rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-llo-katalysator-llo-professionalisering-opleiders-20232026/BWBR0048369
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling LLO-Katalysator (LLO-professionalisering opleiders 20232026) BWBR0048369 ministeriele-regeling geldend 2023-07-07 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048369 Subsidieregeling LLO-Katalysator (LLO-professionalisering opleiders 20232026)

Subsidieregeling LLO-Katalysator (LLO-professionalisering opleiders 20232026)

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beoordelingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 25;
  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
  • LLO: Leven Lang Ontwikkelen;
  • LLO-oplossing: leer- of ontwikkelactiviteit of reeks van activiteiten gericht op het oplossen van een competentieknelpunt van werkenden, werkzoekenden en werkgevers binnen de context van een (arbeidsmarkt)regio of sector;
  • LLO-organisatie: organisatie van een opleider of samenwerkingsverband met de organisatiecapaciteit en dienstverlening om vraaggericht en op maat LLO-oplossingen te bieden aan de arbeidsmarkt;
  • LLO-professionalisering: op grond van deze regeling gesubsidieerd geheel van professionaliseringsactiviteiten gericht op het ontwikkelen van de LLO-organisatie van een publieke opleider of van een samenwerkingsverband met het doel vraaggericht en op maat LLO-oplossingen te kunnen bieden aan de arbeidsmarkt;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • opleider: publieke opleider of private opleider formeel onderwijs;
  • penvoerder: penvoerder als bedoeld in artikel 4;
  • private opleider formeel onderwijs: andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling die op grond van artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de wet mag afgeven voor het met goed gevolg afleggen van het examen van ten minste één beroepsopleiding of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • project: in het kader van deze subsidieregeling ontplooide activiteiten in het kader van de LLO-professionalisering van een publieke opleider of van een samenwerkingsverband;
  • publieke opleider: instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 of 1.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 4;

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3

1. De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken aan een publieke opleider of aan de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een klein of groot project dat is gericht op het professionaliseren van de LLO-organisatie van de aanvrager.

2. Voor een klein project bedraagt de subsidie ten minste € 50.000, maar minder dan € 125.000.

3. Voor een groot project bedraagt de subsidie ten minste € 125.000 en ten hoogste € 2.000.000.

4. Subsidieaanvragen die betrekking hebben op een bedrag van minder dan € 50.000, of meer dan € 2.000.000, worden afgewezen.

Artikel 4

1. Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een publieke opleider of door een publieke opleider die deelneemt aan een samenwerkingsverband, en die namens dat samenwerkingsverband als penvoerder optreedt.

2. Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit twee opleiders, waaronder in ieder geval één publieke opleider.

3. Er kunnen alleen opleiders deelnemen aan een samenwerkingsverband.

4. De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder, ongeacht welke partij in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 5

1.

Voor subsidieverstrekking op aanvragen die in de eerste aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, zijn ingediend, is een bedrag van € 16.000.000 beschikbaar, waarvan:

a. a. € 1.400.000 beschikbaar is voor kleine projecten; en b. b. € 14.600.000 beschikbaar is voor grote projecten.

2.

Voor subsidieverstrekking op aanvragen die in de tweede aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, zijn ingediend, is een bedrag van € 32.600.000 beschikbaar, waarvan:

a. a. € 2.000.000 beschikbaar is voor kleine projecten; en b. b. € 30.600.000 beschikbaar is voor grote projecten.

3.

Voor subsidieverstrekking op aanvragen die in de derde aanvraagronde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, zijn ingediend, is een bedrag van € 16.500.000 beschikbaar, waarvan:

a. a. € 1.500.000 beschikbaar is voor kleine projecten; en b. b. € 15.000.000 beschikbaar is voor grote projecten.

Artikel 6

1.

Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd:

a. a. van 2 oktober 2023 tot en met 16 oktober 2023; b. b. van 1 april 2024 tot en met 15 april 2024; c. c. van 18 november tot en met 2 december 2024.

