rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-co2-reductie-gebouwde-omgeving-2006/BWBR0020099
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006 BWBR0020099 ministeriele-regeling geldend 2006-07-27 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020099 Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006

Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. agentschap: agentschap SenterNovem van het Ministerie van Economische Zaken; b. b. CO_2-reductieproject: project met als doel het reduceren van de emissie van CO_2 door middel van het aanschaffen, installeren en in gebruik nemen van een evenwichtig en samenhangend pakket van ten minste twee voorzieningen in een bestaand niet tot bewoning bestemd gebouw dan wel in iedere van het project deel uitmakende woning in een bestaand tot bewoning bestemd gebouw; c. c. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; d. d. niet tot bewoning bestemd gebouw: gebouw of gedeelte daarvan met een gebruiksfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003, niet zijnde een woonfunctie, industriefunctie of overige gebruiksfunctie als bedoeld in dat lid, voorzover de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van dat gebouw is ingediend voor 15 december 1995; e. e. tot bewoning bestemd gebouw: gebouw of gedeelte daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003, voorzover de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van dat gebouw is ingediend voor 15 december 1995; f. f. voorziening: een in bijlage Ia of Ib bij deze regeling genoemde technische voorziening ten behoeve van CO_2-reductie, die is geleverd en geïnstalleerd door een derde, zijnde een ondernemer.

2. Met de voorzieningen, bedoeld in deze regeling, worden gelijkgesteld de desbetreffende voorzieningen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 2

1. De minister kan ten behoeve van een CO_2-reductieproject subsidie verstrekken aan een subsidieaanvrager die dat project voor eigen rekening en risico uitvoert.

2. In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt aan meerdere subsidieaanvragers die een CO_2-reductieproject voor hun gezamenlijke rekening en risico uitvoeren. In dat geval wordt de aanvraag door alle deelnemers medeondertekend, waarbij opgave wordt gedaan aan wie van de deelnemers, mede ten behoeve van de andere deelnemers, de subsidie kan worden verstrekt en betaald.

3. Rijksdiensten en onderdelen daarvan komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3

Voor het kalenderjaar 2006 geldt een subsidieplafond van € 33 miljoen.

Paragraaf 2. De subsidieverlening

Artikel 4

Een aanvraag tot subsidieverlening wordt gericht aan de minister en kan in de periode die begint met de inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 2006 worden ingediend bij het agentschap. De aanvraag wordt ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage IIa bij deze regeling voor niet tot bewoning bestemde gebouwen respectievelijk bijlage IIb bij deze regeling voor tot bewoning bestemde gebouwen.

Artikel 5

1. Op de aanvragen tot subsidieverlening wordt beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

2. Indien door toewijzing van aanvragen tot subsidieverlening met dezelfde datum van ontvangst het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt de toewijzing van die aanvragen op basis van een volgorde die door loting wordt bepaald. De loting wordt verricht door een notaris.

Artikel 6

De subsidieverlening wordt geweigerd, indien:

a. a. het CO_2-reductieproject wordt uitgevoerd in het kader van bouwen dat moet worden aangemerkt als het geheel vernieuwen van een gebouw; b. b. de CO_2-reductie als gevolg van het CO_2-reductieproject minder dan 400 ton CO_2 bedraagt over een periode van 20 jaar, bepaald aan de hand van de voorzieningenlijsten, opgenomen in de bijlagen IIIa en IIIb bij deze regeling; c. c. een aanvrager vóór de indiening van de aanvraag in verband met de aanschaf van de voorzieningen waarvoor subsidie wordt aangevraagd reeds verplichtingen is aangegaan; d. d. in de aanvraag naar het oordeel van de minister niet aannemelijk wordt gemaakt dat de subsidieaanvrager binnen zes maanden na de subsidieverlening opdracht zal geven tot uitvoering van het CO_2-reductieproject; e. e. ter zake van het CO_2-reductieproject waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is aangevraagd dan wel verstrekt; f. f. ter zake van het CO_2-reductieproject waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een andere subsidie voor dezelfde voorzieningen is aangevraagd dan wel verstrekt, of g. g. een voorziening voorafgaand aan de aanschaf reeds is gebruikt.

Artikel 7

1. Ten aanzien van een CO_2-reductieproject in een niet tot bewoning bestemd gebouw bedraagt de subsidie € 22, voor iedere over een periode van 20 jaar te behalen ton CO_2-reductie, berekend aan de hand van de voorzieningenlijst, opgenomen in bijlage IIIa bij deze regeling, met dien verstande dat de subsidie niet meer bedraagt dan 15% van de door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 8, tot een maximum van € 1 miljoen.

