40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water | BWBR0027858 | ministeriele-regeling | geldend | 2010-07-06 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0027858 | Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water |
Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*business developmentproject:* onderzoek naar de mogelijkheden voor en de voorbereiding van lokale oplossingen voor waterproblematiek in het buitenland;
b. b.
*demonstratie- of pilotproject:* activiteit waarbij een reeds bestaande technische of methodologische oplossing voor een bepaald probleem op het gebied van water wordt getoetst op lokale toepasbaarheid in maatschappelijk, technische, commerciële dan wel economische zin;
c. c.
*haalbaarheidsonderzoek:* onderzoek waarmee wordt bepaald of het behalen van de gestelde doelen van een voorgenomen economische activiteit op het gebied van waterproblematiek realistisch is;
d. d.
*identificatie- en marktstudie:* onderzoek naar mogelijke toepassing van specifieke producten of diensten als oplossing voor waterproblematiek of een studie waarin de aspecten worden geanalyseerd die relevant zijn voor het nemen van een investeringsbeslissing;
e. e.
*institutioneel versterkingsproject:* activiteit waarbij een lokale organisatie versterkt wordt met kennis en kunde van oplossingen voor waterproblematiek;
f. f.
*minister:* Minister van Verkeer en Waterstaat;
g. g.
*onderneming:* eenheid, ongeacht de rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
h. h.
*onderzoeksinstelling:*
1°.
in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs;
2°.
andere dan in de onder 1° bedoelde onderzoeksinstelling die geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid is gefinancierd en die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis;
3°.
geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs;
4°.
geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis;
5°.
andere entiteit als zodanig door de minister aangewezen;
1°. 1°. in onderdeel a of b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs; 2°. 2°. andere dan in de onder 1° bedoelde onderzoeksinstelling die geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid is gefinancierd en die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis; 3°. 3°. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs; 4°. 4°. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis; 5°. 5°. andere entiteit als zodanig door de minister aangewezen; i. i.
* project:* door een samenwerkingsverband uit te voeren demonstratie- of pilotproject, institutioneel versterkingsproject, haalbaarheidsonderzoek, identificatie- en marktstudie of business developmentproject;
j. j.
*samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband van ondernemingen, onderzoeksinstellingen, overheidsorganisaties of non-gouvernementele organisaties waarvan ten minste twee of meer deelnemers in Nederland gevestigd zijn;
k. k.
*tijdelijke kaderregeling:* Mededeling van de Europese Commissie van 17 december 2008 inzake de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16/1);
l. l.
* uitvoeringsorganisatie:* door de minister voor de uitvoering van deze regeling gemandateerde uitvoeringsorganisatie.
Artikel 2
De minister kan op aanvraag subsidie verlenen aan een samenwerkingsverband voor een project in één of meerdere landen, genoemd in bijlage 1, dat betrekking heeft op één of meerdere van de thema’s klimaat, voedsel en ecosystemen, drinkwater en sanitatie, veiligheid of governance waarbij bundeling van krachten van buitenlandse en in Nederland gevestigde ondernemingen, onderzoeksinstellingen, overheidsorganisaties of non-gouvernementele organisaties wordt bewerkstelligd.
Artikel 3
1.
Subsidiabele kosten zijn uitsluitend:
a. a. de volgende na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte rechtstreeks aan de uitvoering van een project toe te rekenen kosten:
1°.
loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°.
kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°.
afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°.
huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
5°.
aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten;
1°. 1°. loonkosten van direct bij een project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband; 2°. 2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; 3°. 3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving; 4°. 4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode; 5°. 5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten; b. b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. In afwijking van het eerste lid mag de subsidieaanvrager de in dat lid genoemde loonkosten berekenen op basis van een binnen zijn organisatie gebruikelijke en controleerbare methodiek, gebaseerd op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Dit wordt onderbouwd met een accountantsverklaring.
3. Indien de aanvrager bij toepassing van het tweede lid geen integraal uurtarief hanteert, kan op diens verzoek dit tarief worden vervangen door een uurtarief van € 35,–.
4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,–.
Artikel 4
Niet voor subsidie in aanmerking komen de kosten van:
a. a. verwerving van de subsidie; b. b. omzetbelasting over de kosten, tenzij de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet kan verrekenen of daarvoor geen compensatie kan verkrijgen.
Artikel 5
1.
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele projectkosten tot een maximum van:
a. a. € 500.000 als het een demonstratie- of pilotproject betreft; b. b. € 200.000 als het een institutioneel versterkingsproject betreft; c. c. € 125.000 als het een haalbaarheidsonderzoek, identificatie- en marktstudie of business developmentproject betreft.
2. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd indien en voor zover dit nodig is op basis van de tijdelijke kaderregeling.
Artikel 6
Het subsidieplafond voor 2010 bedraagt € 4.000.000,–.
Paragraaf 2. De aanvraag
Artikel 7
1. Een aanvraag om subsidie wordt uiterlijk 15 september 2010 ingediend bij de uitvoeringsorganisatie met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2.
2.
Een aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. een begroting voor het project; b. b. een activiteitenplan; c. c. per onderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband een verklaring beperkte steun overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 3. d. d. alsmede van de andere in het formulier bedoelde gegevens en bescheiden.
