rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-specifieke-uitkering-gebiedsbudget/BWBR0048897
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget BWBR0048897 ministeriele-regeling geldend 2023-11-17 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048897 Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget

Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • betaalbare woning: betaalbare woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;

  • bijlage: de bij deze regeling opgenomen bijlage;

  • gebiedsbudget: de uitkering, bedoeld in artikel 3;

  • gebiedsmaatregel: maatregel die in aanmerking komt voor het gebiedsbudget;

  • minister: de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

  • ontvanger: gemeente of openbaar lichaam waaraan een specifieke uitkering is verleend;

  • openbaar lichaam: openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; a. start van de bouwwerkzaamheden:

        a.
    
          *bij nieuwbouw en flexwoningen:* het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering, waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend; Als start van bouwwerkzaamheden geldt:
    
    
            I.
            het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf
    
    
            II.
            indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of
    
    
            III.
            het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en
    
    
        als start van bouwwerkzaamheden geldt niet:
    
    
            i.
            het plaatsen van één of meerdere bouwketen;
    
    
            ii.
            het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;
    
    
            iii.
            het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein;
    
    
            iv.
            het slaan van de officiële eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;
    
    
            v.
            het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;
    
    
            vi.
            het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;
    
    
            vii.
            het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding;
    
    
            viii.
            het bouwrijp maken van het terrein;
    
    
    
    
        b.
    
          *bij verbouw:* toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen; Als aanvang verbouw gebouw geldt:
    
    
            i.
            het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur;
    
    
            ii.
            het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening;
    
    
            iii.
            het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw;
    
    
            iv.
            bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen;
    
    
            v.
            bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of
    
    
            vi.
            bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen;
    

a. a.

        *bij nieuwbouw en flexwoningen:* het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering, waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend; Als start van bouwwerkzaamheden geldt:
      
        
          I.
          het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf
        
        
          II.
          indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of
        
        
          III.
          het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en
        
      
      als start van bouwwerkzaamheden geldt niet:
      
        
          i.
          het plaatsen van één of meerdere bouwketen;
        
        
          ii.
          het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;
        
        
          iii.
          het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein;
        
        
          iv.
          het slaan van de officiële eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;
        
        
          v.
          het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;
        
        
          vi.
          het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;
        
        
          vii.
          het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding;
        
        
          viii.
          het bouwrijp maken van het terrein;

I. I. het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf II. II. indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of III. III. het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en i. i. het plaatsen van één of meerdere bouwketen; ii. ii. het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen; iii. iii. het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein; iv. iv. het slaan van de officiële eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen; v. v. het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand; vi. vi. het slopen van eventueel nog bestaande opstallen; vii. vii. het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding; viii. viii. het bouwrijp maken van het terrein; b. b.

        *bij verbouw:* toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen; Als aanvang verbouw gebouw geldt:
      
        
          i.
          het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur;
        
        
          ii.
          het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening;
        
        
          iii.
          het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw;
        
        
          iv.
          bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen;
        
        
          v.
          bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of
        
        
          vi.
          bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen;

i. i. het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur; ii. ii. het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening; iii. iii. het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw; iv. iv. bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen; v. v. bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of vi. vi. bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen;

  • woning: elke door nieuwbouw of transformatie aan de woningvoorraad toe te voegen zelfstandige of niet zelfstandige woning, niet zijnde een tijdelijk bouwwerk;
  • woningbouwlocatie: grootschalig woningbouwgebied of grootschalige woningbouwlocatie in Alkmaars Kanaal, Amersfoort Spoor- en A1-zone, Apeldoorn Binnenstad, Spoor- en Kanaalzone, Arnhem Spoorzone Oost, Brabantse Stedenrij, Cortelande, Den Haag CID Binckhorst, Eindhoven Internationale Knoop XL, Groningen Stadshavens, Groningen Suikerzijde, Haven-Stad, Helmond Centrum+, MRA Oost, Nijmegen Kanaalzone, Nijmegen Stationsgebied, Oude Lijn, Regio Foodvalley, Rotterdam Oostflank, Spoorzone Hengelo-Enschede, Utrecht Groot Merwede & Rijnenburg, en Zwolle Spoorzone.

Artikel 2

1. Deze regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen een specifieke uitkering te verlenen waarmee zij in staat worden gesteld gebiedsmaatregelen te realiseren die als randvoorwaarden noodzakelijk zijn om op een woningbouwlocatie woningbouw plaats te laten vinden.

2.

De typen gebiedsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering kan worden verleend zijn:

a. a. herinrichting openbare ruimte; b. b. verwerven of verplaatsen van hindervormende activiteiten of hiertegen bronmaatregelen treffen; en c. c. duurzaamheidsmaatregelen in het kader van biodiversiteit, groenvoorzieningen en klimaatadaptatie.

3.

Voor deze specifieke uitkering komen in aanmerking de gemeenten en openbare lichamen die zijn genoemd in de bijlage. In deze gemeenten en openbare lichamen bevinden zich woningbouwlocaties waarbij sprake is van:

a. a. een noodzaak tot grootschalige en brede ontwikkeling van woningbouw; b. b. benodigde nieuwe infrastructurele ontsluiting van de locatie en herstructurering van de openbare ruimte; en c. c. een grootschalige integrale woningbouwopgave in combinatie met andere ruimtelijke vraagstukken.

Artikel 3

1. De minister kan een gemeente of een openbaar lichaam een specifieke uitkering verlenen voor de realisatie van gebiedsmaatregelen bij een woningbouwlocatie.