2. Ten aanzien van een CO_2-reductieproject in een tot bewoning bestemd gebouw bedraagt de subsidie € 50, voor iedere over een periode van 20 jaar te behalen ton CO_2-reductie, berekend aan de hand van de voorzieningenlijst, opgenomen in bijlage IIIb bij deze regeling, met dien verstande dat de subsidie niet meer bedraagt dan 15% van de door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 8, tot een maximum van € 1 miljoen.

3. Indien de subsidieontvanger, bedoeld in het eerste of tweede lid, een onderneming is, en de kosten, bedoeld in die leden, extra investeringskosten vormen in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001, C 37), bedraagt de subsidie voorts niet meer dan 30% van die kosten, verminderd met de kostenbesparingen gedurende vijf jaar na de datum van ingebruikneming van de desbetreffende voorzieningen.

4. In plaats van het in het derde lid bedoelde maximum van 30% geldt een maximum van 40%, indien de subsidieontvanger een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG 2001, L 10), laatstelijk gewijzigd in de bijlage van verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 2004 (PbEG 2004, L 63).

Artikel 8

1. Als subsidiabele kosten in de zin van artikel 7 worden in aanmerking genomen de door de subsidieaanvrager werkelijk gemaakte en betaalde kosten met betrekking tot de aanschaf en installatie van voorzieningen, op basis van de historische aanschafprijzen, tenzij een voorziening wordt aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, in welk geval het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald niet van toepassing is en als kosten van aanschaf in aanmerking worden genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde leasetermijnen, verdisconteerd op jaarbasis.

2. Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen of anderszins kan compenseren.

Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 9

1. De subsidieontvanger geeft binnen ten hoogste zes maanden na de subsidieverlening opdracht tot uitvoering van het CO_2-reductieproject.

2. De subsidieontvanger installeert de voorzieningen in het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft en neemt deze in gebruik uiterlijk op 31 december 2008.

3. De subsidieontvanger kan de minister onder opgave van redenen verzoeken hem van de in het eerste of tweede lid bedoelde periode, respectievelijk datum, ontheffing te verlenen. Een ontheffing kan uitsluitend worden verleend in geval van bijzondere, niet aan de subsidieontvanger te wijten omstandigheden die leiden tot vertraging in de opdrachtverlening, respectievelijk uitvoering, van het project, met dien verstande dat de installatie en ingebruikneming, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk op 30 juni 2009 moeten hebben plaatsgevonden.

4. De minister kan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, onder voorwaarden verlenen.

Paragraaf 4. De subsidievaststelling

Artikel 10

1. De in artikel 14, eerste lid, van het Besluit milieusubsidies genoemde termijnen voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling gaan in na het tijdstip waarop het CO_2-reductieproject met inachtneming van artikel 9, tweede of derde lid, moet zijn voltooid.

2. De subsidieaanvrager dient een tot de minister gerichte aanvraag tot subsidievaststelling in bij het agentschap. De aanvraag wordt ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage IVa bij deze regeling voor niet tot bewoning bestemde gebouwen respectievelijk bijlage IVb bij deze regeling voor tot bewoning bestemde gebouwen.

3. Indien ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit milieusubsidies bij de aanvraag tot subsidievaststelling een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevoegd, wordt deze verklaring opgesteld met inachtneming van het daarvoor in bijlage V bij deze regeling opgenomen protocol.

Artikel 11

De subsidie wordt vastgesteld op nihil, indien na de verlening van de subsidie blijkt dat een of meer van de in artikel 6, eerste lid, onder a, b, e, f en g, bedoelde omstandigheden zich voordoen.

Artikel 12

1.

Als personen als bedoeld in artikel 15.14 van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

a. a. de inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hen ressorterende ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, en b. b. de directeur van de sector Energie en Klimaat van het agentschap en de onder hem ressorterende functionarissen, voorzover het vorderen van inlichtingen van de subsidieaanvrager binnen hun functieomschrijving valt.

2. Als personen als bedoeld in artikel 15.15 van de Wet milieubeheer worden aangewezen de directeur van de sector Energie en Klimaat van het agentschap en de onder hem ressorterende functionarissen, voorzover het houden van toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen binnen hun functieomschrijving valt.

Paragraaf 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van 27 juli 2006 en vervalt met ingang van 1 juli 2009, met dien verstande dat de artikelen van deze regeling ook daarna van toepassing blijven op de vóór die datum verleende subsidie.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling CO_2-reductie gebouwde omgeving 2006.

Bijlage Ia

Bijlage Ib

Bijlage IIa

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage IIb

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage IIIa

[afbeelding]

Bijlage IIIb

[afbeelding]

Bijlage IVa

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage IVb

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage V

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]