar gesteld accountantsprotocol.

Artikel 15

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt op 17 oktober 2028.

2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 16 oktober 2028, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen.

Bijlage

Niet opgenomen.