2. Aanvragen die buiten een in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.

3. Een publieke opleider of samenwerkingsverband kan per aanvraagronde ten hoogste één subsidieaanvraag indienen.

4. Een publieke opleider kan per aanvraagronde als deelnemer aan meerdere samenwerkingsverbanden deelnemen, doch kan per aanvraagronde ten hoogste eenmaal als penvoerder optreden.

5. De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe is bekendgemaakt op de website van DUS-I.

Paragraaf 2. Kleine projecten

Artikel 7

1. De minister kan subsidie verstrekken aan een publieke opleider of aan de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een klein project als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid.

2.

Een klein project is gericht op het opstellen van een LLO visie en strategie en op het formuleren van de eisen voor een LLO-organisatie en op het inventariseren van de relevante professionaliseringsopgaven.Subsidiabele activiteiten voor een klein project zijn:

a. a. het opstellen van een visie en strategie gericht op LLO op basis van een analyse van de regionale of sectorale arbeidsmarkt waar de subsidieaanvrager zich op richt; b. b. het formuleren van de eisen voor de benodigde LLO-organisatie om de arbeidsmarkt vraaggericht en op maat te bedienen; en c. c. het inventariseren van de professionaliseringsopgaven om de beoogde LLO-organisatie te kunnen ontwikkelen.

Artikel 8

In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dient de subsidieaanvrager voor een klein project de volgende documenten in:

a. a. een visiedocument als bedoeld in artikel 9; b. b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 10; c. c. een begroting als bedoeld in artikel 11; d. d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 12; en e. e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.

Artikel 9

In het visiedocument beschrijft de aanvrager:

a. a. de ambitie van de aanvrager ten aanzien van LLO; b. b. een beschrijving van de arbeidsmarkt binnen de regio of sector waarop de aanvrager zich met LLO op richt; c. c. een beschrijving van de organisatie van de aanvrager en de mate waarin LLO verankerd is in strategie, beleid en uitvoering; en d. d. de ambitie van de aanvrager ten aanzien van de beoogde LLO-organisatie.

Artikel 10

In voorkomend geval in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

a. a. een projectbeschrijving met de projectdoelstellingen in relatie tot het visiedocument; b. b. een beschrijving van de projectorganisatie met een verdeling van de taken waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de subsidieaanvrager in staat is het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren; en c. c. een activiteitenplanning met een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in het eerste jaar van de projectperiode en dat bestaat uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en eindresultaten.

Artikel 11

1. De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting. Op de begroting is artikel 3.5 van de Kaderregeling van toepassing.

2.

Voor de begroting kan worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:

a. a. secretarieel of administratief medewerker € 63; b. b. projectmedewerker € 86; c. c. projectleider, docent of onderzoeker € 108; d. d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 127.

3. De begroting wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 12

1. De samenwerking binnen een samenwerkingsverband voor een klein project wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

2. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

a. a. de beoogde start- en einddatum van het project; b. b. dat de penvoerder gemachtigd is om als penvoerder namens het samenwerkingsverband op te treden; c. c. wat elke partij in het samenwerkingsverband inhoudelijk, organisatorisch dan wel financieel bijdraagt aan het project; d. d. dat elke partij in het samenwerkingsverband de intentie heeft om na afloop van het project de samenwerking te verduurzamen; e. e. dat het samenwerkingsverband een open netwerk is waar geïnteresseerde partijen in de regio of sector zich onder transparante en redelijke voorwaarden bij kunnen aansluiten; en f. f. dat alle partijen in het samenwerkingsverband medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Artikel 13

1.

Aan de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor een klein project, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. a. het project wordt afgerond binnen een termijn van één kalenderjaar, gerekend vanaf het moment van subsidieverstrekking; b. b. de subsidieontvanger zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn, een eindrapportage aan de minister. De eindrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld; c. c. de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de regeling op verzoek van de minister medewerking aan regionale of sectorale bijeenkomsten om aldaar de opgedane inzichten van het project toe te lichten; d. d. de subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verstrekte subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd; e. e. de subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht; f. f. de activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen; g. g. de subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk; h. h. de subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven en houdt zich aan de toepasselijke wet- en regelgeving; i. i. de administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende 10 jaren na de vaststelling van de subsidie bewaard.