2. De gemeenten en openbare lichamen waaraan, en de gebiedsmaatregelen, woningbouwlocaties, het aantal te realiseren woningen en de maximale bedragen waarvoor, een specifieke uitkering kan worden verleend zijn allen in de bijlage opgenomen.

3.

Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:

a. a. kosten waarvoor reeds een vergoeding van overheidswege wordt ontvangen; b. b. omzetbelasting, voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of verrekend kan worden. De BTW-componenten die ter compensatie afgedragen dienen te worden aan het BTW-compensatiefonds worden in mindering gebracht op de maximaal uit te keren uitkering; c. c. kosten gemaakt voorafgaand aan 1 november 2025; d. d. kosten van beheer en onderhoud van de gebiedsmaatregelen; e. e. andere kosten dan de kosten genoemd in het tweede lid.

Artikel 4

1. De minister besluit uiterlijk 1 juni 2026 over het verlenen van een specifieke uitkering.

2.

Het besluit, bedoeld in het eerste lid, vermeldt in ieder geval:

a. a. de gebiedsmaatregel of -maatregelen bij de woningbouwlocatie waarvoor een specifieke uitkering wordt verleend; b. b. het bedrag van de specifieke uitkering, uitgesplitst per gebiedsmaatregel; c. c. het voorschot en de wijze van uitkering; d. d. het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele BTW-component en dat wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds; e. e. de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald; f. f. het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; g. g. het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; h. h. het totaal aantal te realiseren woningen.

3. De bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn de bedragen inclusief omzetbelasting.

Artikel 5

Het uitkeringsplafond bedraagt € 1.017.500.000, inclusief omzetbelasting.

Artikel 6

1. De ontvanger realiseert de gebiedsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de gebiedsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2034.

4. De ontvanger realiseert de gebiedsmaatregelen uiterlijk op 31 december 2039.

5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50 procent van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.

6.

De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

a. a. de realisatie van de gebiedsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden gestart of afgerond; b. b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart; c. c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd; d. d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.

7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risicos en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de gebiedsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.

8. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.

Artikel 7

1. De minister verstrekt bij een besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3, exclusief omzetbelasting.

2. Het voorschot wordt, met ingang van het jaar dat het besluit tot verlening van de specifieke uitkering is genomen, in één keer uitgekeerd.

Artikel 8

1. De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:

a. a. een situatie als bedoeld in artikel 6, zesde lid; of b. b. een wijziging van een gebiedsmaatregel waarvoor een specifieke uitkering is verleend.

3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 6, zesde lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van de specifieke uitkering bepalen dat wordt afgeweken van de termijnen, genoemd in artikel 6, derde en vierde lid en het percentage, bedoeld in artikel 6, vijfde en achtste lid.

4.

Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan voorzien in het verlenen van een specifieke uitkering voor een gewijzigde gebiedsmaatregel mits:

a. a. de gewijzigde gebiedsmaatregel dezelfde woningbouwlocatie voorziet; en b. b. de gewijzigde gebiedsmaatregel één van de typen maatregelen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, betreft.

5. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk tot de start van de realisatie van de gebiedsmaatregel waarop het oorspronkelijke besluit ziet worden ingediend met een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier.

6. Het bedrag van de gewijzigde specifieke uitkering in het gewijzigde besluit is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke uitkering.

7. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie in het gewijzigde besluit is niet hoger dan het percentage van de oorspronkelijke uitkering.

8.

De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

a. a. een kaart met een geografische afbakening van de woningbouwlocatie; b. b. een omschrijving van de te realiseren gebiedsmaatregelen en, indien van toepassing, de daarbij behorende typen maatregelen; c. c. een gespecificeerde begroting die een overzicht bevat van:

        1°.
        de kosten van de realisatie van de gebiedsmaatregelen bij de woningbouwlocatie;
      
      
        2°.
        de ten behoeve van de gebiedsmaatregelen vanwege het Rijk verleende bijdragen;
      
      
        3°.
        het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; en
      
      
        4°.
        de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie;

1°. 1°. de kosten van de realisatie van de gebiedsmaatregelen bij de woningbouwlocatie; 2°. 2°. de ten behoeve van de gebiedsmaatregelen vanwege het Rijk verleende bijdragen; 3°. 3°. het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; en 4°. 4°. de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie; d. d. een overzicht van het totaal aantal te realiseren woningen en het aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie; e. e. een tijdsplanning van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie en van de realisatie van de daarbij behorende gebiedsmaatregelen; f. f. het bankrekeningnummer waarop de specifieke uitkering dient te worden uitgekeerd; en g. g. een bewijs dat de bankrekening, bedoeld in onderdeel f, op naam van de aanvrager staat.

9. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, over de wijziging van de verleende specifieke uitkering.

Artikel 9

De verantwoording van de ontvanger over de besteding van de specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 10

1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 9 heeft plaatsgevonden.

2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 9, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 6 of artikel 8. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per gebiedsmaatregel.

3.

Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

a. a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering en het uitgekeerde voorschot daarvan; en b. b. indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.

4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke gebiedsmaatregel de vaststelling ziet.

5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.

6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het daadwerkelijke resterend financiële tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterend financiële tekort, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 4 tweede lid, onderdeel g, van het resterend financiële tekort.

Artikel 11

1. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 3, niet volledig of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd.

2. De minister kan het verschil tussen de bedragen, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, terugvorderen.

Artikel 12

De minister kan een bepaling van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het verlening van een uitkering voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 13

1. De minister publiceert uiterlijk op 1 september 2035 en op 30 september 2040 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de uitkering.

2. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek.

Artikel 14

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 30 september 2040, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling specifieke uitkering gebiedsbudget.

Bijlage . bij