Artikel 8
Een aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien:
a. a. deze niet voldoet aan het bepaalde in deze regeling; b. b. deze niet voldoet aan het bepaalde in de tijdelijke kaderregeling; c. c. de subsidie minder zou bedragen dan € 50.000,–; d. d. indien reeds vóór het indienen van de aanvraag verplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot een project; e. e. een project een langere duur kent dan één jaar of een demonstratie- of pilotproject langer dan twee jaren, dan wel aannemelijk is dat een voornoemd project niet binnen de genoemde termijnen zal worden voltooid; f. f. reeds subsidie of andere bijdragen zijn verkregen voor een project; g. g. een project onvoldoende zal bijdragen aan het verwezenlijken van het doel van deze regeling; h. h. aannemelijk is dat de organisatorische capaciteiten en de financiële positie van het samenwerkingsverband onvoldoende zijn om een project naar behoren uit te voeren; i. i. de continuïteit voor de korte of middellange termijn van het samenwerkingsverband in het geding is; j. j. een project niet voldoet aan de milieuwetgeving of in het kader van een project geen gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare of gangbare technieken om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, of indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken; k. k. onvoldoende aannemelijk is dat een project technisch haalbaar is; l. l. indien op één of meer van de rangschikkingscriteria genoemd in artikel 9, eerste lid, onder a tot en met e, geen of slechts één punt wordt gescoord of indien de totaalscore na toepassing van de wegingsfactoren als opgenomen in bijlage 4 lager is dan 65 punten.
Artikel 9
1.
De minister rangschikt de aanvragen die hij positief beoordeelt op basis van de volgende rangschikkingcriteria:
a. a. de mate waarin het project bijdraagt aan mogelijkheden tot opschaling; b. b. de mate waarin het project leidt tot duurzame bundeling van krachten van buitenlandse en in Nederland gevestigde ondernemingen, onderzoeksinstellingen, overheidsorganisaties of non-gouvernementele organisaties uit de watersector; c. c. de mate waarin het project de unieke kwaliteiten op het gebied van water van buitenlandse en in Nederlandse gevestigde ondernemingen, onderzoeksinstellingen, overheidsorganisaties of non-gouvernementele organisaties ontsluit; d. d. de mate waarin het project bijdraagt aan het oplossen van de internationale waterproblematiek en de Millennium Development Goals van de Verenigde Naties; e. e. de mate waarin het project positieve maatschappelijke en economische effecten heeft in het land waar het project wordt uitgevoerd.
2. Aan de rangschikkingscriteria, genoemd in het eerste lid, wordt elk een score van maximaal vijf punten toegekend waarop de wegingsfactoren worden toegepast als opgenomen in bijlage 4, wat leidt tot een totaalscore van maximaal 100 punten.
Artikel 10
De minister verleent subsidie in de volgorde van de rangschikking, bedoeld in artikel 9.
Artikel 11
De minister beslist op een aanvraag om subsidie binnen 13 weken na 15 september 2010.
Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 12
1. De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en voltooit het uiterlijk op het in die beschikking opgenomen tijdstip.
2. De subsidieontvanger kan een schriftelijk verzoek tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening indienen bij de minister wegens vertraging, essentiële wijziging of stopzetting van een project. De minister kan voorschriften en beperkingen aan de wijziging verbinden.
Artikel 13
De subsidieontvanger voert een zodanige administratie waaruit te allen tijde op eenvoudige en eenduidige wijze valt af te leiden:
a. a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte werkzaamheden; b. b. indien van toepassing het aantal uren dat per werknemer is besteed aan het project.
Artikel 14
1. De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan de minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot surseance van betaling, tot faillietverklaring van hem of van andere omstandigheden die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn.
2. De subsidieontvanger doet onverwijld nadat de rechtspersoon of vennootschap is vervreemd dan wel de statutaire zetel is verplaatst, daarvan melding aan de minister.
3. De subsidieontvanger doet onverwijld nadat een of meer deelnemers van een vennootschap zijn uitgetreden, daarvan melding aan de minister.
4. Bij het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of vennootschap doet degene die feitelijk leiding geeft aan de rechtspersoon of vennootschap, daarvan onverwijld melding aan de minister.
Artikel 15
1. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project.
2. De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan een door of vanwege de minister ter zake van de toepassing van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek.
Artikel 16
In de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger met een waarde gelijk aan of groter dan € 125.000,–, wordt de verplichting opgelegd steeds na afloop van een periode van één jaar een schriftelijk verslag uit te brengen omtrent de voortgang van de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering en die resultaten met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de kosten.
Paragraaf 4. Voorschotten en subsidievaststelling
Artikel 17
1. De minister verleent aan de subsidieontvanger ambtshalve een eerste voorschot binnen twee weken na verlening van de subsidie.
2. Daaropvolgende voorschotten worden aan de subsidieontvanger ambtshalve verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten.
3. Het totale bedrag aan voorschotten bedraagt ten hoogste 90% van het verleende subsidiebedrag.
4. De minister verleent geen voorschot indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien de subsidieontvanger failliet is verklaard of aan diegene surseance van betaling is verleend of op diegene de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.
Artikel 18
1. De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na afloop van het project waarvoor subsidie is verleend bij de uitvoeringsorganisatie een aanvraag tot subsidievaststelling in.
2.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een bij de uitvoeringsorganisatie verkrijgbaar formulier, en gaat vergezeld van:
a. a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit formulier; b. b. een schriftelijk eindverslag over de uitvoering en bereikte resultaten van het project; c. c. twee exemplaren van alle inhoudelijke rapportages in de vorm van teksten, kaarten, databestanden die in het kader van het project zijn geproduceerd, zowel in gedrukte vorm als digitale vorm; d. d. indien de subsidie waarvoor vaststelling wordt gevraagd € 125.000,– of meer bedraagt, gaat het financieel eindverslag vergezeld van een accountantsverklaring opgesteld overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen model controleprotocol.
Artikel 19
1. De minister geeft een beschikking tot subsidievaststelling binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
2. Indien de beschikking niet binnen 22 weken kan worden gegeven, stelt de minister de betrokkene daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 20
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op voordien verleende subsidie.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Wereldwijd Werken met Water.