2. De Minister kan eenmalig de periode voor afronding van het project, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, op aanvraag van de penvoerder verlengen met een periode van minimaal zes maanden en ten hoogste één jaar. De penvoerder motiveert in zijn aanvraag, met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld, waarom het project niet binnen de oorspronkelijke projectperiode kan worden afgerond, alsmede dat met de verzochte en langere projectduur, bij gelijkblijvende subsidiemiddelen, de beoogde projectdoelen alsnog gerealiseerd kunnen worden.

Artikel 14

1. Indien de aanvraag voor een klein project ingevolge artikel 26 voor subsidie in aanmerking komt, stelt de minister de subsidie direct vast binnen 22 weken na de sluiting van de desbetreffende aanvraagperiode.

2. De verantwoording over de verstrekte subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

3. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

4. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15

Het subsidiebedrag voor een klein project wordt ineens betaald.

Paragraaf 3. Grote projecten

Artikel 16

1. De minister kan subsidie verstrekken aan een publieke opleider of de penvoerder van een samenwerkingsverband voor een groot project als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid.

2.

Een groot project is gericht op de ontwikkeling en professionalisering van een LLO-organisatie. Subsidiabele activiteiten voor een groot project zijn:

a. a. activiteiten gericht op de verbetering van de onderwijslogistiek en bedrijfsvoering door het verbeteren van logistieke en administratieve processen en systemen; b. b. activiteiten gericht op de ontwikkeling van het aanwezige menselijk kapitaal door middel van deskundigheidsbevordering onder docenten, examenfunctionarissen, onderzoekers en ondersteunend personeel of door het aanstellen van personeel met de benodigde capaciteit en expertise; c. c. activiteiten gericht op de ontwikkeling van de organisatiecapaciteit en dienstverlening door middel van het afstemmen en optimaliseren van de visie, strategie, besturing, beleid, de uitvoering en bedrijfsvoering in lijn met de beoogde LLO-organisatie.

Artikel 17

In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dient de subsidieaanvrager die subsidie aanvraagt voor een groot project de volgende documenten in:

a. a. een visiedocument als bedoeld in artikel 18; b. b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 19; c. c. een begroting als bedoeld in artikel 20; d. d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 21; en e. e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.

f.

Artikel 18

1. In het visiedocument beschrijft de subsidieaanvrager de LLO visie en strategie en de professionaliseringsopgaven om tot de beoogde LLO-organisatie te komen.

2.

Het visiedocument bevat in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de LLO ambitie, visie en strategie en de wijze waarop de werkgevers, werkenden en werkzoekenden in de regio of sector waar de subsidieaanvrager zich op richt bereikt gaan worden; b. b. een beschrijving van de beoogde LLO-organisatie waarmee de relevante arbeidsmarkt vraaggericht en op maat bediend kan worden; c. c. een analyse waarin de huidige organisatiecapaciteit en dienstverlening van de aanvrager, afgezet is tegen de benodigde organisatiecapaciteit en dienstverlening voor de LLO-organisatie; d. d. een overzicht van de professionaliseringsopgaven die noodzakelijk zijn om de beoogde LLO-organisatie te realiseren; en e. e. een ordening van de professionaliseringsopgaven begeleid door een toelichting op de verwachte bijdrage van elke opgave aan het realiseren van de beoogde LLO-organisatie.

