rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-innovatieprogramma-mooi-nederland/BWBR0025727
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland BWBR0025727 ministeriele-regeling geldend 2009-04-23 https://wetten.overheid.nl/BWBR0025727 Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland

Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *adviescommissie:* adviescommissie als bedoeld in artikel 8;

b. b.

    *innovatief:* gericht op het toepassen van nieuwe technologie, nieuwe producten, nieuwe instrumenten, nieuwe organisatievormen en -structuren, of nieuwe samenwerkingsvormen, binnen het kader van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

c. c.

    *Innovatieprogramma Mooi Nederland:* programma, waarmee aansprekende voorbeelden van projecten worden gegenereerd die op innovatieve wijze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Nederland;

d. d.

    *kennis- en leerprogramma:* overdragen enuitwisselen van kennis en ervaringen uit de projecten van het Innovatieprogramma Mooi Nederland;

e. e.

    *minister:* Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

f. f.

    *onderneming:* eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

g. g.

    *project:* samenhangend geheel van ruimtelijk relevante activiteiten of onderdelen daarvan, waarvan innovatieve elementen een wezenlijk onderdeel uitmaken, bestaande uit:
  
    
      1°.
      een idee of plan, of
    
    
      2°.
      een uitvoeringsproject, of -projecten;

1°. 1°. een idee of plan, of 2°. 2°. een uitvoeringsproject, of -projecten; h. h.

    *Agentschap NL:* het agentschap van het Ministerie van Economische Zaken dat deze regeling uitvoert;

i. i.

    *subsidie:* subsidie of eenmalige specifieke uitkering;

j. j.

    *verordening:*
    verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEG L 379/5).

Artikel 2

1. De minister kan op aanvraag subsidie verlenen aan een provincie, gemeente, privaatrechtelijke rechtspersoon of in het handelsregister ingeschreven persoon die, of een waterschap dat, al dan niet in samenwerking, een project inbrengt dat bijdraagt aan de doelstellingen van het Innovatieprogramma Mooi Nederland en valt binnen de door de minister per aanvraagperiode vastgestelde themas, waarbij de ontvanger van de subsidie de innovatieve aspecten van het project inbrengt in het kennis- en leerprogramma, behorende bij het programma.

2. In afwijking van het eerste lid blijven voor de toepassing van deze regeling buiten beschouwing voorbeeldprojecten die in het kader van het Programma Mooi Nederland eerder een financiële bijdrage hebben ontvangen.

Artikel 3

De minister stelt ten minste tweemaal een periode vast waarbinnen subsidieaanvragen met betrekking tot daarbij vast te stellen themas kunnen worden ingediend en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 4

De minister stelt voor elke aanvraagperiode een subsidieplafond vast en maakt dit bekend in de Staatscourant.

Artikel 5

1.

De subsidie bedraagt:

a. a. maximaal 50 procent van de totale subsidiabele kosten tot het maximum van het tekort op de projectbegroting en tot een maximum van € 100.000, voor een idee of plan met dien verstande dat de subsidie de kosten van een project niet overschrijdt; b. b. maximaal 20 procent van de totale subsidiabele kosten tot het maximum van het tekort op de projectbegroting en tot een maximum van € 1.000.000 voor een uitvoeringsproject met dien verstande dat de subsidie de kosten van een project niet overschrijdt.

2. Subsidie aan een onderneming wordt slechts verstrekt, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de-minimissteun als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 van de verordening.

3. De minister kan per aanvraagperiode afwijkende subsidiepercentages vaststellen en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 6

1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de gemaakte aan het project toe te rekenen kosten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de activiteiten die noodzakelijk zijn voor het leveren van een bijdrage aan het thema en die berekend zijn op basis van:

a. a. de methodiek van de loonkosten vermeerderd met een vaste opslag, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen:

        1°.
        de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;
      
      
        2°.
        een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;
      
      
        3°.
        de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
      
      
        4°.
        de aan derden betaalde kosten, of

1°. 1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt; 2°. 2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten; 3°. 3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en 4°. 4°. de aan derden betaalde kosten, of b. b. de methodiek van het vaste uurtarief, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen:

        1°.
        het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;
      
      
        2°.
        de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
      
      
        3°.
        de aan derden betaalde kosten.

1°. 1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen; 2°. 2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en 3°. 3°. de aan derden betaalde kosten.

2. De directe loonkosten per uur worden berekend door de som van de op jaarbasis berekende bruto loonkosten, de niet-winstafhankelijke emolumenten dan wel de extra verdiensten naast het loon, de werkgeverslasten en de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden, te delen door 1650, waarbij dat getal staat voor het aantal productieve uren per jaar voor een fulltime dienstverband. Van de 1650 productieve uren kan alleen gemotiveerd worden afgeweken.

3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten een vast uurtarief van € 35,.

4. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

5. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

6.

Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval niet:

a. a. kosten die gemaakt zijn vóór de indiening van de aanvraag om subsidie; b. b. kosten voor eigen personeel van een gemeente, provincie of waterschap; c. c. onvoorziene kosten; d. d. plankosten van een uitvoeringsproject; e. e. uitvoeringskosten van een idee of plan, en f. f. overige projectkosten, voor zover die niet nader gespecificeerd zijn of niet doelmatig worden geacht door de minister.

Artikel 7

1. De aanvraag om subsidieverlening kan vanaf 1 maart 2010 worden ingediend en moet uiterlijk 31 mei 2010 om 24:00 uur ontvangen zijn door Agentschap NL, vestiging Utrecht, met gebruikmaking van het daartoe bestemde aanvraagformulier, dat aldaar verkrijgbaar is.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. een beschrijving van het project en de verdiensten daarvan voor het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2, toegespitst op een voor de aanvraagperiode geldend thema, een beschrijving van de activiteiten en de wijze van uitvoering, alsmede een tijdsplanning; b. b. een sluitende begroting en een opgave van de financieringswijze van het project; c. c. in voorkomend geval een door de in een samenwerkingsverband verenigde partijen ondertekend document waaruit blijkt dat de partij in het samenwerkingsverband die de subsidie aanvraagt daartoe door de andere partijen is aangewezen, alsmede de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen die partijen, met dien verstande dat de aanvrager van de subsidie verantwoordelijk is voor het voldoen aan de verplichtingen en terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidie en voorschotten; d. d. indien van toepassing, een de-minimisverklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model voor elke onderneming namens welke de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend; e. e. de andere in het aanvraagformulier bedoelde bescheiden en gegevens.

Artikel 8

1. Er is een onafhankelijke commissie die tot taak heeft de minister te adviseren over aan haar voorgelegde aanvragen om subsidie.

2. De commissie bestaat uit ten minste vier leden, waaronder de voorzitter, van wie uit hoofde van hun deskundigheid een nuttige bijdrage aan de werkzaamheden van de commissie kan worden verwacht.

3. De minister benoemt de leden van de commissie voor een termijn van ten hoogste twee jaar. De leden zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

4. De leden van de commissie kunnen te allen tijde hun functie neerleggen door een schriftelijke kennisgeving aan de minister.

5. De minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

6. De leden van de commissie nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien zij een persoonlijk belang hebben bij de ingediende aanvraag.

7. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

8. De commissie houdt de voorbereidende stukken die betrekking hebben op de door haar uitgebrachte adviezen ter beschikking van de minister.

9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie bewaard in het archief van dat ministerie.

10. De leden van de commissie ontvangen een door de minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 9

1.

De adviescommissie geeft een negatief advies indien:

a. a. geen sprake is van een project; b. b. niet voldaan wordt aan artikel 2; c. c. een project kennelijk niet voldoet aan een van de themas, bedoeld in artikel 3; d. d. een project kennelijk niet voldoet aan twee of meer van de criteria, genoemd in artikel 11; e. e. een project strijdig is met het vigerende Nota Ruimte-beleid, of f. f. een project strijdig is met het in de betreffende provincie gevoerde ruimtelijk ordeningsbeleid.

2. De commissie geeft inzake de aanvragen waarover zij geen negatief advies heeft gegeven een advies over de rangschikking daarvan aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 11.

Artikel 10

1. De minister geeft een beschikking tot subsidieverlening binnen vijf maanden na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend.

2. Indien de beschikking niet binnen vijf maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog tegemoet kan worden gezien.

3. De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de adviescommissie een negatief advies heeft uitgebracht of het subsidieplafond is bereikt. De minister kan afwijken van een negatief advies van de commissie indien dit in strijd is met de regeling dan wel naar zijn oordeel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie. De minister kan gemotiveerd afwijken van de rangschikking.

Artikel 11

1.

De aanvragen voor subsidie worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria en weegfactoren:

a. a. de bijdrage aan de doelstellingen van het Programma Mooi Nederland en de themas van het Innovatieprogramma Mooi Nederland: weegfactor 2; b. b. de mate van innovatie: weegfactor 2; c. c. de mate van overdraagbaarheid: weegfactor 2; d. d. de mate van samenwerking: weegfactor 1; e. e. het resultaat op korte termijn: weegfactor 1, en f. f. de doelmatigheid: weegfactor 1.

2. De minister kan per aanvraagperiode afwijkende criteria vaststellen en maakt deze bekend in de Staatscourant.

Artikel 12

1. De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na voltooiing van het project waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in bij Agentschap NL, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

2. Indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken kan de minister naar aanleiding van een desbetreffend verzoek de termijn, genoemd in het eerste lid, verlengen.

3. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een activiteitenverslag en een financieel verslag.

4. Indien de subsidie meer bedraagt dan € 50.000 gaat het financieel verslag vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven met inachtneming van de bij deze regeling behorende bijlage 2.

5. In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid levert de gemeente of de provincie die een beschikking tot subsidieverlening heeft verkregen de verantwoordingsinformatie aan zoals bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 13

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die zijn verleend op aanvragen die voor die datum zijn ontvangen.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland.

Bijlage 1

Bijlage 2