rijk/ministeriele-regeling/toekenning-stipendia-en-reisbeurzen-aan-beeldende-kunstenaars-en-architecten/BWBR0002819
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Toekenning stipendia en reisbeurzen aan beeldende kunstenaars en architecten BWBR0002819 ministeriele-regeling geldend 1972-06-02 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002819 Toekenning stipendia en reisbeurzen aan beeldende kunstenaars en architecten

Toekenning stipendia en reisbeurzen aan beeldende kunstenaars en architecten

Artikel 1

Ingesteld wordt een Adviescommissie voor de toekenning van stipendia en reistoelagen aan beeldende kunstenaars en architecten, hierna te noemen: de commissie.

Artikel 2

De commissie heeft tot taak desgevraagd dan wel uit eigen beweging de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk hierna te noemen: de Minister-voorstellen te doen omtrent de besteding van het bedrag, dat jaarlijks beschikbaar is voor de toekenning van stipendia en reistoelagen, met inachtneming van de in de artikelen 10 tot en met 15 gegeven richtlijnen.

Artikel 3

De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden. Twee leden worden benoemd op voordracht van de landelijke kunstenaarsverenigingen en de overige leden op voordracht van de Raad voor de Kunst.

Artikel 4

De Minister benoemt en ontslaat de leden van de commissie.

Artikel 5

De Minister benoemt uit de leden de voorzitter. De commissie wijst uit haar midden een vice-voorzitter aan.

Artikel 6

De Minister voegt aan de commissie een ambtelijk secretaris toe.

Artikel 7

De vergaderingen van de commissie kunnen worden bijgewoond door een ambtenaar van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Deze heeft een adviserende stem.

Artikel 8

1. Op 1 februari van elk jaar, te beginnen per 1 februari 1973, treedt één lid af volgens een rooster, dat door de Minister gehoord de commissie wordt vastgesteld.

2. Het aftredende lid is niet onmiddellijk herbenoembaar.

3. Een lid, dat tussentijds is benoemd, treedt af op het tijdstip, waarop zijn voorganger zou aftreden, met dien verstande, dat hij eenmaal herbenoembaar is.

Artikel 9

Aan de leden van de commissie wordt een vergoeding voor reis en verblijfkosten verleend, volgens de regelen, welke voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens reizen voor 's Rijksdienst gelden of zullen gelden voor categorie A.

Artikel 10

1. Een stipendium kan in beginsel worden toegekend aan beoefenaars van beeldende kunsten in elke vorm, aan beoefenaars van de bouwkunst en aan bepaalde samenwerkingsverbanden van beoefenaars van de beeldende kunsten en/of de bouwkunst conform het in lid 2 gestelde.

2. Een samenwerkingsverband als bedoeld in lid één wordt gevormd door partners, die duurzaam een beeldende eenheid vormen, zodanig dat de artistieke inbreng van betrokkenen gelijkwaardig, noodzakelijk en niet te scheiden is: hierna te noemen: beeldend team.

3. De toekenning zal uitsluitend ten doel hebben de kunstenaar of het beeldend team in staat te stellen zich gedurende enige tijd intensiever dan zijn financiële mogelijkheden het toelaten, aan zijn werk of aan bepaalde facetten daarvan te wijden.

Artikel 11

1. De toekenning van een stipendium zal in eerste istantie aan de hand van kwalitatieve maatstaven worden beoordeeld; daarnaast wordt ook met de materiële omstandigheden van de kunstenaar of het beeldend team rekening gehouden.

2. Bij de toekenning zal in het bijzonder aandacht worden geschonken aan die kunstenaars of beeldende teams, wier werk mogelijk een nieuwe ontwikkeling voor de beeldende kunst of de bouwkunst betekent, doch geen of onvoldoende economisch rendement of baten oplevert.

Artikel 12

1. De toekenning van een reis- en verblijftoelage zal in eerste instantie aan de hand van kwalitatieve maatstaven worden beoordeeld; daarnaast zal de toelage verband dienen te houden met de ontwikkeling in het werk van de kunstenaar of het beeldend team.

2. Bij de toekenning zal in het bijzonder aandacht worden geschonken aan die kunstenaars of beeldende teams, wier werk mogelijk een nieuwe ontwikkeling voor de beeldende kunst of de bouwkunst betekent.

Artikel 13

De commissie kan voorstellen, aan een kunstenaar of aan een beeldend team opnieuw een stipendium of een reis- en verblijftoelate te verlenen, indien daarvoor naar haar mening aanleiding bestaat, met dien verstande dat in principe eenzelfde kunstenaar of beeldend team ten hoogste in drie opeenvolgende jaren en ten hoogste driemaal in een periode van zes jaar een stipendium of een reis- en verblijftoelage zal kunnen ontvangen.

Artikel 14

1. Voor wat de hoogte van de stipendia betreft zal ervan worden uitgegaan dat het stipendium een financiële basis dient te zijn, die, gesuppleerd met het rendement van ander werk, een redelijk levenspeil voor de betrokkene(n) waarborgt.

2. De hoogte van een reis- en verblijftoelage zal maximaal die van een maximum stipendiumbedrag, aangevuld met de kosten van de reis kunnen bedragen.

Artikel 15

De voorstellen, nota's en rapporten van de commissie worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen der leden en schriftelijk aan de Minister aangeboden, Ieder lid is bevoegd daarin een afwijkende mening te doen opnemen.

Artikel 16

Vóór 1 februari van elk jaar zendt de commissie aan de Minister een verslag van haar werkzaamheden over het afgelopen jaar.

Voor de eerste keer zal dit geschieden vóór 1 februari 1973.

Artikel 17

De commissie kan met inachtneming van de bepalingen van deze beschikking haar werkwijze en die van de secretaris geheel naar eigen inzicht regelen.

Artikel 18

De kosten, voortvloeiende uit de door, namens of in opdracht van de commissie verrichte werkzaamheden komen, na verkregen goedkeuring van de Minister, ten laste van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

Artikel 19

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt door de secretaris van de commissie met inachtneming van de bepalingen van het besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie op overeenkomstige wijze als op het departement van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De bescheiden worden bij de opheffing van de commissie overgedragen aan het hoofd van de algemene secretarie en opgenomen in het archief van het departement.

Artikel 20

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die van haar plaatsing in de Nederlandse Staatscourant.