Artikel 19

In voorkomend geval in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

a. a. een projectbeschrijving met de projectdoelstellingen in relatie tot het visiedocument; b. b. een beschrijving van de projectorganisatie met een verdeling van de taken waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de subsidieaanvrager in staat is het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren; c. c. een activiteitenplanning met een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in het eerste jaar van de projectperiode en dat bestaat uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een overzicht van realiseerbare activiteiten voor het tweede jaar van de projectperiode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; d. d. een analyse van de risicos en een beschrijving van de wijze waarop deze risicos worden gemitigeerd; e. e. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden geëvalueerd en de aanpak indien nodig wordt bijgesteld; f. f. een beschrijving van de bijdrage en het bereik van het project aan de organisatieontwikkeling, het menselijk kapitaal en de dienstverlening van de subsidieaanvrager; en g. g. een beschrijving van de wijze waarop de subsidieaanvrager de activiteiten en resultaten na afronding van het project wil verduurzamen en verankeren.

Artikel 20

Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

1. De samenwerking binnen een samenwerkingsverband voor een groot project wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

2. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door de partijen in het samenwerkingsverband.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

a. a. de beoogde start- en einddatum van het project; b. b. dat de penvoerder gemachtigd is om als penvoerder namens het samenwerkingsverband op te treden; c. c. wat elke partij in het samenwerkingsverband inhoudelijk, organisatorisch dan wel financieel bijdraagt aan het project; d. d. dat het samenwerkingsverband een open netwerk is waar geïnteresseerde partijen in de regio of sector zich onder transparante en redelijke voorwaarden bij kunnen aansluiten; e. e. de financiële of bestuurlijke afspraken over de verduurzaming van de activiteiten en de samenwerking na afloop van het project, waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de ambities over het bereik onder werkgevers, werkenden en werkzoekenden gerealiseerd gaan worden; f. f. dat alle partijen in het samenwerkingsverband medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Artikel 22

1.

Aan de subsidieontvanger voor een groot project, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. a. het project wordt afgerond binnen een termijn van ten hoogste twee kalenderjaren, gerekend vanaf het moment van subsidieverlening; b. b. de subsidieontvanger zendt een voortgangsrapportage aan de minister met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld, een jaar na de datum van de subsidieverlening; c. c. de subsidieontvanger zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het einde van de in onderdeel a bedoelde termijn, een eindrapportage aan de minister, die is opgesteld met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld; d. d. de subsidieontvanger verleent gedurende de looptijd van de regeling op verzoek van de minister medewerking aan regionale of sectorale bijeenkomsten om aldaar de opgedane inzichten van het project toe te lichten; e. e. de subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd; f. f. de subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht; g. g. de activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen; h. h. de subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk; i. i. de subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven en houdt zich aan de toepasselijke wet- en regelgeving; j. j. de administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende 10 jaren na de vaststelling van de subsidie bewaard.

2. De Minister kan eenmalig de periode voor afronding van het project, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, op aanvraag van de penvoerder verlengen met een periode van minimaal zes maanden en ten hoogste twee jaar. De penvoerder motiveert in zijn aanvraag, met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld, waarom het project niet binnen de oorspronkelijke projectperiode kan worden afgerond, alsmede dat met de verzochte en langere projectduur, bij gelijkblijvende subsidiemiddelen, de beoogde projectdoelen alsnog gerealiseerd kunnen worden.

3. Indien de Minister besluit tot verlenging, zendt de subsidieontvanger in aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, jaarlijks een voortgangsrapportage aan de Minister op de data opgenomen in de wijzigingsbeschikking, met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld.

Artikel 23

1. Indien een aanvraag ingevolge artikel 26 voor subsidie in aanmerking komt, verleent de minister de subsidie. De minister besluit binnen 22 weken op de aanvragen voor grote projecten.

2. De verantwoording over de verleende subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2.

3. De subsidieontvanger toont via een activiteitenverslag aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

4. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet-bestede middelen worden teruggevorderd.

5. De minister stelt de subsidie vast binnen een jaar na ontvangst van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de projectperiode.

Artikel 24

De subsidie voor een groot project wordt ieder kwartaal bij voorschot verleend, waarbij het eerste voorschot 35% van de totale toegekende subsidie bedraagt en de overige voorschotten als gelijke delen van het resterende subsidiebedrag worden uitgekeerd.

Paragraaf 4. Overige bepalingen

Artikel 25

1. De minister stelt een onafhankelijke beoordelingscommissie in die is belast met het adviseren van de minister over de beoordeling en de rangschikking van de aanvragen.

2. Na de sluitingsdatum van de desbetreffende aanvraagperiode worden de ingediende volledige aanvragen, voor grote en voor kleine projecten afzonderlijk, beoordeeld door de beoordelingscommissie en voorzien van een advies aan de minister.

3. De beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling.

4. Aanvragen voor kleine projecten worden alleen schriftelijk beoordeeld als voldoende of onvoldoende.

5. Aanvragen voor grote projecten die als voldoende zijn beoordeeld worden gerangschikt op basis van hun score zodanig dat een hoger toegekende puntenscore ook leidt tot een hogere rangschikking.

6. Voor aanvragen van kleine en grote projecten geldt dat de minimale score voldoende moet zijn op elk van de in bijlage 1 bedoelde criteria Impact, Kwaliteit en Verankering, om van een positief advies voorzien te worden.

7.

De beoordelingscommissie kent een hoger aantal punten toe naarmate de score op Impact, Kwaliteit en Verankering hoger is, blijkend uit:

a. a. de kwaliteit van het visiedocument en de verbinding met de regio of sector waar de aanvrager zich op richt; b. b. de ambities van het project qua doelstellingen, bereik en bijdrage aan de organisatiecapaciteit en dienstverlening van de aanvrager; c. c. de kwaliteit van de samenwerking en het draagvlak waardoor het aannemelijk is dat de doelen van het project behaald worden; d. d. de kwaliteit van het activiteitenplan waardoor het project uitvoerbaar en haalbaar is; e. e. de kwaliteit van de begroting waaruit blijkt dat het project zo kostenefficiënt mogelijk wordt uitgevoerd en middelen effectief worden ingezet; f. f. er voldoende aandacht is voor de verduurzaming van de activiteiten.

8. Een toelichtingsgesprek met de beoordelingscommissie is een vast onderdeel in de beoordelingsprocedure van een grote projectaanvraag.

Artikel 26

1. De minister beoordeelt de aanvragen met kennisneming van het advies van de beoordelingscommissie.

2. Indien in een aanvraagronde bij toewijzing van alle door de minister als voldoende beoordeelde aanvragen voor een klein project, het desbetreffende subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, zou worden overschreden, bepaalt de minister de rangschikking van de aanvragen op basis van loting.

3. De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen voor grote projecten aan de hand van de kwaliteit van de aanvragen op basis van bijlage 1, en verdeelt het beschikbare bedrag op basis van deze rangschikking totdat het budget voor die aanvraagronde is uitgeput.

4. Indien de minister aan meerdere aanvragen een gelijk puntenaantal heeft toegekend, en het desbetreffende in artikel 5 bedoelde subsidieplafond ontoereikend is om alle gelijke gewaardeerde aanvragen te kunnen toewijzen, bepaalt de minister de rangschikking van deze aanvragen op basis van loting.

5. Indien in een aanvraagronde voor grote projecten budget resteert, maar een gerangschikt voorstel niet volledig te honoreren is, wordt aan de subsidieaanvrager voorgesteld met het nog resterende bedrag van het subsidiebudget zijn project in volledige of aangepaste vorm uit te voeren. Indien de betreffende aanvrager hiermee niet akkoord gaat wordt de aanvraag niet toegekend.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 27

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 7 juli 2023.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 28

Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling LLO-Katalysator (LLO-professionalisering opleiders 20232026).

Bijlage 1. Beoordelingskader

Deze bijlage behoort bij artikel 25, derde lid, van de Subsidieregeling LLO-professionalisering opleiders 20232026